ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

13 juli 2011 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor installatie en onderhoud van liften en roltrappen – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Manipulatie van aanbestedingen – Marktverdeling – Vaststelling van prijzen”

In de zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07,

General Technic-Otis Sàrl, gevestigd te Howald (Luxemburg), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Nosbusch, advocaat, vervolgens door A. Winckler, advocaat, en J. Temple Lang, solicitor,

verzoekster in zaak T‑141/07,

General Technic Sàrl, gevestigd te Howald, vertegenwoordigd door M. Nosbusch,

verzoekster in zaak T‑142/07,

Otis NV, gevestigd te Dilbeek (België),

Otis GmbH & Co. OHG, gevestigd te Berlijn (Duitsland),

Otis BV, gevestigd te Amersfoort (Nederland),

Otis Elevator Company, gevestigd te Farmington, Connecticut (Verenigde Staten),

vertegenwoordigd door A. Winckler en J. Temple Lang,

verzoeksters in zaak T‑145/07,

United Technologies Corporation, gevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door A. Winckler, advocaat, en J. Temple Lang, solicitor,

verzoekster in zaak T‑146/07,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet en R. Sauer als gemachtigden, bijgestaan door A. Condomines, advocaat, in de zaken T‑141/07 en T‑142/07, en door A. Bouquet, R. Sauer en J. Bourke als gemachtigden, bijgestaan door A. Condomines, in de zaken T‑145/07 en T‑146/07,

verweerster,

betreffende verzoeken tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/E-1/38.823 – Liften en roltrappen), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), kamerpresident, N. Wahl en A. Dittrich, rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzittingen op 1, 6 en 7 oktober 2009,

het navolgende

Arrest

1

De onderhavige zaken betreffen verzoeken tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/E-1/38.823 – Liften en roltrappen) (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 maart 2008 (PB C 75, blz. 19), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten.

2

In de bestreden beschikking heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat de volgende ondernemingen artikel 81 EG hebben geschonden:

Kone Belgium NV (hierna: „Kone België”), Kone GmbH (hierna: „Kone Duitsland”), Kone Luxembourg Sàrl (hierna: „Kone Luxemburg”), Kone BV Liften en Roltrappen (hierna: „Kone Nederland”) en Kone Oyj (hierna: „KC”) (hierna samen of afzonderlijk: „Kone”);

Otis NV (hierna: „Otis België”), Otis GmbH & Co. OHG (hierna: „Otis Duitsland”), General Technic-Otis Sàrl (hierna: „GTO”), General Technic Sàrl (hierna: „GT”), Otis BV (hierna: „Otis Nederland”), Otis Elevator Company (hierna: „OEC”) en United Technologies Corporation (hierna: „UTC”) (hierna samen of afzonderlijk: „Otis”);

Schindler NV (hierna: „Schindler België”), Schindler Deutschland Holding GmbH (hierna: „Schindler Duitsland”), Schindler Sàrl (hierna: „Schindler Luxemburg”), Schindler Liften BV (hierna: „Schindler Nederland”) en Schindler Holding Ltd (hierna: „Schindler Holding”) (hierna samen of afzonderlijk: „Schindler”);

ThyssenKrupp Liften Ascenseurs NV (hierna: „TKLA”), ThyssenKrupp Aufzüge GmbH (hierna: „TKA”), ThyssenKrupp Fahrtreppen GmbH (hierna: „TKF”), ThyssenKrupp Elevator AG (hierna: „TKE”), ThyssenKrupp AG (hierna: „TKAG”), ThyssenKrupp Ascenseurs Luxembourg Sàrl (hierna: „TKAL”) en ThyssenKrupp Liften BV (hierna: „TKL”) (hierna samen of afzonderlijk: „ThyssenKrupp”);

Mitsubishi Elevator Europe BV (hierna: „MEE”).

3

UTC is wereldleider op het gebied van bouwsystemen en in de lucht‑ en ruimtevaartindustrie. OEC is een in de Verenigde Staten gevestigde 100 %-dochteronderneming van UTC die via nationale dochterondernemingen actief is in de sector van roltrappen en liften. Deze dochterondernemingen zijn met name, in België, Otis België, in Duitsland, Otis Duitsland, in Luxemburg, GTO, en, in Nederland, Otis Nederland. Ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking was GTO voor 75 % in handen van Otis België en voor de resterende 25 % in handen van GT (punten 21‑26 van de bestreden beschikking).

Administratieve procedure

Onderzoek van de Commissie

4

In de zomer van 2003 werd de Commissie ingelicht over het mogelijke bestaan van een kartel tussen de vier grootste Europese liften‑ en roltrappenfabrikanten die handelsactiviteiten in de Unie verrichten, namelijk Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp (punten 3 en 91 van de bestreden beschikking).

België

5

Vanaf 28 januari 2004 en in de loop van maart 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp in België verificaties verricht (punten 92, 93, 95 en 97 van de bestreden beschikking).

6

Kone, Otis, ThyssenKrupp en Schindler hebben achtereenvolgens verzoeken ingediend krachtens de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) (hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”), die zij vervolgens hebben aangevuld (punten 94, 96, 98 en 103 van de bestreden beschikking).

7

Op 29 juni 2004 is krachtens punt 8, sub b, van deze mededeling een voorwaardelijke immuniteit verleend aan Kone (punt 99 van de bestreden beschikking).

8

Voorts heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) in de periode van september tot december 2004 informatieverzoeken gezonden aan de ondernemingen die in België aan de inbreuk hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de Belgische vereniging Agoria (punten 101 en 102 van de bestreden beschikking).

Duitsland

9

Vanaf 28 januari 2004 en in de loop van maart 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Otis en ThyssenKrupp in Duitsland verificaties verricht (punten 104 en 106 van de bestreden beschikking).

10

Op 12 en 18 februari 2004 heeft Kone het verzoek dat zij op 2 februari 2004 op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 voor België had ingediend, met informatie over Duitsland aangevuld. Otis heeft eveneens, in de periode van maart 2004 tot februari 2005, haar verzoek met betrekking tot België met informatie over Duitsland aangevuld. Schindler heeft op 25 november 2004 op grond van deze mededeling een verzoek ingediend dat informatie over Duitsland bevatte. Zij heeft dit verzoek tussen december 2004 en februari 2005 aangevuld. Ten slotte heeft ThyssenKrupp in december 2005 eveneens op grond van deze mededeling een verzoek met betrekking tot Duitsland bij de Commissie ingediend (punten 105, 107, 112 en 114 van de bestreden beschikking).

11

Voorts heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 in de periode van september tot november 2004 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Duitsland hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de verenigingen VDMA, VFA en VMA (punten 110, 111 en 113 van de bestreden beschikking).

Luxemburg

12

Op 5 februari 2004 heeft Kone haar verzoek van 2 februari 2004 met betrekking tot België met informatie over Luxemburg aangevuld. Otis en ThyssenKrupp hebben op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een mondeling verzoek met betrekking tot Luxemburg ingediend. Schindler heeft eveneens op grond van deze mededeling een verzoek met betrekking tot Luxemburg ingediend (punten 115, 118, 119 en 124 van de bestreden beschikking).

13

Vanaf 9 maart 2004 heeft de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Schindler en ThyssenKrupp te Luxemburg verificaties verricht (punt 116 van de bestreden beschikking).

14

Op 29 juni 2004 is krachtens punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 een voorwaardelijke immuniteit verleend aan Kone, voor zover haar verzoek dienaangaande betrekking had op Luxemburg (punt 120 van de bestreden beschikking).

15

In september en oktober 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Luxemburg hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de Fédération Luxemburgeoise des ascensoristes (punten 122 en 123 van de bestreden beschikking).

Nederland

16

In maart 2004 heeft Otis op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek met betrekking tot Nederland ingediend, dat zij later heeft aangevuld. In april 2004 heeft ThyssenKrupp op grond van deze mededeling een verzoek ingediend, dat zij ook later – herhaaldelijk – heeft aangevuld. Ten slotte heeft Kone op 19 juli 2004 haar verzoek van 2 februari 2004 met betrekking tot België met informatie over Nederland aangevuld (punten 127, 129 en 130 van de bestreden beschikking).

17

Op 27 juli 2004 is krachtens punt 8, sub a, van bovengenoemde mededeling een voorwaardelijke immuniteit verleend aan Otis (punt 131 van de bestreden beschikking).

18

Vanaf 28 april 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Kone, Schindler, ThyssenKrupp en MEE in Nederland alsook in de kantoren van de vereniging Boschduin verificaties verricht (punt 128 van de bestreden beschikking).

19

In september 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Nederland hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de verenigingen VLR en Boschduin (punten 133 en 134 van de bestreden beschikking).

Mededeling van de punten van bezwaar

20

Op 7 oktober 2005 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die met name gericht was tot de hierboven in punt 2 genoemde vennootschappen. Alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben in antwoord op de punten van bezwaar van de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend (punten 135 en 137 van de bestreden beschikking).

21

Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden, aangezien geen enkele adressaat van de mededeling van punten van bezwaar daarom heeft verzocht (punt 138 van de bestreden beschikking).

Bestreden beschikking

22

Op 21 februari 2007 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld. Volgens deze beschikking hebben de adressaten ervan aan vier complexe inbreuken op artikel 81, lid 1, EG deelgenomen, dit in vier lidstaten, waarbij het telkens ging om één enkele voortdurende inbreuk. Zij hebben namelijk de markten onderling verdeeld door overeenkomsten te sluiten of overleg te plegen over de gunning van aanbestedingen en van overeenkomsten betreffende de verkoop, de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen (punt 2 van de bestreden beschikking).

23

Wat de adressaten van de bestreden beschikking betreft, heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de moedermaatschappijen naast hun dochterondernemingen in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland hoofdelijk aansprakelijk moesten worden gesteld voor de door deze dochterondernemingen gepleegde inbreuken op artikel 81 EG, omdat zij tijdens de duur van de inbreuk een beslissende invloed op hun commercieel beleid hadden kunnen uitoefenen en vermoed kon worden dat zij deze macht hadden aangewend (punten 608, 615, 622, 627 en 634‑641 van de bestreden beschikking). De moedermaatschappijen van MEE zijn niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het gedrag van hun dochteronderneming, omdat niet kon worden vastgesteld dat zij een beslissende invloed op haar gedrag hadden uitgeoefend (punt 643 van de bestreden beschikking).

24

Voor de berekening van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie in de bestreden beschikking de methode toegepast die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”). Zij heeft eveneens onderzocht of en in hoeverre de betrokken ondernemingen voldeden aan de in de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde vereisten.

25

De Commissie heeft de inbreuken als „zeer zwaar” gekwalificeerd, gelet op de aard ervan en op het feit dat elk ervan het gehele grondgebied van een lidstaat (België, Duitsland, Luxemburg of Nederland) bestreek, ook al kon de werkelijke weerslag ervan niet worden gemeten (punt 671 van de bestreden beschikking).

26

Om rekening te houden met de daadwerkelijke economische macht van de betrokken ondernemingen om de mededinging aanzienlijke schade toe te brengen, heeft de Commissie deze per land in verschillende categorieën ingedeeld op basis van de omzet die zij op de markt voor liften en/of roltrappen, waaronder in voorkomend geval die voor onderhouds‑ en moderniseringsdiensten, behaalden (punten 672 en 673 van de bestreden beschikking).

27

Wat het kartel in België betreft, zijn Kone en Schindler in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op basis van de zwaarte van de inbreuk op 40000000 EUR vastgesteld. Otis is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 27000000 EUR vastgesteld. ThyssenKrupp is in de derde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 16500000 EUR vastgesteld (punten 674 en 675 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 45900000 EUR en 33000000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk zeven jaar en acht maanden (van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor de betrokken ondernemingen met 75 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 70000000 EUR, voor Otis op 80325000 EUR, voor Schindler op 70000000 EUR en voor ThyssenKrupp op 57750000 EUR vastgesteld (punten 692 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 708‑710 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 733, 734, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Kone volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, en een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. ThyssenKrupp heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van deze mededeling een verlaging van 20 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler heeft een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 760‑777 van de bestreden beschikking).

28

Wat het kartel in Duitsland betreft, zijn Kone, Otis en ThyssenKrupp in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 70000000 EUR vastgesteld. Schindler is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 17000000 EUR vastgesteld (punten 676‑679 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 119000000 EUR en 140000000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk van Kone, Otis en ThyssenKrupp acht jaar en vier maanden (van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 80 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van Schindler vijf jaar en vier maanden (van 1 augustus 1995 tot 6 december 2000) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze onderneming met 50 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 126000000 EUR, voor Otis op 214200000 EUR, voor Schindler op 25500000 EUR en voor ThyssenKrupp op 252000000 EUR vastgesteld (punten 693 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697‑707 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 727‑729, 735, 736, 742 744, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Kone heeft de in punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 vastgestelde maximale verlaging van 50 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van deze mededeling een verlaging van 25 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, derde streepje, van deze mededeling een verlaging van 15 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. ThyssenKrupp heeft een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 778‑813 van de bestreden beschikking).

29

Wat het kartel in Luxemburg betreft, zijn Otis en Schindler in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 10000000 EUR vastgesteld. Kone en ThyssenKrupp zijn in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 2500000 EUR vastgesteld (punten 680‑683 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 17000000 EUR en 5000000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk acht jaar en drie maanden (van 7 december 1995 tot 9 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor de betrokken ondernemingen met 80 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 4500000 EUR, voor Otis op 30600000 EUR, voor Schindler op 18000000 EUR en voor ThyssenKrupp op 9000000 EUR vastgesteld (punten 694 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 711‑714 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 730, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Kone volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler en ThyssenKrupp hebben enkel een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten gekregen (punten 814‑835 van de bestreden beschikking).

30

Wat het kartel in Nederland betreft, is Kone in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 55000000 EUR vastgesteld. Otis is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 41000000 EUR vastgesteld. Schindler is in de derde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 24500000 EUR vastgesteld. ThyssenKrupp en MEE zijn in de vierde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 8500000 EUR vastgesteld (punten 684 en 685 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 69700000 EUR en 17000000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk van Otis en ThyssenKrupp vijf jaar en tien maanden (van 15 april 1998 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 55 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van Kone en Schindler vier jaar en negen maanden (van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 45 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van MEE vier jaar en één maand (van 11 januari 2000 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze onderneming met 40 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 79750000 EUR, voor Otis op 108035000 EUR, voor Schindler op 35525000 EUR, voor ThyssenKrupp op 26350000 EUR en voor MEE op 11900000 EUR vastgesteld (punten 695 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 715‑720 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 724‑726, 731, 732, 737, 739‑741, 745‑748 en 751‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Otis volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. ThyssenKrupp heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler en MEE hebben een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 836‑855 van de bestreden beschikking).

31

Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

1.   Wat België betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds‑ en moderniseringscontracten:

Kone: [KC] en [Kone België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKLA]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

2.   Wat Duitsland betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel:

Kone: [KC] en [Kone Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 6 december 2000; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE], [TKA] en [TKF]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003.

3.   Wat Luxemburg betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds‑ en moderniseringscontracten:

Kone: [KC] en [Kone Luxemburg]: van 7 december 1995 tot 29 januari 2004;

Otis: [UTC], [OEC], [Otis België], [GTO] en [GT]: van 7 december 1995 tot 9 maart 2004;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Luxemburg]: 7 december 1995 tot 9 maart 2004; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKAL]: van 7 december 1995 tot 9 maart 2004.

4.   Wat Nederland betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds‑ en moderniseringscontracten:

Kone: [KC] en [Kone Nederland]: van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Nederland]: van 15 april 1998 tot 5 maart 2004;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Nederland]: van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004;

ThyssenKrupp: [TKAG] en [TKL]: van 15 april 1998 tot 5 maart 2004; en

[MEE]: van 11 januari 2000 tot 5 maart 2004.

Artikel 2

1.   Voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde inbreuken in België worden de volgende geldboeten opgelegd:

Kone: [KC] en [Kone België], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis België], hoofdelijk aansprakelijk: 47713050 EUR;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler België], hoofdelijk aansprakelijk: 69300000 EUR; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKLA], hoofdelijk aansprakelijk: 68607000 EUR.

2.   Voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde inbreuken in Duitsland worden de volgende geldboeten opgelegd:

Kone: [KC] en [Kone Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 62370000 EUR;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 159043500 EUR;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 21458250 EUR; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE], [TKA] en [TKF], hoofdelijk aansprakelijk: 374220000 EUR.

3.   Voor de in artikel 1, lid 3, bedoelde inbreuken in Luxemburg worden de volgende geldboeten opgelegd:

Kone: [KC] en [Kone Luxemburg], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

Otis: [UTC], [OEC], [Otis België], [GTO] en [GT], hoofdelijk aansprakelijk: 18176400 EUR;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Luxemburg], hoofdelijk aansprakelijk: 17820000 EUR; en

ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKAL], hoofdelijk aansprakelijk: 13365000 EUR.

4.   Voor de in artikel 1, lid 4, bedoelde inbreuken in Nederland worden de volgende geldboeten opgelegd:

Kone: [KC] en [Kone Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 79750000 EUR;

Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 35169750 EUR;

ThyssenKrupp: [TKAG] en [TKL], hoofdelijk aansprakelijk: 23477850 EUR; en

[MEE]: 1841400 EUR.

[...]”

Procesverloop en conclusies van partijen

32

Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 mei 2007 (in de zaken T‑141/07 en T‑142/07) en op 7 mei 2007 (in de zaken T‑145/07 en T‑146/07), hebben verzoeksters, GTO, GT, Otis België, Otis Duitsland, Otis Nederland, OEC en UTC, de onderhavige beroepen ingesteld.

33

Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten in de onderhavige zaken tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het schriftelijke vragen gesteld aan de partijen en hun verzocht, bepaalde stukken over te leggen, waaraan binnen de gestelde termijn is voldaan.

34

Naar aanleiding van een verzoek dat de Commissie op 18 augustus 2009 in zaak T‑145/07 heeft ingediend, heeft het Gerecht bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering ook de Commissie verzocht, een aantal vragen te beantwoorden en bepaalde stukken over te leggen, waaraan deze laatste binnen de gestelde termijn heeft voldaan.

35

Ter terechtzitting van 1, 6 en 7 oktober 2009 hebben de partijen in de zaken T‑141/07, T‑145/07 en T‑146/07 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

36

Verzoekster in zaak T‑142/07 was niet vertegenwoordigd ter terechtzitting van 1 oktober 2009. Niettemin heeft de Commissie tijdens deze terechtzitting geantwoord op de vragen van het Gerecht.

37

Verzoekster in zaak T‑141/07 heeft op verzoek van het Gerecht in een brief van 12 oktober 2009 de gegevens uit het dossier genoemd waarvan zij ter terechtzitting had gevraagd dat zij uit het gepubliceerde arrest van het Gerecht zouden worden weggelaten. Bij brief van 12 november 2009 heeft de Commissie haar opmerkingen over deze brief ingediend. Vervolgens is de mondelinge behandeling in deze zaak afgesloten.

38

Bij brief van 12 oktober 2009 heeft verzoekster in zaak T‑142/07 het Gerecht meegedeeld dat zij er geen bezwaar tegen had dat deze zaak voor het arrest met de zaken T‑141/07, T‑145/07 en T‑146/07 werd gevoegd. Vervolgens is de mondelinge behandeling in zaak T‑142/07 afgesloten.

39

Verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 hebben op verzoek van het Gerecht in een brief van 15 oktober 2009 de gegevens uit het dossier genoemd waarvan zij ter terechtzitting hadden gevraagd dat zij uit het gepubliceerde arrest van het Gerecht zouden worden weggelaten. Vervolgens is de mondelinge behandeling in deze zaken afgesloten.

40

Nadat verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑145/07 en T‑146/07 hierover ter terechtzitting waren gehoord en verzoekster in zaak T‑142/07 eveneens, schriftelijk, haar opmerkingen had gemaakt, heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering de onderhavige zaken voor het arrest gevoegd.

41

Verzoekster in zaak T‑141/07 verzoekt het Gerecht:

de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover zij op haar betrekking heeft;

subsidiair, de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

42

Verzoekster in zaak T‑142/07 verzoekt het Gerecht:

de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover zij op haar betrekking heeft;

subsidiair, de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

43

Verzoeksters in zaak T‑145/07 verzoeken het Gerecht:

de hun bij de bestreden beschikking opgelegde geldboeten in te trekken of aanzienlijk te verlagen;

de Commissie te verwijzen in de kosten;

alle andere maatregelen te nemen die het Gerecht passend acht.

44

Verzoekster in zaak T‑146/07 verzoekt het Gerecht:

de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboeten in te trekken of aanzienlijk te verlagen;

de Commissie te verwijzen in de kosten;

alle andere maatregelen te nemen die het Gerecht nuttig acht.

45

De Commissie verzoekt het Gerecht in elke zaak:

het beroep te verwerpen;

verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

46

Vooraf zij opgemerkt dat de beroepen die verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑142/07 hebben ingesteld, een tweeledig doel hebben: zij verzoeken primair om nietigverklaring van de bestreden beschikking en subsidiair om intrekking of verlaging van de geldboeten. De beroepen die verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 hebben ingesteld, strekken daarentegen enkel tot intrekking of verlaging van de geldboeten.

47

Nadat zij ter terechtzitting door het Gerecht was uitgenodigd om haar opmerkingen te maken over de precieze strekking van haar argumenten, heeft verzoekster in zaak T‑141/07 in wezen verklaard dat enkel het middel inzake schending van het gelijkheidsbeginsel, voor zover het gedrag van GTO aan haar moedermaatschappijen is toegerekend, zou kunnen leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel.

48

Verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07 voeren samen acht middelen aan. Het eerste middel betreft de schending van de beginselen inzake de toerekening van de aansprakelijkheid voor inbreuken op artikel 81 EG, het vermoeden van onschuld, het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen, het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de toerekening aan de moedermaatschappijen van de door hun dochterondernemingen gepleegde inbreuken. Het tweede middel betreft de schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheids‑ en het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte van inbreuken. Het derde middel, dat enkel wordt aangevoerd door verzoeksters in zaak T‑145/07, betreft de schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten op basis van de duur van de inbreuk in Duitsland. Het vierde middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07, betreft de schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de toepassing van de gemeenschappelijke afschrikkingsfactor in het kader van de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten. Het vijfde middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07, betreft de schending van de mededeling inzake medewerking van 2002, artikel 253 EG, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het billijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de verdediging bij de beoordeling van de door hen verleende medewerking. Het zesde middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07, betreft de schending van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het bedrag waarmee de geldboeten dienen te worden verlaagd wegens de medewerking die is verleend buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002. Het zevende middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07, betreft de schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Het achtste middel, ten slotte, dat wordt aangevoerd door verzoekster in zaak T‑141/07, betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening van het eindbedrag van de geldboeten.

Middel inzake schending van de beginselen inzake de toerekening van aansprakelijkheid voor inbreuken op artikel 81 EG, het vermoeden van onschuld, het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen, het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de toerekening aan de moedermaatschappijen van de door hun dochterondernemingen gepleegde inbreuken

Voorafgaande opmerkingen

49

In het kader van dit middel betwisten verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07 dat UTC, OEC, Otis België en GT aansprakelijk zijn voor de mededingingsverstorende gedragingen van hun dochterondernemingen in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland.

50

Hoewel verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 dit middel slechts aanvoeren in het kader van hun verzoek tot intrekking of verlaging van de geldboeten, dient te worden vastgesteld dat dit middel, evenals dat van verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑142/07, niet enkel strekt tot intrekking of verlaging van de opgelegde geldboeten, maar ook tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking, voor zover de Commissie daarin ten onrechte een inbreuk aan de betrokken moedermaatschappijen heeft toegerekend.

51

Het onderhavige middel heeft dus zowel betrekking op de rechtmatigheid van de vaststelling dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde moedermaatschappijen een inbreuk hebben gepleegd, als op de rechtmatigheid van de in artikel 2 van de bestreden beschikking aan deze vennootschappen opgelegde geldboeten.

52

Wat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij voor het gedrag van haar dochteronderneming betreft, zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat een dochteronderneming eigen rechtspersoonlijkheid bezit, niet volstaat om de mogelijkheid uit te sluiten dat haar gedrag aan de moedermaatschappij wordt toegerekend (arrest Hof van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie, 48/69, Jurispr. blz. 619, punt 132).

53

De mededingingsregels van de Unie zien immers op de activiteiten van ondernemingen en het begrip onderneming omvat elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (zie arrest Hof van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

Voorts heeft de Unierechter gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (zie arrest Hof van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, Jurispr. blz. 2999, punt 11, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van 29 juni 2000, DSG/Commissie, T‑234/95, Jurispr. blz. II 2603, punt 124). De Unierechter heeft aldus beklemtoond dat voor de toepassing van de mededingingsregels niet beslissend is dat twee vennootschappen formeel los van elkaar staan doordat zij elk eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Wat telt is de vraag of zij zich op de markt al dan niet als een eenheid gedragen. Het kan dus noodzakelijk zijn, te onderzoeken of twee vennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid één onderneming of economische eenheid vormen die éénzelfde gedragslijn op de markt volgt (arrest Imperial Chemical Industries/Commissie, aangehaald in punt 52, punt 140, en arrest Gerecht van 15 september 2005, DaimlerChrysler/Commissie, T‑325/01, Jurispr. blz. II 3319, punt 85).

55

Wanneer een dergelijke economische eenheid de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid voor deze inbreuk dragen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56

Zo kan het gedrag van een dochteronderneming met name aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming, ook al bezit zij eigen rechtspersoonlijkheid, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie arresten Hof van 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, Jurispr. blz. I‑10065, punt 27, en 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 117, alsook arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57

In een dergelijke situatie maken de moederonderneming en haar dochteronderneming immers deel uit van één economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van de hierboven in punt 54 genoemde rechtspraak. Indien een moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, kan de Commissie dus een boetebeschikking tot de moedermaatschappij richten, zonder dat zij hoeft aan te tonen dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 59).

58

In dit verband moet worden gepreciseerd dat de Commissie zich niet kan beperken tot de vaststelling dat een onderneming een beslissende invloed op de andere onderneming kan uitoefenen, zonder na te gaan of deze invloed daadwerkelijk is uitgeoefend. Het staat integendeel in beginsel aan de Commissie om een dergelijke beslissende invloed aan te tonen op grond van een geheel van feiten, waaronder in het bijzonder de eventuele bevoegdheid van een van deze ondernemingen om aan de andere leiding te geven (zie in die zin arrest Hof van 2 oktober 2003, Aristrain/Commissie, C‑196/99 P, Jurispr. blz. I‑11005, punten 96‑99, en arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 56, punten 118‑122; arrest Gerecht van 27 september 2006, Avebe/Commissie, T‑314/01, Jurispr. blz. II‑3085, punt 136).

59

In het bijzondere geval dat een moedermaatschappij 100 % in handen heeft van het kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochter en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60

In die omstandigheden is het voldoende dat de Commissie bewijst dat het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij om aan te nemen dat deze laatste een beslissende invloed op het commerciële beleid van deze dochter uitoefent. De Commissie kan de moederonderneming vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij deze moedermaatschappij, die dit vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen verstrekt dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61

Bovendien heeft het Hof weliswaar in de punten 28 en 29 van zijn arrest van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925), naast het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochteronderneming, ook andere omstandigheden aangehaald, zoals het feit dat de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochteronderneming niet wordt betwist en dat de twee vennootschappen in de administratieve procedure door dezelfde persoon zijn vertegenwoordigd, maar het heeft deze omstandigheden slechts vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en niet om de toepassing van het hierboven in punt 59 genoemde vermoeden afhankelijk te stellen van de verstrekking van extra aanwijzingen waaruit blijkt dat de moedermaatschappij daadwerkelijk invloed heeft uitgeoefend (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 62).

62

De toerekening van de door Otis Duitsland, Otis België, Otis Nederland en GTO gepleegde inbreuken aan hun respectieve moedermaatschappijen moet in het licht van de hierboven genoemde beginselen worden onderzocht. In dit verband moeten achtereenvolgens de toerekening aan UTC en OEC van de door Otis België, Otis Duitsland en Otis Nederland (hierna samen: „dochterondernemingen van Otis”) in België, Duitsland en Nederland gepleegde inbreuken (punten 615‑621 van de bestreden beschikking) en de toerekening aan UTC, OEC, Otis België en GT van de door GTO in Luxemburg gepleegde inbreuken (punten 622‑626 van de bestreden beschikking) worden onderzocht.

Toerekening van de door de dochterondernemingen van Otis gepleegde inbreuken aan UTC en OEC

63

In punt 615 van de bestreden beschikking zet de Commissie uiteen dat „[de dochterondernemingen van Otis] weliswaar de juridische entiteiten zijn die rechtstreeks aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, maar dat hun eigenaar, OEC, en de enige eigenaar en hoofdmoedermaatschappij daarvan, UTC, tijdens de duur van de inbreuk een beslissende invloed op het commerciële beleid van elk van de dochterondernemingen konden uitoefenen en vermoed kan worden dat zij deze macht hebben aangewend”.

64

In de punten 616 tot en met 618 van de bestreden beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat het argument dat de dochterondernemingen van Otis al hun commerciële beslissingen zelfstandig nemen, zonder enige instructie van OEC te ontvangen, dat de courante activiteiten, daaronder begrepen de beslissingen om al dan niet op aanbestedingen in te gaan [vertrouwelijk] ( 1 ), niet aan de goedkeuring door OEC waren onderworpen, en dat [vertrouwelijk], „niet volstaat om het vermoeden dat de [dochterondernemingen van Otis] hun marktgedrag niet zelfstandig bepaalden, te weerleggen”. Wat dit laatste argument betreft, voegt de Commissie hier in punt 618 van de bestreden beschikking aan toe dat [vertrouwelijk] en dat [vertrouwelijk].

65

De Commissie heeft eveneens in punt 619 van de bestreden beschikking opgemerkt dat „OEC, UTC en hun betrokken dochterondernemingen [haar] in hun antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar geen informatie over hun onderlinge vennootschappelijke betrekkingen, de hiërarchische structuur en de rapporteringsverplichtingen hebben verstrekt om het vermoeden te weerleggen dat OEC en UTC een beslissende invloed op hun dochterondernemingen uitoefenden en hen beletten om hun marktgedrag zelfstandig te bepalen”.

66

Ten slotte heeft de Commissie in punt 620 van de bestreden beschikking opgemerkt dat OEC, anders dan deze zelf stelde, „niet om ‚praktische of politieke’ redenen hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de verschillende inbreuken op artikel 81 [EG], maar uitsluitend op basis van het feit dat OEC en UTC deel uitmaken van een economische eenheid die zeer zware inbreuken op de [...] mededingingsregels [van de Unie] heeft gepleegd. [...]”

67

In de eerste plaats stellen verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 in wezen dat het mededingingsrecht, gelet op het persoonlijke karakter van de aansprakelijkheid voor inbreuken op dit recht, slechts in twee gevallen aanvaardt dat de moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld voor het gedrag van haar dochteronderneming, namelijk wanneer de dochteronderneming haar commerciële beleid niet zelfstandig heeft bepaald, maar de instructies van de moedermaatschappij in alle opzichten heeft opgevolgd, wat door de Commissie dient te worden bewezen, en wanneer de moedermaatschappij kennis had van het onrechtmatige gedrag van de dochteronderneming en er geen einde aan heeft gemaakt, hoewel zij daartoe de macht had. De bestreden beschikking bevat evenwel geen enkel bewijs in die zin.

68

De aansprakelijkheid van een moedermaatschappij kan dus niet gebaseerd zijn op haar vermogen om invloed uit te oefenen, zoals dit in aanmerking wordt genomen in het kader van de toepassing van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1). Het standpunt van de Commissie komt erop neer dat geen enkele moedermaatschappij het door haar gestelde vermoeden kan weerleggen, aangezien het – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – onmogelijk is dat een vennootschap die een andere aandelenvennootschap volledig in handen heeft, niet de juridische mogelijkheid heeft om invloed uit te oefenen. Verzoekster in zaak T‑146/07 stelt bovendien dat de stelling van de Commissie in strijd is met het vermoeden van onschuld, dat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), en met artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, volgens hetwelk de Commissie slechts geldboeten kan opleggen indien de inbreuk opzettelijk of uit onachtzaamheid is gepleegd.

69

Dienaangaande zij ten eerste opgemerkt dat het betoog van verzoeksters berust op een onjuiste lezing van de hierboven in de punten 52 tot en met 61 genoemde rechtspraak. Volgens deze rechtspraak kan de Commissie zich niet baseren op het loutere vermogen van een vennootschap om invloed uit te oefenen, zoals dit in het kader van de toepassing van verordening nr. 139/2004 in aanmerking wordt genomen, om het mededingingsverstorende gedrag van een vennootschap aan een andere vennootschap toe te rekenen, zonder na te gaan of deze invloed daadwerkelijk is uitgeoefend. Het staat integendeel in beginsel aan de Commissie om een dergelijke beslissende invloed aan te tonen op grond van een geheel van feiten, waaronder in het bijzonder de eventuele bevoegdheid van een van deze ondernemingen om aan de andere leiding te geven. Wanneer een moedermaatschappij de volledige zeggenschap heeft over een dochteronderneming die een inbreuk heeft gepleegd, bestaat evenwel volgens deze rechtspraak een weerlegbaar vermoeden dat de moedermaatschappij een beslissende invloed op het gedrag van haar dochter uitoefent, en hoeft de Commissie dus enkel te bewijzen dat de moedermaatschappij het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat het aan de moedermaatschappij staat om dit vermoeden te weerleggen door afdoende bewijzen te verstrekken dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt (arresten Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 61, punt 29, en Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 61).

70

In casu staat vast dat UTC tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd rechtstreeks 100 % van het kapitaal van OEC en indirect, via OEC, 100 % van het kapitaal van Otis België, Otis Duitsland en Otis Nederland in handen had. De Commissie is er dus terecht van uitgegaan dat UTC tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd een beslissende invloed op het commerciële beleid van deze vennootschappen heeft uitgeoefend. Verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 kunnen dus niet stellen dat, wanneer de dochterondernemingen voor 100 % in handen zijn van hun moedermaatschappij, de Commissie moet bewijzen dat de dochteronderneming haar commerciële beleid niet zelfstandig heeft bepaald of dat de moedermaatschappij kennis had van het onrechtmatige gedrag van de dochteronderneming en er geen einde aan heeft gemaakt, hoewel zij daartoe de macht had.

71

Wat ten tweede de gestelde schending van het vermoeden van onschuld betreft, zij eraan herinnerd dat dit beginsel, zoals het met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, EVRM, deel uitmaakt van de fundamentele rechten die volgens de rechtspraak van het Hof – die overigens is bevestigd door artikel 6, lid 2, EU en artikel 48 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1) – in de rechtsorde van de Unie worden erkend. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de zwaarte van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie arrest Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72

Het beginsel van het vermoeden van onschuld houdt in dat iedere beschuldigde voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan (arrest Gerecht van 6 oktober 2005, Sumitomo Chemical en Sumika Fine Chemicals/Commissie, T‑22/02 en T‑23/02, Jurispr. blz. II‑4065, punt 106).

73

Wat de vraag betreft of een regel betreffende de toerekenbaarheid van een inbreuk, zoals die welke in de hierboven in punt 59 aangehaalde rechtspraak wordt uiteengezet, verenigbaar is met artikel 6, lid 2, EVRM, dient te worden opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) heeft geoordeeld dat deze bepaling niet in de weg staat aan feitelijke of wettelijke vermoedens die in de strafwetten zijn opgenomen, maar vereist dat hieraan redelijke grenzen worden gesteld, rekening houdend met de ernst van de betrokken belangen en met inachtneming van de rechten van de verdediging (zie arrest EHRM van 7 oktober 1988, Salabiaku/Frankrijk, serie A, nr. 141‑A, punt 28; zie eveneens in die zin arrest EHRM van 23 september 2008, Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk, Recueil des arresten et décisions, 2008, punt 40). Zo kan geen sprake zijn van een schending van het vermoeden van onschuld wanneer in mededingingsprocedures op grond van ervaringsregels bepaalde conclusies worden getrokken, voor zover de betrokken ondernemingen de mogelijkheid behouden om deze conclusies te weerleggen (zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 4 juni 2009, T‑Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, Jurispr. blz. I‑4529, I‑4533, punt 93).

74

In casu heeft de Commissie om te beginnen, zonder zich op enig feitelijk of wettelijk vermoeden te baseren, in de bestreden beschikking vastgesteld dat de dochterondernemingen van Otis in België, Duitsland en Nederland inbreuken op artikel 81 EG hebben gepleegd.

75

Gelet op het feit dat artikel 81 EG betrekking heeft op de gedragingen van ondernemingen, heeft de Commissie vervolgens onderzocht of de economische eenheid die deze inbreuken heeft gepleegd ook de moedermaatschappijen van de dochterondernemingen van Otis omvatte. Op basis van het vermoeden van aansprakelijkheid dat met name voortvloeit uit de hierboven in punt 59 aangehaalde rechtspraak, heeft zij vastgesteld dat OEC en UTC een beslissende invloed op het gedrag van hun dochterondernemingen hebben uitgeoefend. Ten slotte heeft zij deze moedermaatschappijen, die de mededeling van de punten van bezwaar hebben ontvangen, met inachtneming van de rechten van de verdediging de mogelijkheid geboden dit vermoeden te weerleggen door het bewijs te leveren dat de dochterondernemingen van Otis zelfstandig zijn. De Commissie heeft evenwel in punt 621 van de bestreden beschikking vastgesteld dat dit vermoeden niet is weerlegd.

76

Aangezien het hierboven in punt 59 bedoelde vermoeden weerlegbaar is, slechts betrekking heeft op de toerekening aan de moedermaatschappij van een inbreuk waarvan reeds is vastgesteld dat zij door de dochteronderneming is gepleegd, en bovendien wordt toegepast in het kader van een procedure waarin de rechten van de verdediging in acht worden genomen, moet de grief inzake schending van het vermoeden van onschuld worden afgewezen.

77

Ten derde kunnen verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 evenmin stellen dat het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen in casu is geschonden. Volgens dit beginsel, dat geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de mededingingsregels van de Unie kan leiden, mag aan een onderneming slechts een sanctie worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd (zie in die zin arrest Gerecht van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T‑45/98 en T‑47/98, Jurispr. blz. II‑3757, punt 63). Dit beginsel moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met het begrip onderneming. De Commissie ontleent haar bevoegdheid om de boetebeschikking aan de moedermaatschappij van een groep vennootschappen te richten immers niet aan het feit dat de moedermaatschappij haar dochteronderneming heeft aangespoord de inbreuk te plegen, en nog minder aan het feit dat zij bij deze inbreuk betrokken was, maar aan het feit dat zij één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen (zie in die zin arrest Gerecht van 30 september 2003, Michelin/Commissie, T‑203/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 290). Dienaangaande moet worden vastgesteld dat UTC en OEC persoonlijk zijn veroordeeld voor inbreuken die zij worden geacht zelf te hebben gepleegd wegens de nauwe economische en juridische banden tussen hen en de dochterondernemingen van Otis (zie in die zin arrest Metsä-Serla e.a./Commissie, aangehaald in punt 56, punt 34). Hieruit volgt dat het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen in casu niet is geschonden.

78

Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de Commissie op goede gronden is uitgegaan van het vermoeden dat OEC en UTC tijdens de duur van de inbreuk een beslissende invloed op het commerciële beleid van de dochterondernemingen van Otis hebben uitgeoefend (punt 615 van de bestreden beschikking).

79

In de tweede plaats stellen verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 dat, ook al zou het bezit van 100 % van het kapitaal van een vennootschap volstaan om uit te gaan van het vermoeden dat de moedermaatschappij aansprakelijk is, zij – anders dan in punt 619 van de bestreden beschikking is gesteld – voldoende bewijzen hebben aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen. Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie in punt 621 van de bestreden beschikking terecht heeft gesteld dat UTC en OEC het vermoeden van aansprakelijkheid voor de door de dochterondernemingen van Otis gepleegde inbreuken niet hebben weerlegd.

80

In de eerste plaats moet het argument van UTC worden verworpen dat de conclusie van de Commissie in de bestreden beschikking dat zij het vermoeden van aansprakelijkheid niet heeft weerlegd, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG vereiste motivering de redenering van de instelling van de Unie die de litigieuze handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 63, en 30 september 2003, Duitsland/Commissie, C‑301/96, Jurispr. blz. I‑9919, punt 87; arrest Avebe/Commissie, aangehaald in punt 58, punt 41). In casu heeft de Commissie in de punten 616 tot en met 620 van de bestreden beschikking (zie punten 64‑66 hierboven) duidelijk uiteengezet waarom UTC volgens haar dit vermoeden niet heeft weerlegd.

81

In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de moedermaatschappij afdoende bewijzen moet verstrekken dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt, om het vermoeden van aansprakelijkheid te kunnen weerleggen. Bijgevolg moet worden nagegaan of verzoeksters, zoals zij zelf stellen, dergelijke bewijzen hebben verstrekt.

82

Ten eerste kan het argument van verzoekster in zaak T‑146/07 dat UTC en OEC juridische entiteiten zijn die losstaan van hun dochterondernemingen, dit vermoeden niet weerleggen, aangezien het feit dat vennootschappen formeel los van elkaar staan doordat zij elk eigen rechtspersoonlijkheid bezitten niet belet dat zij één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG kunnen vormen omdat zij zich op de markt als een eenheid gedragen (zie punt 52 hierboven).

83

Ten tweede kan het door verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 aangevoerde feit dat de directie‑ en beheersorganen van UTC en de dochterondernemingen van Otis gescheiden waren, en dat er tijdens de duur van de inbreuk [vertrouwelijk] tussen de raad van bestuur van OEC en die van deze dochterondernemingen, niet beslissend worden geacht. Zoals de Commissie met name in punt 618 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, toont [vertrouwelijk] immers als zodanig niet aan dat de dochterondernemingen van Otis hun commerciële beleid zelfstandig bepalen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat deze verklaringen niet worden gestaafd door bewijsstukken, zoals de lijst van namen van de leden van de statutaire organen van deze ondernemingen, zoals deze ten tijde van de inbreuk waren samengesteld (zie in die zin arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 69).

84

Ten derde kan het feit dat UTC de holding van een gediversifieerd conglomeraat is die slechts toezicht houdt op de activiteiten van OEC voor zover zij daartoe krachtens het geldende recht tegenover haar eigen aandeelhouders verplicht is, evenmin het vermoeden van aansprakelijkheid weerleggen. Binnen een vennootschapsgroep is een holding immers juist een vennootschap die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan (arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 83, punt 63). Bovendien heeft UTC in casu zelf in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar en in haar verzoekschrift verschillende elementen aangevoerd waaruit blijkt dat zij betrokken was bij de vaststelling van het commerciële beleid van haar dochterondernemingen en die doen veronderstellen dat de dochterondernemingen van Otis hun marktgedrag niet zelfstandig bepalen. [vertrouwelijk]

85

Ten vierde kan de toepassing van een formeel en schriftelijk beleid dat gericht is op de naleving van de mededingingsregels, anders dan verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 stellen, het vermoeden van aansprakelijkheid van OEC en UTC voor het gedrag van hun dochterondernemingen niet weerleggen. De toepassing van een dergelijk beleid vormt immers niet het bewijs dat deze dochterondernemingen hun commerciële beleid op de markt zelfstandig bepaalden. Het feit dat UTC en OEC zich ervan vergewissen dat een dergelijk beleid wordt toegepast [vertrouwelijk], of het door OEC in haar verzoekschrift aangehaalde feit dat zij heeft [vertrouwelijk] bevestigt integendeel eerder de stelling dat de dochterondernemingen van Otis niet zelfstandig worden beheerd.

86

In dit verband moet ook het argument van verzoeksters in zaak T‑145/07 worden verworpen dat het feit dat een moedermaatschappij bepaalde principiële commerciële regels en richtsnoeren vaststelt niet bewijst dat zij zeggenschap heeft over elk aspect van het dagelijkse beheer van de dochteronderneming en dat het zou indruisen tegen het gezond verstand en de elementaire beginselen van rechtvaardigheid om op basis van instructies die zijn uitgewerkt om onrechtmatige gedragingen te voorkomen, een onderneming aansprakelijk te stellen voor deze gedragingen wanneer deze instructies niet zijn nageleefd. Deze argumenten berusten immers op de onjuiste premisse dat de Commissie haar vaststelling dat OEC aansprakelijk is op het bestaan van deze regels en richtsnoeren heeft gebaseerd, wat in casu niet het geval is, aangezien de Commissie zich in punt 615 van de bestreden beschikking heeft gebaseerd op het door een constante rechtspraak bevestigde vermoeden van aansprakelijkheid (zie punten 59 en 60 hierboven).

87

Ten vijfde kan het door verzoekster in zaak T‑146/07 aangehaalde feit dat bepaalde werknemers in strijd met de instructies van UTC hebben gehandeld, met name door hun gedragingen voor hun oversten en UTC verborgen te houden, niet het vermoeden weerleggen dat de betrokken dochterondernemingen niet zelfstandig zijn. Het onderscheid dat UTC maakt tussen de dochterondernemingen van Otis en de werknemers van deze dochterondernemingen, die de inbreuken zouden hebben gepleegd en hun gedragingen voor hun oversten en UTC verborgen hebben gehouden, is kunstmatig. De verhouding tussen deze werknemers en de dochterondernemingen van Otis die hen in dienst hebben wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat zij werk verrichten voor en onder het gezag van elk van deze ondernemingen, en zij zijn tijdens de duur van deze verhouding in deze ondernemingen geïntegreerd en vormen aldus met elk ervan een economische eenheid (zie in die zin arresten Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punt 539, en 16 september 1999, Becu e.a., C‑22/98, Jurispr. blz. I‑5665, punt 26).

88

Ten zesde moet met betrekking tot het argument van verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de dochterondernemingen van Otis „voldoende zelfstandig” zijn om in alle opzichten hun marktgedrag ten opzichte van klanten en concurrenten te bepalen en over de „nodige auronomie” beschikken om de commerciële activiteiten te verrichten die de [vertrouwelijk] transacties omvatten, worden vastgesteld dat deze verzoeksters niet stellen dat de dochterondernemingen zich op de markt volledig zelfstandig gedroegen, maar integendeel slechts over een relatieve autonomie beschikten, die tot bepaalde commerciële activiteiten beperkt was.

89

In de derde plaats moet het argument van verzoekster in zaak T‑146/07 worden verworpen dat het hierboven in punt 59 bedoelde vermoeden van aansprakelijkheid een onweerlegbaar vermoeden is of deel uitmaakt van een stelsel van strikte aansprakelijkheid. Het Hof heeft immers in zijn recente arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, dat hierboven in punt 53 is aangehaald, bevestigd dat het vermoeden weerlegbaar is (punten 60 en 61). De omstandigheid dat verzoeksters in casu geen bewijzen hebben verstrekt die het vermoeden kunnen weerleggen dat de dochterondernemingen niet zelfstandig zijn, betekent niet dat het vermoeden nooit kan worden weerlegd (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak die heeft geleid tot het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, Jurispr. blz. I‑8241, punt 75 en voetnoot 67).

90

Uit een en ander volgt dat de Commissie de door de dochterondernemingen van Otis in België, Duitsland en Nederland gepleegde inbreuken terecht aan hun moedermaatschappijen OEC en UTC heeft toegerekend.

Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan GT, Otis België, OEC en UTC

– Bestreden beschikking

91

In punt 626 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat GT, die ten tijde van de inbreuk [vertrouwelijk] % van het kapitaal van GTO in handen had, en Otis België, die de resterende [vertrouwelijk] % in handen had, „samen met GTO hoofdelijk aansprakelijk [moesten] worden gesteld voor de inbreuk op artikel 81 [EG] die in Luxemburg [was] gepleegd”. Dienaangaande heeft zij uitgelegd dat „GTO en haar twee moedermaatschappijen [...] wegens de nauwe persoonlijke, economische en juridische banden die tussen hen [bestonden, werden] geacht een economische eenheid te vormen [...] en [dat bleek] dat GTO haar marktgedrag niet zelfstandig [had] bepaald, maar voornamelijk de haar door de moedermaatschappijen gegeven instructies [had] opgevolgd” (punt 622 van de bestreden beschikking). Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat „Otis België en GT niet het bewijs [hadden] ontkracht dat zij zich in een positie bevonden waarin zij een beslissende invloed konden uitoefenen op het commerciële beleid van GTO, en dat zij daadwerkelijk hun zeggenschapsrechten [hadden] uitgeoefend en alle andere middelen [hadden] aangewend om de beslissende invloed uit te oefenen waarover zij beschikten” (punt 626 van de bestreden beschikking).

92

Wat de stelling betreft dat GT en Otis België een beslissende invloed op het commerciële beleid van GTO hebben uitgeoefend, heeft de Commissie in punt 622 van de bestreden beschikking het volgende opgemerkt:

„[...] [vertrouwelijk] Bijgevolg is de Commissie van mening dat GTO ten tijde van de inbreuken in Luxemburg onder de gezamenlijke zeggenschap van Otis [België] en GT stond en dat het commerciële beleid van GTO in gemeen overleg door haar twee aandeelhouders werd bepaald. Bovendien zijn de moedermaatschappijen op de volgende wijzen bij de exploitatie van GTO in Luxemburg betrokken: [vertrouwelijk].”

93

De Commissie merkt in punt 623 van de bestreden beschikking op dat „het feit dat het dagelijkse beheer van een dochteronderneming uitsluitend in handen is van de bestuurders van de dochteronderneming geen beslissende factor is bij de toerekening van de aansprakelijkheid aan de moedermaatschappij”, en voegt hier in punt 624 aan toe dat „gelet op de verdeling van de stemrechten tussen de aandeelhouders in de raad van bestuur van GTO” [vertrouwelijk] ervan moet worden uitgegaan dat „elke belangrijke beslissing die GTO ten tijde van de inbreuk heeft genomen noodzakelijkerwijs de wil van Otis [België] en GT weerspiegelt”.

94

Wat het argument van GT betreft dat zij zich niet in een positie bevond waarin zij een beslissende invloed op de uitwerking van de commerciële strategie van GTO kon uitoefenen, zet de Commissie voorts in punt 625 van de bestreden beschikking uiteen:

„[vertrouwelijk].”

95

Ten slotte heeft de Commissie in punt 622 van de bestreden beschikking vastgesteld dat „OEC en UTC ook aansprakelijk moeten worden gesteld [voor het mededingingsverstorende gedrag van GTO], aangezien [UTC] als hoofdmoedermaatschappij Otis [België] voor 100 % in handen heeft. OEC en UTC konden tijdens de gehele duur van de inbreuk via Otis [België] een beslissende invloed op het commerciële beleid van GTO uitoefenen en er kan van worden uitgegaan dat zij deze macht hebben aangewend.”

– Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan GT

96

Verzoekster in zaak T‑142/07 stelt in de eerste plaats dat de Commissie haar stelling dat GT bij de inbreuk in Luxemburg betrokken was, niet rechtens toereikend heeft gemotiveerd.

97

Zoals hierboven in punt 80 in herinnering is gebracht, moet de door artikel 253 EG vereiste motivering de redenering van de instelling van de Unie die de litigieuze handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Zoals in de punten 91 tot en met 93 hierboven is opgemerkt, blijkt uit punt 622 van de bestreden beschikking dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat GTO tijdens de periode waarin de inbreuk in Luxemburg is gepleegd, onder de gezamenlijke zeggenschap van Otis België en GT stond. Wat de betrokkenheid van GT betreft, heeft de Commissie in punt 625 van de bestreden beschikking opgemerkt [vertrouwelijk].

98

Bijgevolg moet de grief inzake ontoereikende motivering worden afgewezen.

99

In de tweede plaats stelt verzoekster in zaak T‑142/07 dat de door GTO gepleegde inbreuk ten onrechte aan GT is toegerekend.

100

Verzoekster in zaak T‑142/07 stelt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat GT een beslissende invloed op het marktgedrag van GTO uitoefende. Zij verwijst dienaangaande naar het feit dat GT een zuiver financiële vennootschap zonder een eigen commerciële activiteit is waarvan de resultaten uitsluitend afhangen van de opbrengst van haar deelnemingen. Zij heeft nooit een omzet behaald, nooit werknemers in dienst gehad en nooit exploitatielasten moeten dragen. Bovendien heeft GT slechts een minderheidsdeelneming in GTO, die niet verder gaat dan wat nodig is ter bescherming van haar financiële belangen.

101

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Het loutere bezit van participaties, zelfs van zeggenschapsdeelnemingen, volstaat niet om te kunnen spreken van een economische activiteit van de entiteit die deze participaties bezit, wanneer dit bezit enkel met zich brengt dat aan de hoedanigheid van aandeelhouder of vennoot verbonden rechten worden uitgeoefend en in voorkomend geval dividenden, die loutere vruchten van de eigendom van een goed zijn, worden geïnd. Wanneer daarentegen een entiteit met zeggenschapsdeelnemingen in een vennootschap deze zeggenschap daadwerkelijk uitoefent door zich direct of indirect in het bestuur ervan te mengen, moet zij worden geacht deel te nemen aan de economische activiteit van de onderneming waarover zij zeggenschap uitoefent (arrest Hof van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, Jurispr. blz. I‑289, punten 107, 111 en 112).

102

Hoewel GT in casu slechts [vertrouwelijk] % van het maatschappelijk kapitaal van GTO in handen had, moet worden vastgesteld dat het beheer [vertrouwelijk], zoals blijkt uit de bestuurs‑ en beheersovereenkomst [vertrouwelijk] tussen GTO en GT (hierna: „overeenkomst van 1987”) en uit de bestuurs‑ en beheersovereenkomst tussen GTO en D. (hierna: „overeenkomst van 1995”). Volgens de bewoordingen van de overeenkomst van 1987 en die van 1995, [...] het beheer [vertrouwelijk] dat oorspronkelijk aan GT en vervolgens aan D. is toegewezen [vertrouwelijk].

103

Krachtens de overeenkomst van 1987 en de overeenkomst van 1995 [...] de afgevaardigde [vertrouwelijk]. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat bij het onderzoek naar het bestaan van een economische eenheid tussen verschillende vennootschappen die deel uitmaken van een groep rekening kan worden gehouden met de invloed van de moedermaatschappij op het prijsbeleid, de productie‑ en distributieactiviteiten, de verkoopdoelstellingen, de brutomarges, de verkoopkosten, de liquide middelen, de voorraden en de marketing (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑112/05, Jurispr. blz. II‑5049, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar ook met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze vennootschappen, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 53, punt 74). Hieruit volgt dat de Commissie op goede gronden heeft geoordeeld dat GT en, vanaf 1995, D., [vertrouwelijk], een beslissende invloed op het commerciële beleid van GTO heeft uitgeoefend.

104

Bovendien wordt niet betwist dat D. zelf aan de in artikel 1, lid 3, van de bestreden beschikking bedoelde mededingingsverstorende bijeenkomsten heeft deelgenomen (zie tabellen 8 en 10 in de punten 311 en 347 van de bestreden beschikking), [vertrouwelijk] vanaf 1 januari 1996, en dat GT dus perfect op de hoogte was van de praktijken van GTO en hier dus bij betrokken was. Dienaangaande heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat het mededingingsverstorende gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend wanneer er precieze bewijzen bestaan dat de moedermaatschappij actief bij de mededingingsverstorende gedragingen van de dochteronderneming betrokken was. Dit is in casu duidelijk het geval [vertrouwelijk] (zie in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, KNP BT/Commissie, T‑309/94, Jurispr. blz. II‑1007, punt 47). In dit verband kan D., gelet op de hierboven in punt 87 aangehaalde rechtspraak, niet los worden gezien van GT, [vertrouwelijk], maar moet hij integendeel worden geacht met haar een economische eenheid te vormen.

105

Uit het voorgaande volgt dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat GT een beslissende invloed heeft uitgeoefend op het marktgedrag van GTO. De grief dat het gedrag van GTO ten onrechte aan GT is toegerekend moet dus worden afgewezen.

– Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan Otis België, OEC en UTC

106

Verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat Otis België, OEC en UTC aansprakelijk waren voor de gedragingen van GTO.

107

In de eerste plaats merken zij op dat het feit dat Otis België, OEC en UTC een deelneming in GTO bezitten niet volstaat om de inbreuk van deze laatste aan hen toe te rekenen. Het door de Commissie gebruikte begrip gezamenlijke zeggenschap is dus niet ter zake dienend. Volgens de beschikkingspraktijk van de Commissie, die door het Gerecht is bevestigd in zijn hierboven in punt 58 aangehaalde arrest Avebe/Commissie, kunnen moedermaatschappijen die een deelneming in een gemeenschappelijke dochteronderneming bezitten, slechts aansprakelijk worden gesteld voor de mededingingsverstorende praktijken van deze laatste indien zij aan deze praktijken hebben deelgenomen of er kennis van hadden.

108

Vooraf zij met betrekking tot de door verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 aangevoerde beslissingspraktijk van de Commissie opgemerkt dat de beoordeling van de vraag of moedermaatschappijen gezamenlijk bevoegd zijn om leiding te geven aan hun dochteronderneming moet worden beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden van elk concreet geval. Bijgevolg kan de beoordeling door de Commissie van de feitelijke omstandigheden van vroegere zaken niet op het onderhavige geval worden toegepast. (zie in die zin arrest Gerecht van 9 juli 2007, Sun Chemical Group e.a./Commissie, T‑282/06, Jurispr. blz. II‑2149, punt 88). Voorts zij eraan herinnerd dat beschikkingen in andere zaken slechts een aanwijzing kunnen vormen, aangezien de omstandigheden in de verschillende zaken niet dezelfde zijn (zie in die zin arresten Hof van 21 september 2006, JCB Service/Commissie, C‑167/04 P, Jurispr. blz. I‑8935, punten 201 en 205, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 60).

109

Anders dan verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen, heeft het Gerecht in zijn hierboven in punt 58 aangehaalde arrest Avebe/Commissie ook niet geëist dat de Commissie aantoont dat de moedermaatschappij zelf aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen of wist dat de dochteronderneming hieraan deelnam, om de inbreuk van een gemeenschappelijke dochteronderneming aan de moedermaatschappij te kunnen toerekenen. In dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de situatie waarin de moedermaatschappijen van een gemeenschappelijke dochteronderneming samen alle aandelen van deze dochteronderneming bezitten en een gezamenlijke bestuursbevoegdheid over deze laatste hebben, vergelijkbaar is met die welke heeft geleid tot het hierboven in punt 61 aangehaalde arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, waarin één moedermaatschappij de volledige zeggenschap over haar dochteronderneming had, zodat het vermoeden rees dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefende op de gedragingen van haar dochter. Het Gerecht heeft in die zaak met name opgemerkt dat de twee vennoten, die elk voor 50 % deelnamen in de betrokken gemeenschappelijke onderneming, enkel gezamenlijk bevoegd waren om voor rekening van de gemeenschappelijke onderneming te handelen en te tekenen, haar tegenover derden en derden tegenover haar te verbinden, en gelden voor haar te ontvangen en uit te geven. Voorts kwam de dagelijkse leiding toe aan twee directeuren, die respectievelijk door de twee moedermaatschappijen werden benoemd. Ten slotte waren deze moedermaatschappijen onbeperkt hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de gemeenschappelijke onderneming. Het Gerecht was van oordeel dat deze feiten tezamen voldoende belangrijke aanwijzingen vormden om het vermoeden te staven dat de moedermaatschappijen gezamenlijk de gedragslijn van hun dochteronderneming op de markt zodanig bepaalden dat deze laatste niet echt zelfstandig was op dat gebied (arrest Avebe/Commissie, aangehaald in punt 58, punten 138 en 139).

110

In casu heeft de Commissie zich, anders dan verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen, ter staving van haar stelling dat Otis België, OEC en UTC aansprakelijk zijn, niet gebaseerd op het loutere feit dat Otis België en OEC en UTC – deze laatste twee indirect – deelnemen in het kapitaal van hun dochteronderneming. In punt 622 van de bestreden beschikking heeft de Commissie zich immers op het standpunt gesteld [vertrouwelijk]. Voorts is de Commissie ervan uitgegaan dat Otis België eveneens op verschillende manieren bij de exploitatie van GTO in Luxemburg betrokken was. [vertrouwelijk] (punt 622 van de bestreden beschikking).

111

In de tweede plaats stellen verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 dat Otis België, OEC en UTC geen invloed op het commerciële beleid van GTO konden uitoefenen. Meer bepaald was de rol van Otis België beperkt tot het inbrengen van kapitaal en het innen van dividenden. Verzoeksters stellen met name onder verwijzing naar de overeenkomst van 1987, waarbij het [vertrouwelijk] beheer van GTO aan GT is toevertrouwd, en de overeenkomst van 1995, waarbij dit beheer aan D. is toevertrouwd, dat Otis België niet de macht had om zich in het beheer van GTO te mengen of om de personen te benoemen die bevoegd waren om GTO te vertegenwoordigen, zodat Otis België niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het inbreukmakende gedrag van GTO. Bijgevolg moet worden onderzocht of de door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde elementen rechtens genoegzaam aantonen dat Otis België een beslissende invloed op het commerciële beleid van GTO uitoefende.

112

Volgens artikel 8 van de statuten van GTO moesten de besluiten van de raad van bestuur van GTO met een meerderheid van 80 % van de stemmen worden genomen. Gelet op het feit dat GTO voor [vertrouwelijk] % in handen was van Otis België en de resterende [vertrouwelijk] % in handen waren van GT, en dat volgens artikel 7 van de statuten van GTO elke vennoot in verhouding tot zijn deelname in het kapitaal in de raad van bestuur van de vennootschap is vertegenwoordigd, is Otis België noodzakelijkerwijs tijdens de gehele duur van de inbreuk via zijn vertegenwoordiger(s) in de raad van bestuur akkoord gegaan met alle besluiten van deze raad, die met een meerderheid van 80 % van de stemmen moesten worden genomen. Bovendien is het voor de vaststelling van de besluiten van de raad van bestuur van GTO vereiste quorum gezamenlijk door GT en Otis België vastgesteld in de oprichtingsakte van GTO.

113

Volgens artikel 8 van de statuten van GTO was de raad van bestuur bevoegd voor alles wat niet door de wet of de statuten strikt aan de vennoten was voorbehouden. De raad van bestuur kon het dagelijkse beheer aan een zaakvoerder delegeren. Volgens deze bepaling waren de activiteiten die onder het dagelijkse beheer van GTO vielen, evenwel beperkt. Alles wat er geen deel van uitmaakte was voorbehouden aan de raad van bestuur en moest door 80 % van de leden ervan worden goedgekeurd. Bovendien beschikte de raad van bestuur van GTO volgens de derde resolutie van deze raad [vertrouwelijk], die was bevestigd door zijn besluit [vertrouwelijk], over specifieke bevoegdheden, die niet konden worden gedelegeerd, [vertrouwelijk]. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat deze bevoegdheden van de raad van bestuur betrekking hadden op de vaststelling van het commerciële beleid van GTO, in het bijzonder [vertrouwelijk], en dat voor de uitoefening van deze bevoegdheden noodzakelijkerwijs de goedkeuring van de vertegenwoordiger(s) van Otis België in de raad van bestuur van GTO vereist was.

114

Voorts heeft verzoekster in zaak T‑141/07 in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht verklaard dat uit het onderzoek van de beschikbare archieven bleek dat de raad van bestuur van GTO bovengenoemde bevoegdheden die volgens de resolutie van 10 februari 1987 aan haar waren voorbehouden, niet had uitgeoefend. [vertrouwelijk]

115

Niettegenstaande de hierboven in de punten 112 tot en met 114 genoemde elementen, stellen verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 dat Otis België, OEC en UTC geen beslissende invloed op het commerciële beleid van GTO konden uitoefenen, aangezien het [vertrouwelijk] beheer van deze laatste, dat zeer ruim was omschreven in de overeenkomsten van 1987 en 1995 [vertrouwelijk], in een eerste fase aan GT en in een tweede fase aan D. was toevertrouwd. Zij zijn van mening dat, anders dan de Commissie in punt 622 van de bestreden beschikking stelt, [vertrouwelijk]. D. heeft dus tijdens de gehele duur van de inbreuk volledig zelfstandig de operationele leiding over GTO verzorgd.

116

Zoals verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen en hierboven in punt 102 is opgemerkt, waren de aan D. toevertrouwde bevoegdheden op het gebied van het [vertrouwelijk] beheer weliswaar [vertrouwelijk], maar bepaalden de statuten van GTO uitdrukkelijk in artikel 8 dat „[d]e onder dit dagelijkse beheer vallende activiteiten [...] niettemin beperkt [zouden] zijn en [dat] al wat er geen deel van [uitmaakte zou] zijn voorbehouden aan de raad [van bestuur] en door 80 % van de leden van de raad [van bestuur] moest worden goedgekeurd”.

117

Verzoekster in zaak T‑141/07 heeft in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht de notulen overgelegd van een aantal vergaderingen van de raad van bestuur die zijn gehouden tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd. [vertrouwelijk]

118

Gelet op het voorgaande is de Commissie in punt 622 van de bestreden beschikking terecht ervan uitgegaan dat alle belangrijke besluiten van GTO met een meerderheid van 80 % van de stemmen moesten worden genomen en dat GTO dus tijdens de periode dat de inbreuk in Luxemburg is gepleegd, onder de gezamenlijke zeggenschap van Otis België en GT stond en dat het commerciële beleid van GTO in gemeen overleg door haar twee aandeelhouders werd bepaald. De Commissie kon zich dus op het standpunt stellen dat Otis België en GT aansprakelijk moesten worden gesteld voor de inbreuk van GTO in Luxemburg.

119

Aangezien OEC en UTC, zoals hierboven in de punten 63 tot en met 90 is opgemerkt, kunnen worden geacht een beslissende invloed op het commerciële beleid van Otis België te hebben uitgeoefend, heeft de Commissie zich in punt 622 van de bestreden beschikking eveneens terecht op het standpunt gesteld dat OEC en UTC aansprakelijk moesten worden gehouden voor de inbreuk van GTO.

120

Aangezien uit het voorgaande blijkt dat de Commissie Otis België, OEC en UTC terecht aansprakelijk heeft gehouden voor de inbreuk van GTO, hoeft het argument van verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 dat de deelname van Otis België aan de mededelingsregeling in België niet ter zake dienend is, niet te worden onderzocht.

– Schending van de rechten van de verdediging

121

Verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen dat hun rechten van verdediging zijn geschonden omdat in de mededeling van de punten van bezwaar geen melding is gemaakt van [vertrouwelijk], waarop de Commissie haar vaststelling in punt 622 van de bestreden beschikking heeft gebaseerd dat Otis België betrokken was bij de exploitatie van GTO [vertrouwelijk].

122

Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een grondbeginsel van het recht van de Unie, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen. De mededeling van de punten van bezwaar vormt de procedurele waarborg voor de toepassing van het grondbeginsel van het recht van de Unie dat de rechten van de verdediging in elke procedure moeten worden geëerbiedigd. Dit beginsel verlangt met name dat de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie richt aan een onderneming waaraan zij een sanctie wil opleggen wegens schending van de mededingingsregels, de voornaamste tegen deze onderneming in aanmerking genomen elementen bevat, zoals de verweten feiten, de kwalificatie daarvan en de bewijzen waarop de Commissie zich baseert, zodat deze onderneming in de gelegenheid is om naar behoren haar argumenten aan te voeren in het kader van de tegen haar ingeleide administratieve procedure (zie in die zin arrest Hof van 3 september 2009, Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, Jurispr. blz. I‑7191, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens arrest van 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C‑534/07 P, Jurispr. blz. I‑7415, punt 26).

123

De eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist immers dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld naar behoren haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en met betrekking tot de stukken op basis waarvan de Commissie heeft gesteld dat zij een inbreuk heeft gepleegd, (zie arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

124

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het feit dat een document niet is meegedeeld, slechts een schending van de rechten van de verdediging oplevert wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt ter staving van haar grief dat een inbreuk is gepleegd, en deze grief enkel met dat document kan worden bewezen. Indien er andere schriftelijke bewijzen zijn waarvan de partijen tijdens de administratieve procedure kennis hadden en die specifiek de conclusies van de Commissie staven, kan de omstandigheid dat een niet-meegedeeld belastend stuk als bewijsmiddel wordt uitgesloten, niet afdoen aan de juistheid van de in de bestreden beschikking in aanmerking genomen punten van bezwaar. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien een niet-meegedeeld document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijs zou moeten worden uitgesloten (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 123, punten 71‑73).

125

In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de onregelmatigheid die de Commissie zou hebben begaan doordat zij in de mededeling van de punten van bezwaar geen melding heeft gemaakt [vertrouwelijk], geen schending van de rechten van verdediging van verzoeksters kan opleveren, aangezien uit de punten 106‑118 hierboven blijkt dat de Commissie zich, los van het bestaan [vertrouwelijk], in punt 622 van de bestreden beschikking terecht op het standpunt heeft gesteld dat GTO tijdens de periode dat de inbreuk in Luxemburg is gepleegd, onder de gezamenlijke zeggenschap van Otis België en GT stond en dat het commerciële beleid van GTO in gemeen overleg door haar twee aandeelhouders werd bepaald. De administratieve procedure had immers niet tot een ander resultaat kunnen leiden indien deze vermelding in de mededeling van de punten van bezwaar was opgenomen.

126

Voorts heeft de Commissie in punt 597 van de mededeling van de punten van bezwaar enkel opgemerkt dat zij van plan was om Otis België en GT aansprakelijk te stellen voor de door hun dochteronderneming GTO gepleegde inbreuk, en gepreciseerd dat voor belangrijke besluiten van GTO het akkoord van GT en Otis België vereist was. Zij heeft eveneens opgemerkt dat Otis België rechtstreeks aan de mededingingregeling in België heeft deelgenomen en gewezen op de persoonlijke banden tussen D., [vertrouwelijk] van GT, en GTO, waarvan hij de [vertrouwelijk] was. Het bestaan [vertrouwelijk] is dus niet in de mededeling van de punten van bezwaar vermeld.

127

Het feit dat [vertrouwelijk] blijkt evenwel hoe dan ook uit verschillende stukken die verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 in antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie hebben meegedeeld, in het bijzonder [vertrouwelijk].

128

De Commissie heeft in punt 597 van de mededeling van de punten van bezwaar specifiek vermeld dat zij van plan was om Otis België aansprakelijk te stellen voor de door GTO in Luxemburg gepleegde inbreuk. Bovendien konden verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07, op het ogenblik waarop zij bovengenoemde stukken aan de Commissie hebben meegedeeld, niet onkundig zijn van de inhoud van deze stukken en van de eventuele relevantie ervan voor deze aansprakelijkheid, aangezien zij hun argumenten uitdrukkelijk op deze stukken hebben gebaseerd. Gelet op de hierboven in de punten 122 tot en met 124 aangehaalde rechtspraak kunnen zij dus niet stellen dat hun rechten van verdediging zijn geschonden (zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Archer Daniels Midland/Commissie, T‑59/02, Jurispr. blz. II‑3627, punt 270).

129

Bijgevolg moet deze grief worden afgewezen.

– Schending van het gelijkheidsbeginsel

130

Verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑145/07 en T‑146/07 stellen in wezen onder verwijzing naar de statuten van MEE, die geen deel uitmaken van het dossier van de Commissie en niet bij hun verzoekschrift zijn gevoegd, dat de Commissie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door Otis België en GT aansprakelijk te stellen voor de door hun dochteronderneming GTO gepleegde inbreuk, terwijl zij – terecht – heeft vastgesteld dat de zeggenschap die de moedermaatschappijen Mitsubishi Electric Corporation (hierna: „MEC”) en TBI Holding over MEE uitoefenden, niet volstond om hun de door hun dochteronderneming gepleegde inbreuk toe te rekenen.

131

Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie zich, zoals blijkt uit de punten 106 tot en met 118 hierboven, in punt 622 van de bestreden beschikking terecht op het standpunt heeft gesteld dat GTO tijdens de periode dat de inbreuk in Luxemburg is gepleegd, onder de gezamenlijke zeggenschap van Otis België en GT stond en dat het commerciële beleid van GTO in gemeen overleg door haar twee aandeelhouders werd bepaald. Het argument dat de moedermaatschappijen van GTO evenmin als de moedermaatschappijen van MEE aansprakelijk hadden mogen worden gesteld voor de inbreuk van GTO kan dus niet worden aanvaard.

132

Gelet op het voorgaande en op het feit dat verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑145/07 en T‑146/07 stellen dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat de zeggenschap die over MEE werd uitgeoefend door haar moedermaatschappijen niet volstond om hun de door hun dochteronderneming gepleegde inbreuk toe te rekenen, moet worden geoordeeld dat de situaties waarin MEE en GTO zich bevonden niet vergelijkbaar zijn, zodat de grief inzake schending van het gelijkheidsbeginsel hoe dan ook niet kan worden aanvaard.

133

Uit een en ander volgt dat alle grieven inzake de toerekening van de door GTO en de dochterondernemingen van Otis gepleegde inbreuken aan hun respectieve moedermaatschappijen moeten worden afgewezen.

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheids‑ en het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte van de inbreuken

Voorafgaande opmerkingen

134

Vooraf zij eraan herinnerd dat de Commissie volgens vaste rechtspraak over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt ter zake van de methode voor de berekening van geldboeten. Deze methode, die is beschreven in de richtsnoeren van 1998, laat de Commissie enige speelruimte om haar beoordelingsvrijheid te benutten overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, aangehaald in punt 122, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

135

De zwaarte van de inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals met name de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (arrest Hof van 19 maart 2009, Archer Daniels Midland/Commissie, C‑510/06 P, Jurispr. blz. I‑1843, punt 72, en 3 september 2009, en arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 54).

136

Zoals hierboven in punt 24 is uiteengezet, heeft de Commissie in casu het bedrag van de geldboeten overeenkomstig de in de richtsnoeren van 1998 omschreven methode vastgesteld.

137

De richtsnoeren van 1998 kunnen weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar zij vormen wel een gedragsregel met betrekking tot de te volgen praktijk waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen op te geven die verenigbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel (zie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 56, punt 209 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Carbone‑Lorraine/Commissie, T‑73/04, Jurispr. blz. II‑2661, punt 70).

138

Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan aan te kondigen dat deze voortaan op de betrokken gevallen zullen worden toegepast, stelt de Commissie grenzen aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en kan zij niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids‑ of het vertrouwensbeginsel (zie arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 56, punt 211 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Carbone Lorraine/Commissie, aangehaald in punt 137, punt 71).

139

Bovendien bepalen de richtsnoeren van 1998 op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van geldboeten dient te volgen, en waarborgen zij bijgevolg de rechtszekerheid van de ondernemingen (arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 56, punten 211 en 213).

140

Ten slotte voorzien de richtsnoeren van 1998 in de eerste plaats in de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als zodanig, op basis waarvan een algemeen uitgangsbedrag kan worden vastgesteld (punt 1 A, tweede alinea). In de tweede plaats wordt de zwaarte onderzocht aan de hand van de aard van de gepleegde inbreuken en van de kenmerken van de betrokken onderneming, met name haar omvang en positie op de relevante markt, hetgeen kan leiden tot een weging van het uitgangsbedrag, de indeling van de ondernemingen in categorieën en de vaststelling van een specifiek uitgangsbedrag (punt 1 A, derde tot en met zevende alinea).

Bestreden beschikking

141

In de eerste plaats onderzoekt de Commissie in het deel van de bestreden beschikking dat betrekking heeft op de zwaarte van de inbreuken (deel 13.6.1) de vier in artikel 1 vastgestelde inbreuken samen, omdat zij „gemeenschappelijke kenmerken vertonen” (punt 657 van de bestreden beschikking). Dit deel is onderverdeeld in drie subrubrieken, een eerste met als titel „Aard van de inbreuken” (subrubriek 13.6.1.1), een tweede met als titel „Omvang van de betrokken geografische markt” (subrubriek 13.6.1.2) en een derde met als titel „Conclusie over de zwaarte van de inbreuk” (subrubriek 13.6.1.3).

142

In de punten 658 en 659 van de bestreden beschikking, in de subrubriek „Aard van de inbreuken”, zet de Commissie het volgende uiteen:

„658

De inbreuken waarop deze beschikking betrekking heeft, bestonden voornamelijk in geheime afspraken tussen concurrenten om de markten onderling te verdelen of de marktaandelen te bevriezen door de projecten voor de verkoop en de installatie van nieuwe liften en/of roltrappen onderling te verdelen, en om elkaar niet te beconcurreren op het gebied van het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen (behalve in Duitsland, waar de kartelleden geen gesprekken over onderhoud en modernisering hebben gevoerd). Dergelijke horizontale beperkingen behoren naar hun aard zelf tot de zwaarste schendingen van artikel 81 [EG]. De inbreuken in deze zaak hebben de klanten op kunstmatige wijze de voordelen ontnomen waarop zij in geval van een concurrentieel aanbod hadden kunnen hopen. Het is tevens interessant om op te merken dat bepaalde projecten waarmee werd geknoeid overheidsopdrachten waren die met belastinggeld werden gefinancierd en die juist werden uitgeschreven om concurrerende aanbiedingen – met name met een goede prijs-kwaliteitsverhouding – te krijgen.

659

Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk zijn de factoren die verband houden met het doel ervan over het algemeen van meer belang dan die welke verband houden met de gevolgen ervan, in het bijzonder wanneer overeenkomsten, zoals in casu, betrekking hebben op zeer zware inbreuken, zoals de vaststelling van prijzen en de verdeling van de markt. De gevolgen van een overeenkomst vormen over het algemeen geen beslissend criterium bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk.”

143

De Commissie verklaart dat zij „niet heeft geprobeerd om de precieze gevolgen van de inbreuk aan te tonen, omdat het onmogelijk [was] met voldoende zekerheid vast te stellen welke concurrentievoorwaarden (prijs, handelsvoorwaarden, kwaliteit, innovatie en andere) zouden hebben gegolden indien de inbreuken niet waren gepleegd” (punt 660 van de bestreden beschikking). Zij is niettemin van mening dat „[h]et [...] duidelijk is dat de inbreuken een reële weerslag hebben gehad” en legt dienaangaande uit dat „[h]et feit dat de kartelleden de verschillende mededingingsverstorende akkoorden hebben uitgevoerd op zich doet veronderstellen dat zij een dergelijke weerslag op de markt hebben gehad, ook al is het reële effect moeilijk te meten, omdat met name niet bekend is of voor andere projecten – en voor hoeveel daarvan – met offertes is geknoeid, en evenmin hoeveel projecten onder de leden van het kartel konden worden verdeeld zonder dat zij daarvoor onderling contacten hoefden te leggen” (punt 660 van de bestreden beschikking). De Commissie voegt daar in hetzelfde punt aan toe dat „[h]et grote gezamenlijke marktaandeel van de concurrenten erop wijst dat er waarschijnlijk mededingingsverstorende gevolgen zijn geweest, wat wordt bevestigd door het feit dat hun marktaandelen tijdens de gehele duur van de inbreuken relatief stabiel zijn gebleven”.

144

In de punten 661 tot en met 669 van de bestreden beschikking antwoordt de Commissie op de tijdens de administratieve procedure door verzoeksters aangevoerde argumenten volgens welke de inbreuken een beperkte weerslag op de markt hebben gehad.

145

In punt 670 van de bestreden beschikking, in de subrubriek „Omvang van de betrokken geografische markt”, stelt de Commissie dat „[d]e mededingingsregelingen waarop [de bestreden] beschikking [...] betrekking heeft, respectievelijk het gehele grondgebied van België, Duitsland, Luxemburg of Nederland bestreken”, en dat „uit de rechtspraak duidelijk [blijkt] dat een nationale geografische markt die zich over een gehele lidstaat uitstrekt, reeds op zich een belangrijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt”.

146

In punt 671 van de bestreden beschikking, in de subrubriek „Conclusie over de zwaarte van de inbreuk”, merkt de Commissie op dat elke adressaat een of meerdere zeer zware inbreuken op artikel 81 EG heeft gepleegd, „[g]elet op de aard van de inbreuken en op het feit dat elk van deze inbreuken het gehele grondgebied van een lidstaat (België, Duitsland, Luxemburg of Nederland) bestreek”. Zij komt tot de slotsom dat „deze factoren van zodanige aard zijn dat de inbreuken als zeer zwaar moeten worden beschouwd, ook al kan de reële weerslag ervan niet worden gemeten”.

147

In de tweede plaats heeft de Commissie in het deel van de bestreden beschikking met als titel „Gedifferentieerde behandeling” (deel 13.6.2) voor elke onderneming die aan de verschillende mededingingsregelingen heeft deelgenomen het uitgangsbedrag van de geldboete vastgesteld (zie punten 27‑30 hierboven) met inachtneming van „de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakende ondernemingen om aanzienlijke schade toe te brengen aan de mededinging” (punt 672 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft in punt 673 van de bestreden beschikking uitgelegd dat „de ondernemingen te dien einde in verschillende categorieën [zijn] ingedeeld op basis van de omzet die zij met liften en/of roltrappen, in voorkomend geval met inbegrip van onderhouds‑ en moderniseringsdiensten, hebben behaald”.

Kwalificatie van de inbreuk in Luxemburg als „zeer zwaar”

148

Verzoekster in zaak T‑141/07 stelt dat de Commissie, door de inbreuk in Luxemburg als „zeer zwaar” te kwalificeren, de richtsnoeren van 1998 onjuist heeft toegepast, gelet op de geringe geografische omvang van deze inbreuk, die gewoonlijk in haar beschikkingspraktijk in aanmerking wordt genomen, en op de beperkte weerslag van de betrokken praktijken op de relevante markt. Zij leidt hieruit af dat het uitgangsbedrag van 10 miljoen EUR dat voor de inbreuk in Luxemburg is vastgesteld, moet worden verlaagd. Voorts stelt verzoekster dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de totale waarde van de markt waarop de mededingingsregeling in Luxemburg betrekking had. Hoewel verzoekster in zaak T‑141/07 dit laatste argument heeft geformuleerd in het kader van haar middel inzake de onjuiste kwalificatie van de inbreuk in Luxemburg, blijkt uit haar memories dat deze grief in wezen betrekking heeft op de vaststelling van het algemene uitgangsbedrag van de geldboete. Deze grief wordt dan ook in de punten 166 tot en met 178 hierna onderzocht.

149

In de eerste plaats stelt verzoekster in zaak T‑141/07 dat bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening dient te worden gehouden met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer deze meetbaar is. Volgens haar was de weerslag van de inbreuk in Luxemburg uiterst gering, wat de Commissie ertoe had moeten aanzetten het bedrag van de aan GTO opgelegde geldboete te beperken. Ter ondersteuning van deze stelling wijst zij in het bijzonder op het feit dat de overeenkomst niet is nagekomen en niet doeltreffend was, dat bepaalde ondernemingen niet aan de mededingingsregelingen hebben deelgenomen, waardoor een zekere concurrentie kon blijven bestaan, en dat het verlies van aanbestedingen aan derde ondernemingen niet werd gecompenseerd door een nieuwe toewijzing van de bestaande projecten tussen de kartelleden. Voorts stelt verzoekster in zaak T‑141/07 dat de mededingingsregeling slechts betrekking had op bepaalde projecten.

150

Wat de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk betreft, zij eraan herinnerd dat in punt 1 A, eerste en tweede alinea, van de richtsnoeren van 1998 met betrekking tot de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk het volgende wordt verklaard:

„Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk dient rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt.

Aldus worden de inbreuken in drie grote categorieën ingedeeld: niet te ernstige, zware en zeer zware inbreuken.”

151

Volgens punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren van 1998 moet de Commissie dus bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk de concrete weerslag op de markt slechts onderzoeken wanneer blijkt dat deze weerslag meetbaar is (zie in die zin arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 74; arrest Gerecht van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597, punt 143, en arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 216).

152

Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie bij de beoordeling van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt uitgaan van de mededinging zoals die normaliter zonder inbreuk zou hebben bestaan (zie arrest Carbone‑Lorraine/Commissie, aangehaald in punt 137, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153

In casu heeft de Commissie in punt 660 van de bestreden beschikking verklaard dat „[zij] niet heeft geprobeerd om de precieze gevolgen van de inbreuk aan te tonen, omdat het onmogelijk [was] met voldoende zekerheid vast te stellen welke concurrentievoorwaarden (prijs, handelsvoorwaarden, kwaliteit, innovatie en andere) zouden hebben gegolden indien de inbreuken niet waren gepleegd”. Ook al heeft de Commissie zich in punt 660 van de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat het duidelijk is dat de mededingingsregelingen een reële weerslag hebben gehad, aangezien zij zijn uitgevoerd, wat op zich doet veronderstellen dat zij een weerslag hebben gehad op de markt, en heeft zij in de punten 661 tot en met 669 het betoog van de betrokken ondernemingen verworpen dat de mededingingsregelingen beperkte gevolgen hadden, moet worden vastgesteld dat zij in de bestreden beschikking bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken geen rekening heeft gehouden met de mogelijke weerslag ervan op de markt.

154

Zo heeft de Commissie in punt 671 van de bestreden beschikking haar definitieve beoordeling van de zwaarte van de inbreuken louter gebaseerd op de aard van deze inbreuken en de geografische omvang ervan. De Commissie komt immers in dit punt tot de conclusie dat „[g]elet op de aard van de inbreuken en op het feit dat elk ervan het gehele grondgebied van een lidstaat (België, Duitsland, Luxemburg of Nederland) bestreek [...], [ervan moet worden uitgegaan dat] elke adressaat een of meerdere zeer zware inbreuken op artikel 81 EG heeft gepleegd”.

155

Ten eerste moet worden vastgesteld dat verzoekster in zaak T‑141/07 niet aantoont dat de concrete weerslag van de mededingingsregeling in Luxemburg meetbaar was, maar enkel stelt dat de gevolgen ervan noodzakelijkerwijs gering waren. De door deze verzoekster aangevoerde omstandigheden dat de overeenkomst niet is nagekomen en niet doeltreffend was, dat bepaalde ondernemingen niet aan de mededingingsregelingen hebben deelgenomen en dat de bestaande projecten niet opnieuw werden toegewezen indien bepaalde projecten door derden werden binnengehaald (zie punt 149 hierboven), ook al zouden zij waar zijn, wettigen niet de conclusie dat de gevolgen van de mededingingsregelingen meetbaar waren op de Luxemburgse markt, temeer daar verzoekster niet de stelling van de Commissie betwist dat in casu onmogelijk met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld welke concurrentievoorwaarden zouden hebben gegolden indien geen inbreuken waren gepleegd.

156

Bijgevolg heeft verzoekster in zaak T‑141/07 niet aangetoond dat de Commissie in casu overeenkomstig de richtsnoeren van 1998 en de hierboven in punt 151 aangehaalde rechtspraak bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken rekening moest houden met de concrete weerslag ervan.

157

Ten tweede moet worden vastgesteld dat ook al zou de concrete weerslag van de inbreuken meetbaar zijn geweest en zouden de hierboven in punt 149 weergegeven argumenten van verzoekster gegrond zijn geweest in die zin dat zij zouden aantonen dat de mededingingsregelingen een beperkte weerslag hebben gehad op de Luxemburgse markt, dit niet zou afdoen aan de juistheid van de kwalificatie van de onderhavige inbreuk als „zeer zwaar”.

158

De in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken behoren immers naar hun aard zelf tot de zwaarste schendingen van artikel 81 EG, aangezien zij bestonden in „geheime afspraken tussen concurrenten om de markten onderling te verdelen of de marktaandelen te bevriezen door de projecten voor de verkoop en de installatie van nieuwe liften en/of roltrappen onderling te verdelen, en om elkaar niet te beconcurreren op het gebied van het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen (behalve in Duitsland, waar de kartelleden geen gesprekken over onderhoud en modernisering hebben gevoerd)” (punt 658 van de bestreden beschikking). Dienaangaande wordt in de richtsnoeren van 1998 uiteengezet dat het bij „zeer zware” inbreuken in hoofdzaak gaat om horizontale beperkingen van het type prijskartel en marktverdelingsregeling, of andere gedragingen die de goede werking van de interne markt in het gedrang brengen. Deze inbreuken vormen eveneens voorbeelden van mededingingsregelingen waarover in artikel 81, lid 1, sub c, EG uitdrukkelijk is bepaald dat zij onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Afgezien van de ernstige verstoring van de mededinging die zij meebrengen, dwingen deze kartels de partijen afzonderlijke markten in acht te nemen, die vaak door de nationale grenzen worden afgebakend, en leiden zij dus tot de compartimentering van deze markten, waardoor zij het hoofddoel van het EG-Verdrag, namelijk de integratie van de gemeenschapsmarkt, doorkruisen. Inbreuken van dit type, met name wanneer het om horizontale kartels gaat, worden door de rechtspraak dan ook als „zeer zwaar” of als „evidente inbreuken” aangemerkt (arresten Gerecht van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie, T‑148/89, Jurispr. blz. II‑1063, punt 109; 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie, T‑374/94, T‑375/94, T‑384/94 en T‑388/94, Jurispr. blz. II‑3141, punt 136, en 18 juli 2005, Scandinavian Airlines System/Commissie, T‑241/01, Jurispr. blz. II‑2917, punt 85).

159

Voorts is het effect van een mededingingsverstorende praktijk volgens vaste rechtspraak geen doorslaggevende maatstaf om de zwaarte van een inbreuk te beoordelen. De bedoeling van een praktijk kan belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het, zoals in casu, gaat om inbreuken die op zich zwaar zijn, zoals de verdeling van markten (arrest Hof van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 118, en arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 96; arresten Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 77, punt 199, en Degussa/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 251).

160

De aard van de inbreuk speelt dus een zeer belangrijke rol, met name bij de kwalificatie van inbreuken als „zeer zwaar”. Uit de beschrijving van de zeer zware inbreuken in de richtsnoeren van 1998 blijkt dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die met name, zoals in casu, gericht zijn op de verdeling van de markten, louter op grond van hun specifieke aard als een „zeer zware” inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, zonder dat dergelijke gedragingen een bijzondere weerslag moeten hebben of een bepaald geografisch gebied moeten bestrijken (zie in die zin arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 75, en arrest van 24 september 2009, Erste Bank der österreichischen Sparkassen e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 103). Deze conclusie vindt steun in het feit dat in de beschrijving van zware inbreuken uitdrukkelijk sprake is van de weerslag op de markt en van de gevolgen voor uitgestrekte gebieden van de gemeenschappelijke markt, maar dat in de beschrijving van zeer zware inbreuken daarentegen niet staat dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt of van gevolgen die zich in een bepaald geografisch gebied doen gevoelen (zie in die zin arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 83, punt 171 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De in de bestreden beschikking bedoelde inbreuken zijn dus, gelet op het doel ervan, naar hun aard zeer zwaar, ook al zou worden vastgesteld dat de mededingingsregelingen niet alle verhoopte gevolgen hebben gehad.

161

Ook al zou de Commissie rekening hebben willen houden met deze facultatieve factor, namelijk de weerslag van de inbreuk op de markt, en had zij bijgevolg in de bestreden beschikking concrete, geloofwaardige en toereikende aanwijzingen moeten aandragen op grond waarvan de mogelijke daadwerkelijke invloed van de inbreuk op de mededinging op de markt kon worden beoordeeld (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 82), moet overigens worden geoordeeld dat zij deze verplichting is nagekomen. Wat de inbreuk in Luxemburg betreft, heeft de Commissie immers vastgesteld dat de ondernemingen die bij de overeenkomsten betrokken waren, in 2003 bijna 100 % van de gezamenlijke verkoop van liften en roltrappen voor hun rekening namen, en opgemerkt dat de lokale dochterondernemingen van Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp de enige leveranciers in Luxemburg waren die roltrappen aanboden (punt 52 van de bestreden beschikking). Zij heeft eveneens gewezen op de frequentie van de bijeenkomsten (punt 302 van de bestreden beschikking), op de voorzorgsmaatregelen die waren genomen om de bijeenkomsten en contacten verborgen te houden (punten 304‑307 van de bestreden beschikking) en op het bestaan van een compensatiemechanisme (punten 317 en 336 van de bestreden beschikking).

162

Aldus heeft de Commissie, zoals in punt 153 hierboven is opgemerkt, in punt 660 van de bestreden beschikking geconcludeerd dat het feit dat de verschillende mededingingsverstorende akkoorden waren uitgevoerd, op zich deed veronderstellen dat zij een weerslag hadden gehad op de markt, ook al was het reële effect moeilijk te meten, omdat met name niet kon worden vastgesteld of voor andere projecten – en voor hoeveel daarvan – met offertes was geknoeid, en evenmin hoeveel projecten onder de leden van het kartel hadden kunnen worden verdeeld zonder dat zij daarvoor onderling contacten hoefden te leggen. Zij heeft hieraan toegevoegd dat het grote gezamenlijke marktaandeel van de concurrenten erop wees dat er waarschijnlijk mededingingsverstorende gevolgen waren geweest, wat werd bevestigd door het feit dat hun marktaandelen tijdens de gehele duur van de inbreuken relatief stabiel waren gebleven.

163

Wat in de tweede plaats het argument inzake de beschikkingspraktijk van de Commissie betreft, volgens hetwelk de inbreuk als „zwaar” had moeten worden aangemerkt, gelet op de beperkte omvang van de geografische markt waarop deze betrekking had, is het vaste rechtspraak dat de beschikkingspraktijk van de Commissie niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken kan dienen (arresten JCB Service/Commissie, aangehaald in punt 108, punten 201 en 205, en Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 108, punt 60; arrest Carbone‑Lorraine/Commissie, aangehaald in punt 137, punt 92; zie eveneens arrest Scandinavian Airlines System/Commissie, aangehaald in punt 158, punt 132). Gelet op het hierboven in de punten 158 tot en met 160 verrichte onderzoek kan een dergelijk argument hoe dan ook niet worden aanvaard.

164

Bovendien is de omvang van de geografische markt volgens de rechtspraak slechts één van de drie criteria die volgens de richtsnoeren relevant zijn voor de algehele beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Binnen deze groep van onderling verweven criteria speelt de aard van de inbreuk een zeer belangrijke rol. Daarentegen is de omvang van de geografische markt geen zelfstandig criterium in die zin dat enkel inbreuken die het merendeel van de lidstaten treffen, als „zeer zwaar” zouden kunnen worden gekwalificeerd. Noch het EG-Verdrag, noch verordening nr. 1/2003, noch de richtsnoeren van 1998, noch de rechtspraak bieden steun aan de veronderstelling dat uitsluitend geografisch zeer omvangrijke beperkingen aldus kunnen worden aangemerkt (zie in die zin arrest Gerecht van14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punt 311 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien vormt het gehele grondgebied van een lidstaat, zelfs wanneer het in vergelijking met de andere lidstaten betrekkelijk klein is, hoe dan ook een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt (arrest Hof van 9 november 1983, Nederlandsche Banden-Industrie-Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 28; zie arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 312 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de betrokken mededingingsregeling het gehele grondgebied van Luxemburg bestreek, moet ervan worden uitgegaan dat zij betrekking had op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt.

165

Gelet op al het voorgaande moeten de hierboven in de punten 148 en 149 weergegeven argumenten van verzoekster in zaak T‑141/07 worden verworpen.

Onrechtmatigheid van het uitgangsbedrag van de geldboeten

– Algemene uitgangsbedragen van de geldboeten

166

In de eerste plaats stelt verzoekster in zaak T‑141/07 dat de Commissie, wat de inbreuk in Luxemburg betreft, geen rekening heeft gehouden met de beperkte omvang van de betrokken markt, hoewel zij uitdrukkelijk heeft verklaard dat deze factor relevant is voor de berekening van de geldboeten. Dienaangaande beklemtoont zij dat het uitgangsbedrag van 10 miljoen EUR (dit is 31,3 % van de waarde van de betrokken markt) kennelijk onevenredig is ten opzichte van het algemene uitgangsbedrag dat is vastgesteld voor de inbreuk in België (15,7 % van de waarde van de betrokken markt), Nederland (15,2 % van de waarde van de betrokken markt) en Duitsland (12 % van de waarde van de door de Commissie gekozen referentiemarkt), en moet worden verlaagd.

167

Opgemerkt zij dat verzoekster in zaak T‑141/07 de rechtmatigheid van de in punt 1 A van de richtsnoeren van 1998 uiteengezette methode ter bepaling van de algemene uitgangsbedragen van de geldboeten niet betwist. Deze methode beantwoordt aan een vaste logica volgens welke het algemene uitgangsbedrag van de geldboete, dat wordt bepaald op basis van de zwaarte van de inbreuk, wordt berekend naargelang van de aard en de geografische omvang van de inbreuk en de concrete weerslag ervan op de markt wanneer deze meetbaar is (arresten Gerecht van 15 maart 2006, BASF/Commissie, T‑15/02, Jurispr. blz. II‑497, punt 134, en 6 mei 2009, Wieland-Werke/Commissie, T‑116/04, Jurispr. blz. II‑1087, punt 62).

168

Bovendien is de omvang van de betrokken markt in beginsel geen verplichte factor, maar slechts één van de relevante factoren voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en is de Commissie overigens volgens de rechtspraak niet verplicht om de betrokken markt af te bakenen of de omvang ervan te beoordelen wanneer de betrokken inbreuk een mededingingsverstorend doel heeft (zie in die zin arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punten 55 en 64, en arrest Gerecht van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, Jurispr. blz. II‑3555, punt 109).

169

Bij de vaststelling van het algemene uitgangsbedrag van de geldboete kan de Commissie dus, zonder daartoe verplicht te zijn, rekening houden met de waarde van de markt waarop de inbreuk betrekking heeft (zie in die zin arresten BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 134, en Wieland‑Werke/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 63). De richtsnoeren van 1998 schrijven immers niet voor dat het bedrag van de geldboeten wordt berekend op basis van de totale omzet of van de omzet van de ondernemingen op de betrokken markt, maar zij verzetten zich er evenmin tegen dat de Commissie ter bepaling van het bedrag van de geldboete van dergelijke omzetcijfers uitgaat om de algemene beginselen van het recht van de Unie in acht te nemen of wanneer de omstandigheden dit vereisen (arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, aangehaald in punt 151, punt 187).

170

Het argument van verzoekster in zaak T‑141/07 dat het algemene uitgangsbedrag van de aan GTO opgelegde geldboete de beperkte omvang van de Luxemburgse markt moet weerspiegelen, is dus op een onjuiste premisse gebaseerd en moet derhalve worden verworpen.

171

Bovendien heeft de Commissie weliswaar in punt 666 van de bestreden beschikking in antwoord op het argument dat de weerslag van de mededingingsregeling in Luxemburg beperkt moet worden geacht omdat zij slechts één lidstaat bestreek, opgemerkt dat „[d]e omvang van de Luxemburgse markt ten opzichte van andere lidstaten naar behoren in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de geldboete (zie [punten] 680‑683)”, maar de punten van de bestreden beschikking waarnaar de Commissie verwijst, hebben betrekking op de indeling van de deelnemers aan de mededingingsregeling in Luxemburg in categorieën met het oog op de gedifferentieerde behandeling van deze deelnemers. Voorts heeft de Commissie het algemene uitgangsbedrag van de geldboete op 10 miljoen EUR vastgesteld. Hoewel de Commissie de zwaarte van de inbreuk heeft vastgesteld op basis van de aard en de geografische omvang ervan, heeft zij het dus opportuun geacht om het algemene uitgangsbedrag van de geldboete vast te stellen op de helft van het minimumbedrag van 20 miljoen EUR dat normaal volgens de richtsnoeren voor dit soort zeer zware inbreuk wordt vastgesteld (zie punt 1 A, tweede alinea, derde streepje).

172

Gelet op het feit dat de mededingingsregeling een bijzonder zware inbreuk vormt en een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt bestreek, hoeft het uitgangsbedrag van 10 miljoen EUR dat voor Otis is vastgesteld voor de inbreuk in Luxemburg, niet te worden verlaagd.

173

Verzoekster in zaak T‑141/07 stelt eveneens dat het uitgangsbedrag dat voor de mededingingsregeling in Luxemburg is vastgesteld, onevenredig is ten opzichte van de uitgangsbedragen die voor de inbreuken in België, Duitsland en Nederland zijn vastgesteld.

174

Zoals hierboven in de punten 167 tot en met 170 is opgemerkt, is de Commissie, gelet op de vaste logica die ten grondslag ligt aan de in punt 1 A van de richtsnoeren van 1998 uiteengezette methode, niet verplicht om bij de vaststelling van het algemene uitgangsbedrag van de geldboete rekening te houden met de omvang van de betrokken markt en nog minder om dit bedrag aan de hand van een vast percentage van de gecumuleerde marktomzet vast te stellen (zie in die zin arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 134).

175

Ook al zou de Commissie, wanneer zij in één en dezelfde beschikking verschillende zeer zware inbreuken vaststelt, ervoor moeten zorgen dat de algemene uitgangsbedragen evenredig zijn aan de omvang van de verschillende betrokken markten, wijst in casu niets erop dat het algemene uitgangsbedrag dat voor de mededingingsregeling in Luxemburg is vastgesteld, onevenredig is ten opzichte van de algemene uitgangsbedragen die voor de mededingingsregelingen in België, Duitsland en Nederland zijn vastgesteld.

176

Uit het onderzoek van de relevante gegevens blijkt immers dat de Commissie de algemene uitgangsbedragen van de geldboeten op coherente wijze heeft vastgesteld, gelet op de omvang van de betrokken markten. Zo heeft de Commissie de algemene uitgangsbedragen op een hoger niveau vastgesteld naarmate de markt groter was, zonder evenwel een precieze mathematische formule te hanteren, waartoe zij hoe dan ook niet verplicht was (zie punten 167‑170 hierboven). Voor de veruit belangrijkste markt, die van Duitsland, die goed is voor 576 miljoen EUR, heeft zij het algemene uitgangsbedrag op 70 miljoen EUR vastgesteld. Voor de tweede en de derde belangrijkste markt, namelijk die van Nederland en België, die respectievelijk goed zijn voor 363 miljoen EUR en 254 miljoen EUR, heeft zij het algemene uitgangsbedrag respectievelijk vastgesteld op 55 miljoen EUR en 40 miljoen EUR. Voor de Luxemburgse markt, ten slotte, die duidelijk kleiner is en goed is voor 32 miljoen EUR, heeft de Commissie het opportuun geacht om dit bedrag tot 10 miljoen EUR te beperken, ook al bepalen de richtsnoeren van 1998 dat het bedrag op basis van de zwaarte voor zeer zware inbreuken op „meer dan 20 miljoen [EUR]” wordt vastgesteld.

177

In dit verband zij eveneens opgemerkt dat de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete op een voldoende hoog niveau moest vaststellen om het feit te weerspiegelen dat de betrokken inbreuk „zeer zwaar” was, ook al is de Luxemburgse markt vrij klein ten opzichte van de markten waarop de andere inbreuken betrekking hebben.

178

Bijgevolg moeten de argumenten van verzoekster in zaak T‑141/07 worden verworpen voor zover zij aanvoert dat het algemene uitgangsbedrag van de geldboete dat voor de inbreuk in Luxemburg is vastgesteld, buitensporig is.

179

In de tweede plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 met betrekking tot de inbreuk in Duitsland dat de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete heeft vastgesteld op basis van de omvang van de markt voor liften en roltrappen, die volgens punt 82 van de bestreden beschikking goed is voor 576 miljoen EUR. Aldus heeft zij bij de vaststelling van dit uitgangsbedrag de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel geschonden, aangezien de mededingingsregelingen slechts de verkoop van roltrappen en een klein deel van de verkoop van liften in Duitsland betroffen. De Commissie heeft niet vastgesteld op welke markten de akkoorden betrekking hadden en evenmin hoe groot deze markten waren. Zij heeft evenmin de reële weerslag van de inbreuk vastgesteld. Uit de door Otis verstrekte stukken blijkt dat de mededingingsregeling niet de gehele liftenmarkt bestreek, maar enkel de projecten voor roltrappen en de dure liftenprojecten, die betrekking hebben op hogesnelheidsliften. De projecten voor hogesnelheidsliften hadden slechts voor een zeer klein deel betrekking op standaardliften. Aldus bedroeg de verkoop die door de mededingingsregeling in Duitsland werd getroffen volgens Otis slechts 128 miljoen EUR en geen 576 miljoen EUR (punten 82 en 280 van de bestreden beschikking).

180

Vooraf zij opgemerkt dat verzoeksters in zaak T‑145/07 evenmin de wettigheid van de in punt 1 A van de richtsnoeren van 1998 uiteengezette methode voor de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete betwisten, die, zoals hierboven in punt 174 is opgemerkt, op een vaste logica berust. Bovendien is de omvang van de betrokken markt volgens de hierboven in punt 168 aangehaalde rechtspraak slechts één van de relevante factoren voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en is de Commissie niet verplicht om bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete deze factor in aanmerking te nemen.

181

Ten eerste heeft de Commissie, anders dan verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, het algemene uitgangsbedrag van de wegens de inbreuk in Duitsland opgelegde geldboete niet vastgesteld op basis van de omvang van de betrokken markt. Zoals blijkt uit de punten 657 tot en met 671 van de bestreden beschikking, heeft de Commissie haar conclusie betreffende de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken immers gebaseerd op de aard van deze inbreuken en de geografische omvang ervan.

182

Wat ten tweede de vaststelling van de weerslag van de inbreuk in Duitsland betreft, moet de Commissie, zoals hierboven in punt 151 is opgemerkt, bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk de concrete weerslag op de markt slechts onderzoeken wanneer blijkt dat deze meetbaar is. Dat is in casu niet het geval.

183

Anders dan verzoeksters stellen, blijkt uit punt 664 van de bestreden beschikking, waarin de Commissie overigens antwoordt op de stelling van Otis en Kone dat de inbreuk een beperkte weerslag heeft gehad, dat het „onmogelijk [is] om de specifieke gevolgen van de inbreuk aan te tonen” en dat de overeenkomsten in Duitsland niet alleen een weerslag hebben gehad op roltrappen en dure liftenprojecten, aangezien de Commissie het waarschijnlijk acht „dat de activiteiten van het kartel op het gebied van liftenprojecten van meer dan één miljoen EUR, die onder meer betrekking hebben op dure hogesnelheidsliften, een invloed hebben gehad op de werking van de rest van de liftenmarkt”. De Commissie heeft in dit punt eveneens opgemerkt dat de totale waarde van een project belangrijker was dan het aantal en het soort liften, dat de precieze gevolgen van de inbreuk onmogelijk konden worden aangetoond en dat uit de feiten duidelijk bleek dat de partijen niet de bedoeling hadden om bepaalde soorten producten uit te sluiten, maar om een akkoord te bereiken over projecten waarvoor de concurrentie het gemakkelijkst kon worden uitgeschakeld.

184

Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeksters in de zaken T‑145/07 niet aantonen dat de weerslag van de inbreuk in Duitsland meetbaar was, maar enkel stellen dat de inbreuk betrekking had op een kleine markt. Zo stellen zij dat zij het bewijs hebben geleverd dat de mededingingsregeling in Duitsland slechts betrekking had op projecten inzake roltrappen en dure of hogesnelheidsliften en dat standaardliften slechts een ondergeschikte rol speelden in deze projecten. De markt voor standaardliften is volgens hen dus niet getroffen. Deze argumenten moeten hoe dan ook worden verworpen.

185

Om te beginnen verklaren verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de mededingingsregeling enkel betrekking had op projecten inzake hogesnelheidsliften, waarvoor enkel Otis, Kone en ThyssenKrupp een offerte konden indienen, en slechts in ondergeschikte mate betrekking had op standaardliften, voor zover deze deel uitmaakten van een project inzake dure of hogesnelheidsliften of van een project inzake roltrappen, wat volgens hen overigens wordt gestaafd door de bij hun verzoekschrift gevoegde documenten, waaronder een schriftelijke verklaring van doctor R.

186

Dienaangaande moet de stelling worden verworpen dat de projecten inzake dure liften projecten inzake hogesnelheidsliften zijn. Anders dan verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, waren Kone, Otis en ThyssenKrupp niet de enige ondernemingen die daadwerkelijk op aanbestedingen voor projecten inzake dure liften inschreven. Los van het feit dat Schindler volgens verzoeksters na december 2000 niet meer actief aan de besprekingen heeft deelgenomen, blijkt uit de schriftelijke verklaring van doctor R., die verzoeksters ter ondersteuning van hun betoog hebben aangevoerd, dat Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp in 2003 weliswaar de gehele verkoop van hogesnelheidsliften in Duitsland voor hun rekening namen, maar dat „[a]ndere ondernemingen erin geslaagd zijn om in Duitsland een aanzienlijk deel van de projecten inzake liften met een waarde van meer dan 1 miljoen EUR binnen te halen”, wat bevestigt dat de projecten inzake dure liften volgens de bewoordingen zelf van het door verzoeksters in zaak T‑145/07 overgelegde expertiseverslag niet gelijk zijn aan projecten inzake hogesnelheidsliften.

187

Bovendien kan, zoals de Commissie opmerkt, gelet op de gemiddelde prijs van een hogesnelheidslift, die ongeveer 167000 EUR bedraagt, en op de stelling van verzoeksters dat elk duur project minstens één hogesnelheidslift omvatte, niet worden uitgesloten dat een groot aantal standaardliften in dergelijke projecten vervat was. Dienaangaande heeft OEC in een verklaring van [vertrouwelijk] gepreciseerd dat de mededingingsregelingen betreffende de projecten inzake nieuwe uitrusting naast de projecten inzake roltrappen „prestigeprojecten” omvatten. OEC heeft evenwel ook opgemerkt dat deze projecten in een beperkt aantal gevallen geen hogesnelheidsliften omvatten, maar speciale projecten waren die een groot aantal eenheden omvatten. Kone heeft eveneens verklaard dat het enige wat telde, de totale waarde van het project was, ongeacht het aantal en het type liften (zie punt 254 van de mededeling van de punten van bezwaar en punt 241 van de bestreden beschikking). Deze stelling is overigens door verzoeksters niet betwist.

188

Zoals verzoeksters zelf opmerken, waren vele andere concurrenten dan Otis, Kone en ThyssenKrupp in staat om offertes in te dienen voor de projecten van meer dan 1 miljoen EUR die uitsluitend betrekking hadden op standaardliften. Zo verklaren zij in hun verzoekschrift op basis van de verklaringen van doctor R. dat „[vertrouwelijk]”. Kone heeft in haar opmerkingen van 12 februari 2004 eveneens verklaard dat binnen de liftensector [vertrouwelijk]. De stelling van verzoeksters dat de mededingingsregeling uitsluitend betrekking had op liftenprojecten waarvoor enkel Otis, Kone en ThyssenKrupp een offerte konden indienen, moet dus worden verworpen.

189

Voorts betogen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de stelling in punt 664 van de bestreden beschikking dat de gesprekken over dure liften waarschijnlijk of indirect een weerslag hadden op alle andere liften vaag en paradoxaal is en in tegenspraak is met de feitelijke en economische bewijzen.

190

Dienaangaande moet de grief van verzoeksters dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd omdat de Commissie niet uitlegt hoe de gesprekken over de hogesnelheidsliften indirect een negatieve invloed konden hebben op de andere verkopen van liften en waarom zij deze waarschijnlijk negatief hebben beïnvloed, worden afgewezen. In punt 664 van de bestreden beschikking heeft de Commissie immers uitdrukkelijk opgemerkt dat de mededingingsregelingen in Duitsland betrekking hadden op projecten inzake roltrappen, liften en hogesnelheidsliften, in verschillende combinaties, en dat de totale waarde van een project belangrijker was dan het aantal en het soort liften. Zij heeft eveneens opgemerkt dat de activiteiten van het kartel op het gebied van liftenprojecten van meer dan 1 miljoen EUR, die dure hogesnelheidsliften omvatten, een invloed hebben gehad op de werking van de rest van de liftenmarkt, waarvan zij niet konden worden gescheiden, gelet op het feit dat alle productassortimenten (hogesnelheidsliften, lagesnelheidsliften en andere liften) in uiteenlopende mate waren getroffen. Ten slotte heeft zij beklemtoond dat de partijen niet de bedoeling hadden om bepaalde soorten producten uit te sluiten, maar om een akkoord te bereiken over projecten waarvoor de concurrentie het gemakkelijkst kon worden uitgeschakeld (zie eveneens punt 242 van de bestreden beschikking).

191

Bovendien is, zoals blijkt uit de punten 186 en 187 hierboven, niet aangetoond dat er een afzonderlijke, niet-getroffen markt voor standaardliften bestaat, aangezien de dure liftenprojecten en de projecten inzake roltrappen standaardliften omvatten en soms zelfs enkel betrekking hadden op dergelijke liften.

192

Voorts is de vaststelling dat er minstens indirecte gevolgen zijn voor de gehele markt voor liften en roltrappen, anders dan verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, niet in tegenspraak met de feitelijke en economische bewijzen die zij naar eigen zeggen hebben aangevoerd. Met betrekking tot hun argument dat de winstmarges van Otis op de standaardliften die in het kader van projecten met een waarde van minder dan 1 miljoen EUR zijn verkocht, tijdens de periode van de mededingingsregeling niet hoger waren dan vóór of na deze periode, moet worden opgemerkt dat ThyssenKrupp heeft verklaard dat de oorspronkelijke drempel waarboven een project onder de mededingingsregeling viel in 1998 is gestegen van 500000 DEM naar 1000000 DEM en in 2002 naar 1000000 EUR, en dat er dus ook gesprekken zijn geweest over projecten met een waarde van minder dan 1 miljoen EUR (punt 241 van de bestreden beschikking), zodat de winstmarges van Otis in het kader van projecten met een waarde van minder dan 1 miljoen EUR eveneens door de mededingingsregeling konden worden beïnvloed. Voorts is het hoe dan ook onmogelijk met voldoende zekerheid vast te stellen welke concurrentievoorwaarden zouden hebben gegolden indien de inbreuk niet was gepleegd, aangezien het argument van verzoeksters louter is gebaseerd op verkoopcijfers van de Otis-groep. Verder hebben verzoeksters zelf tijdens de administratieve procedure herhaaldelijk gewezen op de grote publicitaire waarde van de „prestigeprojecten”, zodat kan worden uitgesloten dat de mededingingsregeling geen gevolgen heeft gehad op de markt voor standaardliften.

193

Ten slotte zij opgemerkt dat, ook al zou de Commissie rekening hebben willen houden met deze facultatieve factor, namelijk de weerslag van de inbreuk op de markt, en in de bestreden beschikking concrete, geloofwaardige en toereikende aanwijzingen had moeten aandragen aan de hand waarvan de mogelijke daadwerkelijke invloed van de inbreuk op de mededinging op de markt kon worden beoordeeld (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 82), moet worden geoordeeld dat zij hoe dan ook aan deze verplichting heeft voldaan.

194

Wat de inbreuk in Duitsland betreft, moet los van de hierboven in punt 192 genoemde aanwijzingen worden vastgesteld dat de Commissie met name heeft opgemerkt dat Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp – in termen van waarde – meer dan 60 % van de liftenverkopen voor hun rekening namen en bijna 100 % van de markt voor roltrappen in handen hadden (punten 51 en 232 van de bestreden beschikking). Bovendien hadden de drie leden van het kartel na 2000 samen ongeveer 75 % van de markt voor roltrappen en bijna 50 % van de markt voor liften in handen (punten 278 en 280 van de bestreden beschikking). Voorts had de mededingingsregeling tot doel de marktaandelen van elk van de betrokken ondernemingen te bevriezen (punten 236 en volgende van de bestreden beschikking). De Commissie heeft tevens gewezen op de frequentie van de bijeenkomsten (punten 217 en 218 van de bestreden beschikking) en op de voorzorgsmaatregelen die de deelnemers namen om hun contacten verborgen te houden (punten 219‑221 van de bestreden beschikking).

195

Aldus heeft de Commissie in punt 660 van de bestreden beschikking geconcludeerd dat het feit dat de verschillende mededingingsverstorende akkoorden zijn uitgevoerd op zich doet veronderstellen dat zij een weerslag op de markt hebben gehad, ook al is het reële effect moeilijk te meten, omdat met name niet kan worden vastgesteld of voor andere projecten – en voor hoeveel daarvan – met offertes is geknoeid, en evenmin hoeveel projecten onder de leden van het kartel hadden kunnen worden verdeeld zonder dat zij daarvoor onderling contacten hadden moeten leggen. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat het grote gezamenlijke marktaandeel van de concurrenten erop wijst dat er waarschijnlijk mededingingsverstorende gevolgen zijn geweest, en dat dit wordt bevestigd door het feit dat hun marktaandelen tijdens de gehele duur van de inbreuk relatief stabiel zijn gebleven.

196

Ten derde stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat in de mededeling van de punten van bezwaar, anders dan in punt 664 van de bestreden beschikking, niet wordt gesteld dat de gesprekken over liftenprojecten van meer dan 1 miljoen EUR een negatieve invloed hebben gehad op de markt voor liften met een lagere waarde. Volgens hen zijn de rechten van verdediging van verzoeksters in zaak T‑145/07 dus geschonden.

197

Zoals hierboven in punt 122 in herinnering is gebracht, verlangt het fundamentele beginsel van het recht van de Unie volgens hetwelk de rechten van de verdediging in elke procedure moeten worden geëerbiedigd met name dat de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie richt aan een onderneming waaraan zij een sanctie wil opleggen wegens schending van de mededingingsregels, de voornaamste tegen deze onderneming in aanmerking genomen elementen bevat, zoals de verweten feiten, de kwalificatie daarvan en de bewijzen waarop de Commissie zich baseert, zodat deze onderneming in de gelegenheid is om naar behoren haar argumenten te ontwikkelen in het kader van de tegen haar ingeleide administratieve procedure.

198

In casu blijkt met name uit punt 583 van de mededeling van de punten van bezwaar dat de mededingingsregeling volgens de Commissie gevolgen kon hebben voor de gehele liften‑ en roltrappensector in Duitsland. Dienaangaande heeft zij specifiek verwezen naar het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling in de liftensector, in zijn geheel beschouwd, alsook in de roltrappensector. Wat de beoordeling van de zwaarte van elk van de inbreuken ter bepaling van het bedrag van de geldboete betreft, heeft de Commissie eveneens in punt 617, sub b, van de mededeling van de punten van bezwaar opgemerkt dat zij bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken rekening zou houden met het feit dat „de akkoorden de gehele liften‑ en roltrappensector bestreken”.

199

Verzoeksters in zaak T‑145/07 hebben overigens dienaangaande een standpunt ingenomen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Zo hebben zij de Commissie met name erop gewezen [vertrouwelijk].

200

Het argument dat de Commissie de rechten van verdediging van verzoeksters heeft geschonden door er in de mededeling van de punten van bezwaar niet op te wijzen dat de gesprekken over liftenprojecten van meer dan 1 miljoen EUR een negatieve invloed hebben gehad op de markt voor liften met een lagere waarde, mist dus feitelijke grondslag en moet worden verworpen.

201

Ten vierde stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat het uitgangsbedrag van 70 miljoen EUR dat voor de mededingingsregeling in Duitsland is vastgesteld, kennelijk onevenredig is aan het bedrag van de verkopen waarop de onrechtmatige akkoorden daadwerkelijk betrekking hadden. Hoewel de Commissie in punt 664 van de bestreden beschikking heeft verklaard dat zij rekening zou houden met het feit dat de activiteiten van het kartel misschien geen rechtstreekse invloed hebben gehad op de totale markt voor liften, heeft zij er dus geen rekening mee gehouden dat slechts gesprekken zijn gevoerd over een beperkt deel van de gehele liftenmarkt. Bovendien is de Commissie bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete voor de inbreuk in Duitsland afgeweken van de methode voor de berekening van het boetebedrag die in de bestreden beschikking is toegepast. Aangezien de Commissie heeft erkend dat de mededingingsregelingen in Duitsland een geringere draagwijdte hadden dan die in de drie landen van de Benelux, kon zij niet dezelfde criteria toepassen voor de berekening van het bedrag van de geldboete die wegens de inbreuk in Duitsland is opgelegd.

202

Om te beginnen is hierboven in punt 174 opgemerkt dat de Commissie, gelet op de vaste logica die ten grondslag ligt aan de in punt 1 A van de richtsnoeren van 1998 uiteengezette methode, niet verplicht is om bij de vaststelling van het algemene uitgangsbedrag van de geldboete rekening te houden met de omvang van de betrokken markt.

203

Voorts zij opgemerkt dat de Commissie weliswaar niet heeft geprobeerd de precieze gevolgen van de inbreuk aan te tonen (punt 660 van de bestreden beschikking), maar niettemin voor de inbreuk in Duitsland een laag uitgangsbedrag heeft vastgesteld om ten behoeve van de betrokken ondernemingen rekening te houden met de mogelijkheid dat de mededingingsregelingen niet rechtstreeks op de totale liftenmarkt hebben ingewerkt. Zo heeft de Commissie, zoals zij in punt 664 van de bestreden beschikking opmerkt, bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete daadwerkelijk „rekening gehouden met het feit dat de activiteiten van het kartel misschien geen rechtstreekse invloed hebben gehad op de totale markt voor liften”. Het uitgangsbedrag dat voor de mededingingsregeling in Duitsland is vastgesteld, is immers procentsgewijs, vergeleken met de totale omvang van de markt, lager dan het bedrag dat voor de andere in de bestreden beschikking genoemde mededingingsregelingen is vastgesteld (zie punt 176 hierboven).

204

Ook al zou de mededingingsregeling betreffende de liften in Duitsland slechts nadelige gevolgen hebben gehad voor de projecten inzake dure liften of hogesnelheidsliften (zie punten 184‑191 hierboven), dan nog blijft het uitgangsbedrag van de geldboete gerechtvaardigd, zelfs indien het wordt vergeleken met de bedragen die voor de andere mededingingsregelingen zijn vastgesteld. Dienaangaande zij opgemerkt dat de geografische markt waarop de mededingingsregeling in Duitsland betrekking had, duidelijk groter was dan de geografische markten die door de andere mededingingsregelingen werden bestreken.

205

Ook al zou de mededingingsregeling in Duitsland, zoals verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, slechts nadelige gevolgen hebben gehad voor een deel van de liftenmarkt, namelijk voor projecten inzake dure liften of hoge snelheidsliften, zou de door de mededingingsregeling getroffen markt ten slotte volgens de ramingen van Otis in totaal goed zijn voor 128 miljoen EUR, zodat het uitgangsbedrag 54 % van het volume van de betrokken markt zou uitmaken.

206

Er is reeds geoordeeld dat uitgangsbedragen die procentueel zo hoog zijn, gerechtvaardigd kunnen zijn in het geval van zeer zware inbreuken (zie in die zin arresten BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punten 130 en 133‑137, en Carbone‑Lorraine/Commissie, aangehaald in punt 137, punt 121). Bovendien is het effect van een mededingingsverstorende praktijk, zoals de Commissie in punt 659 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, volgens vaste rechtspraak geen doorslaggevende maatstaf om de zwaarte van een inbreuk te beoordelen. De bedoeling van een praktijk kan belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het, zoals in casu, gaat om inbreuken die op zich zwaar zijn, zoals de verdeling van markten (arresten Thyssen Stahl/Commissie, aangehaald in punt 159, punt 118, en Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 96; arresten Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 77, punt 199, en Degussa/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 251).

207

Ook al zou de Commissie, wanneer zij in één en dezelfde beschikking verschillende zeer zware inbreuken vaststelt, ervoor moeten zorgen dat de algemene uitgangsbedragen evenredig zijn aan de omvang van de verschillende betrokken markten, wijst in casu niets erop dat de algemene uitgangsbedragen die voor de inbreuken in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland zijn vastgesteld, onderling incoherent zijn of onevenredig zijn.

208

Zoals hierboven in punt 176 is opgemerkt, blijkt immers uit het onderzoek van de relevante gegevens dat de Commissie de algemene uitgangsbedragen voor de inbreuken in de betrokken lidstaten op redelijke en coherente wijze heeft vastgesteld, gelet op de omvang van de betrokken markten.

209

Derhalve moeten alle grieven inzake de algemene uitgangsbedragen van de geldboeten worden afgewezen.

– Specifieke uitgangsbedragen van de geldboeten

210

Het is inherent aan de uitoefening van de krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 aan de Commissie toegekende bevoegdheden dat de betrokken ondernemingen bij de berekening van de uit hoofde van deze bepaling opgelegde geldboeten op een gedifferentieerde wijze worden behandeld. In het kader van haar beoordelingsmarge moet de Commissie immers de sancties individueel vaststellen op basis van de gedragingen en de specifieke eigenschappen van de betrokken ondernemingen, teneinde in elk concreet geval de volle werking van de mededingingsregels van de Unie te verzekeren (zie in die zin arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 109, en arrest Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 108, punt 44).

211

Zo bepalen de richtsnoeren van 1998 dat het in het geval van een inbreuk met een bepaalde zwaarte waarbij verscheidene ondernemingen betrokken zijn, zoals bij kartels, wenselijk kan zijn om op het algemene uitgangsbedrag een weging toe te passen teneinde een specifiek uitgangsbedrag vast te stellen dat rekening houdt met het gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd (punt 1 A, zesde alinea). Met name moet rekening worden gehouden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consumenten, aanzienlijke schade te berokkenen (punt 1 A, vierde alinea).

212

De richtsnoeren van 1998 bepalen tevens dat het beginsel van gelijke bestraffing voor een gelijke gedraging, wanneer de omstandigheden ertoe nopen, tot de toepassing van verschillende boetebedragen voor de betrokken ondernemingen kan leiden, zonder dat deze differentiëring in een rekenkundig regeltje te vatten is (punt 1 A, zevende alinea).

213

Volgens de rechtspraak schrijven de richtsnoeren van 1998 niet voor dat het bedrag van de geldboeten wordt berekend op basis van de omzet van de ondernemingen op de betrokken markt. Bij de beoordeling van de invloed van een onderneming op de markt of, in de bewoordingen van de richtsnoeren, van de daadwerkelijke economische macht ervan om aan de andere marktdeelnemers aanzienlijke schade te berokkenen, is de Commissie dus niet verplicht, eerst de markt af te bakenen en de omvang ervan te ramen (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 122, punt 63). De richtsnoeren van 1998 verzetten zich er evenwel evenmin tegen dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten van dergelijke omzetcijfers uitgaat om de algemene beginselen van het recht van de Unie in acht te nemen of wanneer de omstandigheden dit vereisen (arresten Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punten 283 en 284; 9 juli 2003, Cheil Jedang/Commissie, T‑220/00, Jurispr. blz. II‑2473, punt 82, en 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 157).

214

In casu blijkt uit de punten 672 tot en met 685 van de bestreden beschikking dat de Commissie voor elk van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken „de ondernemingen verschillend heeft behandeld om rekening te houden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakende ondernemingen om aanzienlijke schade toe te brengen aan de mededinging” (punt 672 van de bestreden beschikking). Voor elke inbreuk heeft zij de ondernemingen ter bepaling van de specifieke uitgangsbedragen van de geldboete in categorieën ingedeeld op basis van hun omzet op elk van de betrokken nationale productmarkten (punten 673‑685 van de bestreden beschikking). Met uitzondering van het specifieke uitgangsbedrag dat voor Schindler is vastgesteld wegens haar deelname aan de mededingingsregeling in Duitsland, heeft de Commissie de specifieke uitgangsbedragen voor de ondernemingen voor elke inbreuk vastgesteld op basis van de omzet in 2003. Dit is volgens de Commissie het laatste jaar waarin deze ondernemingen actief aan de betrokken mededingingsregelingen hebben deelgenomen (punten 674, 676, 680 en 684 van de bestreden beschikking).

215

Wat in de eerste plaats de inbreuk in Luxemburg betreft, herinnert verzoekster in zaak T‑141/07 eraan dat de Commissie overeenkomstig de richtsnoeren van 1998 bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete rekening moet houden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers aanzienlijke schade te berokkenen. GTO is een volledig autonoom beheerde kleine onderneming die in geen geval aanzienlijke schade op de markt kon veroorzaken. Verzoekster in zaak T‑141/07 is een kleine lokale onderneming, zowel in termen van personeelsbestand als in termen van omzet, die slechts op de Luxemburgse markt actief is.

216

Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat de Commissie, zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen (zie punten 63‑90 en 96‑105 hierboven), in de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld dat GTO met UTC, OEC, de dochterondernemingen van Otis en GT een economische eenheid in de zin van de mededingingsregels vormde. De argumenten van verzoekster in zaak T‑141/07 betreffende haar geringe omvang moeten dus worden verworpen.

217

Bovendien betwist verzoekster in zaak T‑141/07 niet dat „GTO in 2003 de hoogste omzet had van alle deelnemers aan de mededingingsregeling in Luxemburg” (punt 681 van de bestreden beschikking) en dat de deelnemers aan de mededingingsregeling samen ongeveer 80 % van de betrokken markt in handen hadden (punten 324 en 325 van de bestreden beschikking). In die omstandigheden kan GTO niet stellen dat haar deelname aan deze mededingingsregeling de andere marktdeelnemers, met name de consumenten, geen aanzienlijke schade kon berokkenen in de zin van punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren van 1998.

218

Wat in de tweede plaats de inbreuk in Duitsland betreft, voeren verzoeksters in zaak T‑145/07 aan dat zij ongelijk zijn behandeld ten opzichte van Schindler wat de vaststelling van de specifieke uitgangsbedragen van de geldboeten betreft.

219

Het uitgangsbedrag van hun geldboete is immers enkel op basis van de aard en de geografische omvang van de inbreukmakende gedragingen berekend, terwijl bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de aan Schindler opgelegde geldboete rekening is gehouden met het feit dat deze gedragingen slechts betrekking hadden op een deel van de betrokken productmarkt. Indien de Commissie de aanpak die zij voor Schindler heeft gevolgd ook zou volgen in het geval van verzoeksters in zaak T‑145/07, zou dit eveneens moeten leiden tot een verlaging van het uitgangsbedrag van hun geldboete.

220

Vastgesteld zij dat de situatie van Schindler, wat de mededingingsregeling in Duitsland betreft, verschilt van die van Otis. Het wordt immers niet betwist dat de mededingingsregeling in Duitsland tijdens de gehele periode dat Schindler hieraan heeft deelgenomen, namelijk van augustus 1995 tot december 2000, slechts betrekking had op roltrappen (punt 213 en artikel 1, lid 2, van de bestreden beschikking). Schindler heeft dus slechts deelgenomen aan het deel van de in artikel 1, lid 2, van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk dat betrekking had op roltrappen. Otis daarentegen heeft aan de twee delen van de inbreuk deelgenomen: van augustus 1995 tot december 2003 aan het deel betreffende de roltrappen en van december 2000 tot december 2003 aan het deel betreffende de liften (punten 212 en 213 en artikel 1, lid 2, van de bestreden beschikking). Een gedifferentieerde behandeling heeft juist tot doel, rekening te houden met verschillen in de macht van ondernemingen om aanzienlijke schade toe te brengen aan de mededinging, die in het geval van Schindler noodzakelijkerwijs kleiner was, aangezien zij niet heeft deelgenomen aan het deel van de mededingingsregeling dat betrekking had op liften.

221

In deze omstandigheden kunnen verzoeksters in zaak T‑145/07 niet stellen dat zij gediscrimineerd zijn doordat bij de vaststelling van het specifieke uitgangsbedrag van de geldboete voor Schindler enkel de omzet op de markt voor roltrappen in aanmerking is genomen. Het is integendeel met name op grond van de overweging dat de situatie van Schindler verschilt van die van de andere kartelleden, dat de Commissie met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel verschillende omzetcijfers in aanmerking heeft genomen voor de twee categorieën van betrokken ondernemingen.

222

Uit al het voorgaande volgt dat alle grieven betreffende de specifieke uitgangsbedragen van de geldboeten moeten worden afgewezen.

223

Bijgevolg moet het onderhavige middel in zijn geheel worden verworpen.

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het percentage waarmee het uitgangsbedrag van de geldboete op basis van de duur van de inbreuk in Duitsland is verhoogd

224

Verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen dat de verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete met 10 % per jaar wegens de duur van de inbreuk in Duitsland onevenredig is. Ten eerste hadden de gesprekken tijdens meer dan de helft van de duur van de akkoorden enkel betrekking op roltrappen en konden zij dus slechts een weerslag hebben op een markt waarop de verkoop in 200370 miljoen EUR bedroeg (punt 82 van de bestreden beschikking). Ten tweede had Otis tijdens meer dan de helft van de duur van de akkoorden slechts een gering deel van de markt in handen en was haar positie op de markt voor roltrappen zwakker dan die van Kone en ThyssenKrupp. De Commissie had dus bij de vaststelling van het aandeel van de roltrappen in het uitgangsbedrag een weging moeten toepassen, rekening houdend met de relatieve positie van elk van de ondernemingen die bij de akkoorden betreffende de roltrappen betrokken waren, zoals zij voor Schindler heeft gedaan (punt 676 van de bestreden beschikking).

225

Dienaangaande zijn aan herinnerd dat de duur van de inbreuk volgens artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 één van de factoren is waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete die moet worden opgelegd aan ondernemingen die zich schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk op de mededingingsregels.

226

Wat de duur van de inbreuk betreft, wordt in de richtsnoeren van 1998 een onderscheid gemaakt tussen inbreuken van korte duur (over het algemeen korter dan één jaar), waarvoor het op basis van de zwaarte vastgestelde uitgangsbedrag niet hoeft te worden verhoogd, inbreuken van middellange duur (over het algemeen één tot vijf jaar), waarvoor dit bedrag met 50 % kan worden verhoogd, en inbreuken van lange duur (over het algemeen meer dan vijf jaar), waarvoor dit bedrag voor elk jaar met 10 % kan worden verhoogd (punt 1 B, eerste alinea, eerste tot en met derde streepje, van de richtsnoeren van 1998).

227

Vaststaat dat Otis van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003, dat wil zeggen gedurende een periode van acht jaar in vier maanden, aan de mededingingsregeling in Duitsland heeft deelgenomen, wat overeenstemt met een inbreuk van lange duur.

228

De Commissie heeft dus op basis van de regels die zij zichzelf in de richtsnoeren van 1998 heeft opgelegd, het uitgangsbedrag van de geldboete met 80 % verhoogd wegens de duur van de inbreuk in Duitsland, dat wil zeggen met 10 % voor elk jaar dat deze inbreuk heeft geduurd.

229

Bovendien kan deze verhoging met 80 % niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd, gelet op de lange duur van de inbreuk (zie in die zin arrest Gerecht van 8 oktober 2008, SGL Carbon/Commissie, T‑68/04, Jurispr. blz. II‑2511, punt 113).

230

Verzoeksters verwarren in het kader van hun betoog in wezen de in artikel 23, lid 3, bedoelde criteria van de zwaarte en de duur. Met dit betoog betwisten zij immers een verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete met 10 % per jaar op basis van elementen die verband houden met de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Zo merken zij op, ten eerste, dat de mededingingsregeling in Duitsland gedurende de eerste vijf jaar van de ongeoorloofde akkoorden slechts betrekking had op roltrappen en, ten tweede, dat zij tijdens meer dan de helft van de duur van de mededingingsregeling slechts een klein deel van de relevante markt in handen hadden, met name wegens hun zwakke positie op de markt voor roltrappen.

231

Ook al zouden overwegingen betreffende de zwaarte van de inbreuk in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van het percentage waarmee het uitgangsbedrag van de geldboete wegens de duur van de inbreuk moet worden verhoogd, kunnen de argumenten van verzoeksters hoe dan ook niet worden aanvaard.

232

Ten eerste wordt niet betwist dat de complexe en geheime akkoorden betreffende roltrappen en liften in Duitsland één enkele voortdurende inbreuk vormden (punt 569 van de bestreden beschikking), gelet op het feit dat de deelnemers aan de inbreuk tijdens de gehele duur ervan een gemeenschappelijk doel hebben nagestreefd, dat met name erin bestond projecten onderling te verdelen en hun individuele commerciële optreden bij het indienen van offertes aan banden te leggen. Aangezien verzoeksters in zaak T‑145/07 de kwalificatie van de inbreuk als één enkele voortdurende inbreuk niet betwisten, kunnen zij de Commissie niet verwijten dat zij één gezamenlijk uitgangsbedrag voor de akkoorden betreffende roltrappen en liften heeft toegepast. Gelet op de aard en de geografische omvang van de inbreuk heeft de Commissie vastgesteld dat deze „zeer zwaar” was (punt 671 van de bestreden beschikking), ongeacht of zij variaties op het gebied van de betrokken producten (liften en/of roltrappen) had ondergaan. Aangezien de inbreuk tijdens de gehele litigieuze periode „zeer zwaar” was, mocht de Commissie voor de gehele periode van de inbreuk dezelfde verhogingscoëfficiënt toepassen (zie in die zin arrest Gerecht van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie, T‑30/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 196).

233

Ten tweede zij eraan herinnerd dat de situatie van Otis niet vergelijkbaar is met die van Schindler (zie punten 220 en 221 hierboven). Aangezien Otis niet betwist, ten eerste, dat zij aan ongeoorloofde akkoorden betreffende zowel roltrappen als liften heeft deelgenomen, ten tweede, dat deze ongeoorloofde akkoorden één enkele voortdurende inbreuk vormen en, ten slotte, dat de Commissie met het oog op een gedifferentieerde behandeling van de ondernemingen is uitgegaan van de omzet die zij hebben behaald met de producten waarop de mededingingsregeling betrekking had, teneinde rekening te houden met hun daadwerkelijke economische macht om de mededinging schade toe te brengen, heeft de Commissie bij de vaststelling van het specifieke uitgangsbedrag van de geldboete terecht het marktaandeel van Otis op de gehele markt voor roltrappen en liften in 2003, het meest recente volledige jaar waarin het kartel actief is geweest, in aanmerking genomen. De totale omzet van Otis op deze markt in 2003 was vergelijkbaar met die van Kone en ThyssenKrupp (punt 677 van de bestreden beschikking). Dat Otis bij de vaststelling van het specifieke uitgangsbedrag van de geldboete in dezelfde categorie is ingedeeld als Kone en ThyssenKrupp, is dus logisch en objectief gerechtvaardigd. Gelet op de overwegingen in punt 232 hierboven, kunnen verzoeksters in zaak T‑145/07 evenmin opkomen tegen het feit dat voor alle ondernemingen die tot deze zelfde categorie behoren, eenzelfde verhogingscoëfficiënt op dit bedrag is toegepast op grond van de duur van de inbreuk.

234

Bijgevolg moet het onderhavige middel worden verworpen.

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de toepassing van de gemeenschappelijke afschrikkingsfactor in het kader van de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten

235

In de bestreden beschikking herinnert de Commissie aan de noodzaak om de geldboeten vast te stellen „op een zodanig niveau dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, rekening houdend met de omvang van elke onderneming” (punt 686 van de bestreden beschikking). Zo heeft de Commissie, na te hebben vastgesteld dat „ThyssenKrupp en UTC/Otis met hun wereldwijde omzet van respectievelijk 47100000000 EUR en 34300000000 EUR veel belangrijkere spelers zijn dan de andere adressaten”, vastgesteld dat „het uitgangsbedrag [van de geldboete] naar boven [diende] te worden bijgesteld om rekening te houden met de omvang en de algemene middelen” van deze ondernemingen, en dat „het aangewezen [was] om op het uitgangsbedrag van de aan ThyssenKrupp op te leggen geldboete een vermenigvuldigingsfactor 2 (verhoging met 100 %) en op het uitgangsbedrag van de aan UTC/Otis op te leggen geldboete een vermenigvuldigingsfactor 1,7 (verhoging met 70 %) toe te passen” (punt 690 van de bestreden beschikking).

236

Verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 stellen dat de Commissie de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door op de uitgangsbedragen van de geldboeten die in de vier betrokken lidstaten aan de vennootschappen van de Otis-groep zijn opgelegd, een vermenigvuldigingsfactor 1,7 toe te passen teneinde ervoor te zorgen dat van deze geldboeten voldoende afschrikkende werking uitgaat.

237

In de eerste plaats komen verzoeksters op tegen het feit dat de omzet van UTC bij de vaststelling van de afschrikkingsfactor in aanmerking is genomen.

238

Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07 een economische eenheid vormen (zie punten 67‑90 en 106‑120 hierboven).

239

Voorts vereist de noodzaak om te garanderen dat de geldboete een voldoende afschrikkende werking heeft, voor zover zij geen grond is om het algemene niveau van de geldboeten te verhogen in het kader van de uitvoering van een mededingingsbeleid, dat het bedrag van de geldboete wordt aangepast naargelang van de op de betrokken onderneming uit te oefenen invloed, zodat de geldboete, met name gelet op de financiële macht van de betrokken onderneming, niet te hoog of te laag uitvalt, en aldus voldoet aan het vereiste van doeltreffendheid en het evenredigheidsbeginsel (arrest Gerecht van 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 670).

240

De Commissie heeft in de richtsnoeren van 1998 geen specifieke methode of criteria vastgelegd op basis waarvan het doel om af te schrikken in aanmerking moet worden genomen en die bindend zouden kunnen zijn indien zij uitdrukkelijk waren vastgesteld. Punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren vermeldt in het kader van de aanwijzingen over de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk enkel de noodzaak, het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat (arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 83, punt 193).

241

Volgens vaste rechtspraak is de Commissie evenwel gerechtigd om de totale omzet van elke aan een mededingingsregeling deelnemende onderneming als relevant criterium voor de vaststelling van een afschrikkingsfactor in aanmerking te nemen (zie in die zin arrest Hof van 29 juni 2006, Showa Denko/Commissie, C‑289/04 P, Jurispr. blz. I‑5859, punten 17 en 18). Zo vormen de omvang en de totale middelen van een onderneming relevante criteria, gelet op het nagestreefde doel, de doeltreffendheid van de geldboete te verzekeren door het bedrag ervan aan te passen aan de totale middelen van de onderneming en aan haar vermogen om de nodige middelen ter betaling van deze geldboete te verzamelen. De vaststelling van het percentage waarmee het uitgangsbedrag moet worden verhoogd om van de geldboete voldoende afschrikkende werking te doen uitgaan, beoogt immers eerder de doeltreffendheid van de geldboete te verzekeren, dan rekening te houden met de schadelijkheid van de inbreuk voor de normale mededinging, en dus met de zwaarte van deze inbreuk (arrest Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 239, punt 672).

242

Bijgevolg heeft de Commissie noch de richtsnoeren van 1998 noch het evenredigheidsbeginsel geschonden door zich bij de toepassing van de afschrikkingsfactor op de totale omzet van de Otis-groep te baseren.

243

In de tweede plaats stellen verzoeksters in de zaken T‑145/07 en T‑146/07 dat de Commissie op basis van de kans op recidive had moeten onderzoeken of het nodig was om Otis af te schrikken, en dat zij naar behoren rekening had moeten houden met de inspanningen die verzoeksters hebben verricht om schendingen van de mededingingsregels te voorkomen. Zij hebben alles gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om de in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken te voorkomen. Dienaangaande verwijzen zij naar het binnen de Otis-groep bestaande programma dat erop gericht is om de mededingingsregels na te leven, naar de medewerking die zij tijdens de administratieve procedure hebben verleend, en naar het ontslag van de werknemers die aansprakelijk zijn voor de inbreuk en die bovendien grote moeite hebben gedaan om hun gedragingen voor hun superieuren verborgen te houden.

244

In casu staat vast dat de Commissie bij de toepassing van de vermenigvuldigingsfactor op Otis ter versterking van de afschrikkende werking van de geldboeten de kans op recidive niet heeft ingeschat. Zoals blijkt uit de punten 688 tot en met 690 van de bestreden beschikking, heeft zij immers enkel rekening gehouden met haar omvang en totale middelen, met name met haar wereldwijde omzet.

245

Het feit dat de kans dat Otis zou recidiveren, niet is ingeschat, doet echter geenszins af aan de rechtmatigheid van de verhogingsfactor (zie in die zin arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 229, en arrest Gerecht van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het verband tussen, enerzijds, de omvang en de totale middelen van de onderneming en, anderzijds, de noodzaak om de afschrikkende werking van de geldboete te verzekeren kan immers niet worden betwist. Dienaangaande moet worden aangenomen dat een grote onderneming, die in vergelijking met de andere kartelleden over aanzienlijke financiële middelen beschikt, gemakkelijker de middelen kan verzamelen die voor de betaling van haar geldboete vereist zijn. Wil de geldboete voldoende afschrikkende werking hebben, is het dus gerechtvaardigd dat aan deze onderneming, met name door de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor, een verhoudingsgewijs hogere geldboete wordt opgelegd dan aan een onderneming die dezelfde inbreuk heeft gepleegd en niet over dergelijke middelen beschikt (zie arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 235 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

246

De grief dat de kans op recidive niet is ingeschat, moet dus worden afgewezen.

247

Met betrekking tot het feit dat Otis een programma heeft opgezet dat erop gericht is de mededingingsregels na te leven, en de werknemers heeft ontslagen die aansprakelijk zijn voor de inbreuken, moet worden opgemerkt dat dergelijke maatregelen, zoals de Commissie terecht opmerkt in punt 688 van de bestreden beschikking, niet afdoen aan het feit dat de inbreuken daadwerkelijk zijn gepleegd. Aangezien de verhoging van het uitgangsbedrag, die ertoe strekt voldoende afschrikkende werking van de geldboete te doen uitgaan, met name beoogt de doeltreffendheid van de geldboete te verzekeren, gelet op de financiële macht van de onderneming, is de Commissie niet verplicht om bij de vaststelling van de toepasselijke verhogingsfactor met dergelijke maatregelen rekening te houden (zie in die zin arrest BASF en UCB/Commissie, aangehaald in punt 245, punt 52).

248

Om dezelfde redenen moet het argument dat Otis tijdens de administratieve procedure haar medewerking heeft verleend, worden verworpen. Hieraan moet worden toegevoegd dat de Commissie heeft erkend dat Otis daadwerkelijk heeft meegewerkt, en haar hiervoor binnen en buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft beloond (zie hoofdstuk 13.8 van de bestreden beschikking). De beoordeling van deze medewerking door de Commissie komt hierna aan bod in de punten 252 tot en met 379.

249

In de derde plaats merkt verzoekster in zaak T‑146/07 op dat het risico bestaat dat de Commissie het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde plafond van 10 % van de omzet omzeilt door een verhogingsfactor op basis van de omzet van de groep toe te passen.

250

Dit argument moet eveneens worden verworpen. Verzoekster in zaak T‑146/07 legt immers niet uit hoe de verhoging van het boetebedrag op basis van de omzet van de groep zou kunnen indruisen tegen de in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde bovengrens van 10 %, die betrekking heeft op de totale omzet van de betrokken onderneming. Verzoekster in zaak T‑146/07 stelt hoe dan ook niet dat de grens van 10 % in casu is overschreden.

251

Uit een en ander volgt dat het onderhavige middel moet worden verworpen.

Middel inzake schending van de mededeling inzake medewerking van 2002, artikel 253 EG, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het billijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de verdediging

252

Verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 herinneren eraan dat zij krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 hebben verzocht om hun immuniteit tegen geldboeten te verlenen of hun geldboeten te verlagen. Volgens hen heeft de Commissie evenwel bij de beoordeling van de kwaliteit en het nut van de door hen verleende medewerking de bepalingen van deze mededeling, artikel 253 EG, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het billijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en hun rechten van verdediging geschonden.

Mededeling inzake medewerking van 2002

253

In haar mededeling inzake medewerking van 2002 heeft de Commissie de voorwaarden vastgesteld waaronder ondernemingen die met haar samenwerken bij de vaststelling van een mededingingsregeling, van geldboeten kunnen worden vrijgesteld of aanspraak kunnen maken op een vermindering van de geldboete die hun anders zou worden opgelegd.

254

Om te beginnen bepaalt de mededeling inzake medewerking van 2002 in deel A, punt 8:

„De Commissie zal een onderneming immuniteit verlenen tegen een geldboete die haar anders zou zijn opgelegd indien:

a)

de onderneming als eerste bewijsmateriaal verstrekt dat, naar de mening van de Commissie, haar in staat kan stellen een beschikking te nemen tot het verrichten van een verificatie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 in verband met een vermeend kartel dat de mededinging in de Gemeenschap beïnvloedt, of

b)

de onderneming als eerste bewijsmateriaal verstrekt dat, naar de mening van de Commissie, haar in staat kan stellen een inbreuk op artikel 81 EG vast te stellen in verband met een vermeend kartel dat de mededinging in de Gemeenschap beïnvloedt.”

255

Voorts bepaalt de mededeling inzake medewerking van 2002 in deel B, punt 20, dat „[o]ndernemingen die niet voldoen aan de voorwaarden [om van geldboeten te worden vrijgesteld] die in [deel] A zijn uiteengezet, [...] in aanmerking [kunnen] komen voor een vermindering van de geldboete die zou zijn opgelegd, indien zij geen medewerking hadden verleend”, en in punt 21 dat „een onderneming de Commissie [daartoe] bewijsmateriaal van de vermoedelijke inbreuk [moet] verstrekken, dat een significant toegevoegde waarde heeft vergeleken met het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikt, en [...] haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk, uiterlijk op het tijdstip waarop zij het bewijsmateriaal indient, [moet] beëindigen”.

256

Met betrekking tot het begrip toegevoegde waarde wordt in punt 22 van de mededeling inzake medewerking van 2002 het volgende verklaard:

„Het begrip ‚toegevoegde waarde’ verwijst naar de mate waarin het verstrekte bewijsmateriaal, door de aard en/of nauwkeurigheid ervan, het vermogen van de Commissie om de betrokken feiten volledig te bewijzen, versterkt. Bij haar beoordeling zal de Commissie er over het algemeen van uitgaan dat schriftelijk bewijsmateriaal dat dateert van de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, een grotere kwalitatieve waarde heeft dan later opgesteld bewijsmateriaal. Evenzo zal in het algemeen worden aangenomen dat bewijsmateriaal dat rechtstreeks relevant is voor de betrokken feiten, een grotere kwalitatieve waarde heeft dan bewijsmateriaal dat slechts zijdelings relevant is.”

257

In punt 23, sub b, eerste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 worden de verminderingen van de geldboeten in drie categorieën ingedeeld:

„–

de eerste onderneming, die voldoet aan wat bepaald is in punt 21, komt in aanmerking voor een vermindering van 30 tot 50 %;

de tweede onderneming, die voldoet aan wat bepaald is in punt 21, komt in aanmerking voor een vermindering van 20 tot 30 %;

de volgende ondernemingen, die voldoen aan wat bepaald is in punt 21, komen in aanmerking voor een vermindering van ten hoogste 20 %.”

258

De mededeling inzake medewerking van 2002 bepaalt in punt 23, sub b, tweede alinea:

„Om het niveau van de vermindering te bepalen binnen deze marges, zal de Commissie rekening houden met de datum waarop het bewijsmateriaal, dat voldoet aan wat bepaald is in punt 21, ingediend werd en de mate waarin dat bewijsmateriaal toegevoegde waarde uitmaakte. Tevens zal ze rekening kunnen houden met de uitgebreidheid en de continuïteit van de samenwerking van de onderneming vanaf de datum van indiening van het bewijsmateriaal.”

259

Ten slotte bepaalt punt 23, sub b, laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002:

„[I]ndien een onderneming bewijsmateriaal verstrekt dat betrekking heeft op feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van de vermoedelijke inbreuk, [zal de Commissie] met deze elementen geen rekening houden bij het bepalen van de geldboete die moet worden opgelegd aan de onderneming die dat bewijsmateriaal heeft verstrekt.”

Beoordelingsmarge van de Commissie en toetsing door de rechter van de Unie

260

Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, dat de rechtsgrondslag voor de oplegging van geldboeten bij inbreuken op de mededingingsregels van de Unie vormt, kent de Commissie een beoordelingsmarge bij de vaststelling van geldboeten toe (zie in die zin arrest Gerecht van 21 oktober 1997, Deutsche Bahn/Commissie, T‑229/94, Jurispr. blz. II‑1689, punt 127), die met name afhangt van haar algemene mededingingsbeleid (zie in die zin arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 210, punten 105 en 109). In dat kader heeft de Commissie, om de doorzichtigheid en de objectiviteit van haar beschikkingen inzake geldboeten te waarborgen, de mededeling inzake medewerking van 2002 vastgesteld en bekendgemaakt. Het gaat om een instrument dat dient om met inachtneming van het recht van hogere rang de criteria te specificeren die zij voornemens is toe te passen bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid. Hieruit vloeit een zelfbeperking van deze bevoegdheid voort (zie naar analogie arrest Gerecht van 30 april 1998, Vlaams Gewest/Commissie, T‑214/95, Jurispr. blz. II‑717, punt 89), aangezien de Commissie zich dient te houden aan de richtsnoeren die zij voor zichzelf heeft vastgelegd (zie naar analogie arrest Gerecht van 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie, T‑380/94, Jurispr. blz. II‑2169, punt 57).

261

De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die uit de vaststelling van de mededeling inzake medewerking van 2002 voortvloeit, staat er evenwel niet aan in de weg dat de Commissie een ruime beoordelingsmarge behoudt (zie naar analogie arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 164, punt 224).

262

De mededeling inzake medewerking van 2002 laat de Commissie immers enige speelruimte om haar discretionaire bevoegdheid uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 van verordening nr. 1/2003, zoals deze zijn uitgelegd door het Hof (zie naar analogie arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 164, punt 224).

263

Zo beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsmarge wanneer zij dient te evalueren of de bewijzen die zijn verstrekt door een onderneming die te kennen heeft gegeven aanspraak te willen maken op de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002, een significant toegevoegde waarde hebben in de zin van punt 21 van deze mededeling (zie in die zin arrest Hof van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, C‑328/05 P, Jurispr. blz. I‑3921, punt 88, en arrest Gerecht van 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T‑410/03, Jurispr. blz. II‑881, punt 555). Voorts moet met betrekking tot punt 8, sub a en b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 worden vastgesteld dat deze ruime beoordelingsmarge voortvloeit uit de formulering zelf van deze bepaling, waarin uitdrukkelijk sprake is van het verstrekken van bewijsmateriaal dat – naar de mening van de Commissie – haar in staat kan stellen een beschikking te nemen tot het verrichten van een verificatie of een inbreuk vast te stellen. De beoordeling van de kwaliteit en het nut van de door een onderneming verleende medewerking impliceert immers ingewikkelde feitelijke beoordelingen (zie in die zin arrest van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, reeds aangehaald, punt 81, en arrest Carbone‑Lorraine/Commissie, aangehaald in punt 137, punt 271).

264

Tevens beschikt de Commissie, na te hebben vastgesteld dat het bewijsmateriaal een significant toegevoegde waarde heeft in de zin van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002, over een beoordelingsmarge wanneer zij het juiste niveau van de aan de betrokken onderneming te verlenen verlaging van de geldboete dient vast te stellen. Punt 23, sub b, eerste alinea, van deze mededeling voorziet immers in marges waarbinnen het bedrag van de geldboete voor de verschillende categorieën van de betrokken ondernemingen kan worden verlaagd, terwijl punt 23, sub b, tweede alinea, de criteria vastlegt die de Commissie bij de vaststelling van het niveau van de vermindering binnen deze marges in aanmerking dient te nemen.

265

Gelet op de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt bij de beoordeling van de medewerking van een onderneming krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002, kan enkel een kennelijke overschrijding van deze marge door het Gerecht worden afgekeurd (zie in die zin arresten van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, aangehaald in punt 263, punten 81, 88 en 89, en 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 263, punt 555).

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in België

266

De Commissie heeft in punt 767 van de bestreden beschikking besloten om „Otis binnen de marge van punt 23, [eerste alinea,] sub b, eerste [streepje], van de mededeling inzake medewerking [van 2002] een verlaging van 40 % van de geldboete te verlenen”.

267

In punt 763 van de bestreden beschikking legt de Commissie uit dat „Otis de tweede onderneming is die informatie over België heeft verstrekt, kort na de tweede reeks inspecties in België”, en dat „[h]et verzoek van Otis [op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002] voornamelijk mondelinge verklaringen van de onderneming en beperkt bewijsmateriaal uit de periode van de inbreuk omvat”.

268

Wat de waarde van de door Otis verleende medewerking betreft, preciseert de Commissie in punt 766 van de bestreden beschikking dat deze medewerking permanent is verleend en „het vermogen van de Commissie om de inbreuk te bewijzen heeft versterkt, in het bijzonder dankzij schriftelijke bewijzen uit de periode van de inbreuk, die dus een significant toegevoegde waarde hadden”. Voorts heeft de Commissie in dat punt verklaard dat „de overgelegde bewijzen evenwel slechts beperkte informatie verstrekken over feiten die de Commissie niet eerder bekend waren”.

269

Volgens verzoeksters in zaak T‑145/07 had de geldboete van Otis met 50 % moeten worden verlaagd, aangezien zij in een pril stadium van de procedure aanzienlijke bewijzen betreffende de mededingingsregelingen in België heeft geleverd, waaronder bewijzen uit de periode van de inbreuk, zoals lijsten van projecten. Dienaangaande verwijzen zij naar hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Volgens Otis is de door haar verstrekte informatie veel omvangrijker en heeft zij een veel grotere bewijswaarde dan de informatie die Kone met betrekking tot de inbreuk in Duitsland heeft verstrekt en waarvoor de Commissie een verlaging van 50 % heeft verleend.

270

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoeksters in zaak T‑145/07 niet betwisten dat de door Otis verleende medewerking valt onder punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 en dat deze onderneming op deze grond recht had op een verlaging van het boetebedrag van 30 % tot 50 %. De verlaging van de geldboete van 40 % die aan Otis is verleend wegens haar medewerking (punt 767 van de bestreden beschikking) valt dus binnen de marge die daartoe in deze mededeling is vastgesteld.

271

Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid van de argumenten van verzoeksters, die in wezen verwijzen naar opmerkingen in een bij het verzoekschrift gevoegd document, moet worden vastgesteld dat zij in casu niet aantonen dat de Commissie haar beoordelingsmarge kennelijk heeft overschreden door Otis’ geldboete met 40 % te verlagen wegens de medewerking die zij bij de vaststelling van de inbreuk in België heeft verleend.

272

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de mededeling inzake medewerking van 2002 in punt 23, sub b, tweede alinea, bepaalt dat de Commissie, om het niveau van de vermindering van de geldboete binnen een marge te bepalen, zowel rekening houdt met „de datum waarop het bewijsmateriaal, dat voldoet aan wat bepaald is in punt 21, ingediend werd [als met] de mate waarin dat bewijsmateriaal toegevoegde waarde uitmaakte”.

273

Uit de niet-betwiste vaststellingen van de bestreden beschikking (punten 95, 96 en 766 van de bestreden beschikking) blijkt dat Otis weliswaar vrij kort na de aanvang van de procedure aan de voorwaarden van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft voldaan, maar dat zij de bewijzen betreffende de mededingingsregeling in België die tot de verlaging van het boetebedrag hebben geleid, niettemin pas aan de Commissie heeft verstrekt op een ogenblik dat deze reeds een verzoek van Kone op grond van deze mededeling had ontvangen op basis waarvan zij een inbreuk in België had kunnen vaststellen (punt 760 van de bestreden beschikking). Bovendien had de Commissie reeds twee reeksen inspecties in België georganiseerd, met name in de kantoren van Otis België.

274

Ongeacht de kwaliteit en het nut van de door Otis verstrekte bewijzen heeft de Commissie, gelet op de datum waarop de bewijzen zijn verstrekt, haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door Otis’ geldboete met 40 % te verlagen wegens de medewerking die zij bij de vaststelling van de mededingingsregeling in België heeft verleend.

275

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat de geldboete die aan Kone is opgelegd wegens de mededingingsregeling in Duitsland, met 50 % is verlaagd. De beoordeling van wat een significant toegevoegde waarde vormt, vereist immers per definitie een aan de context aangepaste analyse van alle bewijzen waarover de Commissie met betrekking tot een bepaalde inbreuk beschikt, zodat inlichtingen in verband met onderscheiden inbreuken, in casu inbreuken in België in Duitsland, niet vergelijkbaar zijn. Aangezien de verschillende ondernemingen zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door Otis een verlaging van 40 % te verlenen voor haar medewerking bij de vaststelling van de mededingingsregeling in België, terwijl zij Kone een verlaging van 50 % heeft verleend voor haar medewerking bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland.

276

Hoe dan ook voeren verzoeksters in zaak T‑145/07, ten eerste, niets aan tot staving van hun stelling dat de informatie die Otis met betrekking tot de mededingingsregeling in België heeft verstrekt, veel omvangrijker is en een veel grotere bewijswaarde heeft dan de informatie die Kone met betrekking tot Duitsland heeft verstrekt.

277

Ten tweede wordt niet betwist dat Kone de Commissie op 12 en 18 februari 2004, dat wil zeggen in de maand na de eerste verificatie van de Commissie van 28 januari 2004, bewijzen met een significant toegevoegde waarde met betrekking tot de mededingingsregeling in Duitsland heeft verstrekt (punten 104‑106 en 792 van de bestreden beschikking), terwijl Otis haar medewerking met betrekking tot de mededingingsregeling in België heeft verleend vanaf [vertrouwelijk], dat wil zeggen na de organisatie van een tweede reeks verificaties in die lidstaat, die plaatsvond op 9 maart 2004 (punten 95 en 96 van de bestreden beschikking).

278

Ten derde beschikte de Commissie op het ogenblik waarop Otis, waarvan de medewerking onder punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 valt, haar bewijzen betreffende de mededingingsregeling in België verstrekte, reeds over voldoende bewijzen om de inbreuk vast te stellen. Kone had deze bewijzen verstrekt in het kader van haar eerdere verzoek, waarvoor haar volledige immuniteit tegen geldboeten was verleend (punten 760 en 761 van de bestreden beschikking). Voor de inbreuk in Duitsland daarentegen heeft geen enkele onderneming immuniteit tegen geldboeten genoten, wat impliceert dat de Commissie niet over voldoende bewijzen beschikte om de inbreuk in Duitsland vast te stellen op het ogenblik waarop Kone haar verzoek op grond van deze mededeling heeft ingediend.

279

Gelet op al het voorgaande moeten alle grieven van Otis betreffende de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 op de medewerking die zij bij de vaststelling van de inbreuk in België heeft verleend, worden afgewezen.

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland

280

De geldboete van Otis, die op [vertrouwelijk] als tweede onderneming een verzoek met betrekking tot de mededingingsregeling in Duitsland heeft ingediend op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 (punt 107 van de bestreden beschikking), is op grond van punt 23, sub b, van deze mededeling met 25 % verlaagd wegens de medewerking die zij bij de vaststelling van deze mededingingsregeling heeft verleend (punt 800 van de bestreden beschikking). De Commissie zet dienaangaande in de punten 796 en 799 van de bestreden beschikking het volgende uiteen:

„796

Gelet op het belang en de kwaliteit van de opmerkingen van Otis en het tijdstip waarop deze zijn ingediend, hebben de verstrekte bewijzen daadwerkelijk een significant toegevoegde waarde, die het vermogen van de Commissie om de betrokken feiten te bewijzen versterkt. Dit is evenwel de normale voorafgaande voorwaarde om een verlaging van de geldboeten op grond van de punten 21 en 22 van de mededeling inzake medewerking [van 2002] te kunnen verlenen. Otis heeft niet aangetoond in welke zin haar medewerking met een uitzonderlijke omstandigheid kan worden gelijkgesteld. Bovendien biedt de mededeling inzake medewerking [van 2002] niet de mogelijkheid om de tweede onderneming die bewijzen verstrekt, een verlaging te verlenen die de marge van 20 tot 30 % overschrijdt.

[...]

799

Bij de verlaging van de geldboete binnen de vastgestelde marge wordt rekening gehouden met het ogenblik waarop de bewijzen zijn verstrekt, met de mate waarin zij toegevoegde waarde hebben en met de mate waarin de onderneming na haar opmerkingen heeft meegewerkt, alsook met de continuïteit van de medewerking. Otis heeft pas na de aanvullende verklaring van [vertrouwelijk] volledig aan de voorwaarde van punt 21 voldaan. De verklaringen van Otis hebben niettemin een significant toegevoegde waarde, die het vermogen van de Commissie om de inbreuk te bewijzen aanzienlijk heeft versterkt. [vertrouwelijk]. Er zijn evenwel geen bewijzen uit de periode van de inbreuk verstrekt.”

281

In de eerste plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de Commissie de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft geschonden, aangezien Otis heeft voldaan aan de voorwaarden om immuniteit tegen geldboeten te kunnen genieten op grond van punt 8, sub b, van deze mededeling. De Commissie heeft immers Otis, [vertrouwelijk], te kennen gegeven dat zij nog steeds krachtens deze mededeling immuniteit voor Duitsland kon genieten en dat haar een voorwaardelijke immuniteit kon worden verleend. Het immuniteitsverzoek is evenwel afgewezen [vertrouwelijk]. Anders dan de Commissie stelt, kon zij dankzij de bewijzen, de uitleg en de informatie die Otis haar vóór [vertrouwelijk] heeft verstrekt, een inbreuk op artikel 81 EG vaststellen overeenkomstig punt 8, sub b, van deze mededeling.

282

Er zij aan herinnerd dat, gelet op de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt bij de beoordeling van de medewerking van een onderneming krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002, enkel een kennelijke overschrijding van deze marge door het Gerecht kan worden afgekeurd (zie in die zin arrest van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, aangehaald in punt 263, punten 81, 88 en 89, en arrest van 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 263, punt 555).

283

Voorts is een van de voorwaarden voor de verlening van immuniteit krachtens punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 dat de onderneming als eerste bewijsmateriaal verstrekt dat, naar de mening van de Commissie, haar in staat kan stellen een inbreuk op artikel 81 EG vast te stellen in verband met een vermeend kartel dat de mededinging in de Gemeenschap beïnvloedt.

284

Vastgesteld moet worden dat de Commissie op het ogenblik dat Otis op grond van deze mededeling haar verzoek met betrekking tot de inbreuk in Duitsland indiende, namelijk op [vertrouwelijk], reeds twee reeksen verificaties in dat land had verricht, namelijk op 28 januari en 9 maart 2004 (punten 104 en 106 van de bestreden beschikking). Bovendien had de Commissie reeds in de zomer van 2003 inlichtingen van een externe informant ontvangen (punt 91 van de bestreden beschikking) en had Kone op 12 februari 2004 op grond van deze mededeling een verzoek bij haar ingediend (punt 105 van de bestreden beschikking).

285

Volgens verzoeksters in zaak T‑145/07 blijkt evenwel uit de brief van de Commissie aan Otis [vertrouwelijk] dat de Commissie de inbreuk in Duitsland pas kon vaststellen toen zij beschikte over de informatie van Otis.

286

In deze brief heeft de Commissie, na eraan te hebben herinnerd dat [vertrouwelijk], Otis meegedeeld dat zij zopas een beschikking betreffende het eerste verzoek op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 had vastgesteld en [vertrouwelijk]. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij zou verifiëren [vertrouwelijk]. De Commissie heeft evenwel benadrukt dat [vertrouwelijk] voor haar deelname aan de mededingingsregeling in Duitsland.

287

De brief [vertrouwelijk] moet worden gelezen in het licht van punt 18 van de mededeling inzake medewerking van 2002, volgens hetwelk „[d]e Commissie [...] geen andere verzoeken om immuniteit tegen geldboeten in aanmerking [zal] nemen zolang zij geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van een voorliggend verzoek met betrekking tot dezelfde vermoedelijke inbreuk”. Deze brief diende dus enkel om Otis in te lichten over het feit dat de Commissie, na te hebben beslist over het immuniteitsverzoek van een andere onderneming, in casu dat van Kone, thans het immuniteitsverzoek van Otis in overweging kon nemen. Hij bevat evenwel geen beoordeling van de kwaliteit van de door Otis verleende medewerking. Integendeel, de Commissie merkt in de brief uitdrukkelijk op dat zij nog moet onderzoeken of de door Otis verstrekte bewijzen voldoen aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van deze mededeling.

288

Wat de kwaliteit van de medewerking betreft die Otis met betrekking tot de mededingingsregeling in Duitsland heeft verleend, moet worden vastgesteld dat deze medewerking, zoals blijkt uit de stukken, in wezen bestond uit eenzijdige verklaringen.

289

Eenzijdige verklaringen van een onderneming, zelfs indien deze gedetailleerd zijn, kunnen evenwel niet volstaan om een inbreuk vast te stellen indien zij niet worden gestaafd door nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen. De Commissie moet immers in haar beschikking nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk heeft plaatsgevonden (zie arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

290

Otis heeft in het kader van haar verzoek krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 bepaalde bewijsstukken overgelegd. [vertrouwelijk]

291

De bewijswaarde van deze bewijzen is evenwel beperkt. Zij bevatten immers als zodanig geen aanwijzingen dat het in de bestreden beschikking vastgestelde mededingingsverstorende gedrag heeft plaatsgevonden. [vertrouwelijk]

292

Bijgevolg heeft de Commissie haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door te beslissen dat de door Otis ingediende opmerkingen niet volstonden om een inbreuk op artikel 81 EG in Duitsland vast te stellen, ook al bevatten de door Otis verstrekte bewijzen een aantal documenten die dateren uit de periode van de inbreuk (namelijk de onkostennota’s van twee werknemers van Otis). Bijgevolg heeft de Commissie terecht geweigerd om Otis immuniteit tegen geldboeten te verlenen op grond van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002.

293

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de bestreden beschikking een groot aantal verwijzingen naar de opmerkingen van Otis bevat. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie reeds een verzoek van Kone op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 had ontvangen op het ogenblik dat zij het verzoek van Otis op grond van deze mededeling ontving en dat eerstgenoemd verzoek, zoals dat van Otis, in wezen uit eenzijdige verklaringen bestond en niet door andere bewijzen dan haar eigen, op herinneringen gebaseerde, schriftelijke verklaringen werd gestaafd (punt 788 van de bestreden beschikking). Aangezien de Commissie zich voor de vaststelling van de inbreuk in Duitsland niet enkel op de eenzijdige verklaringen van Kone, en overigens ook niet op die van Otis, kon baseren, heeft zij in de bestreden beschikking (punten 209‑288 van de bestreden beschikking) moeten verwijzen naar een reeks andere bewijzen die deze verklaringen bevestigden, waaronder de door Otis verstrekte bewijzen, die evenwel op zich niet volstonden om de inbreuk vast te stellen (zie punt 289 hierboven).

294

In de tweede plaats zijn verzoeksters in zaak T‑145/07 van mening dat de Commissie de door Otis verstrekte informatie en met name de documenten [vertrouwelijk] nog niet volledig had geanalyseerd op het ogenblik waarop zij het immuniteitsverzoek van deze onderneming afwees [vertrouwelijk]. Volgens hen had de Commissie Otis immuniteit verleend indien zij deze documenten correct had onderzocht.

295

Dit argument moet worden verworpen, aangezien uit de analyse in de punten 282 tot en met 293 hierboven blijkt dat geen van de door Otis aan de Commissie verstrekte inlichtingen, en dus ook niet de documenten [vertrouwelijk], voldeden aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002. De Commissie kon immers louter op basis van de eenzijdige verklaringen van Otis, die niet door nauwkeurige en onderling overeenstemmende schriftelijke bewijzen werden gestaafd, geen inbreuk in Duitsland vaststellen.

296

Hoe dan ook stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 ten onrechte dat de Commissie de documenten [vertrouwelijk] niet heeft geanalyseerd. De Commissie verwijst immers in haar brief aan Otis [vertrouwelijk], waarin zij haar inlicht over het feit dat zij zal onderzoeken of zij voldoet aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002, uitdrukkelijk naar de verklaring [vertrouwelijk] en naar het document dat [vertrouwelijk] is meegedeeld. Bovendien heeft de Commissie gebruikgemaakt van de informatie die Otis [vertrouwelijk] heeft verstrekt (zie punten 108, 228, 253, 255, 257, 265, 266, 268 en 270 van de mededeling van de punten van bezwaar en punten 213, 240, 242, 244, 251‑254, 257 en 260 van de bestreden beschikking) en [vertrouwelijk] (zie punten 255, 275 en 282 van de mededeling van de punten van bezwaar en punten 242 en 272 van de bestreden beschikking). Wat de e-mail van Otis aan de Commissie [vertrouwelijk] betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat deze slechts een voorstel van Otis bevat om haar werknemers en, in de mate van het mogelijke, haar ex-werknemers ter beschikking van de Commissie te stellen.

297

In de derde plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat het dossier van de Commissie niet alle door Otis overgelegde documenten bevatte en dat haar beoordeling van de medewerking van deze laatste bijgevolg op een onvolledige en dus onjuiste feitelijke grondslag was gebaseerd. Aldus is in de bestreden beschikking geen rekening gehouden met een bijdrage [vertrouwelijk] die bestond in een overzichtstabel van de in Duitsland verrichte reizen, een bijdrage [vertrouwelijk] die bestond in reiskostennota’s en twee cd-roms met e-mails, een bijdrage [vertrouwelijk] die bestond in een samenvatting van de maatregelen die Otis heeft genomen om de Commissie te helpen, en een bijdrage [vertrouwelijk] die bestond in een aanbod om de ex-werknemers van Otis ter beschikking van de Commissie te stellen. Bovendien vermeldt de bestreden beschikking niet dat Otis met de Commissie heeft meegewerkt door te antwoorden op haar informele verzoeken om inlichtingen betreffende Duitsland.

298

Deze grief moet worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke hierboven in punt 295 zijn uiteengezet. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de bijdragen van Otis [vertrouwelijk], anders dan verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, in het dossier van de Commissie zijn opgenomen, naar behoren zijn vermeld in punt 108 van de mededeling van de punten van bezwaar en in punt 107 van de bestreden beschikking, en tevens door de Commissie zijn gebruikt, wat blijkt uit de punten 231, 232 en 258 van de mededeling van de punten van bezwaar en de punten 216, 217, 245 en 247 van de bestreden beschikking. Wat de twee cd-roms betreft die aan de Commissie zijn meegedeeld en niet in haar dossier zouden zijn opgenomen, kan worden volstaan met de vaststelling dat deze cd-roms, zoals verzoeksters in zaak T‑145/07 opmerken, deel uitmaken van de bijdrage van Otis [vertrouwelijk], die naar behoren is vermeld in punt 107 van de bestreden beschikking. Dat in de mededeling van de punten van bezwaar en de bestreden beschikking niet specifiek naar deze cd-roms wordt verwezen, valt te verklaren door het feit dat zij geen nuttige informatie voor het onderzoek van de Commissie bevatten, wat met name blijkt uit de analyse van bepaalde documenten op deze cd-roms, die door Otis zijn overgelegd na een schriftelijke vraag van het Gerecht. Wat de bijdrage betreft [vertrouwelijk] die bestaat in een samenvatting van de maatregelen die Otis heeft genomen om de Commissie te helpen, en de bijdrage [vertrouwelijk] die bestaat in een aanbod om de ex-werknemers van Otis ter beschikking van de Commissie te stellen, moet worden vastgesteld dat zij geen inlichtingen over de mededingingsregeling in Duitsland vormen. Ten slotte hebben de e-mails die niet in het dossier van de Commissie zouden zijn opgenomen, zoals de Commissie terecht opmerkt, in wezen slechts betrekking op louter praktische aspecten van de medewerking van Otis (zoals het beleggen van vergaderingen of de afwezigheid van bepaalde medewerkers). De grief van verzoeksters in zaak T‑145/07 inzake onjuiste beoordeling van de door Otis verleende medewerking kan dus niet worden aanvaard.

299

In de vierde plaats merken verzoeksters in zaak T‑145/07 op dat de Commissie in de bestreden beschikking niet heeft uitgelegd waarom zij het immuniteitsverzoek van Otis heeft afgewezen. Aldus heeft de Commissie artikel 253 EG, de mededeling inzake medewerking van 2002, het vertrouwensbeginsel en de rechten van verdediging van Otis geschonden, zodat de geldboete die aan Otis is opgelegd wegens de mededingingsregeling in Duitsland, moet worden ingetrokken.

300

Volgens punt 31 van de mededeling inzake medewerking van 2002, dat specifiek door verzoeksters wordt aangevoerd, „zal het feit dat een onderneming tijdens de administratieve procedure met de Commissie heeft samengewerkt, in de beschikking vermeld worden om te verduidelijken waarom immuniteit tegen of vermindering van de geldboete werd verleend”.

301

Bovendien moet volgens vaste rechtspraak bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een beschikking aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405 punt 94 en aangehaalde rechtspraak).

302

Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat de motivering impliciet mag zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en het Gerecht over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (zie in die zin arrest Hof Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 123, punt 372, en arrest van 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie, C‑3/06 P, Jurispr. blz. I‑1331, punt 46).

303

In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie in punt 795 van de bestreden beschikking opmerkt dat „Otis [...] krachtens punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking [van 2002] om immuniteit [heeft verzocht] en daartoe heeft gesteld dat zij als eerste onderneming aanvullende gegevens heeft verstrekt zonder welke de Commissie het bestaan van de mededingingsregeling in Duitsland niet had kunnen bewijzen”.

304

De Commissie heeft dit argument weliswaar niet expliciet, maar wel impliciet beantwoord, door in de punten 796 tot en met 800 van de bestreden beschikking uit te leggen dat Otis overeenkomstig de punten 21 tot en met 23 van de mededeling inzake medewerking van 2002 op grond van de door haar verstrekte bewijzen recht had op een verlaging van de geldboete van 25 %.

305

Gelet op het rechtskader waaraan de medewerking van Otis is getoetst, is haar verzoek om immuniteit tegen geldboeten noodzakelijkerwijs afgewezen op grond van het feit dat niet was voldaan aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 of, met andere woorden, dat de Commissie op basis van de door Otis verstrekte bewijzen geen inbreuk in Duitsland kon vaststellen.

306

De bestreden beschikking stelt Otis dus in staat om de rechtvaardigingsgronden te kennen op basis waarvan de Commissie weigert om haar immuniteit tegen geldboeten te verlenen wegens de medewerking die zij heeft verleend in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002, en stelt het Gerecht in staat om zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen. De grieven inzake schending van artikel 253 EG en de mededeling inzake medewerking van 2002 moeten dus worden afgewezen. Aangezien verzoeksters in zaak T‑145/07 hun grief inzake schending van hun rechten van verdediging uitsluitend baseren op het feit dat de afwijzing van het immuniteitsverzoek van Otis in de bestreden beschikking niet is gemotiveerd, moet deze grief eveneens worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de grief inzake schending van het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan de Commissie verplicht zou zijn geweest om toelichting te verstrekken bij haar beslissing om Otis geen immuniteit te verlenen.

307

In de vijfde plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat, indien het Gerecht tot de conclusie zou komen dat Otis geen immuniteit tegen geldboeten kan genieten, de Commissie niettemin de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft geschonden door te weigeren om haar overeenkomstig punt 23, sub b, laatste alinea, van deze mededeling „gedeeltelijke immuniteit” te verlenen voor bepaalde aspecten van de onrechtmatige akkoorden die zij als eerste aan het licht heeft gebracht. Zo had de Commissie Otis voor de periode van december 2000 tot juni 2002 geen geldboete mogen opleggen voor de mededingingsregeling betreffende liften en had zij haar voor de periode van augustus 1995 tot juni 2002 geen geldboete mogen opleggen voor de mededingingsregeling betreffende roltrappen.

308

Punt 23, sub b, eerste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bepaalt dat „indien een onderneming bewijsmateriaal verstrekt dat betrekking heeft op feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van de vermoedelijke inbreuk, [de Commissie] met deze elementen geen rekening [zal] houden bij het bepalen van de geldboete die moet worden opgelegd aan de onderneming die dat bewijsmateriaal heeft verstrekt”.

309

Ook al had de door Otis verleende medewerking een significant toegevoegde waarde ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte, zodat deze laatste haar geldboete krachtens punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 met 25 % heeft verlaagd (punten 796‑800 van de bestreden beschikking), heeft de Commissie op goede gronden geoordeeld dat deze onderneming geen aanspraak kon maken op een aanvullende verlaging van de geldboete op grond van punt 23, sub b, laatste alinea, van deze mededeling.

310

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie, op het ogenblik dat Otis haar verzoek bij haar indiende, [vertrouwelijk], reeds een verzoek van Kone betreffende dezelfde inbreuk had ontvangen, namelijk op 12 februari 2004, en tevens inlichtingen van een externe informant had ontvangen. Bovendien had zij in Duitsland reeds twee reeksen verificaties in de liftensector en in de roltrappensector georganiseerd. Zo had Kone de Commissie in haar verzoek van 12 februari 2004 reeds ingelicht [vertrouwelijk]. Bovendien betwisten verzoeksters in zaak T‑145/07 niet de vaststelling van de Commissie dat één enkele voortdurende inbreuk in de liftensector en de roltrappensector is gepleegd, zodat het argument dat Otis voor de periode van december 2000 tot juni 2002 geen geldboete had mogen worden opgelegd voor „de mededingingsregeling betreffende liften” en dat haar voor de periode van augustus 1995 tot juni 2002 geen geldboete had mogen worden opgelegd voor „de mededingingsregeling betreffende roltrappen”, niet kan worden aanvaard.

311

In deze context is het, anders dan verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, niet relevant dat de Commissie geen kennis had van de specifieke data en plaatsen waarop de bijeenkomsten tussen de concurrenten hebben plaatsgevonden, aangezien het voor de toetsing van de feiten aan artikel 81 EG niet absoluut noodzakelijk is dat de Commissie de datum, laat staan de plaats, aantoont waarop de bijeenkomsten tussen concurrenten hebben plaatsgevonden (arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 675; zie eveneens in die zin arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 2354). Gelet op het voorgaande was de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, op het ogenblik dat zij hun verzoek krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 indienden, reeds op de hoogte van het feit dat de mededingingsregeling op augustus 1995 een aanvang had genomen.

312

Voorts bestond het verzoek van Otis, zoals reeds hierboven in punt 295 is opgemerkt, uit eenzijdige verklaringen, die niet waren vergezeld van nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen van de inbreuk. Het verzoek van Otis met betrekking tot Duitsland bevatte dus geen bewijzen die een rechtstreekse invloed hadden op een van de identificeerbare factoren die de zwaarte of de duur van de inbreuk bepalen. De bijdrage van Otis kon immers slechts een indirecte invloed hebben op de vaststelling van de duur en de zwaarte van de inbreuk, aangezien elk element van haar bijdrage diende te worden bevestigd door andere bewijzen die de Commissie tijdens haar onderzoek heeft verzameld.

313

De grief inzake niet-toepassing van punt 23, sub b, laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 moet dus worden afgewezen.

314

Verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen eveneens dat artikel 253 EG is geschonden doordat de Commissie niet heeft aangegeven waarom Otis geen „gedeeltelijke immuniteit” kon genieten op grond van punt 23, sub b, laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002.

315

Punt 23, sub b, laatste alinea, dat overigens deel uitmaakt van titel B van de mededeling inzake medewerking van 2002, „Vermindering van een geldboete”, betreft evenwel de vaststelling van het niveau van de verlaging van de geldboete die kan worden verleend aan een onderneming die de Commissie bewijzen met een significant toegevoegde waarde heeft verstrekt. Aangezien de Commissie Otis in het kader van de beoordeling van de door haar verleende medewerking overeenkomstig de mededeling inzake medewerking van 2002 (punten 795‑800 van de bestreden beschikking), krachtens punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van deze mededeling een verlaging van de geldboete van 25 % heeft verleend, heeft zij impliciet maar noodzakelijkerwijs het verzoek van Otis om punt 23, sub b, laatste alinea, van deze mededeling op haar toe te passen afgewezen.

316

Gelet op het rechtskader waaraan de medewerking van Otis is getoetst en op het feit dat de Commissie zich in de punten 795 tot en met 800 van de bestreden beschikking op het standpunt heeft gesteld dat Otis’ geldboete slechts met 25 % kon worden verlaagd, is haar verzoek tot toepassing van punt 23, sub b, laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 noodzakelijkerwijs afgewezen op grond van het feit dat niet was voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling of, met andere woorden, dat de bewijzen die zij heeft verstrekt met betrekking tot feiten die de Commissie niet eerder bekend waren, geen rechtstreeks gevolg hadden voor de zwaarte of de duur van de vermoedelijke inbreuk.

317

De bestreden beschikking stelt Otis dus in staat om de rechtvaardigingsgronden te kennen op basis waarvan de Commissie heeft geweigerd om punt 23, sub b, laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 toe te passen bij de vaststelling van de mate waarin haar geldboete is verlaagd, en stelt het Gerecht in staat om zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen. De grief inzake schending van artikel 253 EG moet dus worden afgewezen.

318

In de zesde plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat, indien het Gerecht van oordeel zou zijn dat Kone immuniteit had moeten genieten voor Duitsland, de medewerking van Otis in het kader van de eerste verlagingsmarge van punt 23, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 had moeten worden onderzocht en had moeten leiden tot een verlaging van haar geldboete voor Duitsland met 50 % of hoe dan ook tot een veel grotere verlaging dan 25 %. Deze grief kan niet worden aanvaard. Zij is immers gebaseerd op de loutere hypothese dat Kone immuniteit had moeten genieten voor Duitsland, die voor het overige niet onderbouwd is.

319

Wat in de zevende plaats de verlaging van de geldboete van 25 % betreft die aan Otis is verleend wegens haar medewerking in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002, stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 ten eerste dat deze verlaging onvoldoende gemotiveerd is, wat in strijd is met artikel 253 EG.

320

Deze grief moet worden afgewezen. De Commissie heeft in de punten 796 tot en met 800 van de bestreden beschikking de redenen uiteengezet waarom zij Otis’ geldboete met 25 % heeft verlaagd op grond van de medewerking die zij in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft verleend. De bestreden beschikking stelt Otis dus in staat om de rechtvaardigingsgronden voor deze verlaging te kennen en het Gerecht om zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen.

321

Verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen ten tweede dat de Commissie overeenkomstig de punten 21 en 22 van de mededeling inzake medewerking van 2002 de geldboete van Otis met 50 % of hoe dan ook met veel meer dan 25 % had moeten verlagen, gelet op het feit dat de medewerking van Otis een significant toegevoegde waarde had en aldus de Commissie in staat heeft gesteld de inbreuk te bewijzen.

322

Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat Otis haar eerste bijdrage in het kader van haar verzoek op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 met betrekking tot de inbreuk in Duitsland, [vertrouwelijk], heeft geleverd na het verzoek van Kone betreffende dezelfde inbreuk, dat op 12 februari 2004 is ingediend en op 18 februari 2004 is aangevuld. Kone heeft dus als eerste onderneming aan de voorwaarde van punt 21 van deze mededeling voldaan.

323

De in punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 vastgestelde marge voor de verlaging van de geldboete kon onmogelijk op de door Otis verleende medewerking worden toegepast, aangezien dit recht is voorbehouden aan de eerste onderneming die aan de voorwaarden van punt 21 van deze mededeling heeft voldaan.

324

De medewerking van Otis, die als tweede onderneming aan de voorwaarde van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft voldaan, valt dus noodzakelijkerwijs onder het tweede streepje van punt 23, sub b, eerste alinea, van deze mededeling. Op deze grond had zij recht op een verlaging van de geldboete van 20 % tot 30 %. De verlaging van 25 % die aan Otis is verleend op grond van haar medewerking bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland (punt 800 van de bestreden beschikking), valt dus binnen de marge die daartoe in deze mededeling is vastgesteld.

325

Aangezien Otis niet de eerste onderneming is die op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek met betrekking tot Duitsland heeft ingediend, kon haar geldboete niet met 50 % worden verlaagd. Haar argument dat zij, anders dan blijkt uit punt 799 van de bestreden beschikking, vóór [vertrouwelijk] aan de voorwaarden van punt 21 van deze mededeling heeft voldaan, is dienaangaande irrelevant.

326

Voorts zij eraan herinnerd dat de Commissie beschikt over een beoordelingsmarge wanneer zij het juiste niveau van de binnen de marges van punt 23, sub b, eerste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 te verlenen verlaging van de geldboete dient vast te stellen, en dat enkel een kennelijke overschrijding van deze marge door het Gerecht kan worden afgekeurd (zie in die zin arresten van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, aangehaald in punt 263, punten 81, 88 en 89, en 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 263, punt 555).

327

Bijgevolg moet worden onderzocht of verzoeksters in zaak T‑145/07 hebben aangetoond dat de Commissie haar beoordelingsmarge kennelijk heeft overschreden door Otis’ geldboete met 25 % te verlagen wegens de medewerking die zij bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland heeft verleend. Dienaangaande stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de bewijzen waarover de Commissie beschikte voordat Otis haar documenten overlegde, vaag waren en enkel betrekking hadden op de jaren 2002 en 2003, dat Otis zelfs na de afwijzing van haar immuniteitsverzoek is blijven meewerken en dat de conclusies van de bestreden beschikking zijn gebaseerd op de informatie die Otis heeft verstrekt, wat hun significant toegevoegde waarde bewijst.

328

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de mededeling inzake medewerking van 2002 in punt 23, sub b, tweede alinea, bepaalt dat de Commissie, om het niveau van de vermindering van de geldboete binnen de toepasselijke marge – in casu de marge tussen 20 % en 30 % – te bepalen, zowel rekening houdt met „de datum waarop het bewijsmateriaal, dat voldoet aan wat bepaald is in punt 21, ingediend werd [als met] de mate waarin dat bewijsmateriaal toegevoegde waarde uitmaakte”.

329

Ook al zou Otis, zoals verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, reeds vóór [vertrouwelijk] aan de voorwaarden van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002 hebben voldaan, neemt dit niet weg dat zij hoe dan ook niet aan deze voorwaarden kan hebben voldaan vóór [vertrouwelijk], de datum waarop Otis haar verzoek voor Duitsland heeft ingediend (punt 107 van de bestreden beschikking). Op dat ogenblik beschikte de Commissie reeds over de verklaringen van een informant (punt 91 van de bestreden beschikking), had zij reeds twee reeksen verificaties in Duitsland georganiseerd (punten 104, 106 en 107 van de bestreden beschikking) en had zij reeds een verzoek van Kone ontvangen, waarin de doelstellingen, de organisatie, de deelnemers, het voorwerp en de duur van de mededingingsregeling waren beschreven.

330

Wat de mate betreft waarin de medewerking van Otis toegevoegde waarde heeft, zij eraan herinnerd dat deze onderneming in het kader van het verzoek dat zij op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 met betrekking tot haar deelname aan de inbreuk in Duitsland heeft ingediend, de Commissie in wezen eenzijdige verklaringen betreffende deze inbreuk heeft bezorgd. Zoals de Commissie in punt 799 van de bestreden beschikking opmerkt, hebben „de verklaringen van Otis [weliswaar] een significant toegevoegde waarde, die het vermogen van de Commissie om de inbreuk te bewijzen aanzienlijk heeft versterkt”, maar bewijsmateriaal dat is opgesteld door een onderneming in het kader van een verzoek op grond van deze mededeling heeft een lagere kwalitatieve waarde dan schriftelijk bewijsmateriaal dat dateert uit de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden (zie punt 22 van de mededeling inzake medewerking van 2002).

331

Bovendien hadden de documenten uit de periode van de inbreuk die Otis aan de Commissie heeft bezorgd, slechts een beperkte bewijswaarde, aangezien zij geen aanwijzingen bevatten dat het in de bestreden beschikking vastgestelde mededingingsverstorende gedrag heeft plaatsgevonden (zie punt 291 hierboven).

332

Gelet op het voorgaande heeft de Commissie haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door Otis wegens haar medewerking bij de vaststelling van de mededingingsregeling in Duitsland een verlaging van de geldboete te verlenen die zich situeert in het midden van de marge die ingevolge punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 van toepassing is.

333

Ten derde zij opgemerkt dat ook al zou de bijdrage van Otis, zoals verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, van een hogere kwaliteit zijn geweest dan die van Kone, deze vaststelling niet de conclusie wettigt dat de Commissie het evenredigheids‑ en het billijkheidsbeginsel kennelijk heeft geschonden door Otis’ geldboete met 25 % en Kones geldboete met 50 % te verlagen. Vaststaat immers dat Kone vóór Otis haar medewerking heeft verleend en dat de medewerking van Kone van een voldoende kwaliteit was om aan te nemen dat zij een significant toegevoegde waarde had ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte. Aangezien het in het belang van de Gemeenschap is om geheime kartels zo snel mogelijk te ontdekken en te verbieden, is het in overeenstemming met het evenredigheids‑ en het billijkheidsbeginsel dat de eerste onderneming die door haar medewerking het vermogen van de Commissie om de betrokken inbreuk vast te stellen op significante wijze versterkt, meer wordt beloond.

334

Wat ten vierde de grief van verzoeksters in zaak T‑145/07 betreft volgens welke de verschillende behandeling van Otis en Kone in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zij eraan herinnerd dat Kone vóór Otis haar medewerking heeft verleend en dat Kone kort na de eerste reeks verificaties in Duitsland is beginnen mee te werken, terwijl Otis pas na de tweede reeks verificaties is beginnen mee te werken (punten 104‑107 van de bestreden beschikking). Ook al zou de intrinsieke kwaliteit van de door Otis geleverde bijdrage hoger zijn geweest dan die van Kone, moet worden opgemerkt dat de toegevoegde waarde van een verzoek dat op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 wordt ingediend, wordt beoordeeld aan de hand van het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikt. De Commissie beschikte duidelijk over meer bewijzen op het ogenblik waarop Otis haar verzoek heeft ingediend, dan op het ogenblik waarop Kone haar verzoek heeft ingediend.

335

Aangezien de situaties van de verschillende ondernemingen niet vergelijkbaar zijn, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door Kones geldboete overeenkomstig punt 23, sub b, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 met 50 % te verlagen en Otis’ geldboete overeenkomstig het tweede streepje van deze bepaling met 25 % te verlagen.

336

Ten vijfde kan het in een voetnoot in de memorie van repliek aangevoerde argument van verzoeksters in zaak T‑145/07 dat hun rechten van verdediging zijn geschonden doordat zij tijdens de administratieve procedure geen toegang hebben gehad tot de gegevens die de informant heeft verstrekt, evenmin worden aanvaard, aangezien zij niet uitleggen waarom de bestreden beschikking inhoudelijk anders zou kunnen zijn geweest indien zij toegang tot deze documenten hadden gehad (zie arrest Thyssen Stahl/Commissie, aangehaald in punt 159, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

337

In de achtste plaats stellen verzoeksters in zaak T‑145/07 subsidiair dat indien het Gerecht van oordeel zou zijn dat aan Otis geen verlaging van 50 % kan worden verleend op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002, het niettemin overeenkomstig de richtsnoeren van 1998 haar medewerking als een verzachtende omstandigheid zou moeten beschouwen.

338

Deze grief, die is aangevoerd in een voetnoot in het verzoekschrift en door verzoeksters niet is uitgewerkt, voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering en is dus niet-ontvankelijk.

339

Uit een en ander volgt dat alle grieven van Otis betreffende de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 op de medewerking die zij bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland heeft verleend, moeten worden afgewezen.

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in Luxemburg

340

De Commissie heeft in punt 823 van de bestreden beschikking besloten om „Otis binnen de marge van punt 23, [eerste alinea], sub b, eerste [streepje], van de mededeling inzake medewerking [van 2002] een verlaging van 40 % van de geldboete te verlenen”.

341

In punt 818 van de bestreden beschikking zet de Commissie uiteen dat „Otis als tweede van de ondernemingen die een verzoek [op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002] hebben ingediend, informatie betreffende de mededingingsregeling in Luxemburg heeft verstrekt”. Zij preciseert in punt 819 van de bestreden beschikking dat Otis [vertrouwelijk] heeft verstrekt. De Commissie voegt hier in punt 820 van de bestreden beschikking aan toe [vertrouwelijk].

342

Wat de waarde van de door Otis verleende medewerking betreft, merkt de Commissie in de punten 821 en 822 van de bestreden beschikking tevens het volgende op:

„821

De Commissie komt tot de slotsom dat de combinatie van enerzijds de verklaringen [vertrouwelijk] en anderzijds de bewijzen uit de periode van de inbreuk [vertrouwelijk] die Otis heeft verstrekt, een significant toegevoegde waarde heeft. [vertrouwelijk]

822

[...] Otis voldoet na haar aanvullende bijdrage van [vertrouwelijk], die een toegevoegde waarde heeft die het vermogen van de Commissie om de inbreuk te bewijzen aanzienlijk heeft versterkt en een expliciete bevestiging vormt van de begin‑ en de einddatum van de mededingingsregeling, volledig aan de voorwaarde van punt 21. De nieuwe informatie die in de opmerkingen was vervat, was evenwel beperkt [vertrouwelijk].”

343

Verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen dat de medewerking die Otis overeenkomstig de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft verleend, op grond van de in punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling vastgestelde criteria rechtvaardigt dat de geldboete met het maximale percentage van 50 % wordt verlaagd, gelet op de datum waarop zij de bewijzen aan de Commissie heeft verstrekt, op de toegevoegde waarde ervan – voor zover de Commissie hierdoor een beter inzicht in de inbreuk heeft gekregen en schriftelijke bewijzen heeft verkregen – en op het feit dat Otis tijdens de gehele duur van het onderzoek voortdurend haar volledige medewerking heeft verleend. Verzoekster in zaak T‑141/07 preciseert dienaangaande dat de door GTO verstrekte gegevens de Commissie met name in staat hebben gesteld, de duur van de mededingingsregeling nauwkeurig te bepalen en een correctiemechanisme aan het licht te brengen dat het verlies van opdrachten ten voordeel van concurrenten die niet deelnamen aan de mededingingsregeling niet compenseerde, en het mechanisme te beschrijven dat de kartelleden toepasten om toezicht te houden op de prijzen. Verzoeksters in zaak T‑145/07 voeren tevens aan dat de bewijzen die Otis met betrekking tot de mededingingsregeling in Luxemburg heeft aangevoerd, veel omvangrijker zijn dan de documenten die Kone met betrekking tot Duitsland heeft aangevoerd en waarvoor de Commissie een verlaging van 50 % heeft verleend.

344

Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 niet betwisten dat de door Otis verleende medewerking valt onder punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 en dat deze onderneming op deze grond recht had op een verlaging van het boetebedrag van 30 % tot 50 %. De verlaging van de geldboete van 40 % die aan Otis is verleend wegens haar medewerking (punt 823 van de bestreden beschikking) valt dus binnen de marge die daartoe in deze mededeling is vastgesteld.

345

Voorts zij eraan herinnerd dat de Commissie beschikt over een beoordelingsmarge wanneer zij het juiste niveau van de binnen de marges van punt 23, sub b, eerste alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2002 te verlenen verlaging van de geldboete dient vast te stellen, en dat enkel een kennelijke overschrijding van deze marge door het Gerecht kan worden afgekeurd (zie in die zin arresten van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, aangehaald in punt 263, punten 81, 88 en 89, en 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 263, punt 555).

346

De mededeling inzake medewerking van 2002 bepaalt in punt 23, sub b, tweede alinea, dat de Commissie, om het niveau van de vermindering van de geldboete binnen een marge te bepalen, zowel rekening houdt met „de datum waarop het bewijsmateriaal, dat voldoet aan wat bepaald is in punt 21, ingediend werd [als met] de mate waarin dat bewijsmateriaal toegevoegde waarde uitmaakte”. Bovendien zal de Commissie volgens deze bepaling „[t]evens [...] rekening kunnen houden met de uitgebreidheid en de continuïteit van de samenwerking van de onderneming vanaf de datum van indiening van het bewijsmateriaal”.

347

Ten eerste blijkt ondubbelzinnig uit de niet-betwiste vaststellingen van de bestreden beschikking dat ook al zou de door Otis verleende medewerking aan de voorwaarden van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldoen, dit niet wegneemt dat zij de bewijzen betreffende de mededingingsregeling in Luxemburg die tot de verlaging van het boetebedrag hebben geleid, pas aan de Commissie heeft verstrekt op een ogenblik dat deze reeds van Kone informatie over deze mededelingsregeling had ontvangen op basis waarvan zij de inbreuk had kunnen vaststellen, waarvoor zij aan deze onderneming immuniteit heeft verleend op grond van punt 8, sub b, van deze mededeling (punt 816 van de bestreden beschikking), en een verificatie had verricht in de kantoren van de vermoedelijke deelnemers aan de mededingingsregeling in Luxemburg (punt 116 van de bestreden beschikking).

348

Wat ten tweede de mate betreft waarin de door Otis verstrekte bewijzen toegevoegde waarde hebben ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte, moet in casu met de Commissie worden vastgesteld dat de toegevoegde waarde van de medewerking die is verleend door Otis, die de Commissie bepaalde informatie heeft verstrekt die zij nog niet kende, alsook bepaalde nieuwe bewijsstukken, namelijk lijsten van projecten, noodzakelijkerwijs beperkt was, aangezien Kone de Commissie reeds bewijzen had verstrekt op basis waarvan zij een inbreuk in Luxemburg had kunnen vaststellen.

349

Bijgevolg heeft de Commissie, ongeacht de omvang en de continuïteit van de door Otis verleende medewerking, haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door Otis’ geldboete met 40 % te verlagen wegens de medewerking die zij bij de vaststelling van de mededingingsregeling in Luxemburg heeft verleend.

350

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoeksters in zaak T‑145/07 dat de geldboete die aan Kone is opgelegd wegens de mededingingsregeling in Duitsland, met 50 % is verlaagd.

351

Zoals hierboven in punt 275 is opgemerkt, vereist de beoordeling van wat een significant toegevoegde waarde vormt, immers per definitie een aan de context aangepaste analyse van alle bewijzen waarover de Commissie met betrekking tot een bepaalde inbreuk beschikt, zodat inlichtingen in verband met onderscheiden inbreuken, in casu de inbreuk in Luxemburg en die in Duitsland, niet vergelijkbaar zijn. Aangezien de verschillende ondernemingen zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door Otis een verlaging van 40 % te verlenen voor haar medewerking bij de vaststelling van de mededingingsregeling in Luxemburg, terwijl zij Kone een verlaging van 50 % heeft verleend voor haar medewerking bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland.

352

Hoe dan ook lichten verzoeksters in zaak T‑145/07 hun stelling niet toe dat de informatie die Otis met betrekking tot de mededingingsregeling in Luxemburg heeft verstrekt, „veel” omvangrijker was en een „veel” grotere bewijswaarde had dan de informatie die Kone met betrekking tot Duitsland heeft verstrekt.

353

Voorts beschikte de Commissie op het ogenblik waarop Otis, waarvan de medewerking onder punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 valt, haar bewijzen betreffende de mededingingsregeling in Luxemburg verstrekte, reeds over voldoende bewijzen om de inbreuk vast te stellen. Kone had deze bewijzen verstrekt in het kader van haar eerdere verzoek, waarvoor haar volledige immuniteit tegen geldboeten was verleend (punt 816 van de bestreden beschikking). Voor de inbreuk in Duitsland daarentegen genoot geen enkele onderneming immuniteit tegen geldboeten. De Commissie beschikte dus niet over voldoende bewijzen om de inbreuk in Duitsland vast te stellen op het ogenblik waarop Kone haar verzoek op grond van deze mededeling heeft ingediend. Ook al waren de bewijzen met betrekking tot de inbreuk in Duitsland die zijn verstrekt door Kone, waarvan de medewerking eveneens valt onder punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling, zoals verzoeksters in zaak T‑145/07 stellen, minder gedetailleerd dan die welke Otis met betrekking tot de mededingingsregeling in Luxemburg heeft verstrekt, heeft de Commissie haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door Otis’ geldboete met 40 % en Kones geldboete met 50 % te verlagen wegens de medewerking die zij respectievelijk met betrekking tot de mededingingsregelingen in Luxemburg en in Duitsland hebben verleend, aangezien de toegevoegde waarde van de bewijzen volgens punt 21 van deze mededeling moet worden beoordeeld aan de hand van het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte.

354

Uit een en ander volgt dat alle grieven van Otis betreffende de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 op de medewerking die zij bij de vaststelling van de inbreuk in Luxemburg heeft verleend, moeten worden afgewezen.

Middel inzake schending van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het bedrag waarmee de geldboeten zijn verlaagd wegens de medewerking die buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 is verleend

355

In punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar had de Commissie aangekondigd dat zij overwoog „om een verlaging [van de geldboete] te verlenen wegens de medewerking die buiten het kader van de mededeling inzake medewerking [van 2002 was] verleend, in het bijzonder wanneer een onderneming de door de Commissie vastgestelde feiten niet [betwistte] of extra hulp [verstrekte] waardoor deze feiten konden worden opgehelderd of aangevuld”.

356

In punt 758 van de bestreden beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat „punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar in casu gewettigde verwachtingen had doen ontstaan, zodat [zij had] besloten om dit punt te interpreteren in het voordeel van ondernemingen die op basis daarvan [hadden] bijgedragen tot de vaststelling van de feiten die de in [de bestreden] beschikking [...] vastgestelde inbreuk vormen, door de feiten niet te betwisten of verdere informatie of aanvullende toelichting te verstrekken”.

357

Aldus heeft de Commissie aan alle ondernemingen die aan de vier inbreuken hebben deelgenomen – uitgezonderd de ondernemingen die immuniteit tegen geldboeten genieten (punten 762, 817 en 839 van de bestreden beschikking) en Kone in het kader van de mededingingsregeling in Nederland (punt 851 van de bestreden beschikking) – een verlaging van het bedrag van de geldboete van 1 % verleend wegens de medewerking die zij buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 hebben verleend, omdat zij de in de mededeling van de punten van bezwaar uiteengezette feiten niet hebben betwist (punten 768, 774, 777, 794, 801, 806, 813, 824, 829, 835, 845, 854, 855 en 856 van de bestreden beschikking).

358

In de eerste plaats zijn verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 van mening dat zij wettig aanspraak kunnen maken op een verlaging van ten minste 10 % van het bedrag van de geldboeten die aan Otis zijn opgelegd wegens de inbreuken in België, Duitsland en Luxemburg, omdat zij de in de mededeling van de punten van bezwaar genoemde feiten niet hebben betwist. Deze gewettigde verwachtingen vloeien volgens hen voort uit punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar en uit de beschikkingspraktijk van de Commissie, volgens welke een onderneming die de haar in de mededeling van de punten van bezwaar ten laste gelegde feiten niet fundamenteel betwist, aanspraak kan maken op een verlaging van het bedrag van haar geldboete met 10 %. De ploeg van de Commissie heeft overigens op 7 maart 2006 toezeggingen in die zin gedaan aan de raadsman van Otis.

359

In de eerste plaats zij opgemerkt dat het recht om zich op de bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat een instantie van de Unie, door hem specifieke toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt [arresten Hof van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C‑104/97 P, Jurispr. blz. I‑6983, punt 52, en 15 juli 2004, Di Lenardo en Dilexport, C‑37/02 en C‑38/02, Jurispr. blz. I‑6911, punt 70; arresten Gerecht van 17 december 1998, Embassy Limousines & Services/Parlement, T‑203/96, Jurispr. blz. II‑4239, punt 74, en 15 november 2007, Enercon/BHIM (Windenergieconvertor), T‑71/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 36].

360

Daarentegen kan geen schending van het vertrouwensbeginsel worden aangevoerd wanneer deze instantie geen specifieke toezeggingen heeft gedaan (arresten Gerecht van 14 september 1995, Lefebvre e.a./Commissie, T‑571/93, Jurispr. blz. II‑2379, punt 72, en 29 januari 1998, Dubois et Fils/Raad en Commissie, T‑113/96, Jurispr. blz. II‑125, punt 68). Van dergelijke toezeggingen is sprake wanneer bevoegde en betrouwbare bronnen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen verstrekken (arrest Gerecht van 21 juli 1998, Mellett/Hof van Justitie, T‑66/96 en T‑221/97, JurAmbt. blz. I‑A‑449 en II‑1305, punten 104 en 107).

361

De mededeling inzake medewerking van 2002 voorziet weliswaar, anders dan de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4) (hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”), niet in een verlaging van het bedrag van de geldboete voor ondernemingen die de feiten waarop de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar haar beschuldigingen baseert, niet fundamenteel betwisten, maar de Commissie erkent in punt 758 van de bestreden beschikking dat punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar bij de ondernemingen de gewettigde verwachting heeft gewekt dat niet-betwisting van de feiten zou leiden tot een verlaging van het boetebedrag buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002.

362

In punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar had de Commissie aangekondigd dat zij „[overwoog] om een verlaging [van de geldboete] te verlenen wegens de medewerking die buiten het kader van de mededeling inzake medewerking [van 2002 was] verleend, in het bijzonder wanneer een onderneming de door de Commissie vastgestelde feiten niet [betwistte] of extra hulp [verstrekte] waardoor deze feiten konden worden opgehelderd of aangevuld”. Een dergelijke verklaring kan niet worden beschouwd als een nauwkeurige toezegging die bij verzoeksters de gegronde hoop kon doen ontstaan dat hun een verlaging van het bedrag van de geldboeten van meer dan 1 % zou worden verleend. Punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar zegt immers niets over de omvang of het percentage van de verlaging die in voorkomend geval aan de betrokken ondernemingen zou worden verleend, zodat dit punt in geen geval enig gewettigd vertrouwen dienaangaande heeft kunnen doen ontstaan. De – door de Commissie betwiste – stelling van verzoeksters dat de Commissie tijdens een bijeenkomst van [vertrouwelijk] tegenover de raadsman van Otis heeft verklaard dat punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar op dezelfde wijze zou worden toegepast als in het kader van de mededeling inzake medewerking de 1996, wordt niet door enig bewijs gestaafd en moet worden verworpen.

363

In de tweede plaats moet het argument van verzoeksters worden verworpen dat de Commissie is afgeweken van haar vroegere praktijk, volgens welke een onderneming die de haar in de mededeling van de punten van bezwaar ten laste gelegde feiten niet fundamenteel betwist, aanspraak kan maken op een verlaging van het bedrag van de haar opgelegde geldboete met 10 %, aangezien de beschikkingspraktijk van de Commissie, zoals hierboven in punt 163 is opgemerkt, volgens vaste rechtspraak niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken kan dienen.

364

Bovendien betwisten verzoeksters niet dat enkel de mededeling inzake medewerking van 2002 van toepassing is op hun verzoek, dat overigens uitdrukkelijk op grond van deze mededeling is ingediend. De beschikkingspraktijk van de Commissie of de rechtspraak betreffende de toepassing van punt D, sub 2, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 1996 kon dus hoe dan ook bij verzoeksters geen gewettigd vertrouwen doen ontstaan op basis van punt 614 van de mededeling van de punten van bezwaar over de omvang van de verlaging van de geldboeten die zou worden verleend wegens de niet-betwisting van de feiten die verband houden met de mededingingsregelingen in België, Duitsland en Luxemburg.

365

In de tweede plaats stellen verzoeksters in de zaken T‑145/07 dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door geen verlaging van 10 % wegens niet-betwisting van de feiten te verlenen.

366

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen (arrest Hof van 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C‑180/96, Jurispr. blz. I‑2265, punt 96, en arrest van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 232, punt 223).

367

Wat het percentage van een eventuele verlaging van het boetebedrag wegens niet-betwisting van de feiten betreft, dient te worden opgemerkt dat een onderneming die uitdrukkelijk verklaart dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet ontkent, volgens de rechtspraak kan worden geacht te hebben bijgedragen tot een verlichting van de taak van de Commissie om inbreuken op de mededingingsregels van de Unie vast te stellen en te bestraffen (arresten Gerecht van 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T‑352/94, Jurispr. blz. II‑1989, punt 395, en SCA Holding/Commissie, T‑327/94, Jurispr. blz. II‑1373, punt 157).

368

In punt 758 van de bestreden beschikking heeft de Commissie evenwel opgemerkt dat „[b]ij de vaststelling van de omvang van de verlaging rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat de medewerking die na de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar is verleend, op een ogenblik dat de Commissie reeds alle bestanddelen van de inbreuk heeft vastgesteld en de onderneming reeds kennis had van alle elementen van het onderzoek en toegang heeft gekregen tot het onderzoeksdossier, het onderzoek van de Commissie in het beste geval slechts in zeer geringe mate kan vooruithelpen”. Zij heeft hieraan toegevoegd dat „[d]e erkenning van de feiten in dergelijke omstandigheden over het algemeen hoogstens de bevestiging vormt van feiten die de Commissie normalerwijs op grond van andere bewijzen in het dossier als voldoende bewezen zou beschouwen”.

369

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de mededeling inzake medewerking van 2002 een vergaande medewerking met de Commissie vereist en dat deze trouwens van plan was om „het niveau van de vermindering nauwer te laten aansluiten bij de waarde van de bijdrage van de onderneming aan de vaststelling van de inbreuk” (punt 5 van de mededeling inzake medewerking van 2002). Zo voorziet de mededeling inzake medewerking van 2002, anders dan de mededeling inzake medewerking van 1996, niet in een verlaging van het bedrag van de geldboeten wegens niet-betwisting van de feiten. Wat de verzoeken betreft die krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 bij de Commissie zijn ingediend, bedraagt de maximale verlaging die ondernemingen die niet als eerste of als tweede aan de voorwaarden van punt 21 ervan voldoen, maar waarvan de bewijzen niettemin een significant toegevoegde waarde hebben vergeleken met het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikt, 20 %.

370

Gelet op het voorgaande en op het feit dat de verlagingen die in casu wegens niet-betwisting van de feiten worden verleend, worden gevoegd bij de verlagingen van de geldboeten die reeds krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 zijn verleend, alsook op de zeer geringe waarde van de medewerking die na de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar is verleend (punt 758 van de bestreden beschikking), heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel niet geschonden door Otis geen verlaging van de geldboeten van 10 % te verlenen wegens niet-betwisting van de feiten die verband houden met de mededingingsregelingen in België, Duitsland en Luxemburg.

371

In de derde plaats merken verzoeksters in zaak T‑145/07 op dat de Commissie Otis geen verlaging van de geldboete heeft verleend voor haar medewerking en voor de aanvullende uitleg die zij heeft gegeven of voor de extra informatie die zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar en daarna heeft verschaft, en aldus de door punt 614 de mededeling van de punten van bezwaar geschapen wettige verwachtingen heeft beschaamd. Otis heeft volgens hen dus recht op een aanvullende verlaging.

372

Wat ten eerste de inbreuk in Duitsland betreft, heeft Otis volgens verzoeksters aanvullende uitleg en informatie, met name over de onrechtmatige bijeenkomsten, verstrekt. Voordat de Commissie het antwoord van Otis op de mededeling van de punten van bezwaar had ontvangen, beschikte zij dus volgens hen over onvoldoende bewijzen om te kunnen aantonen dat bijeenkomsten hadden plaatsgevonden [vertrouwelijk]. Deze bijeenkomsten worden vermeld in een voetnoot op bladzijde 333 van de bestreden beschikking.

373

Dienaangaande zij er vooraf aan herinnerd dat het voor de toetsing van de feiten aan artikel 81 EG niet absoluut noodzakelijk is dat de Commissie de datum, laat staan de plaats, aantoont waarop de bijeenkomsten tussen concurrenten hebben plaatsgevonden (zie punt 311 hierboven).

374

Bovendien blijkt hoe dan ook uit de stukken, en met name uit de opmerkingen van Kone van 18 februari 2004, dat de Commissie vóór „de extra hulp” die zij van Otis kreeg, kennis had van de bijeenkomsten [vertrouwelijk]. Deze laatste bijeenkomst was overigens reeds genoemd in punt 260 van de mededeling van de punten van bezwaar.

375

Ook al heeft Otis de Commissie na de mededeling van de punten van bezwaar daadwerkelijk ingelicht over het feit dat een bijeenkomst had plaatsgevonden [vertrouwelijk] waarover de Commissie niet op de hoogte was, heeft deze laatste dus haar beoordelingsmarge niet kennelijk overschreden door geen verlaging van de geldboete te verlenen voor de aanvullende informatie die Otis in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft verstrekt met betrekking tot vier onrechtmatige bijeenkomsten die in het kader van de inbreuk in Duitsland hebben plaatsgevonden.

376

Ten tweede heeft Otis volgens verzoeksters in haar antwoord op de punten van bezwaar en daarna aanvullende informatie verstrekt waarmee de Commissie geen rekening heeft gehouden. Zo heeft Otis in [vertrouwelijk] bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar een aantal correcties van bepaalde vaststellingen van de Commissie gesuggereerd. In [vertrouwelijk] bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft Otis eveneens inlichtingen over de ontslagen werknemers verstrekt, en in [vertrouwelijk] bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft zij een gedrukte versie van een elektronische lijst opgenomen die verborgen lijnen met aanvullende informatie aan het licht brengt. Bovendien heeft Otis economische bewijzen verstrekt betreffende de draagwijdte van de in Duitsland toegepaste akkoorden inzake liften. Voorts [vertrouwelijk] hebben de vertegenwoordigers van Otis het met de zaak belaste team ontmoet om vragen te beantwoorden en de andere mogelijkheden te bespreken waarover Otis beschikte om haar medewerking aan het onderzoek voort te zetten. Ten slotte heeft Otis de recente ontwikkelingen in de rechtspraak toegelicht om de Commissie te helpen om de juiste adressaat van de beschikking in Luxemburg te bepalen.

377

Evenwel moet worden vastgesteld dat geen van de in het vorige punt genoemde elementen nuttige preciseringen of inlichtingen vormen waarvan de Commissie niet reeds op de hoogte was. Zo heeft Otis in [vertrouwelijk] van haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar enkel gesuggereerd om bepaalde niet-essentiële vaststellingen „in de marge” van deze mededeling te corrigeren. Otis heeft in wezen verklaard dat de verwijzingen naar haar werknemers duidelijk dienden te maken dat deze in voorkomend geval zijn ontslagen. In [vertrouwelijk] van haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft Otis informatie over de ontslagen werknemers verstrekt. Dergelijke informatie kan de taak van de Commissie om inbreuken vast te stellen en tegen te gaan, niet vergemakkelijken (arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 167, punt 589). Voorts heeft de afgedrukte versie van een elektronische lijst die bij het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar is gevoegd, geen toegevoegde bewijswaarde, aangezien Otis de elektronische versie van deze lijst reeds aan de Commissie had bezorgd, [vertrouwelijk]. Bovendien leggen verzoeksters niet uit wat het nut is van de informatie die in de elektronische versie van deze lijst verborgen zou zijn gehouden. Voorts hebben de economische bewijzen betreffende de draagwijdte van de mededingingsregeling in Duitsland de vaststelling van de inbreuk niet vergemakkelijkt. De Commissie heeft overigens het argument van Otis dat de markt voor liften en de markt voor hogesnelheidsliften twee afzonderlijke markten vormen, niet aanvaard. Otis toont evenmin aan hoe de bijeenkomsten met de Commissie in [vertrouwelijk] nieuwe informatie hebben opgeleverd die het gemakkelijker heeft gemaakt om de inbreuk vast te stellen en tegen te gaan. Ten slotte heeft het feit dat Otis de Commissie juridische argumenten betreffende het vermoeden van aansprakelijkheid van moedermaatschappijen voor hun dochterondernemingen heeft verstrekt die ingaan tegen het standpunt van de Commissie, in een poging om een zo laag mogelijke geldboete te krijgen, het evenmin gemakkelijker gemaakt om de inbreuken vast te stellen en tegen te gaan.

378

Gelet op het voorgaande kunnen de grieven van Otis inzake de weigering van de Commissie om haar een verlaging van de geldboete te verlenen wegens het feit dat zij aanvullende uitleg heeft verstrekt, evenmin worden aanvaard.

379

Uit een en ander volgt dat het onderhavige middel in zijn geheel moet worden verworpen.

Middel inzake schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003

380

Verzoeksters in de zaken T‑141/07 en T‑145/07 stellen dat het bedrag van de aan GTO opgelegde geldboeten overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 tot 10 % van haar omzet moet worden beperkt.

381

Gelet op het feit dat deze verzoeksters niet stellen dat de in de bestreden beschikking aan GTO opgelegde geldboete hoger is dan 10 % van de omzet van alle ondernemingen die de economische eenheid vormen die tijdens het vorige boekjaar de inbreuken hebben gepleegd, moet worden vastgesteld dat deze grief samenvalt met de hierboven in de punten 63 tot en met 90 en 106 tot en met 120 onderzochte grieven inzake de toerekening van het gedrag van GTO aan UTC, OEC en Otis België. Uit de uiteenzetting dienaangaande blijkt dat de Commissie deze vennootschapen terecht aansprakelijk heeft gesteld voor het gedrag van hun dochteronderneming, die samen met hen een economische eenheid vormt. Dit middel moet dus worden verworpen.

Middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening van het eindbedrag van de geldboeten

382

Verzoekster in zaak T‑141/07 stelt dat het eindbedrag van haar geldboete onevenredig hoog is.

383

Zoals hierboven in punt 366 in herinnering is gebracht, vereist het evenredigheidsbeginsel dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen.

384

Hieruit volgt dat de geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die aan een onderneming wordt opgelegd wegens een inbreuk op de mededingingsregels, evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan (arrest van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 232, punt 224). Bovendien mag de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten rekening houden met de noodzaak om ervoor te zorgen dat hiervan voldoende afschrikkende werking uitgaat (zie in die zin arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 210, punt 108, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, Europa Carton/Commissie, T‑304/94, Jurispr. blz. II‑869, punt 89).

385

Om de schending van het evenredigheidsbeginsel aan te tonen, stelt verzoekster in zaak T‑141/07 ten eerste dat de gelaakte praktijken in Luxemburg een nationale dimensie hadden en een beperkte weerslag op de markt hadden. Dienaangaande baseert zij zich uitsluitend op de argumenten die zij heeft ontwikkeld in het kader van de middelen betreffende de onjuiste kwalificatie van de inbreuk en de buitensporigheid van het uitgangsbedrag van de wegens de inbreuk in Luxemburg opgelegde geldboete. Ten tweede wijst zij op de beperkte omvang van GTO en op het feit dat zij volledig autonoom wordt beheerd. Dienaangaande verwijst zij uitsluitend naar de argumenten die zij in het kader van haar middel inzake de toepassing van de gemeenschappelijke afschrikkingsfactor bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van haar geldboete heeft aangevoerd. Ten derde stelt zij dat er ten tijde van de feiten in Luxemburg noch regelgeving betreffende de eerbiediging van de mededingingsregels noch een nationale mededingingsautoriteit bestond. Ten vierde stelt zij op basis van de elementen die zij heeft aangevoerd in het kader van haar middel betreffende de medewerking die zij tijdens de administratieve procedure heeft verleend, dat zij grondig en nauw met de Commissie heeft meegewerkt.

386

Desgevraagd heeft verzoekster in zaak T‑141/07 ter terechtzitting verklaard dat het onderhavige middel niet losstaat van de andere middelen waarin zij dezelfde argumenten heeft aangevoerd. De argumenten betreffende de beperkte omvang van de markt, de beperkte weerslag van de inbreuk, de beperkte omvang van GTO en de door haar tijdens de administratieve procedure verleende medewerking, moeten dus om de hierboven in de punten 148 tot en met 165, 167 tot en met 172, 238 tot en met 242, 344 tot en met 354 en 359 tot en met 364 genoemde redenen worden verworpen, aangezien verzoekster geen andere argumenten aanvoert dan die welke zij in het kader van de andere middelen van haar beroep heeft ontwikkeld.

387

Wat het argument betreft dat er in Luxemburg geen regelgeving betreffende de eerbiediging van de mededingingsregels en geen nationale mededingingsautoriteit bestaat, moet worden opgemerkt dat Luxemburg weliswaar tijdens de duur van de inbreuk noch over regelgeving betreffende de eerbiediging van de mededingingsregels noch over een nationale mededingingsautoriteit beschikte, maar dat verordening nr. 17 overeenkomstig artikel 24 ervan tijdens de gehele duur van de inbreuk in alle lidstaten van toepassing was. Het onderhavige middel moet dus worden verworpen.

388

Bijgevolg moeten de beroepen in hun geheel worden verworpen.

Kosten

389

Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

390

Aangezien verzoeksters in de zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07 in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

 

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

De zaken T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07 worden gevoegd voor het arrest.

 

2)

De beroepen worden verworpen.

 

3)

In zaak T‑141/07 wordt General Technic-Otis Sàrl verwezen in de kosten.

 

4)

In zaak T‑142/07 wordt General Technic Sàrl verwezen in de kosten.

 

5)

In zaak T‑145/07 worden Otis NV, Otis GmbH & Co. OHG, Otis BV en Otis Elevator Company verwezen in de kosten.

 

6)

In zaak T‑146/07 wordt United Technologies Corporation verwezen in de kosten.

 

Martins Ribeiro

Wahl

Dittrich

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 2011.

ondertekeningen

Inhoud

 

Administratieve procedure

 

Onderzoek van de Commissie

 

België

 

Duitsland

 

Luxemburg

 

Nederland

 

Mededeling van de punten van bezwaar

 

Bestreden beschikking

 

Procesverloop en conclusies van partijen

 

In rechte

 

Middel inzake schending van de beginselen inzake de toerekening van aansprakelijkheid voor inbreuken op artikel 81 EG, het vermoeden van onschuld, het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen, het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de toerekening aan de moedermaatschappijen van de door hun dochterondernemingen gepleegde inbreuken

 

Voorafgaande opmerkingen

 

Toerekening van de door de dochterondernemingen van Otis gepleegde inbreuken aan UTC en OEC

 

Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan GT, Otis België, OEC en UTC

 

– Bestreden beschikking

 

– Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan GT

 

– Toerekening van de door GTO gepleegde inbreuk aan Otis België, OEC en UTC

 

– Schending van de rechten van de verdediging

 

– Schending van het gelijkheidsbeginsel

 

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheids‑ en het gelijkheidsbeginsel, de rechten van de verdediging en artikel 253 EG bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte van de inbreuken

 

Voorafgaande opmerkingen

 

Bestreden beschikking

 

Kwalificatie van de inbreuk in Luxemburg als „zeer zwaar”

 

Onrechtmatigheid van het uitgangsbedrag van de geldboeten

 

– Algemene uitgangsbedragen van de geldboeten

 

– Specifieke uitgangsbedragen van de geldboeten

 

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het percentage waarmee het uitgangsbedrag van de geldboete op basis van de duur van de inbreuk in Duitsland is verhoogd

 

Middel inzake schending van de richtsnoeren van 1998 en het evenredigheidsbeginsel bij de toepassing van de gemeenschappelijke afschrikkingsfactor in het kader van de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten

 

Middel inzake schending van de mededeling inzake medewerking van 2002, artikel 253 EG, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het billijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de verdediging

 

Mededeling inzake medewerking van 2002

 

Beoordelingsmarge van de Commissie en toetsing door de rechter van de Unie

 

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in België

 

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in Duitsland

 

Medewerking van Otis bij de vaststelling van de inbreuk in Luxemburg

 

Middel inzake schending van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het bedrag waarmee de geldboeten zijn verlaagd wegens de medewerking die buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 is verleend

 

Middel inzake schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003

 

Middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening van het eindbedrag van de geldboeten

 

Kosten


( *1 ) Procestalen: Frans en Engels.

( 1 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.