Zaak C-228/06
Mehmet Soysal en Ibrahim Savatli
tegen
Bundesrepublik Deutschland
(verzoek van het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg om een prejudiciële beslissing)
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije — Vrij verrichten van diensten — Visumplicht voor toelating tot grondgebied van lidstaat”
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 19 februari 2009 I ‐ 1034
Samenvatting van het arrest
Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Standstill-bepaling van artikel 41, lid 1, van aanvullend protocol
(Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, art. 41, lid 1)
Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Standstill-bepaling van artikel 41, lid 1, van aanvullend protocol
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije; aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, art. 41, lid 1)
Artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, dat bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, heeft rechtstreekse werking. Deze bepaling formuleert namelijk in duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke bewoordingen een ondubbelzinnige standstillclausule, volgens welke de overeenkomstsluitende partijen een verplichting aangaan die juridisch neerkomt op een verplichting om iets na te laten. Bijgevolg kunnen Turkse staatsburgers op wie de bepaling van toepassing is, zich voor de rechters van de lidstaten beroepen op de rechten die deze verleent.
Bovendien kunnen Turkse vrachtwagenchauffeurs, die worden tewerkgesteld door een in Turkije gevestigde onderneming die legaal diensten verricht in een lidstaat, zich geldig op artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol beroepen. De werknemers van de dienstverrichter zijn voor deze laatste immers onmisbaar om zijn diensten te kunnen verrichten.
(cf. punten 45-46)
Artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, dat bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich vanaf de inwerkingtreding van dit protocol verzet tegen de invoering van een visumplicht voor Turkse staatsburgers om een lidstaat te kunnen binnenkomen teneinde er voor rekening van een in Turkije gevestigde onderneming diensten te verrichten, wanneer bij de inwerkingtreding ervan geen visumplicht gold.
Deze bepaling verbiedt namelijk algemeen de invoering van elke nieuwe maatregel die tot doel of tot gevolg zou hebben dat het gebruik door een Turks staatsburger van de vrijheid van vestiging of van dienstverrichting op het nationale grondgebied wordt onderworpen aan strengere voorwaarden dan die welke golden bij de inwerkingtreding van het aanvullend protocol, namelijk op 1 januari 1973, voor de betrokken lidstaat.
In het geval van Turkse staatsburgers die in een lidstaat gebruik willen maken van het recht van vrij verrichten van diensten krachtens de Associatieovereenkomst, hindert een nationale regeling die daarvoor een visum vereist, dat overigens niet van burgers van de Gemeenschap kan worden verlangd, het daadwerkelijke gebruik van deze vrijheid wegens met name de bijkomende en terugkerende administratieve en financiële lasten die gepaard gaan met de verkrijging van een dergelijke vergunning, waarvan de geldigheid in de tijd is beperkt. Bij visumweigering verhindert een dergelijke regeling bovendien het gebruik van deze vrijheid.
Bijgevolg heeft een dergelijke regeling, die op 1 januari 1973 niet bestond, op zijn minst tot gevolg dat het gebruik, door Turkse staatsburgers van hun door de Associatieovereenkomst gegarandeerde economische vrijheden wordt onderworpen aan restrictievere voorwaarden dan die welke in de betrokken lidstaat golden bij de inwerkingtreding van het aanvullend protocol. In deze omstandigheden vormt een dergelijke regeling een „nieuwe beperking” in de zin van artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol van het recht van Turkse staatsburgers die in Turkije wonen om vrij diensten te verrichten in de betrokken lidstaat.
Aan deze conclusie doet niet af dat deze nationale regeling slechts een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht uitvoert. Aangezien door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten voorrang hebben boven de bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, moeten deze laatste bepalingen zo veel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten worden uitgelegd.
Daarentegen is de vaststelling van voorschriften die op dezelfde wijze van toepassing zijn op Turkse staatsburgers en burgers van de Gemeenschap, niet in strijd met de standstill-bepaling van artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije.
(cf. punten 47, 55-59, 61-62 en dictum)