Zaak T-407/05

Société anonyme des eaux minérales d’Évian (SAEME)

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk REVIAN’s — Oudere niet-gemeenschapsmerken evian — Te late overlegging van vertaling van bewijs van inschrijving van ouder merk — Beoordelingsbevoegdheid toegekend door artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94”

Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 6 november 2007   II - 4388

Samenvatting van het arrest

  1. Gemeenschapsmerk – Opmerkingen van derden en oppositie – Onderzoek van oppositie

    (Verordening nr. 2868/95 van de Commissie, art. 1, regels 17, lid 2, en 20, lid 3)

  2. Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure

    (Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 42, lid 3, 59 en 74, lid 2)

  1.  Regel 17, lid 2, van verordening nr. 2868/95 tot uitvoering van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, volgens welke de ter onderbouwing van de oppositie aangevoerde bewijzen in de taal van de oppositieprocedure moeten worden overgelegd of vergezeld dienen te gaan van een vertaling in deze taal, wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om het beginsel van hoor en wederhoor alsook de equality of arms tussen partijen in procedures inter partes te eerbiedigen.

    De opposant is weliswaar niet verplicht om een volledige vertaling van de inschrijvingsbewijzen van de oudere merken over te leggen, maar dit betekent niet dat de oppositieafdeling van haar kant bij het onderzoek van de gegrondheid van de oppositie verplicht is rekening te houden met inschrijvingsbewijzen die in een andere taal dan die van de oppositieprocedure zijn overgelegd. Wanneer de vertaling van de inschrijvingsbewijzen in de proceduretaal ontbreekt, mag de oppositieafdeling de oppositie ongegrond verklaren tenzij zij overeenkomstig regel 20, lid 3, van de uitvoeringsverordening een andere beslissing op de oppositie kan nemen op grond van stukken waarover zij eventueel reeds beschikt. Ten slotte, ofschoon het bewijs uit de inschrijvingsbewijzen en niet uit een vertaling ervan voortvloeit, moet het niettemin voldoen aan de in regel 17, lid 2, van de uitvoeringsverordening gestelde taaleisen, opdat er rekening mee kan worden gehouden.

    (cf. punten 35-37)

  2.  Uit de formulering van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, waaruit blijkt dat het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd, volgt dat de partijen, in de regel en behoudens andersluidende bepaling, nog feiten en bewijsmiddelen kunnen aanvoeren ná afloop van de termijnen die daarvoor zijn bepaald in verordening nr. 40/94, en dat het het Bureau niet is verboden om rekening te houden met feiten of bewijzen die niet tijdig zijn aangevoerd of overgelegd.

    Anderzijds volgt uit deze formulering even duidelijk dat een partij die feiten of bewijsmiddelen niet tijdig aanvoert, er niet onvoorwaardelijk aanspraak op kan maken dat het Bureau met deze feiten of bewijsmiddelen rekening houdt. Door te bepalen dat het Bureau in een dergelijk geval geen rekening „hoeft” te houden met dergelijke feiten en bewijsmiddelen, verleent artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 het Bureau immers een ruime beoordelingsvrijheid bij de beslissing of het daarmee rekening zal houden, op voorwaarde echter dat het zijn beslissing op dat punt motiveert. Wanneer het Bureau in een oppositieprocedure uitspraak moet doen, kan er met name gegronde reden zijn om met niet tijdig aangevoerde gegevens rekening te houden wanneer het Bureau van oordeel is dat deze gegevens prima facie werkelijk relevant kunnen zijn voor de uitkomst van de bij hem ingestelde oppositie en dat bovendien het stadium van de procedure en de omstandigheden waarin deze gegevens niet tijdig zijn aangevoerd, niet eraan in de weg staan dat er rekening mee wordt gehouden.

    Bovendien kan artikel 59 van verordening nr. 40/94, waarin de voorwaarden voor het instellen van beroep bij de kamer van beroep zijn omschreven, niet aldus worden uitgelegd dat het de partij die een dergelijk beroep heeft ingesteld, recht geeft op een nieuwe termijn om feiten en bewijsmiddelen ter ondersteuning van zijn oppositie aan te voeren. Anders dan artikel 42, lid 3, van verordening nr. 40/94 maakt dit artikel namelijk geen melding van de mogelijkheid om feiten of bewijzen aan te voeren, doch alleen van een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep, die binnen vier maanden moet worden ingediend.

    (cf. punten 52-53, 55-58)