Zaak C-372/07
Nicole Hassett
tegen
South Eastern Health Board
en
Cheryl Doherty
tegen
North Western Health Board
(verzoek van de Supreme Court om een prejudiciële beslissing)
„Rechterlijke bevoegdheid — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 22, punt 2 — Geschillen over geldigheid van besluiten van organen van vennootschappen — Exclusieve bevoegdheid van gerechten van staat waar vennootschap is gevestigd — Belangenbehartigingsorganisatie voor artsen”
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 oktober 2008 I ‐ 7405
Samenvatting van het arrest
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Exclusieve bevoegdheden – Geschillen betreffende vennootschappen en rechtspersonen
(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 22, punt 2)
Artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een vordering in het kader waarvan een partij betoogt dat een door een orgaan van een vennootschap genomen besluit de rechten heeft geschonden die bedoelde partij aan de statuten van die vennootschap stelt te ontlenen, geen betrekking heeft op de geldigheid van de besluiten van de organen van een vennootschap in de zin van die bepaling.
Voor de toepasselijkheid van artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 is het immers niet voldoende dat een rechtsvordering op enigerlei wijze verband houdt met een besluit van een orgaan van een vennootschap. Het wezenlijke doel van de door die bepaling ingevoerde uitzondering op de algemene bevoegdheidsregel, die voorziet in de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar een vennootschap is gevestigd, is te vermijden dat tegenstrijdige beslissingen worden gewezen met betrekking tot het bestaan van de vennootschappen en de rechtsgeldigheid van de besluiten van hun organen. Indien echter alle geschillen die een besluit van een orgaan van een vennootschap betreffen, onder dat artikel zouden vallen, zou zulks betekenen dat de tegen een vennootschap ingestelde rechtsvorderingen uit overeenkomst, uit onrechtmatige daad of van andere aard, vrijwel steeds onderworpen zouden zijn aan de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar die vennootschap haar zetel heeft.
Bovendien zou een dergelijke uitlegging tot gevolg hebben dat de door artikel 22, lid 2, ingevoerde afwijkende bevoegdheidsregel zowel zou gelden voor geschillen die niet tot tegenstrijdige beslissingen over de geldigheid van de besluiten van de organen van een vennootschap kunnen leiden, als voor geschillen die geenszins een onderzoek van de op een vennootschap toepasselijke openbaarmakingsformaliteiten vergen. Een dergelijke uitlegging zou er dus toe leiden dat de werkingssfeer van artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 verder zou worden uitgebreid dan nodig is voor het ermee beoogde doel. De werkingssfeer van deze bepaling is derhalve beperkt tot de geschillen waarbij een partij de geldigheid van een besluit van een orgaan van een vennootschap betwist op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen.
(cf. punten 19-20, 22-26 en dictum)