ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 september 2008 ( *1 )
„Handelstransacties — Richtlijn 2000/35/EG — Bestrijding van betalingsachterstand — Procedures tot inning van onbetwiste schuldvorderingen”
In zaak C-265/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale civile di Roma (Italië) bij beslissing van 21 mei 2007, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2007, in de procedure
Caffaro Srl
tegen
Azienda Unità Sanitaria Locale RM/C,
in tegenwoordigheid van:
Banca di Roma SpA,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Tizzano, A. Borg Barthet, M. Ilešič en E. Levits (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2008,
gelet op de opmerkingen van:
|
— |
Caffaro Srl, vertegenwoordigd door G. Barcellona en R. Crincoli, avvocati, |
|
— |
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato, |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Zadra en S. Schønberg als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 april 2008,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 200, blz. 35). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Caffaro Srl (hierna: „Caffaro”), schuldeiser, en Azienda Unità Sanitaria Locale RM/C (hierna: „Azienda”), een Italiaanse overheidsinstantie die de schuldenaar is, ter zake van gedwongen executie door middel van beslaglegging op vorderingen van laatstgenoemde op Banca di Roma SpA (hierna: „Banca di Roma”), een derde bij wie het beslag is gelegd. |
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
|
3 |
Punt 15 van de considerans van richtlijn 2000/35 verklaart: „Deze richtlijn geeft alleen een definitie van de term ‚executoriale titel’, maar zij houdt geen regulering in van de verschillende procedures van gedwongen executie van een dergelijke titel en de voorwaarden waaronder gedwongen executie van een dergelijke titel kan worden beëindigd of opgeschort.” |
|
4 |
Artikel 2 van richtlijn 2000/35 bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […]
|
|
5 |
Punt 23 van de considerans van deze richtlijn verklaart: „Artikel 5 schrijft voor dat de invorderingsprocedure voor onbetwiste schulden binnen een korte termijn moet worden afgewikkeld overeenkomstig de nationale wetgeving, maar verplicht de lidstaten niet ertoe een specifieke procedure vast te stellen of hun bestaande procedures in een specifieke zin te wijzigen.” |
|
6 |
Artikel 5 van de richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat, ongeacht het bedrag van de schuld, normaliter binnen een periode van 90 kalenderdagen na de instelling bij de rechter of een andere bevoegde autoriteit van de vordering of het verzoek van de schuldeiser, een executoriale titel kan worden verkregen wanneer de schuld of aspecten van de procedure niet worden betwist. De lidstaten kwijten zich van deze verplichting overeenkomstig hun respectieve nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. 2. De respectieve nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen leggen dezelfde voorwaarden op aan alle schuldeisers die gevestigd zijn in de Europese Gemeenschap. […] 4. Dit artikel laat de bepalingen van het Verdrag van Brussel inzake de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken […] onverlet.” |
Nationale regeling
|
7 |
Artikel 14 van decreto legge (wetsdecreet) nr. 669 van 31 december 1996, omgezet in wet, na wijziging, bij wet nr. 30 van 28 februari 1997, zoals gewijzigd bij artikel 147 van wet nr. 388 van 23 december 2000 (gewoon supplement bij GURI nr. 302 van 29 december 2000; hierna: „decreto legge nr. 669/1996”), bepaalt: „Bestuursorganen van de Staat en niet-economische openbare lichamen voltooien de procedure voor de tenuitvoerlegging van uitspraken van rechterlijke instanties en van arbitrale colleges met executoriale werking die een bevel tot betaling van geldsommen inhouden, binnen een termijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de betekening van de executoriale titel. Vóór het verstrijken van deze termijn kan de schuldeiser niet overgaan tot gedwongen executie en kan het betalingsbevel niet worden betekend.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
8 |
Caffaro beschikt over een executoriale titel die is uitgevaardigd overeenkomstig de Italiaanse regeling waarbij richtlijn 2000/35 is omgezet in nationaal recht, en heeft een procedure van gedwongen executie ingesteld tegen Azienda. |
|
9 |
De gedwongen executie heeft plaatsgevonden in de vorm van beslaglegging op vorderingen van Azienda op Banca di Roma op basis van een dagvaarding tot verschijning voor de verwijzende rechter die aan deze partijen is betekend. |
|
10 |
Ter terechtzitting van 13 juni 2006 is Banca di Roma voor de verwijzende rechter verschenen en heeft zij het bestaan bevestigd in haar boeken van tegoeden die aan Azienda toebehoren, en verklaard het beslag op deze tegoeden te hebben uitgevoerd. |
|
11 |
Tijdens dezelfde terechtzitting heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat tot gedwongen executie was overgegaan zonder dat de termijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de betekening van de executoriale titel waarin artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996 voorziet, was verstreken. |
|
12 |
Caffaro is van mening dat artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996 niet overeenstemt met richtlijn 2000/35 en heeft verzocht deze bepaling buiten toepassing te laten, subsidiair, het Hof een prejudiciële uitleggingsvraag voor te leggen, zodat het zich kan uitspreken over de vraag deze nationale bepaling overeenstemt met bovengenoemde richtlijn. |
|
13 |
Onder deze omstandigheden heeft het Tribunale civile di Roma de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd die als volgt kan worden samengevat: „Moet richtlijn 2000/35 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996, op grond waarvan een schuldeiser die beschikt over een executoriale titel met betrekking tot een onbetwiste schuldvordering op een overheidsinstantie ter zake van een handelstransactie, niet kan overgaan tot gedwongen executie jegens deze overheidsinstantie gedurende een termijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de betekening van deze executoriale titel aan deze overheidsinstantie?” |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
14 |
Vooraf moet worden opgemerkt dat richtlijn 2000/35 moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel ervan en van de daarbij ingevoerde regeling (zie in die zin arrest van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, Jurispr. blz. I-2879, punt 17). |
|
15 |
Dienaangaande staat vast dat richtlijn 2000/35 enkel beoogt sommige betalingsvoorschriften en -praktijken in de lidstaten zo veel mogelijk te harmoniseren, teneinde betalingsachterstanden bij handelstransacties te bestrijden. |
|
16 |
Zoals het Hof reeds heeft verduidelijkt, heeft deze richtlijn immers enkel betrekking op bepaalde specifieke regels betreffende dergelijke achterstanden, namelijk de interest in geval van betalingsachterstand (artikel 3), het eigendomsvoorbehoud (artikel 4) en de invorderingsprocedures voor onbetwiste schulden (artikel 5) (zie arresten van 26 oktober 2006, Commissie/Italië, C-302/05, Jurispr. blz. I-10597, punt 23, en 3 april 2008, 01051 Telecom, C-306/06, Jurispr. blz. I-1923, punt 21). |
|
17 |
Bovendien verwijst deze richtlijn op verschillende punten naar de toepassing van nationale regelingen. Zoals blijkt uit punt 15 van de considerans, is dit met name het geval voor de verschillende procedures van gedwongen executie van een executoriale titel, alsook voor de voorwaarden waaronder gedwongen executie van een dergelijke titel kan worden beëindigd of opgeschort (zie arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 24). |
|
18 |
In het bijzonder beperkt artikel 5 van richtlijn 2000/35 zich in het kader van het bij deze richtlijn ingevoerde systeem tot het vereiste dat de lidstaten ervoor zorgen dat een executoriale titel, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 5, van deze richtlijn, normaliter kan worden verkregen binnen een periode van 90 kalenderdagen na de instelling bij de rechter of een andere bevoegde autoriteit van de vordering of het verzoek van de schuldeiser, wanneer de schuld of aspecten van de procedure niet worden betwist. Daaruit volgt dat deze richtlijn, wat de invorderingsprocedures voor onbetwiste schulden betreft, enkel de termijn voor de verkrijging van die executoriale titel harmoniseert en geen betrekking heeft op de procedures van gedwongen executie, die aan het nationale recht van de lidstaten onderworpen blijven. |
|
19 |
Vastgesteld moet worden dat een nationale bepaling, zoals die in het hoofdgeding, geen enkele invloed heeft op de termijn waarbinnen de executoriale titel kan worden verkregen. Integendeel, een dergelijke bepaling veronderstelt juist dat de schuldeiser reeds over een dergelijke titel beschikt. |
|
20 |
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het betoog van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996, dat voorziet in de opschorting van de gedwongen executie gedurende een periode van 120 dagen, betrekking heeft op een fase van de schuldinvorderingsprocedure die voorafgaat aan de procedure van gedwongen executie, zodat zij binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/35 valt. |
|
21 |
Zelfs al had dit artikel 14 tot gevolg dat het begin van de procedure van gedwongen executie werd uitgesteld, zoals de Commissie stelt, heeft dit immers geen enkele invloed op de termijn voor de verkrijging van de executoriale titel. Zoals volgt uit punt 18 van het onderhavige arrest, is deze termijn echter het enige aspect van de invorderingsprocedure voor onbetwiste schulden dat is geharmoniseerd door artikel 5 van genoemde richtlijn. |
|
22 |
Bovendien volgt uit het voorgaande weliswaar dat op grond van artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996 tijdelijk de uitvoerbaarheid aan de executoriale titel kan worden ontnomen, maar al met al volgt daaruit niet dat in strijd met richtlijn 2000/35 afbreuk wordt gedaan aan de effectieve bescherming van de schuldeiser, zoals de Commissie stelt. |
|
23 |
Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 38 van haar conclusie, mogen immers niet alleen de voor gedwongen executie noodzakelijke procedures doorgaan, maar ook de procedures van Azienda die noodzakelijk zijn om over te gaan tot betaling van haar schuld, worden geenszins opgeschort, zoals de Italiaanse regering ter terechtzitting heeft bevestigd. Integendeel, deze overheidsinstantie-schuldenaar is krachtens dit artikel 14 gehouden om alles in het werk te stellen om de betalingsprocedure binnen de termijn van 120 dagen te voltooien. |
|
24 |
Onder deze omstandigheden moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2000/35 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 14 van decreto legge nr. 669/1996, op grond waarvan een schuldeiser die beschikt over een executoriale titel met betrekking tot een onbetwiste schuldvordering op een overheidsinstantie ter zake van een handelstransactie, niet kan overgaan tot gedwongen executie jegens deze overheidsinstantie gedurende een termijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de betekening van deze executoriale titel aan deze overheidsinstantie. |
Kosten
|
25 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht: |
|
Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 14 van decreto legge nr. 669 van 31 december 1996, omgezet in wet, na wijziging, bij wet nr. 30 van 28 februari 1997, zoals gewijzigd bij artikel 147 van wet nr. 388 van 23 december 2000, op grond waarvan een schuldeiser die beschikt over een executoriale titel met betrekking tot een onbetwiste schuldvordering op een overheidsinstantie ter zake van een handelstransactie, niet kan overgaan tot gedwongen executie jegens deze overheidsinstantie gedurende een termijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de betekening van deze executoriale titel aan deze overheidsinstantie. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Italiaans.