Zaak T-402/07
Kaul GmbH
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ARCOL — Ouder gemeenschapswoordmerk CAPOL — Uitvoering door BHIM van arrest houdende vernietiging van beslissing van zijn kamers van beroep — Relatieve weigeringsgrond — Ontbreken van verwarringsgevaar — Rechten van verdediging — Artikel 8, lid 1, sub b, artikel 61, lid 2, artikel 63, lid 6, artikel 73, tweede volzin, en artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94”
Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 25 maart 2009 II ‐ 742
Samenvatting van het arrest
Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure – Beroep bij gemeenschapsrechter – Uitvoering van arrest houdende vernietiging van beslissing van kamer van beroep
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63, lid 6)
Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Gevaar voor verwarring met ouder merk
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)
Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure – Beroep bij gemeenschapsrechter – Uitvoering van arrest houdende vernietiging van beslissing van kamer van beroep
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63, lid 6)
Gemeenschapsmerk – Procedurevoorschriften – Oppositieprocedure
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 74, lid 2)
Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure – Beroep bij gemeenschapsrechter – Bevoegdheid van gemeenschapsrechter
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63, lid 6)
Procedure – Interpretatie van arrest
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 43)
Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Gevaar voor verwarring met ouder merk
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)
Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Overeenstemming van betrokken merken
Gemeenschapsmerk – Beslissingen van Bureau – Wettigheid – Eerdere beslissingspraktijk van Bureau
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 131, lid 4)
Teneinde te voldoen aan de ingevolge artikel 63, lid 6, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk op hem rustende verplichting tot het treffen van de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest van de gemeenschapsrechter houdende vernietiging van de beslissing van een van zijn kamers van beroep, moet het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) ervoor zorgen dat het beroep leidt tot een nieuwe beslissing van een kamer van beroep. In dit verband mag het de zaak verwijzen naar een andere kamer van beroep.
(cf. punt 23)
Krachtens het beginsel van de onderlinge samenhang tussen de factoren die bij een globale beoordeling van het verwarringsgevaar in aanmerking dienen te worden genomen, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben, kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd. Evenwel is voor de toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk voor verwarringsgevaar tegelijkertijd vereist dat het aangevraagde merk en het oudere merk gelijk zijn of overeenstemmen en dat de waren of diensten waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, dezelfde of soortgelijk zijn als die waarvoor het oudere merk is ingeschreven. Dit zijn cumulatieve voorwaarden.
Wanneer het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) heeft geconcludeerd dat het aangevraagde merk en het oudere merk niet overeenstemmen, moet het aldus geen rekening houden met de algemene bekendheid van het oudere merk, daar het op goede gronden kan concluderen dat er geen enkel verwarringsgevaar bestaat, hoe groot het onderscheidend vermogen van het oudere merk ook is.
(cf. punten 28, 44)
Na de vernietiging door de gemeenschapsrechter van de beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) houdende afwijzing van een oppositie tegen de inschrijving van een gemeenschapsmerk, moet de kamer van beroep naar welke de zaak is verwezen, het beroep opnieuw onderzoeken. Voor zover in het vernietigingsarrest geen standpunt is ingenomen met betrekking tot de vraag of de conflicterende merken overeenstemmen, moet de kamer van beroep dit opnieuw onderzoeken en mag zij tot haar eigen conclusie komen, los van het standpunt in de vernietigde eerdere beslissing.
(cf. punten 38-39)
De relevantie van de feiten en bewijzen die de partijen in een oppositieprocedure voor het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) hebben aangevoerd na afloop van de daartoe gestelde termijnen, is een van de criteria waarmee het Bureau rekening moet houden wanneer het gebruikmaakt van zijn beoordelingsmarge overeenkomstig artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk om te beslissen of rekening dient te worden gehouden met die feiten en bewijzen.
(cf. punt 42)
De gemeenschapsrechter toetst de rechtmatigheid van de beslissingen van de instanties van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen). Wanneer hij concludeert dat een dergelijke beslissing, waartegen in een beroep voor hem wordt opgekomen, onrechtmatig is, moet hij deze beslissing vernietigen. Hij kan het beroep niet verwerpen door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de bevoegde instantie van het Bureau, die de bestreden handeling heeft verricht. Wanneer hij vaststelt dat de motivering van de beslissing van een kamer van beroep van het Bureau waarbij de beslissing van de oppositieafdeling tot afwijzing van de oppositie is bevestigd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, mag de gemeenschapsrechter niet zelf de oppositie afwijzen op een grond die niet is vermeld in de voor hem aangevochten beslissing.
(cf. punten 47, 49)
Volgens artikel 43 van het Statuut van het Hof heeft in geval van moeilijkheden aangaande de betekenis en de strekking van een arrest de gemeenschapsrechter die dit arrest heeft gewezen, tot taak dit uit te leggen. Wanneer een arrest houdende vernietiging van een beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) op verschillende manieren kan worden uitgelegd, bestaat er geen presumptie dat de voor de verzoekende partij meest gunstige uitlegging moet worden gekozen. De kamer van beroep naar welke de zaak na een dergelijke vernietiging is verwezen, is niet verplicht om de verzoekende partij te horen over de uitlegging van het vernietigingsarrest. Wanneer de verzoekende partij of het Bureau, die beide partij waren in de procedure voor de gemeenschapsrechter die tot deze vernietiging heeft geleid, moeilijkheden ondervindt bij de uitlegging van het vernietigingsarrest, moet de bevoegde gemeenschapsrechter hierover worden aangezocht.
(cf. punten 62-63)
Bij de producenten van levensmiddelen en van snoepgoed bestaat geen gevaar voor verwarring in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk tussen het woordteken ARCOL, waarvan de inschrijving als gemeenschapsmerk is aangevraagd voor „chemische producten voor het conserveren van voedingsmiddelen” van klasse 1 in de zin van de Overeenkomst van Nice en voor waren van de klassen 17 en 20 in de zin van deze Overeenkomst, en het woordmerk CAPOL, dat eerder als gemeenschapsmerk is ingeschreven voor „chemische producten voor het conserveren van levensmiddelen, te weten grondstoffen voor het conserveren van afgewerkte levensmiddelen, met name snoepgoed” van klasse 1 in de zin van die Overeenkomst, aangezien de conflicterende merken geenszins gelijk zijn of overeenstemmen en deze bepaling derhalve niet van toepassing is, ook al zijn de door deze merken aangeduide waren dezelfde.
(cf. punten 76, 92)
Dat twee woordmerken eenzelfde aantal letters hebben, heeft als zodanig geen bijzondere betekenis voor het publiek waarvoor deze merken zijn bestemd, zelfs wanneer het gaat om een gespecialiseerd publiek. Aangezien het alfabet bestaat uit een beperkt aantal letters, die overigens niet alle even vaak worden gebruikt, is het onvermijdelijk dat meerdere woorden evenveel letters hebben en zelfs bepaalde ervan gemeen hebben, zonder dat zij louter op grond daarvan kunnen worden geacht visueel overeen te stemmen.
Bovendien is het publiek zich doorgaans niet bewust van het juiste aantal letters waaruit een woordmerk bestaat en zal het dus in de meeste gevallen niet beseffen dat twee conflicterende merken evenveel letters hebben.
Bij de beoordeling van de visuele overeenstemming van twee woordmerken is het veeleer belangrijk of meerdere letters ervan in dezelfde volgorde staan.
(cf. punten 81-83)
De beslissingen die de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) krachtens verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk nemen betreffende de inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk, berusten op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid. Of een teken als gemeenschapsmerk kan worden ingeschreven, moet derhalve alleen worden beoordeeld op basis van deze verordening, zoals uitgelegd door de gemeenschapsrechter, en niet op basis van een eerdere praktijk van het Bureau. Deze overwegingen gelden a fortiori voor een verklaring die de vertegenwoordiger van het Bureau zou hebben afgelegd voor de gemeenschapsrechter, temeer daar gelet op de onafhankelijkheid van de voorzitter en van de leden van de kamers van beroep van het Bureau overeenkomstig artikel 131, lid 4, van deze verordening, deze niet zijn gebonden door het standpunt dat het Bureau in een geding voor de gemeenschapsrechter heeft ingenomen.
(cf. punten 98-99)