CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 5 december 2006 1(1)

Zaak C‑367/05

Norma Kraaijenbrink

„Artikel 54 van overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord (SUO) – Beginsel ‚ne bis in idem’ – Begrip ‚dezelfde feiten’ – Artikel 56 SUO – Inaanmerkingneming van eerder opgelegde sancties – In ene lidstaat bestrafte feiten – Recht om in andere lidstaat begane bijkomende feiten te bestraffen”






1.        In hoeverre is eenheid van opzet relevant om te bepalen of in het kader van het witwassen van de opbrengsten uit drugshandel, de feiten waarvoor een verdachte in twee verschillende lidstaten is vervolgd, „dezelfde feiten” zijn voor toepassing van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord (hierna: „SUO”)?(2) Vallen feiten waarvan de vervolgende autoriteiten of de gerechten van de eerste lidstaat niet op de hoogte waren onder dat begrip? En indien in de tweede lidstaat opnieuw wordt vervolgd en een veroordeling wordt uitgesproken, moet het gerecht dat de veroordeling uitspreekt dan rekening houden met het in de eerste lidstaat uitgesproken vonnis? Dat zijn in wezen de vragen die het Belgische Hof van Cassatie aan het Hof van Justitie voorlegt.

 Toepasselijke bepalingen

 SUO

2.        Volgens artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie(3) (hierna: „Protocol”), worden dertien lidstaten gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan binnen de werkingssfeer van het zogeheten „Schengen-acquis”.

3.        Volgens de bijlage bij het Protocol omvat het „Schengen-acquis” het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(4) (hierna: „Schengenakkoord”) en, in het bijzonder de SUO.

4.        Het Protocol bepaalt dat het Schengen-acquis vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, te weten 1 mei 1999, met onmiddellijke ingang van toepassing op de dertien in artikel 1 van het Protocol genoemde lidstaten, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België.(5)

5.        De artikelen 54 tot en met 58 SUO vormen samen hoofdstuk 3, met het opschrift „Toepassing van het beginsel ne bis in idem”, dat deel uitmaakt van titel III, betreffende „Politie en veiligheid”.

6.        Artikel 54 bepaalt dat „een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, door een andere overeenkomstsluitende partij niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden”.

7.        Ingevolge artikel 55, lid 1, kan een overeenkomstsluitende partij „op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze overeenkomst verklaren dat zij [...] niet door artikel 54 is gebonden” indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op haar eigen grondgebied hebben afgespeeld, een inbreuk vormen op de veiligheid van de staat of andere even wezenlijke belangen van deze overeenkomstsluitende partij, en/of zijn begaan door een ambtenaar van deze overeenkomstsluitende partij in strijd met zijn ambtsplichten.

8.        Artikel 56 bepaalt dat „indien door een overeenkomstsluitende partij een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die ter zake van dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis door een andere overeenkomstsluitende partij is berecht, iedere periode van vrijheidsbeneming die wegens deze feiten op het grondgebied van laatstgenoemde partij werd ondergaan op de eventueel op te leggen straf of maatregel in mindering dient te worden gebracht. Voor zover de nationale wetgeving dit toelaat, wordt tevens rekening gehouden met andere reeds ondergane straffen of maatregelen dan vrijheidsbeneming.”

9.        Volgens artikel 58 „vormen bovenstaande bepalingen geen beletsel voor de toepassing van verdergaande nationale bepalingen inzake de regel ne bis in idem in geval van buitenlandse rechterlijke beslissingen”.

10.      Overeenkomstig artikel 71, lid 1, dat staat in hoofdstuk 6 van de SUO, met het opschrift „Verdovende middelen”, verbinden de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe „met inachtneming van de bestaande verdragen van de Verenigde Naties, alle maatregelen te treffen welke met het oog op het tegengaan van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen vereist zijn”. Artikel 71, lid 2, vereist dat de overeenkomstsluitende partijen illegale uitvoer, de verkoop, verstrekking en aflevering van verdovende middelen en psychotrope stoffen „bestuurlijk en strafrechtelijk [tegengaan]”. Volgens artikel 71, lid 5, moeten de overeenkomstsluitende partijen „ter beteugeling van de illegale vraag naar verdovende middelen en psychotrope stoffen [...] al het mogelijke doen om de nadelige effecten van de illegale vraag te voorkomen en tegen te gaan”.

 Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties van 1961 inzake verdovende middelen

11.      Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties van 1961 inzake verdovende middelen, zoals gewijzigd bij het protocol van 1972 (hierna: „enkelvoudig verdrag”), maakt krachtens titel VI van het VEU deel uit van het acquis van de Europese Unie. De lidstaten zijn partij daarbij of moeten daarbij partij worden op het moment van toetreding tot de EU.

12.      Artikel 36, lid 1, sub a, van het enkelvoudig verdrag, met het opschrift „Strafbepalingen”, bepaalt dat elke partij, met inachtneming van de beperkingen door haar grondwet opgelegd, maatregelen neemt teneinde ervoor te zorgen dat een reeks overtredingen in verband met verdovende middelen, waaronder het aanbod tot verkoop, de distributie of elke andere handeling die naar de mening van die partij in strijd is met de bepalingen van dit verdrag, als strafbare feiten worden beschouwd indien zij opzettelijk worden begaan en dat het begaan van ernstige strafbare feiten op passende wijze wordt gestraft, in het bijzonder door gevangenisstraf of andere vrijheidsbeperkende straffen.

13.      Ingevolge artikel 36, lid 2, sub a‑i en ii, worden, met inachtneming van de beperkingen, een partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd, al deze strafbare feiten, indien deze in verschillende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten beschouwd, en worden ook financiële manipulaties in verband met de in artikel 36, lid 1, bedoelde feiten, als strafbare feiten beschouwd.

 Bepalingen van nationaal recht

14.      De Nederlandse regering heeft ter terechtzitting uiteengezet dat het Nederlandse Wetboek van Strafrecht ten tijde van de feiten geen specifieke bepaling betreffende het witwassen van geld bevatte. Tot 2002 viel het witwassen van de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen echter onder de werkingssfeer van artikel 416 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat het strafbaar is om een gestolen goed of opbrengst daaruit te verwerven, voorhanden te hebben of over te dragen. Voor veroordeling voor dat strafbare feit (opzetheling) moet degene die dat goed verwerft of voorhanden krijgt, weten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Handel in illegale verdovende middelen wordt als een dergelijk strafbaar feit beschouwd.

15.      Artikel 505 van het Belgische strafwetboek verbiedt de handel, de aankoop, het bezit, het in beheer of bewaring nemen van de in artikel 42, lid 3, van het strafwetboek bedoelde zaken, als zijnde uit misdrijf verkregen. Op die grondslag is het voorhanden hebben en het witwassen van opbrengsten uit de sluikhandel in verdovende middelen in België verboden.

16.      Artikel 65 van het Belgische strafwetboek luidt als volgt:

„Wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan eenzelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.

Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.”(6)

 Procedure voor de nationale rechter en prejudiciële vragen

17.      In december 1998 werd N. Kraaijenbrink, die de Nederlandse nationaliteit heeft, door de arrondissementsrechtbank te Middelburg (Nederland) veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk omdat zij artikel 416 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht verschillende keren had overtreden door tussen oktober 1994 en mei 1995 in Nederland opbrengsten uit drugshandel te verwerven, voorhanden te hebben of over te dragen.(7)

18.      In april 2001 veroordeelde de Correctionele Rechtbank te Gent, in België, Kraaijenbrink tot twee jaar gevangenisstraf wegens het plegen van verschillende misdrijven als bedoeld in artikel 505 van het Belgische strafwetboek, omdat zij tussen november 1994 en februari 1996 in België geldsommen had gewisseld die waren ontvangen uit de handel in verdovende middelen in Nederland. Dit vonnis is in maart 2005 bevestigd door de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Gent.

19.      Deze beide Belgische rechters waren onder verwijzing naar artikel 71 SUO en artikel 36, lid 2, sub a‑i en ii, van het enkelvoudig verdrag van oordeel dat verzoekster zich niet op artikel 54 SUO kon beroepen. Volgens hen moesten de strafbare feiten van het ontvangen, voorhanden hebben of overdragen van opbrengsten uit drugshandel, die in Nederland waren begaan, en de strafbare feiten die in België waren begaan in verband met het omwisselen van de uit de handel in verdovende middelen in Nederland verkregen geldsommen, als afzonderlijke strafbare feiten worden aangemerkt, ongeacht de eenheid van opzet die aan de witwasmisdrijven in Nederland en België ten grondslag lag.

20.      In het cassatieberoep voor het Belgische Hof van Cassatie betoogde Kraaijenbrink dat er ingevolge het beginsel ne bis in idem van artikel 54 SUO in België tegen haar geen strafrechtelijke procedure kon worden ingesteld.

21.      Het Hof van Cassatie heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 54 [SUO], gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst, aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten bestaande in het in Nederland verwerven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen van geldsommen in buitenlandse valuta, afkomstig uit de handel in verdovende middelen (waarvoor vervolgd en veroordeeld in Nederland als opzetheling, met inbreuk op artikel 416 Wetboek van Strafrecht), die verschillend zijn van de strafbare feiten bestaande in het in België omzetten bij wisselkantoren, van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, die in Nederland werden ontvangen (vervolgd in België als heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voor[t]komen, met inbreuk op artikel 505 Strafwetboek) ook als ‚dezelfde feiten’ in de zin van het vermelde artikel 54 te beschouwen zijn wanneer de rechter vaststelt dat zij door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus juridisch één feit opleveren?

2)      Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

Moet aan het begrip ‚kan niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten’ uit artikel 54 [SUO], die uitleg worden gegeven dat wanneer onder ‚dezelfde feiten’ ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, dit inhoudt dat een beklaagde voor het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt zodra hij voor andere feiten, gepleegd met eenzelfde opzet, veroordeeld werd in Nederland, ongeacht alle andere feiten die binnen diezelfde tijdsruimte werden gepleegd, maar die pas na het onherroepelijk buitenlands vonnis in België aan het licht zullen komen en/of vervolgd worden, dan wel of in dit geval de feitenrechter deze andere feiten bijkomend kan bestraffen, rekening houdend met de reeds uitgesproken straffen, behoudens indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, en zonder dat het geheel van de straffen uitgesproken het maximum van de zwaarste straf mag te boven gaan?”

22.      Kraaijenbrink, Oostenrijk, de Tsjechische Republiek, Griekenland, Polen, Spanje en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Mondelinge opmerkingen zijn ter terechtzitting van 4 juli 2006 gemaakt door Kraaijenbrink, Oostenrijk, Griekenland, Spanje en de Commissie. Nederland heeft enkel opmerkingen gemaakt ter terechtzitting. Evenals in de zaak Kretzinger(8), zijn de schriftelijke opmerkingen vóór het wijzen van het arrest Van Esbroeck(9) ingediend. De terechtzitting vond echter plaats nadat dat arrest was gewezen.

 Beoordeling

 Opmerkingen vooraf

23.      Om te beginnen blijkt uit het dossier dat de beklaagde zowel in Nederland als in België is veroordeeld wegens opzetheling en witwaspraktijken met betrekking tot de opbrengst uit illegale drugshandel. Zoals verschillende partijen hebben opgemerkt, blijkt uit de verwijzingsbeschikking echter niet duidelijk of de geldsommen die waren verworven, voorhanden gehad of overgedragen en witgewassen, in beide landen afkomstig waren uit dezelfde illegale drugshandel of deel uitmaakten van dezelfde opbrengst uit misdrijf.

24.      Daarnaast wijst de verwijzende rechter erop dat „het in [België] omzetten bij wisselkantoren van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, en het ontvangen in [Nederland] van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, [...] door eenheid van opzet verbonden zijn”, zodat deze feiten ingevolge artikel 65 van het Belgische strafwetboek één feit opleveren. Met andere woorden, indien de gedraging waarop de veroordelingen in Nederland en in België waren gebaseerd, enkel volgens het Belgische recht zouden zijn beoordeeld, zou zij vanwege de eenheid van opzet die daaraan ten grondslag lag, als één feit zijn aangemerkt.

 Eerste vraag

25.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of twee afzonderlijke, in twee verschillende lidstaten begane strafbare feiten die door eenheid van criminele opzet zijn verbonden, om die reden onder het begrip „dezelfde feiten” in artikel 54 SUO vallen. Hij wenst tevens te vernemen of het antwoord op deze vraag wordt beïnvloed door artikel 71 SUO, en door het enkelvoudig verdrag, waarnaar in dat artikel indirect wordt verwezen, in verband met de verplichtingen van de lidstaten inzake de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

26.      De verwijzingsbeschikking spreekt van „strafbare feiten” en niet van feiten. In het arrest Van Esbroeck heeft het Hof vastgesteld dat het beschermde rechtsbelang of de juridische kwalificatie van de feiten niet ter zake doet voor de toepassing van artikel 54 SUO. Het lijkt derhalve gepast om de eerste vraag aldus te herformuleren dat daarmee wordt gevraagd in hoeverre eenheid van criminele opzet relevant is voor de vaststelling of de feiten waarvoor een beklaagde in twee verschillende lidstaten is vervolgd, „dezelfde feiten” zijn voor de toepassing van artikel 54 SUO.

 Beoordeling

– „Dezelfde feiten”

27.      Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Kretzinger(10) heb aangegeven, is de kwestie die in de eerste vraag aan de orde is nu opgelost door het arrest Van Esbroeck(11) en bevestigd in latere rechtspraak.(12) Uit die rechtspraak volgt dat enkel de gelijkheid van de materiële feiten, begrepen als „het bestaan van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn”(13), relevant is om te bepalen of artikel 54 SUO van toepassing is. Deze beoordeling vereist volgens het Hof dat wordt bepaald „of de in geding zijnde materiële feiten een geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft”.(14)

28.      Op deze grondslag stem ik in met de opvatting van de meerderheid van de partijen die opmerkingen hebben ingediend, dat een eenheid van criminele opzet die ten grondslag ligt aan de materiële feiten, op zich ontoereikend is om deze als „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO aan te merken. Eenheid van opzet mag dan wel een factor zijn die in aanmerking moet worden genomen, zoals ik in mijn conclusie in de zaak Kretzinger(15) heb aangegeven, de feiten moeten echter tevens naar tijd en plaats met elkaar verbonden zijn.

29.      Zoals het Hof in het arrest Van Esbroeck(16) duidelijk heeft gemaakt, staat het aan de nationale rechter om op basis van de feiten van een concreet geval uit te maken of de betrokken feiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het zou voor het hoofdgeding echter nuttig kunnen blijken indien het Hof in dit verband enkele richtsnoeren kan geven.

30.      De beknopte aard van de verwijzingsbeschikking maakt deze taak niet bijzonder eenvoudig. De verwijzende rechter vermeldt dat in het hoofdgeding niet definitief is komen vast te staan of de in België witgewassen geldsommen afkomstig waren uit handel in verdovende middelen in Nederland waarvoor Kraaijenbrink door de Nederlandse rechter was veroordeeld wegens het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van de opbrengst daaruit (opzetheling). Onder verwijzing naar de bevindingen van de lagere Belgische rechters beklemtoont Kraaijenbrink echter dat de witwaspraktijken in Nederland en in België dezelfde geldsommen betroffen die afkomstig waren uit dezelfde sluikhandel.

31.      Het witwassen van geld omvat gewoonlijk een reeks financiële transacties bedoeld om de onwettige herkomst van het geld te verhullen en het opnieuw in circulatie te brengen als wettige valuta. Een geldsom wordt gewoonlijk middels verschillende transacties witgewassen, waarvan sommige valutaomwisseling kunnen omvatten die in een snelle opeenvolging op verschillende plaatsen geschiedt. De uiteindelijke geldsom is vaak kleiner dan de oorspronkelijke som en kan in een andere valuta zijn.

32.      Ik ben het eens met de Commissie dat de witwasoperaties, indien zij in België geldsommen betroffen die onlosmakelijk waren verbonden met de geldsommen die in Nederland waren verworven, voorhanden gehouden of overgedragen, en waarvoor Kraaijenbrink in dat land wegens opzetheling was veroordeeld, „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO zouden opleveren. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn indien het geld dat in de tweede lidstaat was witgewassen, deel uitmaakte van de oorspronkelijke opbrengst van illegale drugshandel in de eerste lidstaat, maar in een later stadium van de witwasketen. Naast de eenheid van criminele opzet die deze feiten delen, zouden zij tevens materieel naar plaats en tijd met elkaar verband houden.

33.      Indien daarentegen het „vuile” geld dat Kraaijenbrink in België witwaste, geen verband hield met het „vuile” geld dat in Nederland was verworven, voorhanden gehad of overgedragen, zijn deze feiten niet onlosmakelijk met elkaar verbonden, hoewel zij beide wel verband kunnen houden met illegale drugshandel en dezelfde opzet kunnen hebben, te weten om financieel voordeel te trekken uit de opbrengst uit een misdrijf. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn indien de opbrengst afkomstig is uit strafbare feiten in verband met drugs die zijn begaan op verschillende plaatsen op verschillende tijdstippen, en indien deze opbrengst werd ontvangen of witgewassen op tijdstippen die voldoende ver uiteen liggen om het chronologische verband te verbreken.

34.      In het arrest Van Straaten(17) vroeg de verwijzende rechter in wezen of twee feiten van heroïnebezit in twee lidstaten „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO opleverden indien het eerste feit een klein gedeelte betrof van een grotere partij heroïne waarvan de verdachte was beschuldigd deze in de tweede lidstaat in bezit te hebben, en indien de medeplichtigen die waren verdacht van deelneming aan de feiten, niet dezelfde waren in de twee lidstaten.

35.      Het Hof oordeelde dat „wat delicten in verband met verdovende middelen betreft, niet vereist [is] dat de hoeveelheden drugs in de twee overeenkomstsluitende staten of de van deelneming aan de feiten in de twee staten verdachte personen, gelijk zijn”, wil artikel 54 SUO van toepassing zijn.(18) Derhalve is niet uitgesloten dat een situatie waarin de feiten niet gelijk zijn, niettemin een geheel van feiten vormt die naar hun aard onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.(19)

36.      Ik moet beginnen met de opmerking dat de letterlijke toepassing van deze vaststellingen op willekeurige delicten betreffende drugshandel tot onwenselijke resultaten zou kunnen leiden. Een veroordeling voor bezit van of opzetheling in verband met kleine hoeveelheden drugs in de ene lidstaat, zou mijns inziens niet automatisch een andere strafrechtelijke procedure wegens bezit van of opzetheling in verband met aanzienlijk grotere hoeveelheden van dezelfde drugs in een andere lidstaat moeten uitsluiten, ongeacht of zij deel uitmaken van dezelfde partij.(20) Het lijkt beter om de zojuist uit het arrest Van Straaten geciteerde vaststellingen te lezen als een ad‑hoctoepassing van de algemene regel dat voor toepassing van artikel 54 SUO geen volledige gelijkheid van de materiële feiten – in dit geval wat de hoeveelheid drugs en de identiteit van de medeplichtigen – vereist is. Deze vaststellingen verlenen de nationale rechter eerder een marge bij de beoordeling van wat in de omstandigheden van het geval dezelfde feiten zijn.

37.      Rekening gehouden met deze specificeringen staaft het arrest Van Straaten de opvatting dat een verschil in de in Nederland en in België verworven, voorhanden gehouden of overgedragen geldsommen er op zich niet aan in de weg staat dat de feiten voor toepassing van artikel 54 SUO als dezelfde feiten worden aangemerkt. Echter, zoals ik reeds heb gesteld, moet door de verwijzende rechter, op basis van het in het hoofdgeding aangevoerde bewijs, worden beslist of er sprake is van een „onlosmakelijk verband”.

38.      Volledigheidshalve voeg ik daaraan toe dat de lidstaten ingevolge artikel 58 SUO op basis van het nationale recht een ruimere uitlegging mogen geven aan het beginsel ne bis in idem. Bijgevolg zou het niet in strijd zijn met artikel 54 SUO dat het nationale recht aldus wordt uitgelegd dat de betrokken feiten worden aangemerkt als dezelfde feiten als die waarvoor Kraaijenbrink in Nederland was vervolgd, omdat er sprake is van eenheid van opzet, zelfs indien zij niet op dezelfde materiële feiten zijn gebaseerd in de zin van artikel 54 SUO.

– Artikel 71 SUO en artikel 36, lid 2, van het enkelvoudig verdrag

39.      Wat artikel 71 SUO en artikel 36, lid 2, van het enkelvoudig verdrag betreft, betoogt de meerderheid van de partijen dat deze geen van beide relevant zijn voor de uitlegging van artikel 54 SUO. Ik ben het daarmee eens.

40.      Artikel 36, lid 2, van het enkelvoudig verdrag, waarnaar artikel 71 SUO verwijst, vereist weliswaar dat de strafbare feiten die daaronder vallen, indien deze in verschillende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd. Ervan uitgaande dat het witwassen van opbrengsten uit drugshandel een strafbaar feit is dat binnen de werkingssfeer van artikel 36, lid 2, valt(21), heeft het Hof echter in het arrest Van Esbroeck uitdrukkelijk geoordeeld dat „artikel 71 [SUO] bovendien niets [bevat] dat wijst op een beperking van de werkingssfeer van artikel 54”.(22) Volgens het Hof „volgt daaruit dat de verwijzing naar de bestaande verdragen van de Verenigde Naties in artikel 71 SUO niet aldus mag worden begrepen dat zij in de weg staat aan de toepassing van het in artikel 54 SUO neergelegde beginsel ne bis in idem, dat slechts verhindert dat een persoon wegens dezelfde feiten aan meer dan één vervolgingsprocedure wordt onderworpen, zonder evenwel te leiden tot niet-strafbaarstelling in de Schengenruimte”.(23)

41.      Mijns inziens gaan deze vaststellingen evenzeer op in het onderhavige geval. Artikel 71 SUO, dat in zeer algemene bewoordingen is geformuleerd en de overeenkomstsluitende partijen een algemene verplichting oplegt om alle sluikhandel in verdovende middelen tegen te gaan, voorziet niet in een afwijking van het beginsel ne bis in idem op dat gebied, en staat evenmin toe dat drugsdelicten in Schengenverband twee keer worden bestraft.

42.      Wat het enkelvoudig verdrag betreft, dit is gesloten in 1961 door een intergouvernementele conferentie en was bedoeld om te gelden voor onafhankelijke soevereine staten. De Commissie betoogt, mijns inziens overtuigend, dat het inconsistent zou zijn om het enkelvoudig verdrag toe te passen op de Schengenruimte, die meer dan dertig jaar later is gecreëerd en bedoeld is om verdere integratie te bereiken op het gebied van politiële en justitiële samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen.(24)

43.      In een dermate geïntegreerde ruimte, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen(25) en waarin maatregelen ter bestrijding van illegale drugshandel geleidelijk meer op supranationaal niveau dan op nationaal niveau moeten worden getroffen(26), verliest de verplichting van artikel 36 van het enkelvoudig verdrag om in verschillende landen begane strafbare feiten als afzonderlijke strafbare feiten te beschouwen, haar doel. Mijns inziens kan de ingevolge artikel 71 SUO op de overeenkomstsluitende partijen rustende verplichting om met inachtneming van de bestaande verdragen van de Verenigde Naties alle maatregelen te treffen die ter bestrijding van de illegale drugshandel vereist zijn, enkel toepassing vinden voor zover die verdragen relevant zijn voor de Schengenakkoorden.

44.      Dienovereenkomstig meen ik dat het zinsdeel „dezelfde feiten” in de artikelen 54 en 56 SUO doelt op gelijkheid van de materiële feiten, begrepen als een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft. Het bestaan van eenheid van criminele opzet kan relevant zijn bij de beoordeling of aan die drie criteria is voldaan, maar vormt op zich niet een criterium. Aan deze uitlegging wordt geen afbreuk gedaan door artikel 71 SUO of door artikel 36, lid 2, van het enkelvoudig verdrag.

 Tweede vraag

45.      De tweede vraag rijst enkel indien de eerste vraag in die zin (bevestigend) wordt beantwoord dat eenheid van opzet op zich een voldoende voorwaarde is opdat strafbare feiten als „dezelfde feiten” kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 54 SUO. Zoals gezegd, is dit mijns inziens niet het geval. Ik zal de tweede vraag niettemin kort bespreken voor het geval dat het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt.

46.      De formulering van de tweede vraag is onnauwkeurig en kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Zoals ik deze vraag lees, bestaat zij uit twee onderdelen.

47.      In de eerste plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of, gesteld dat het begrip „dezelfde feiten” in artikel 54 SUO feiten omvat die verschillend zijn doch die met elkaar verbonden zijn doordat zij met dezelfde criminele opzet zijn begaan, dat begrip kan worden uitgebreid zodat daaronder ook andere strafbare feiten vallen die in dezelfde tijdsruimte zijn begaan en die subsidiair of bijkomstig zijn ten opzichte van het in het eerste vonnis bestrafte delict, maar die pas in de tweede lidstaat aan het licht zijn gekomen of werden vervolgd nadat het eerste vonnis was gewezen, dan wel of de rechter in de tweede lidstaat deze andere feiten bijkomend mag bestraffen.

48.      Indien dit laatste het geval is, vraagt de verwijzende rechter in het tweede onderdeel van zijn vraag of de rechter in de tweede lidstaat bij de bepaling van de volgens het nationale recht op te leggen straf rekening dient te houden met de in de eerste lidstaat reeds opgelegde straffen.

49.      Mijns inziens moet bij de beantwoording van het eerste onderdeel dezelfde redenering worden gevolgd als die welke ik als antwoord op de eerste vraag heb gegeven. Indien de feiten die tot bijkomende delicten leiden, onder toepassing van het arrest Van Esbroeck, naar tijd, plaats en wat het voorwerp ervan betreft, onlosmakelijk zijn verbonden met de feiten die de grondslag voor de veroordeling in de eerste lidstaat vormen, zal artikel 54 SUO van toepassing zijn, mits aan alle andere voorwaarden daarvan is voldaan.(27) Is dit niet zo, dan mag de nationale rechter de beklaagde voor de bijkomende strafbare feiten veroordelen omdat de aangevoerde feiten niet onder het begrip „dezelfde feiten” in de zin van die bepaling vallen.

50.      Dat deze bijkomende feiten destijds niet bekend waren, of dat daarover geen uitspraak was gedaan in de procedure in de eerste lidstaat, doet niet af aan deze slotsom. Niets in de rechtspraak van het Hof inzake het begrip „dezelfde feiten” in artikel 54 SUO, wijst erop dat de strekking daarvan beperkt blijft tot de feiten die op het relevante tijdstip bij de vervolgende autoriteiten of de rechterlijke instanties van de eerste lidstaten bekend waren. Dientengevolge staat niets eraan in de weg dat de rechters van de tweede lidstaat van oordeel zijn dat dergelijke feiten „onlosmakelijk zijn verbonden” met de feiten die het voorwerp van de eerdere procedure waren, en dat zij deze derhalve als „dezelfde feiten” aanmerken.

51.      In het arrest Van Straaten(28) heeft het Hof integendeel geoordeeld dat artikel 54 SUO niet vereist dat alle materiële feiten die in de twee procedures aan de orde zijn, identiek zijn. In dat geval stond het feit dat bepaalde omstandigheden door de rechter in de eerste lidstaat niet in aanmerking waren genomen, maar wel door de rechter in de tweede(29), er niet aan in de weg dat het Hof oordeelde dat de betrokken feiten „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO konden opleveren.

52.      Een soortgelijke redenering kan in het onderhavige geval worden toegepast. Feiten die subsidiair of bijkomstig zijn ten opzichte van de hoofdfeiten die in de eerdere procedure zijn beoordeeld, maar die niet zelf in die procedure in aanmerking zijn genomen, vallen onder het begrip „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO indien alle feiten naar tijd, plaats en wat het voorwerp ervan betreft, onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Of dat het geval is, moet door de nationale rechter worden vastgesteld.

53.      Het tweede onderdeel van de vraag betreft in wezen de vraag of de rechter bij wie de tweede procedure aanhangig is, rekening moet houden met de voor dezelfde feiten in de eerste procedure opgelegde straffen, indien hij ertoe overgaat de beklaagde voor die subsidiaire of bijkomende feiten te veroordelen.

54.      Het is duidelijk dat indien de subsidiaire of bijkomende feiten worden aangemerkt als dezelfde feiten in de zin van artikel 54 SUO, de rechter in de tweede procedure, indien aan alle voorwaarden is voldaan, de beklaagde niet mag vervolgen, en a fortiori niet mag veroordelen. De vraag of eerder opgelegde straffen in aanmerking moeten worden genomen, rijst dus niet.

55.      De situatie ligt anders indien de subsidiaire of bijkomende feiten weliswaar als dezelfde feiten worden aangemerkt, doch de andere voorwaarden voor toepassing van artikel 54 SUO niet zijn vervuld.(30) In dat geval moet een antwoord op het tweede onderdeel van de vraag worden gevonden in het licht van het algemene beginsel van verrekening en van artikel 56 SUO. Ik breng in herinnering dat artikel 56 SUO vereist dat indien door een overeenkomstsluitende partij een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die ter zake van dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis door een andere overeenkomstsluitende partij is berecht, iedere periode van vrijheidsbeneming die wegens deze feiten op het grondgebied van laatstgenoemde partij werd ondergaan, op de eventueel op te leggen straf of maatregel in mindering dient te worden gebracht. Deze bepaling vereist voorts dat voor zover de nationale wetgeving dit toelaat, lidstaten tevens rekening houden met andere reeds ondergane straffen of maatregelen dan vrijheidsbeneming.

56.      Ter terechtzitting heeft de Commissie duidelijk gemaakt dat artikel 56 SUO haars inziens een algemeen strafrechtelijk beginsel weergaf, te weten het evenredigheidsbeginsel, dat van toepassing is op elke situatie waarin het beginsel ne bis in idem van artikel 54 SUO niet van toepassing is.

57.      Nederland was scherp gekant tegen dit argument. Deze staat betoogde dat het beginsel van verrekening zoals vervat in artikel 56 SUO, beperkt is tot gevallen waarin de afwijkingen bedoeld in artikel 55, lid 1, SUO van toepassing zijn. In alle andere gevallen is de vraag of dat beginsel al dan niet van toepassing is, een zaak van het nationale recht. Aanvaarding van het argument van de Commissie zou neerkomen op een versluierde harmonisatie van nationaal strafrecht, waarbij de bepalingen van de SUO worden omzeild.

58.      Ik kan geen tekstueel of logisch verband vinden tussen de artikelen 55 en 56 SUO dat steun biedt voor een dergelijke uitlegging. Op een meer fundamenteel vlak deel ik de opvatting van de Commissie dat er in het gemeenschapsrecht een algemeen beginsel van verrekening(31) geldt, volgens hetwelk eerder opgelegde straffen in aanmerking moeten worden genomen indien de beklaagde in een tweede procedure voor dezelfde feiten wordt bestraft.(32)

59.      Niet alleen bevat het strafrecht van elke lidstaat, voor zover ik heb kunnen bezien, een variant van dat beginsel(33), doch het Hof heeft het bestaan ervan tevens erkend in de context van cumulatie van volgens nationaal en communautair recht opgelegde sancties op het gebied van het mededingingsrecht. In het arrest Wilhelm heeft het Hof vastgesteld dat „wanneer de mogelijkheid van tweeërlei procedure tot oplegging van tweeërlei sanctie [voor dezelfde feiten] zou leiden, algemene billijkheidsgronden [...] meebrengen, dat bij bepaling van de straf met eerdere beslissingen van repressieve aard rekening dient te worden gehouden”.(34) Die rechtspraak is later bevestigd in het arrest Boehringer Mannheim, waarin het Hof heeft geoordeeld dat „de Commissie bij vaststelling van het bedrag van een geldboete verplicht is straffen welke dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mocht hebben ondergaan in rekening te brengen, wanneer die straffen wegens een – uiteraard op het grondgebied van de Gemeenschap begane – inbreuk op het kartelrecht van een lidstaat zijn opgelegd”.(35) Het Gerecht van eerste aanleg heeft deze rechtspraak steeds gevolgd.(36)

60.      Hoewel de rechtspraak op dit punt nog niet is uitgekristalliseerd(37), ben ik van mening dat aan het beginsel van verrekening de vorm kan worden gegeven van een algemeen strafrechtelijk beginsel in alle lidstaten en in het verlengde daarvan van een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat voortvloeit uit de billijkheidsvereisten en uit het beginsel van evenredigheid in het strafrecht.(38)

61.      Het beginsel van verrekening verschilt mijns inziens conceptueel van het beginsel ne bis in idem, hoewel beide wel de uitdrukking van een algemeen vereiste van billijkheid of „fairness” in strafrechtelijke procedures zijn.(39) Het beginsel van verrekening is per definitie enkel relevant wanneer het beginsel ne bis in idem om welke reden dan ook niet van toepassing is, ook al liggen aan de vervolging dezelfde feiten ten grondslag.(40) Anders moet de rechter waarbij de tweede procedure aanhangig is gemaakt, deze procedure niet-ontvankelijk verklaren wegens strijd met het beginsel ne bis in idem.

62.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 56 SUO louter het beginsel van verrekening voor „Schengendoeleinden” codificeert. Indien ik het juist zie, heeft deze slotsom twee consequenties. Ten eerste zou het beginsel van verrekening ook zonder artikel 56 SUO als algemeen beginsel van gemeenschapsrecht gelden. Ten tweede staat dit als een algemeen rechtsbeginsel in de normenhiërarchie boven artikel 56 SUO. Daaruit volgt dat het feit dat de werkingssfeer van die bepaling beperkt blijft tot vrijheidsbenemende straffen, wordt overvleugeld door de wijdere werkingssfeer van het algemene beginsel: alle straffen die in de eerste lidstaat voor dezelfde feiten zijn opgelegd en ondergaan, moeten in de procedure in de tweede lidstaat in aanmerking worden genomen.

63.      Als een zaak van louter gemeenschapsrecht zijn dus de nationale strafgerechten, wanneer het beginsel ne bis in idem niet van toepassing is, verplicht om bij een veroordeling rekening te houden met, al dan niet vrijheidsbenemende, straffen die voor dezelfde feiten in andere lidstaten reeds zijn opgelegd en zijn ondergaan door de beklaagde (of waaraan anderszins is voldaan). Dat zal het geval zijn indien een van de afwijkingen bedoeld in artikel 55 SUO van toepassing is, maar ook wanneer iemand in de eerste lidstaat bij onherroepelijk vonnis is berecht doch de voorwaarde van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 54 SUO niet is vervuld.(41)

64.      Voor het geval echter dat het Hof niet zou aanvaarden dat een dergelijk algemeen beginsel van verrekening bestaat, is mijns inziens duidelijk dat artikel 56 SUO hoe dan ook van toepassing zou zijn. Lidstaten die partij zijn bij het Schengenakkoord zijn verplicht iedere periode van vrijheidsbeneming die door de beklaagde in een andere lidstaat is ondergaan, te verrekenen met alle veroordelingen tot gevangenisstraf die in het Schengenkader worden opgelegd.

65.      Op dit punt ben ik het niet eens met de restrictieve uitlegging van artikel 56 SUO door de Nederlandse regering. Niets in de ruime bewoordingen van deze bepaling wijst erop dat haar werkingssfeer is beperkt tot gevallen waarin artikel 55, lid 1, SUO van toepassing is. Een letterlijke uitlegging suggereert integendeel duidelijk dat zij van toepassing moet zijn op gevallen waarin tegen dezelfde beklaagde, om welke reden dan ook, in een lidstaat een vervolging is ingesteld niettegenstaande het feit dat hij in een andere lidstaat voor dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis is berecht.(42)

66.      Vanzelfsprekend geldt de bovenstaande analyse wanneer de beklaagde voor de tweede keer voor dezelfde feiten wordt berecht en veroordeeld in een andere lidstaat en hij zich niet op artikel 54 SUO kan beroepen. Wanneer de feiten niet als dezelfde feiten worden beschouwd, ontstaat er geen verplichting krachtens artikel 56 SUO of, zoals ik heb betoogd, krachtens het algemene beginsel van verrekening.

67.      Volledigheidshalve voeg ik daaraan toe dat het gemeenschapsrecht voor nationale rechters bij wie de tweede procedure aanhangig is gemaakt, geen beletsel vormt om gunstigere nationale bepalingen toe te passen op veroordelingen in omstandigheden waarin de artikelen 54 of 56 SUO – of de daarin vervatte beginselen – niet van toepassing zijn omdat de feiten voor de nationale rechter niet als „dezelfde feiten” als die in de eerste procedure worden aangemerkt.

68.      Deze slotsom vloeit voort uit de algemene beginselen van subsidiariteit en bevoegdheidsverlening. Voorts staan de artikelen 56, in fine, en 58 SUO, zoals de Commissie opmerkt, de lidstaten uitdrukkelijk toe om in de context van het Schengen-acquis nationale bepalingen toe te passen die een ruimere uitlegging van het beginsel ne bis in idem en van verrekening bevatten.

69.      Bijgevolg meen ik dat het begrip „dezelfde feiten” in de zin van de artikelen 54 en 56 SUO feiten omvat die subsidiair of bijkomstig zijn ten opzichte van de hoofdfeiten waarover de procedure in de eerste lidstaat ging, doch die in die procedure niet zelf in aanmerking waren genomen, indien deze feiten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden naar tijd, plaats en wat het voorwerp ervan betreft. Niets in het gemeenschapsrecht belet de lidstaten om voor een beklaagde gunstigere strafrechtelijke voorschriften dan die van de artikelen 54 tot en met 57 SUO toe te passen.

 Conclusie

70.      Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van Cassatie als volgt te beantwoorden:

„–      Het zinsdeel ‚dezelfde feiten’ in de artikelen 54 en 56 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord (SUO) verwijst naar de gelijkheid van materiële feiten, opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden naar tijd, plaats en wat het voorwerp ervan betreft. Artikel 71 SUO of artikel 36, lid 2, van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties van 1961 inzake verdovende middelen, zijn niet van invloed op deze uitlegging.

–        Het bestaan van eenheid van criminele opzet kan relevant zijn bij de beoordeling of deze drie criteria zijn vervuld, maar is zelf geen criterium.

–        Feiten die subsidiair of bijkomstig zijn ten opzichte van de hoofdfeiten waarover de procedure in de eerste lidstaat ging, doch die in die procedure niet zelf aan de orde waren, vallen onder het begrip ‚dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 54 SUO indien deze feiten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden naar tijd, plaats en wat het voorwerp ervan betreft.

–        Het gemeenschapsrecht staat er hoe dan ook niet aan in de weg dat een lidstaat voor een beklaagde gunstigere voorschriften toepast dan die van de artikelen 54 en 56 SUO.”


1 – Oorspronkelijke taal: Engels.


2 – PB 2000, L 239, blz. 19.


3 – Bij het Verdrag van Amsterdam gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.


4 – PB 2000, L 239, blz. 13.


5 – Artikel 2, lid 1, eerste alinea. Het Hof is krachtens artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bevoegd om de SUO uit te leggen.


6 –      Voetnoot niet van toepassing voor het Nederlands (Franse tekst van dit artikel).


7 – Bij hetzelfde vonnis werd Kraaijenbrink tevens veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet tussen oktober 1994 en februari 1997.


8 – C‑288/05, thans aanhangig bij het Hof, waarin ik ook vandaag mijn conclusie uitbreng.


9 – Arrest van 9 maart 2006 (C‑436/04, Jurispr. blz. I‑2333).


10 – Aangehaald in voetnoot 8 supra, punten 35‑37.


11 – Aangehaald in voetnoot 9 supra. Zie tevens punt 22 supra.


12 – Zie arresten van 28 september 2006, Van Straaten (C‑150/05), en Gasparini (C‑467/04), beide nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.


13 – Punt 36.


14 – Punt 38.


15 – Punt 39.


16 – Punt 38.


17 – Aangehaald in voetnoot 12 supra.


18 – Punt 49.


19 – Punt 50.


20 – Zo betwijfel ik dat het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van 50 gram heroïne in de ene lidstaat en van vijf kilo van dezelfde drugs in een andere, automatisch als hetzelfde feit moet worden behandeld, zelfs indien de twee hoeveelheden deel uitmaken van dezelfde partij.


21 – De Commissie is een andere mening toegedaan. Gelet op de ruime formulering van artikel 36, lid 2 (zie punt 13 supra), is moeilijk in te zien hoe dit juist zou kunnen zijn.


22 – Punt 40.


23 – Punt 41.


24 – In dezelfde trant, zie conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer bij het arrest Van Esbroeck, aangehaald in voetnoot 9, punten 53‑58.


25 – Zie arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C‑187/01 en C‑385/01, Jurispr. blz. I‑1345, punten 32 en 33).


26 – Zie artikelen 70 en 71, lid 3, SUO, waarin van de overeenkomstsluitende partijen wordt verlangd dat zij hun inspanningen tot samenwerking bij de bestrijding van illegale drugshandel vergroten.


27 – Betreffende de andere voorwaarden voor toepassing van artikel 54 SUO, te weten dat het vonnis onherroepelijk is (voorwaarde van onherroepelijkheid) en dat ingeval een straf is opgelegd deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden (voorwaarde van uitvoering), zie mijn conclusies in de zaken Kretzinger, aangehaald in voetnoot 8, en Gasparini, aangehaald in voetnoot 12 supra.


28 – Aangehaald in voetnoot 12 supra.


29 – Te weten het bezit van vier extra kilo heroïne en de deelname van andere medeplichtigen.


30 – Zie voetnoot 27 supra.


31 – Dat beginsel wordt ook wel aangeduid als het beginsel van „inaanmerkingneming” (principle of taking into account) (zie bijvoorbeeld M. Fletcher, „Some developments to the ne bis in idem principle in the EU: Criminal proceedings against Hüssein Gözütok and Klaus Brügge” [2003] 66 Modern Law Review 769, voetnoot 5) of als het „beginsel van meerekening” (accounting principle) (zie J. Vervaele, „The transnational ne bis in idem principle in the EU: Mutual Recognition and equivalent protection of human rights”, [2005] Utrecht Law Review Vol. I, Issue 2, December, blz. 100, op blz. 106 en 107).


32 – Tegelijkertijd moet ik echter duidelijk stellen dat ik de aan dat standpunt ten grondslag liggende bezorgdheid van Nederland begrijp en deel: strafrecht dient niet via de achterdeur te worden geharmoniseerd (zie in die zin mijn conclusie bij het arrest Gasparini, aangehaald in voetnoot 12 supra). Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, lijkt me dat de oorsprong in het gemeenschapsrecht van een algemeen beginsel van verrekening dat is afgeleid van de vereisten van de billijkheid, kan worden teruggevoerd tot 1969 en het arrest van het Hof van 13 februari 1969, Wilhelm (14/68, Jurispr. blz. 1).


33 – Zie tevens punten 64‑70 van mijn conclusie in de zaak Kretzinger, aangehaald in voetnoot 8.


34 – Aangehaald in voetnoot 32 supra, punt 11.


35 – Arrest van 14 december 1972 (7/72, Jurispr. blz. 1281, punt 3).


36 – Zie bijvoorbeeld arrest van 9 juli 2003, Archer Daniels Midlands Co./Commissie (T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie tevens arrest van 27 september 2006, Roquette Frères/Commissie (T‑322/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 279‑292).


37 – Niettegenstaande de verwijzing in eerdere rechtspraak naar „billijkheidsgronden”, wat mijns inziens noodzakelijkerwijs impliceert dat het beginsel van verrekening universele gelding heeft, is het Hof terughoudend geweest om uitdrukkelijk te aanvaarden dat een dergelijk beginsel de Commissie verplicht om een door een derde land opgelegde geldboete bij de vaststelling van een geldboete op basis van het communautaire mededingingsrecht te verrekenen. In twee recente gevallen in hogere voorziening heeft het Hof de algemene gelding van het beginsel van verrekening noch bevestigd noch ontkend, doch heeft het de gedingen op andere gronden beslecht. Zie arrest Hof (Eerste kamer) van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland Co. (C‑397/03 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52); een vergelijkbare benadering werd toegepast in het arrest Hof (Tweede kamer) van 29 juni 2006, SGL Carbon (C‑308/04 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 27). In punt 33 van dat arrest lijkt het Hof de algemene gelding van het beginsel van verrekening echter impliciet af te wijzen.


38 – Dat beginsel is als een grondrecht opgenomen in artikel II-109, lid 3, van het ontwerp voor de EU-Grondwet, dat wil zeggen als onderdeel van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat voorschrift, met het opschrift „Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen”, bepaalt dat „de zwaarte van de straf niet onevenredig [mag] zijn aan het strafbare feit”.


39 – In deze zin zie ook conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer bij het arrest Van Straaten, aangehaald in voetnoot 12 supra, punt 58. Dat is ook het standpunt dat het Hof impliciet lijkt te hebben gevolgd in de arresten SGL Carbon en Archer Daniels Midland Co., beide aangehaald in voetnoot 37 supra. Het nauwe verband tussen deze twee beginselen kan ook verklaren waarom artikel 56 SUO, samen met artikel 54 SUO, is opgenomen in hoofdstuk 3 van titel III van de SUO, met het opschrift „Toepassing van het beginsel ne bis in idem”. Zoals ik echter in voetnoot 29 van mijn conclusie in de zaak Kretzinger heb gesuggereerd, doet dat niet af aan de slotsom dat zij twee zelfstandige gemeenschapsrechtelijke beginselen vormen. Zie tevens J.‑L. de la Cuesta, „Concurrent national and international criminal jurisdicition and the principle ‚ne bis in idem’ – general Report [of the XVII International Congress of Penal Law]”, International Review of Penal Law, Vol. 73, 2002/3‑4, blz. 707, op blz. 717 en 724.


40 – Zie punt 63 infra.


41 – Zie mijn conclusie in de zaak Kretzinger, aangehaald in voetnoot 8 supra, punt 72.


42 – Zie punt 63 supra.