1. Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Noodzaak om Hof voldoende preciseringen van feitelijk en juridisch kader te verstrekken
(Art. 234 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 20)
2. Harmonisatie van wetgevingen – Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij – Richtlijn 98/34
(Richtlijn 98/34 van het Europees Parlement en de Raad, art. 1, punten 3 en 11, en 8, lid 1)
1. De in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens moeten niet alleen het Hof in staat stellen, een bruikbaar antwoord te geven, maar ook de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden, overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, nu ingevolge bovengenoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht. Het is dus onontbeerlijk dat de nationale rechter die de vraag stelt, minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt, en aangeeft welk verband hij ziet tussen deze bepalingen en de in het geding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
(cf. punt 21)
2. Richtlijn 98/34 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48, moet aldus worden uitgelegd dat nationale bepalingen, waarbij na de inwerkingtreding van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, de verplichting is ingesteld om op compact disks met figuratieve kunstwerken een bepaald onderscheidend teken aan te brengen als voorwaarde om ze in de betrokken lidstaat te mogen verhandelen, een technisch voorschrift vormen, dat indien het niet aan de Commissie is meegedeeld, niet aan een particulier kan worden tegengeworpen.
Aangezien een dergelijk onderscheidend teken, dat bedoeld is om de consumenten en de nationale autoriteiten erover te informeren dat reproducties wettig zijn, immers op de drager zelf die het geestesproduct bevat, moet worden aangebracht, dus op het product zelf, en derhalve behoort tot de voor de betrokken producten geldende voorschriften inzake het merken en etiketteren, vormt een dergelijk teken een „technische specificatie” in de zin van artikel 1, punt 3, van richtlijn 98/34, hetgeen veronderstelt dat de nationale maatregel noodzakelijkerwijze op het product of zijn verpakking als zodanig betrekking heeft. Aangezien deze specificatie de jure moet worden nageleefd voor de verhandeling van de compact disks, vormt die specificatie dus een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 1, punt 11, eerste alinea, van de richtlijn.
Het opnemen van nieuwe dragers, zoals compact disks, in de werkingssfeer van de verplichting om dat bepaalde onderscheidende teken aan te brengen, moet worden aangemerkt als een verandering aan een ontwerp voor een technisch voorschrift als bedoeld in artikel 8, lid 1, derde alinea, van die richtlijn en had bijgevolg moeten worden meegedeeld aan de Commissie, voor zover de verplichting om dat teken aan te brengen, nadat richtlijn 83/189 van toepassing was geworden, is uitgebreid tot de berokken producten, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan. In dat geval kunnen particulieren zich op niet-toepasselijkheid van een dergelijk technisch voorschrift beroepen voor de nationale rechter, die dat buiten toepassing dient te laten.
(cf. punten 35‑37, 40-42, 44-45 en dictum)