1. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Verdragsbepalingen – Personele werkingssfeer
(Art. 39 EG)
2. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Gelijke behandeling – Vrij verrichten van diensten – Beperkingen
(Art. 39 EG, 49 EG en 50 EG)
3. Gemeenschapsrecht – Rechtstreekse werking – Rechtstreeks toepasselijke verdragsbepaling – Verplichtingen van nationale rechterlijke instanties
1. Het kan niet worden uitgesloten dat in bepaalde omstandigheden een particulier arbeidsbemiddelingsbureau een beroep kan doen op de rechten die door artikel 39 EG rechtstreeks aan werknemers in de Gemeenschap worden toegekend, wanneer dit bureau zich bezighoudt met de verlening van bemiddeling en elke andere tussenkomst tussen aanvragen en aanbiedingen van werk, en een met een werkzoekende gesloten arbeidsbemiddelingsovereenkomst dit bureau de rol verleent van bemiddelaar in die zin dat het bureau deze werkzoekende vertegenwoordigt en voor hem een baan tracht te vinden.
Het recht van werknemers om zonder discriminatie te worden tewerkgesteld en een beroep uit te oefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, kan immers slechts doeltreffend en zinvol zijn indien het gepaard gaat met het recht van bemiddelaars, zoals een particulier arbeidsbemiddelingsbureau, om werknemers met inachtneming van de regels betreffende het vrije verkeer te helpen een betrekking te vinden.
(cf. punten 24‑26)
2. De artikelen 39 EG, 49 EG en 50 EG staan eraan in de weg dat een nationale regeling de betaling door een lidstaat aan een particulier arbeidsbemiddelingsbureau van de door een werkzoekende aan dit bureau verschuldigde vergoeding voor bemiddeling afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de door deze bemiddelaar gevonden betrekking in deze lidstaat onder de socialeverzekeringsplicht valt.
Een werkzoekende aan wie dit bureau een baan heeft bezorgd die in een andere lidstaat onder de socialeverzekeringsplicht valt, bevindt zich namelijk in een ongunstigere situatie dan wanneer dit bureau hem in eigen land een baan had bezorgd, aangezien in laatstbedoeld geval de aan de bemiddelaar verschuldigde vergoeding voor bemiddeling krachtens bedoelde regeling zou worden betaald. Een dergelijke regeling doet aldus een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers ontstaan, die de werkzoekenden, met name die met beperkte financiële middelen, en dientengevolge ook de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus, ervan kan afschrikken om werk te zoeken in een andere lidstaat, aangezien het bemiddelingsloon niet zal worden betaald door de lidstaat van herkomst van deze werkzoekenden.
Voorts vormt een dergelijke regeling een beperking van de vrijheid van dienstverrichting op grond van de plaats waar de dienst wordt verricht, omdat zij gevolgen kan hebben voor de ontvanger van de diensten, namelijk voor de werkzoekende die, wanneer het particuliere arbeidsbemiddelingsbureau hem een baan bezorgt in een andere lidstaat, zelf de aan dit bureau verschuldigde vergoeding moet betalen. De mogelijkheid voor het particuliere arbeidsbemiddelingsbureau als dienstverrichter om zijn activiteit uit te breiden naar andere lidstaten is beperkt, voor zover het grotendeels van het bestaan van het betrokken systeem afhangt of een aantal werkzoekenden op de diensten van dit bureau een beroep kan doen en dit bureau een werkzoekende in een andere lidstaat kan tewerkstellen zonder het risico van inkomstenderving te lopen.
De omstandigheid dat een dergelijk systeem erop gericht is om de arbeidsbemiddeling te bevorderen en de werkloosheid te verlagen, het nationale socialezekerheidsstelsel te beschermen of de nationale arbeidsmarkt te beschermen tegen verlies van geschoolde arbeidskrachten, kan een dergelijke belemmering niet rechtvaardigen. Door het voordeel van dit systeem stelselmatig te weigeren aan werkzoekenden die in andere lidstaten zijn tewerkgesteld, gaat de betrokken regeling namelijk hoe dan ook verder dan noodzakelijk is ter bereiking van de nagestreefde doelstellingen.
(cf. punten 35‑36, 38, 42, 44‑45, 57‑59, 61‑62, dictum 1)
3. Het staat aan de nationale rechter om, ten volle gebruik makend van de hem door het nationale recht toegekende beoordelingsvrijheid, de bepalingen van nationaal recht gemeenschapsrechtconform uit te leggen en toe te passen en, wanneer een dergelijke gemeenschapsrechtconforme uitlegging onmogelijk is, waar het gaat om bepalingen van het Verdrag die voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven, elke met deze bepalingen strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten.
(cf. punt 70, dictum 2)