CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

V. TRSTENJAK

van 28 juni 2007 1(1)

Zaak C‑20/05

Strafzaak

tegen

Karl Josef Wilhelm Schwibbert

[Verzoek van het Tribunale di Forlì (Italië) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 98/34/EG – Begrip ‚technisch voorschrift’ – Nationale wet houdende verplichting tot aanbrenging van afkorting van nationale organisatie belast met inning van auteursrechten op compact discs – Verplichting tot mededeling”





I –    Inleiding

1.     In het kader van een strafzaak tegen de heer Schwibbert wegens het houden van compact discs (hierna: „cd’s”) waarop niet het onderscheidingsteken van de nationale organisatie belast met de inning van auteursrechten (Società italiana autori ed editori; hierna: „SIAE”) voorkwam, vraagt het Tribunale di Forlì (Italië), op verzoek van de advocaat van Schwibbert, aan het Hof of de nationale bepalingen houdende de verplichting dit onderscheidingsteken aan te brengen, verenigbaar zijn met de artikelen 3 EG en 23 tot en met 27 EG, richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(2) – een richtlijn die in feite is gecodificeerd bij richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(3), die zelf is gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998(4) – richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van de intellectuele eigendom(5), en richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij.(6)

II – Toepasselijke bepalingen

A –    Gemeenschapsrecht

1.      EG-Verdrag

2.     Volgens artikel 23, lid 1, EG is de Gemeenschap gegrondvest op een douane-unie die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en die het verbod meebrengt van in‑ en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling.

2.      Richtlijnen

a)      Richtlijn 92/100

3.     Richtlijn 92/100 heeft tot doel een geharmoniseerde rechtsbescherming te bieden voor het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom. Uit de eerste overweging van de considerans van richtlijn 92/100 vloeit voort dat deze harmonisatie de opheffing beoogt van de verschillen tussen de nationale regelingen waardoor „handelsbelemmeringen en mededingingsdistorsies kunnen ontstaan, die aan de totstandbrenging en de goede werking van de interne markt afbreuk doen”.

4.     De tweede overweging van de considerans geeft aan dat „deze verschillen in rechtsbescherming nog groter zouden kunnen worden, wanneer de lidstaten nieuwe en uiteenlopende wettelijke bepalingen vaststellen of wanneer de nationale rechtspraak waarin deze bepalingen worden uitgelegd, zich op uiteenlopende wijze ontwikkelt”.

5.     De derde overweging van de considerans benadrukt „dat deze verschillen bijgevolg moeten worden opgeheven in overeenstemming met het in artikel 8 A van het EEG-Verdrag gestelde doel om een ruimte zonder binnengrenzen tot stand te brengen, zodat overeenkomstig artikel 3, sub f, van het EEG-Verdrag een stelsel wordt ingevoerd waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst”.

b)      Richtlijn 98/34, waarbij richtlijn 83/189 wordt gecodificeerd

6.     Artikel 1 luidt:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.      ‚product’: alle producten die industrieel worden vervaardigd, en alle landbouwproducten, met inbegrip van visproducten;

2.      ‚technische specificatie’: een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures [...]

[...]

10.      ‚ontwerp voor een technisch voorschrift’: de tekst van een technische specificatie of een andere eis, met inbegrip van bestuursrechtelijke bepalingen, die is uitgewerkt met de bedoeling deze als technisch voorschrift vast te stellen of uiteindelijk als zodanig te doen vaststellen, en die zich in een stadium van voorbereiding bevindt waarin het nog mogelijk is daarin ingrijpende wijzigingen aan te brengen [...]”

7.     Artikel 8 van richtlijn 98/34 bepaalt:

„1.      [...] de lidstaten [delen] de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee [...]; zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technische voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken.

In voorkomend geval delen de lidstaten tegelijkertijd de tekst mee, tenzij deze reeds in samenhang met een eerdere mededeling is doorgegeven, van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de reikwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te kunnen beoordelen.

De lidstaten gaan in bovengenoemde omstandigheden tot een nieuwe mededeling over, indien zij in het ontwerp voor een technisch voorschrift significante wijzigingen aanbrengen die een verandering van het toepassingsgebied, een verkorting van het oorspronkelijk geplande tijdschema voor de toepassing, een toevoeging van specificaties of eisen of het stringenter maken ervan tot gevolg hebben.”

8.     Artikel 9, lid 1, van richtlijn 98/34 bepaalt:

„De lidstaten stellen de goedkeuring uit van een ontwerp voor een technisch voorschrift voor de duur van drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de Commissie de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling ontvangt.”

c)      Richtlijn 98/48, die bepaalde punten van richtlijn 98/34 wijzigt

9.     Punt 9 van artikel 1 van richtlijn 98/34 wordt het volgende punt 11:

„11.      ‚technisch voorschrift’: een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 10, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden.

De facto technische voorschriften zijn met name:

–       wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die hetzij verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, hetzij naar beroepscodes of codes voor goede praktijken die zelf verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten waarvan de naleving een vermoeden geeft met de voorschriften welke bij deze wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld, in overeenstemming te zijn;

–       vrijwillige overeenkomsten waarbij de overheid partij is en die in het algemeen belang gericht zijn op de naleving van technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, met uitsluiting van bestekken voor overheidsopdrachten;

–       technische specificaties of andere eisen of regels betreffende diensten die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen die het verbruik van producten of het gebruik van diensten beïnvloeden, doordat zij de naleving van die technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten aanmoedigen; hieronder vallen niet de technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten die samenhangen met de nationale stelsels van sociale zekerheid.”

d)      Richtlijn 2001/29

10.   Richtlijn 2001/29 neemt de met name door richtlijn 92/100 vastgestelde beginselen en regels over en brengt daarin wijzigingen aan.

B –    Nationaal recht

11.   De Italiaanse regelgeving inzake auteursrecht heeft wet nr. 633 uit 1941 als grondslag.(7) Deze wet heeft een publiekrechtelijk orgaan ad hoc, de SIAE, in het leven geroepen, dat tot taak heeft te beschermen, te bemiddelen en te certificeren; deze wet voorziet in strafrechtelijke sancties voor bepaalde niet toegestane gedragingen (verhandelen, kopiëren en dergelijke) en heeft eveneens de verplichting tot het aanbrengen van het onderscheidingsteken SIAE ingesteld.

12.   Wet nr. 121/87 van 27 maart 1987(8) heeft de verplichting om het onderscheidingsteken SIAE aan te brengen en de mogelijkheid van strafrechtelijke sancties tot andere dragers uitgebreid.

13.   Bij decreto legislativo nr. 685/94 van 16 november 1994(9) is de wet van 27 maart 1987 ingetrokken. Artikel 171 ter, sub c, hiervan luidt:

„Wordt bestraft met hechtenis van minimaal drie maanden en maximaal drie jaar en met een geldboete van minimaal 500 000 LIT en maximaal 6 miljoen LIT:

[...] de verkoop of verhuur van videocassettes, muziekcassettes of andere dragers met geluid‑ of beeldregistraties van cinematografische of audiovisuele werken of van fragmenten van bewegende beelden, waarop niet het teken van de Italiaanse organisatie van auteurs en uitgevers (SIAE) is aangebracht volgens de onderhavige wet en de uitvoeringsregeling [...]”

III – Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

14.   Op 9 en 10 februari 2000 zijn in de lokalen van de vennootschap K.J.W.S. Srl, waarvan de in Italië woonachtige Schwibbert de wettelijk vertegenwoordiger is, cd’s in beslag genomen, omdat hierop het onderscheidingsteken van de SIAE ontbrak. Deze cd’s bevatten reproducties van werken van de schilder Giorgio De Chirico en de schilder Mario Schifano. De advocaat van Schwibbert heeft ter zitting voor het Hof gepreciseerd dat op bepaalde cd’s een muzikale begeleiding stond. Bovendien vermeldt een als bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van Schwibbert gevoegd document, dat de cd’s met afbeeldingen van werken van eerstgenoemde schilder ook een film bevatten. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte inlichtingen en de door de advocaat van Schwibbert ter terechtzitting voor het Hof verstrekte informatie blijkt bovendien dat de cd’s in Duitsland waren gekopieerd en bestemd waren om aan twee Italiaanse vennootschappen te worden verkocht voor opname in hun catalogus.

15.   Op 23 mei 2001 heeft de Procura della Repubblica presso il Tribunale di Forlì een gerechtelijk vooronderzoek tegen Schwibbert gelast en hem voor het Tribunale di Forlì gedagvaard.

16.   Op 14 december 2004 heeft het Tribunale di Forlì in het proces-verbaal van zijn terechtzitting erop gewezen dat Schwibbert niet wordt verweten dat hij de kunstwerken onrechtmatig heeft gekopieerd, aangezien hij in het bezit was van de vereiste toestemmingen, maar enkel dat de cd’s niet van het onderscheidingsteken SIAE waren voorzien.

17.   Het Tribunale di Forlì heeft eveneens gevolg gegeven aan het door de advocaat van Schwibbert ingediende verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. De verwijzingsbeschikking heeft echter enkel in bijlage de argumenten van de advocaat van Schwibbert opgenomen en geen precieze vragen geformuleerd. Deze beschikking is op 21 januari 2005 ingeschreven ter griffie van het Hof.

18.   Op 17 juli 2006 heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter om verduidelijking gevraagd zowel van het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding als van de uit te leggen gemeenschapsrechtelijke bepalingen, en van de redenen waarom de rechter het nodig acht om uitlegging daarvan te verzoeken. Het Hof heeft de antwoorden van de rechter op 8 november 2006 ontvangen.

19.   Uit de antwoorden van het Tribunale di Forlì vloeit voort dat de vragen die deze rechter aan het Hof stelt als volgt kunnen worden geformuleerd:

„Zijn de nationale voorschriften op het gebied van het onderscheidende teken ‚SIAE’ verenigbaar met de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG, de artikelen 1, 8, 10 en 11 van richtlijn 98/34/EG en de richtlijnen 92/100 en 2001/29?”

20.   Het Hof heeft besloten de Italiaanse regering en de Commissie vragen te stellen en hen te verzoeken hierop vóór de mondelinge behandeling schriftelijk te antwoorden. Het heeft hen met name verzocht, hun opmerkingen in het licht van de door de verwijzende rechter verschafte verduidelijkingen te preciseren. De Italiaanse regering en de Commissie hebben schriftelijk op deze verzoeken geantwoord.

IV – Bij het Hof ingediende opmerkingen

21.   De verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen is volgens Schwibbert een technisch voorschrift dat de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 8, lid 1, van richtlijn 83/189 aan de Commissie had moeten meedelen.

22.   De verplichting tot het aanbrengen van dit onderscheidingsteken zou bovendien het karakter van een maatregel van gelijke werking vertonen, omdat het een belemmering is voor marktdeelnemers uit andere landen om hun activiteiten op de Italiaanse markt te gaan ontplooien.

23.   Bovendien zou het aanbrengen van deze afkorting de auteur en de andere houders van rechten van intellectuele eigendom geen enkele bescherming bieden. De Italiaanse wetgeving voorziet immers in strafsancties bij het niet-aanbrengen, los van het feit of de reproductie onrechtmatig was.

24.   Overigens zou de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen, in strijd zijn met de artikelen 23 EG en 25 EG, te weten het in het Verdrag voorziene verbod van douanerechten of heffingen van gelijke werking, omdat deze afkorting kosten met zich brengt en moet worden aangebracht op alle werken zodra deze uit een andere lidstaat op Italiaans grondgebied aankomen.

25.   Die verplichting zou ten slotte in strijd zijn met richtlijn 92/100, waarvan de eerste drie overwegingen van de considerans de verschillen tussen de onderscheiden nationale rechtsorden vaststellen en wijzen op het daaruit voortvloeiende gevaar dat de mededinging tussen de lidstaten wordt vervalst.

26.   De SIAE, die geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend, heeft tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat de verplichting om de afkorting aan te brengen, niet aan de Commissie had moeten worden meegedeeld, omdat die verplichting reeds was voorzien in een wet uit 1941, die destijds betrekking had op werken op een papieren drager. Vanaf 1971 zouden er tussen alle producenten van grammofoonplaten overeenkomsten zijn gesloten om de afkorting SIAE op deze dragers aan te brengen.

27.   De SIAE heeft ook uiteengezet dat de Italiaanse wet ten tijde van de feiten niet voorzag in de verplichting om dit onderscheidingsteken op werken van beeldende kunst aan te brengen; deze verplichting zou pas bestaan sinds de inwerkingtreding van wet nr. 248/2000. In het onderhavige geval hadden de cd’s die muziek bevatten, van de afkorting van de SIAE moeten zijn voorzien.

28.   Wat de artikelen 3 EG, 22 EG en 27 EG betreft, brengt de SIAE het argument naar voren, dat het in deze artikelen vervatte verbod van heffingen bij invoer enkel geldt voor het ingevoerde product met uitsluiting van het product uit eigen land. De Italiaanse wettelijke regeling die de verplichting tot het aanbrengen van het onderscheidingsteken oplegt, is echter van toepassing op alle producten, zowel de ingevoerde als die uit eigen land. Die artikelen betreffen dus niet deze verplichting, waarvan het doel overigens is – zoals ook de Italiaanse regering uiteenzet – dat zowel de politie als de consumenten originele werken onmiddellijk kunnen onderscheiden van nagemaakte.

29.   De SIAE voegt hieraan toe dat richtlijn 92/100 in Italië is omgezet bij decreto legislativo nr. 685/94. Als uitvoeringsmaatregel van de richtlijn zou dit decreet, dat, aldus de SIAE, „intrinsiek de regels inzake het onderscheidingsteken bevatte”, aan de Commissie zijn meegedeeld.

30.   De SIAE stelt ten slotte dat, indien het Hof de prejudiciële vraag wil herformuleren wat de artikelen 28 EG en 30 EG betreft, de verplichting om het onderscheidingsteken aan te brengen moet worden geacht evenredig te zijn met de doelstellingen, met name de bestrijding van het namaken en de voorlichting aan de consumenten, die zich bij de aankoop van illegale kopieën blootstellen aan strafvervolging.

31.   De Italiaanse regering acht de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk, omdat de verwijzende rechter slechts gevolg heeft gegeven aan het verzoek zoals dat door de advocaat van verdachte is ingediend. De verwijzende rechter had echter een minimum aan uitleg moeten geven over de redenen waarom de gemeenschapsrechtelijke bepalingen waarover hij een vraag stelt, door het Hof dienen te worden uitgelegd.

32.   De Italiaanse regering zet uiteen dat de SIAE een overheidsonderneming is die een wettelijk monopolie geniet en die met name tot taak heeft om, zoals de wet bepaalt, de inkomsten te innen die door het aanbrengen van de afkorting SIAE worden gegenereerd. De SIAE verleent door middel van deze afkorting haar leden een dienst, namelijk de garantie dat de reproducties legaal zijn. Deze dienst maakt deel uit van de bestrijding van namaak en heeft geen enkele invloed op het vrije verkeer van goederen. De Italiaanse regering is, evenals de SIAE, van mening dat artikel 30 EG hoe dan ook niet in de weg staat aan de geldigheid van de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen. Deze maatregel, die geen enkele discriminerende werking heeft, zou ook richtlijn 92/100 in acht nemen.

33.   De Italiaanse regering stelt, evenals de SIAE, dat de bij wet nr. 121/87 voorziene verplichting om de afkorting aan te brengen, niet aan de Commissie behoefde te worden meegedeeld, omdat deze verplichting sinds 1941 bestaat en de invoering van een strafsanctie slechts een aanpassing is die nodig is geworden sinds nieuwe technologische dragers op de markt zijn verschenen.

34.   Ten slotte wijst de Italiaanse regering erop dat producten van de menselijke geest niet kunnen worden gelijkgesteld met ongeacht welke binnen de Gemeenschap verhandelbare zaak, omdat zij geen koopwaar zijn. Het onderscheidingsteken SIAE zou niet gelijkgesteld kunnen worden met een merkteken volgens de technische voorschriften in de zin van richtlijn 83/189, omdat dat onderscheidingsteken of vignet enkel wijst op de kenmerken van het gekopieerde geestesproduct, dus het corpus mysticum, en niet op die van het corpus mechanicum, ofwel de drager. Het zou dus niet mogelijk zijn te verwijzen naar het arrest Bic Benelux(10), zoals de Commissie doet. In dit arrest ging het over een teken dat tot doel had het publiek te informeren over de gevolgen van het product Bic voor het milieu; het teken beschreef dus de kenmerken van dit product. Het teken SIAE zou echter geen enkele beschrijving van de kenmerken van het product bevatten. Het zou enkel gaan om een aanwijzing ten behoeve van de politie en de consumenten, dat dit teken overeenkomstig de wet was aangebracht. Bijgevolg zou de maatregel geheel en al bijkomstig zijn in verhouding tot het nagestreefde doel, dat erin zou bestaan, duidelijk te maken dat de regels zijn nageleefd.

35.   De Commissie is, gezien zowel de antwoorden op de door het Hof gestelde schriftelijke vragen als de opmerkingen die de verschillende partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gemaakt, van mening dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.

36.   De Commissie legt de nadruk op het feit dat enkel artikel 2 van wet nr. 121/87 de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen tot muziekcassettes en cd’s heeft uitgebreid. Deze regel zou een technisch voorschrift zijn dat aan de Commissie had moeten worden meegedeeld. De Commissie citeert artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189(11) die in 1987 van kracht was, volgens hetwelk onder technisch voorschrift moet worden verstaan „technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure en de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik [...]”. Deze afkorting moest worden aangebracht om videocassettes en cd’s in 1987 in Italië te verhandelen. Het zou dus om een technisch voorschrift gaan waarvan de inachtneming voor de verhandeling in Italië verplicht was.

37.   De Commissie voegt hieraan toe dat decreto legislativo nr. 685/94, waarbij wet nr. 121/87 werd ingetrokken, op het tijdstip van de feiten de enige toepasselijke tekst was. Artikel 171 ter, sub c, ervan, dat eveneens in een verplichting voorzag om, op straffe van strafrechtelijke sancties, de afkorting teken SIAE aan te brengen, had ook aan de Commissie moeten worden meegedeeld. Deze afkorting die ofwel rechtstreeks op de cd ofwel op de buitenverpakking mag worden aangebracht, kan met het aanbrengen van een merkteken worden gelijkgesteld. De onderhavige zaak zou dus vergelijkbaar zijn met de reeds aangehaalde zaak Bic Benelux, waar het om fiscale aspecten ging. In dit verband verwijst de Commissie ook naar het arrest CIA Security International(12), waarin het Hof de niet-naleving van de mededelingsverplichting die met name in artikel 8 van richtlijn 89/189 is voorzien, in dier voege heeft uitgelegd dat de betrokken technische normen niet toepasselijk zijn en niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen.

38.   De SIAE heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat de Commissie kennis had van de verplichting om de afkorting aan te brengen, doordat decreto legislativo nr. 685/94 haar als maatregel tot omzetting van richtlijn 92/100 in de nationale wetgeving was meegedeeld. De Commissie werpt tegen dat deze verplichting geen maatregel tot omzetting van richtlijn 92/100 is, omdat zij niet nodig is voor de omzetting van de richtlijn. Bijgevolg zou de mededeling, als handeling om richtlijn 92/100 om te zetten, niet kunnen worden opgevat als een van de in artikel 10 van richtlijn 83/189 bedoelde gevallen waarin de lidstaten de handelingen tot omzetting van gemeenschapsrichtlijnen niet hoeven mee te delen.

39.   De Commissie voegt aan de bovenstaande opmerkingen, die zij voldoende acht, evenwel toe dat de verplichting de afkorting SIAE aan te brengen niet in strijd is met de artikelen 23 EG en 25 EG, omdat zij geen verband houdt met een grensoverschrijding, maar een verplichting is die aan de verhandeling voorafgaat, en evenmin met richtlijn 92/100, die zich ertoe beperkt het toepassingsgebied van bepaalde rechten te omschrijven, maar de lidstaten vrij laat in de keuze van de mechanismen om de inachtneming van deze rechten te verzekeren; de verplichting om de afkorting aan te brengen kan als een mechanisme worden beschouwd.

V –    Beoordeling

A –    De ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

40.   Ik acht, de argumentatie van de Italiaanse regering ten spijt, de prejudiciële vraag ontvankelijk. Zeker, het is niet wenselijk dat de verwijzende rechter ermee volstaat het verzoek om een prejudiciële vraag, zoals door de advocaat van een der partijen geformuleerd, als een bijlage op te nemen en het Hof dus dwingt overeenkomstig artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter om nadere verduidelijking te vragen zowel van het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding als van de uit te leggen gemeenschapsrechtelijke bepalingen, en ook van de redenen waarom de rechter het nodig acht om uitlegging daarvan te verzoeken. Uit geen enkele tekst, en met name niet uit de Wenken voor de indiening van prejudiciële verzoeken door de nationale rechters(13), vloeit echter voort dat de nationale rechter, op straffe van niet-ontvankelijkheid, formeel zelf de vraag of de vragen moet redigeren en alle nuttige informatie over de betrokken zaak moet verschaffen.(14) De verwijzende rechter beschouwt trouwens, volgens zijn eigen woorden, het door de advocaat van Schwibbert verstrekte document als „overgenomen in zijn vonnis”.

B –    De eigenaardigheid van de Italiaanse wet

41.   In de overgrote meerderheid van de lidstaten is het aanbrengen op dragers van de afkorting van de organisatie die met het beheer van de auteursrechten is belast, niet wettelijk verplicht.(15) Indien echter deze organisaties, als voorwaarde om een reproductie te mogen maken, vereisen of aanbevelen dat bepaalde aanduidingen op de dragers worden vermeld(16), dienen deze aanduidingen enkel op de reproducties te worden aangebracht; het is echter geenszins vereist dat de reproducties worden voorzien van stickers die door de betrokken organisaties worden verkocht. Overigens berust het eventuele vereiste, dat de organisaties hun afkorting op de reproducties geplaatst wensen te zien, niet op een wettelijke verplichting, maar eenvoudigweg op de overeenkomst tussen die organisaties en degene die toestemming voor de reproductie kan geven. Aldus kan het niet-aanbrengen van de afkorting slechts sancties van contractuele aard, zoals de betaling van extra bijdragen meebrengen.

42.   Het Italiaanse rechtssysteem, dat voorziet in strafvervolging indien geen afkorting van de organisatie die de auteursrechten int, is aangebracht, lijkt dus nogal origineel in vergelijking met de systemen van de andere lidstaten van de EU.

C –    De verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen: een technisch voorschrift waarvoor de mededelingsverplichting geldt

43.   Artikel 8 van richtlijn 98/34 verplicht de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee te delen. De SIAE en de Italiaanse regering stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen niet behoefde mee te delen, omdat het niet om een technisch voorschrift gaat. Het begrip technisch voorschrift dient dus te worden onderzocht(17) en beoordeeld om te bepalen of de verplichting om een dergelijke afkorting aan te brengen, onder dit begrip kan vallen.

44.   Zo zijn bijvoorbeeld nationale voorschriften die enkel voorwaarden voor de vestiging van ondernemingen bepalen, zoals voorschriften die de uitoefening van een beroepsactiviteit aan een voorafgaande goedkeuring onderwerpen, volgens het Hof geen technisch voorschrift.(18) Een nationale regeling inzake winkelsluitingstijden waarin niet de vereiste kenmerken van een product worden geregeld, is evenmin een technisch voorschrift.(19)

45.   Gedetailleerde regels ter omschrijving van de voorwaarden voor de tests betreffende de kwaliteit en de werking, waaraan moet zijn voldaan voordat het product kan worden goedgekeurd en in de handel gebracht, zijn daarentegen wel technische voorschriften.(20) Eveneens zijn technische voorschriften bepalingen die ondernemingen verplichten vooraf een goedkeuring voor hun apparatuur aan te vragen.(21) Het Hof heeft eveneens vastgesteld dat het begrip technische specificatie ook de productiemethoden en ‑procedés voor geneesmiddelen omvat.(22) Het Hof heeft verder nog gepreciseerd dat de voorschriften die beogen de toediening van stoffen met sympathico-mimetische werking aan bepaalde mestrunderen te voorkomen, technische specificaties zijn, wanneer deze voorschriften zijn vastgesteld door een nationaal bestuursorgaan, gelden voor het gehele nationale grondgebied en verbindend zijn voor degenen tot wie zij zijn gericht.(23) In het arrest Bic Benelux heeft het Hof er ook op gewezen, dat het merken van producten dat ertoe strekt het publiek te informeren over de gevolgen van de producten voor het milieu zich, ondanks het feit dat dit merken gepaard gaat met een milieuheffing, niet onderscheidt van andere tekens waardoor de consument attent wordt gemaakt op de schadelijke gevolgen van de betrokken producten voor het milieu. Bijgevolg kan de verplichting om de producten te merken niet worden beschouwd als uitsluitend een fiscale begeleidende maatregel en dient zij dus te worden meegedeeld.(24) Ook van de verplichting om de oorsprong van een product op het etiket te vermelden, moet kennis worden gegeven.(25) Zelfs nationale bepalingen die het organiseren van kansspelen door middel van de exploitatie van automatische speelautomaten verbieden(26), eisen met betrekking tot de maximumlengte en ‑hoogte alsmede de beperking van het motorvermogen van motorpleziervaartuigen(27) of nationale bepalingen die het gebruik verbieden van alle elektrische, elektromechanische en elektronische spelen in alle openbare of privégelegenheden, alsmede het gebruik van spelen op computers in ondernemingen waar internetdiensten worden verleend, en de exploitatie van deze ondernemingen afhankelijk stellen van de afgifte van een speciale vergunning, dienen als technische voorschriften te worden aangemerkt.(28)

46.   In casu is, zoals de Commissie stelt, de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen vergelijkbaar met de verplichting om een product te merken in de reeds aangehaalde zaak Bic Benelux, welke verplichting tot doel had het publiek te informeren over de gevolgen van de producten voor het milieu. In de onderhavige zaak immers beoogt de afkorting, zoals de SIAE en de Italiaanse regering in hun opmerkingen hebben aangegeven, de consumenten en de politie te informeren dat de reproducties legaal zijn. Zo zou de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen, in de terminologie van het Hof in punt 23 van het arrest Bic Benelux, moeten worden beschouwd „volgens de definitie van dit begrip in [punt 11, van richtlijn 98/48, als] een technisch voorschrift de jure [...], aangezien zij ‚moet worden nageleefd voor het verhandelen’ van het betrokken product, en dat het volgens de definitie van dit begrip in [punt 2 van artikel 5 van richtlijn 98/34] om een technische specificatie gaat, nu bedoeld voorschrift een ‚omschrijving [is] van de vereiste kenmerken van een product, zoals [...] de voorschriften inzake [...] het merken of etiketteren, zoals die op het product van toepassing zijn’”.

47.   Het argument van de Italiaanse regering dat producten van de menselijke geest niet kunnen worden gelijkgesteld met ongeacht welke verhandelbare zaak, omdat zij geen koopwaar zijn, moet dus worden verworpen. Richtlijn 98/34 heeft eerder betrekking op het begrip „product”, dan op het begrip „koopwaar”.(29) Volgens artikel 1, punt 1, van richtlijn 98/34 vallen onder de richtlijn „alle producten die industrieel worden vervaardigd”. Ontegenzeglijk zijn cd’s producten die industrieel worden vervaardigd. Bovendien sluit deze richtlijn geen enkel gebied van haar toepassingsgebied uit, en met name niet de producten van de menselijke geest.(30) Richtlijn 98/48 (31), vastgesteld een maand na richtlijn 98/34, strekt dit toepassingsgebied trouwens uit tot elke „dienst van de informatiemaatschappij”, dat wil zeggen „elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand [...] verricht wordt”. Aangezien dergelijke diensten wel degelijk „producten van de menselijke geest” zijn, kan niet worden gesteld dat producten van de menselijke geest niet tot gebieden behoren waar voorschriften als technische voorschriften kunnen worden aangemerkt.

48.   Eveneens dient het argument van de Italiaanse regering te worden verworpen dat het onderscheidingsteken SIAE niet kan worden gelijkgesteld met een merkteken volgens de technische voorschriften, omdat dit onderscheidingsteken in wezen zou wijzen op de kenmerken van het gekopieerde geestesproduct, dus het „corpus mysticum”, en niet op die van het „corpus mechanicum”, ofwel de drager. Dit onderscheid is inderdaad denkbeeldig. Het onderscheidingsteken is – zoals gezegd – bedoeld om de politie en de consumenten te informeren dat de cd’s met inachtneming van de auteursrechten zijn gekopieerd. Dit teken heeft dus wel degelijk betrekking op de drager.

49.   Derhalve had de Italiaanse Republiek ingevolge artikel 8 van richtlijn 98/34, bepalende dat „de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee[delen]”, de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen, zoals die voortvloeit uit de nationale bepalingen die op het tijdstip van de feiten golden, namelijk decreto legislativo nr. 685/94 van 16 november 1994, moeten meedelen.

50.   De SIAE betoogt dat, indien de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen als een technisch voorschrift moet worden beschouwd, de mededeling ervan indirect is geschied omdat dit decreto legislativo aan de Commissie is meegedeeld als uitvoeringsmaatregel van richtlijn 92/100. Mijn reactie hierop is, dat ingevolge artikel 8 van richtlijn 98/34 de lidstaten „de Commissie tevens kennis[geven] van de redenen waarom de vaststelling van dit voorschrift nodig is”. Bovendien heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad het doel van deze bepaling te preciseren, namelijk „de Commissie zo volledig mogelijk te informeren over de inhoud, de draagwijdte en de algemene context van elk ontwerp van technisch voorschrift, zodat zij zo doeltreffend mogelijk de haar door [...] richtlijn [83/189] verleende bevoegdheden kan uitoefenen”.(32) Vastgesteld moet worden dat geen enkele informatie in deze zin is verstrekt. Die bepaling verlangt ook dat „de lidstaten tegelijkertijd de tekst mee[delen] [...] van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de reikwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te kunnen beoordelen”. Gelet op de eigenaardigheid van de desbetreffende Italiaanse wet in vergelijking met de regelingen van de andere lidstaten en gezien het algemene doel van de richtlijn(33), zou een dergelijke mededeling niet overbodig zijn geweest.

D –    De verplichting om de uitbreiding van het toepassingsgebied van een technisch voorschrift mee te delen

51.   De SIAE stelt, evenals de Italiaanse regering, dat de verplichting om de door wet nr. 121/87 bedoelde afkorting SIAE aan te brengen niet aan de Commissie behoefde te worden meegedeeld, omdat deze verplichting reeds was voorzien in de wet van 1941 voor werken op een papieren drager. Wet nr. 121/87, die deze verplichting tot andere sectoren heeft uitgebreid en in strafsancties voorzag, en decreto legislativo nr. 685/94, waarbij wet nr. 121/87 is ingetrokken, zouden slechts aanpassingen aan de technische vooruitgang zijn. Bijgevolg zou de uitbreiding van de sectoren waarvoor de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen geldt, niet behoeven te worden meegedeeld.

52.   Artikel 8 van richtlijn 98/34 bepaalt echter ook dat „de lidstaten [...] tot een nieuwe mededeling over[gaan], indien zij in het ontwerp voor een technisch voorschrift significante wijzigingen aanbrengen die een verandering van het toepassingsgebied [...] tot gevolg hebben”. Het Hof heeft ook reeds geoordeeld dat de uitbreiding van het toepassingsgebied van een technisch voorschrift tot andere producten een nieuw technisch voorschrift vormt.(34)

E –    De verplichting voor de nationale rechter om een niet meegedeeld technisch voorschrift buiten toepassing te laten

53.   Uit de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat, nu de Italiaanse Republiek de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen niet aan de Commissie heeft meegedeeld, de Italiaanse autoriteiten Schwibbert niet kunnen verwijten dat hij dat teken niet heeft aangebracht.

54.   In het reeds aangehaalde arrest CIA Security International(35) heeft het Hof namelijk geoordeeld dat de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 aldus moesten worden uitgelegd dat zij door particulieren voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen. Deze dient dan een nationaal technisch voorschrift dat niet overeenkomstig de richtlijn is meegedeeld, buiten toepassing te laten. Het Hof legt uit dat enerzijds deze bepalingen, die een nauwkeurige verplichting voor de lidstaten met zich brengen om de ontwerpen vóór de vaststelling ervan mee te delen, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Anderzijds is een uitlegging van de richtlijn in die zin dat het verzuim van de kennisgevingsplicht een schending van een wezenlijk vormvoorschrift is, die de niet-toepasselijkheid van de betrokken technische voorschriften op particulieren tot gevolg heeft, een waarborg voor de doeltreffendheid van de preventieve communautaire controle die in de richtlijn is voorzien om verzekerd te zijn van het vrije verkeer van goederen dat deze richtlijn zich als doel stelt.(36) Evenzo heeft het Hof in het arrest Sapod Audic geoordeeld dat een particulier zich kan beroepen op het ontbreken van aanmelding van een nationale bepaling die aldus moet worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt. De nationale rechter dient dan te weigeren deze bepaling toe te passen.(37)

55.   Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort dat de in decreto legislativo nr. 685/94(38) bedoelde verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen, als een technisch voorschrift moet worden beschouwd. Dit technisch voorschrift is niet aan de Commissie meegedeeld, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 8 van richtlijn 98/34. Bijgevolg kunnen de Italiaanse autoriteiten Schwibbert niet verwijten dat hij niet tot aanbrenging is overgegaan. Het is derhalve niet nodig op de andere in de prejudiciële vraag opgeworpen punten in te gaan, omdat de antwoorden hierop van geen nut zijn voor de oplossing van het hoofdgeding.(39)

VI – Conclusie

56.   Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging als volgt te antwoorden op de door het Tribunale di Forlì gestelde vragen:

„Nationale bepalingen die het aanbrengen van het onderscheidingsteken van de nationale organisatie belast met de inning van auteursrechten opleggen, vormen een technisch voorschrift dat ingevolge artikel 8 van richtlijn 98/34 van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen moet worden meegedeeld. Van iedere uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verplichting dient kennis te worden gegeven. Het staat aan de nationale rechter een bepaling die niet aan deze verplichting voldoet, buiten toepassing te laten.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – PB L 109, blz. 8.


3 – PB L 204, blz. 37.


4 – PB L 217, blz. 18.


5 – PB L 346, blz. 61.


6 – PB L 167, blz. 10.


7 – GURI (Italiaans staatsblad) nr. 166 van 16 juli 1941.


8 – GURI nr. 73 van 28 maart 1987.


9 – GURI nr. 293 van 16 december 1994.


10 – Arrest van 20 maart 1997 (C‑13/96, Jurispr. blz. I‑1753).


11 – De formulering op het tijdstip van de feiten, die nog steeds van kracht is, is die van punt 11 van richtlijn 98/48 (zie boven: „Toepasselijke bepalingen”).


12 – Arrest van 30 april 1996 (C‑194/94, Jurispr. blz. I‑2201).


13 – PB 2005, C 143, blz. 1.


14 – Zo heeft het Hof in het arrest van 3 mei 2005, Berlusconi e.a. (C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, Jurispr. blz. I‑03565, punt 37), gelet op de motivering van de verwijzingsbeschikking, zelf de vragen geformuleerd.


15 – Het Portugese en het Roemeense recht voorzien in de verplichting een vignet op reproducties aan te brengen, ongeacht of deze zijn ingevoerd of op het nationale grondgebied vervaardigd. Het aanbrengen van dit vignet wordt beschouwd als een maatregel die vermogensrechten tegen namaak beschermt.


In Portugees recht (wetsdecreet nr. 39/88 van 6 februari 1988, Diário da República I, serie A, nr. 31, van 6 februari 1988, blz. 418, gewijzigd bij wetsdecreet nr. 121/2004 van 21 mei 2004, Diário da República I, serie A, nr. 119 van 21 mei 2004, blz. 3326) moet de rechthebbende op de gebruiksrechten bij de Algemene inspectie voor culturele activiteiten (IGAC) voor elke kopie een vignet aanvragen. Op het vignet, waarvan het model bij beschikking is goedgekeurd, staan met name de afkorting IGAC, de titel, de classificatie en het registratienummer. Deze organisatie heft 0,18 EUR per vignet (vermeerderd met een jaarlijkse belasting van 37,41 EUR die aan de Commissie voor de classificatie van voorstellingen moet worden afgedragen). Het verhandelen of vertonen van reproducties zonder het verplichte IGAC-vignet wordt gestraft met een geldboete van 500 tot 3470 EUR, indien dit feit door een natuurlijke persoon, en met 1000 tot 3000 EUR indien het door een rechtspersoon is begaan.


Het Roemeense recht [wet nr. 8 van 14 maart 1996 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, Monitorul Oficial, eerste deel, nr. 60 van 26 maart 1996; wet nr. 843 van 19 september 2005, en regeringsverordening nr. 25 van 26 januari 2006 betreffende de versterking van de bestuurlijke mogelijkheden van het Roemeens bureau voor de auteursrechten (ORDA), Monitorul Oficial eerste deel, nr. 84 van 30 januari 2006] voorziet in de verplichting een holografisch merk op de reproducties aan te brengen. Dit merk, waarvan het model door het ORDA is goedgekeurd, bestaat uit een zilverkleurige plakzegel met een driedimensionale afbeelding, een alfanumerieke code en de vermelding „MOSTRA ORDA”. Genoemd bureau verstrekt de holografische merken op verzoek en na overlegging van een verklaring van inschrijving van de reproductie in het Nationaal register van de audiovisuele dragers. De belanghebbende dient een bijdrage te betalen die evenredig is aan de verkoopprijs alsmede een bijdrage om de administratiekosten te dekken. Het in de handel brengen van reproducties of het houden ervan met het oogmerk deze in de handel te brengen, zonder dat daarop een merk is aangebracht, vormt een overtreding die met een geldboete wordt bestraft.


In Grieks en Cypriotisch recht zijn gelijkaardige maatregelen overwogen, maar nooit vastgesteld.


16 – De aanduidingen die moeten worden vermeld zijn de volgende: Oostenrijk: © VBK (Verwertungsgesellschaft bildender Künstler)/naam van de auteur/titel van het werk; Duitsland: © VG (Verwertungsgesellschaft BILD-KUNST) Bild-Kunst, Bonn, jaar van de toestemming; Finland: naam van de auteur/© Kuvasto/jaar van de toestemming; Zweden: © naam van de auteur/BUS (Bildkonst Upphovsrätt i Sverige)/jaar van de toestemming; Denemarken: © naam van de auteur/COPY-DAN Billedkunst/nummer van de licentie; Frankrijk: © naam van de auteur/publicatiedatum van het werk; Hongarije: naam van de auteur/titel van het werk/HUNGART ©; Verenigd Koninkrijk: © naam van de auteur/titel van het werk/DACS (Design and Artists Copyright Society Limited)/datum van de toestemming; Nederland: © naam van de auteur/oorspronkelijke titel van het werk (eventueel vertaling bijgevoegd)/jaar van de vervaardiging/c/o Beeldrecht Amsterdam/jaar van de toestemming; Luxemburg: logo SDRM (Société des droits de reproduction mécaniques) – SACEM (Société des auteurs, compositeurs et éditeurs musicaux); Spanje: logo van SGAE (Sociedad General de Autores y Editores). Ierland kent eveneens dergelijke vereisten of aanbevelingen.


17 – Richtlijn 98/48 die richtlijn 98/34 heeft gewijzigd, definieert het begrip technisch voorschrift als volgt: „een technische specificatie [...], met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling [...]”. Het begrip technische specificatie blijft door richtlijn 98/34 gedefinieerd: „een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures [...]”. Uit het woord „zoals” moet worden afgeleid dat de lijst met technische specificaties volstrekt niet uitputtend is. Zie J. Fronia, „Transparenz und Vermeidung von Handelshemmnissen bei Produktspezifikationen im Binnenmarkt”, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, nr. 4, 1996, blz. 102. Wat het begrip technisch voorschrift betreft, zie ook S. Lecrenier, „Les articles 30 et suivants CEE et les procédures de contrôle prévues par la directives 83/189/CEE”, Revue du Marché commun, nr. 283, januari 1985, blz. 10; A. Bernhard en V. Madner, „Das Notifikationsverfahren nach der Informationsrichtlinie, eine Auseinandersetzung im Lichte des ‚CIA-Urteils’ des EuGH”, Journal für Rechtspolitik nr. 6, blz. 87, en D. M. Weber, „The notification of Directive 83/189/EEC in the field of direct and indirect taxation”, EC Tax Review, 1998, blz. 276.


18 – Arrest van 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 45), betreffende de Spaanse wetgeving die de exploitanten van diensten inzake voorwaardelijke toegang voor de televisie verplicht om zich in te schrijven in een hiervoor gecreëerd register, met opgave van de kenmerken van de door hen gebruikte technische middelen, en vervolgens een administratieve goedkeuring te verkrijgen.


19 – Arrest van 20 juni 1996, Semeraro Casa (C‑418/93–C‑421/93, C‑460/93–C‑462/93, C‑464/93, C‑9/94–C‑11/94, C‑14/94, C‑15/94, C‑23/94, C‑24/94 en C‑332/94, Jurispr. blz. I‑2975, punt 38).


20 – Arrest CIA Security International, reeds aangehaald, punt 26.


21 – Idem, punt 30, en arrest Canal Satélite Digital, reeds aangehaald, punt 46.


22 – Arrest van 17 september 1996, Commissie/Italië, „Weekdieren” (C‑289/94, Jurispr. blz. I‑4405, punt 51).


23 – Arrest van 11 mei 1999, Albers e.a. (C‑425/97–C‑427/97, Jurispr. blz. I‑2947, punten 16‑18).


24 – Reeds aangehaald arrest, punt 24 (zie L. Levis, „Bic Benelux SA v. Belgium State – Case C‑13/96”, Review of European Community & International Environmental Law, 1977, blz. 334 en 335, en A. Rainer, Internationales Steuerrecht, 1997, blz. 287).


25 – Arrest van 26 september 2000, Unilever (C‑443/98, Jurispr. blz. I‑7535, punt 26), inzake een wet die in Italië de etikettering ten aanzien van de oorsprong van olijfolie regelt.


26 – Arrest van 21 april 2005, Lindberg (C‑267/03, Jurispr. blz. I‑3247, punt 80); zie I. Segura Roda, „La sentencia ‚Lindberg’: el TJCE confirma y precisa su jurisprudencia relativa al procedimiento de información en materia de reglamentaciones técnicas, Directivas 83/189/CEE y 98/34/CE”, Unión Europea Aranzadi, 2005, nr. 11, blz. 23.


27 – Arrest van 8 september 2005, Commissie/Portugal (C‑500/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 30 en 31).


28 – Arrest van 26 oktober 2006, Commissie/Griekenland (C‑65/05, Jurispr. blz. I‑10341, punt 61).


29 – De richtlijn heeft betrekking op „de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen [...] van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product wordt verboden” (punt 9 van richtlijn 98/34, vervangen door punt 11 van richtlijn 98/48).


30 – Onder de richtlijn vallen daarentegen zelfs de landbouwproducten, de menselijke voeding, de diervoeding en de geneesmiddelen (artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34).


31 – Deze richtlijn vermeldt uitdrukkelijk in artikel 1, punt 2, dat de richtlijn niet voor bepaalde sectoren geldt. Het gaat met name om radio‑ en televisieomroepdiensten.


32 – Arresten van 16 september 1997, Commissie/Italië, „Asbest” (C‑279/94, Jurispr. blz. I‑4743, punt 40), betreffende de normen inzake het beëindigen van het gebruik van asbest in Italië, en 7 mei 1998, Commissie/België (C‑145/97, Jurispr. blz. I‑2643, punt 12), met betrekking tot de kwaliteits‑ en veiligheidsnormen voor de verhuur van gemeubileerde woningen in België.


33– Het Hof heeft in het reeds aangehaalde arrest CIA Security International, punt 50, geoordeeld dat „de richtlijn er evenwel niet enkel toe [strekt] de Commissie op de hoogte te stellen, maar [...] juist een meer algemeen doel [heeft], namelijk handelsbelemmeringen uit de weg ruimen of beperken, de andere lidstaten op de hoogte stellen van de door een lidstaat voorgenomen technische regelingen, de Commissie en de andere lidstaten de nodige tijd geven om te reageren en een wijziging voor te stellen ter beperking van de uit de voorgenomen maatregel voortvloeiende belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, en de Commissie de nodige tijd geven om een harmonisatierichtlijn voor te stellen. De bewoordingen van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 zijn overigens duidelijk, aangezien zij voor de nationale ontwerpregelingen een communautaire controleprocedure invoeren en de datum van de inwerkingtreding van de regelingen laten afhangen van de omstandigheid dat de Commissie ermee instemt of er geen bezwaar tegen heeft.”


34 – Arrest van 1 juni 1994, Commissie/Duitsland, „Steriele medische instrumenten” (C‑317/92, Jurispr. blz. I‑2039, punt 25), met betrekking tot de uitbreiding van bepaalde etiketteringsverplichtingen die reeds voor geneesmiddelen werden toegepast, tot steriele medische instrumenten voor eenmalig gebruik. Het Hof heeft in het reeds aangehaalde arrest Lindberg (punten 84 en 85) geoordeeld dat de herdefiniëring in een nationale regeling, van een dienst die verband houdt met de bouw van een product, met name een dienst die erin bestaat bepaalde kansspelautomaten te exploiteren, een technisch voorschrift kan vormen dat moet worden meegedeeld (zie A. Bernhard en V. Madner, reeds aangehaald, blz. 94).


35 – Deze zaak betrof de Belgische wetgeving inzake de verhandeling van alarmsystemen en alarmcentrales die moeten worden goedgekeurd voordat zij in de handel worden gebracht. Twee concurrenten van de onderneming CIA, die in alarmsystemen en alarmcentrales handelden, hadden deze onderneming in rechte aangesproken op grond van het feit dat een van haar producten niet in overeenstemming was met de vereisten van de Belgische wetgeving. Het Hof oordeelde dat de verplichting tot goedkeuring een technisch voorschrift vormde en had moeten worden meegedeeld.


36 – Arrest CIA Security International, reeds aangehaald, punten 40, 44, 48, 55 (zie F. Picod, Revue des affaires européennes, 1996, blz. 183; D. Simon, Europe, 1996, juni, Comm. nr. 245, blz. 11; U. Vorbach, „Das EuGH-Urteil Security International: Keine Anwendung von nationalen technischen Vorschriften, die nicht zuvor der EU-Kommission notifiziert wurden”, Österreichische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, nr. 4, 1997, blz. 110; S. Lecrenier, „Le contrôle des règles techniques des États et la sauvegarde des droits des particuliers”, Journal des tribunaux, 1997, blz. 1; J. Fronia, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, 1996, blz. 383; F. Berrod, Revue du marché unique européen, 1996, nr. 2, blz. 217; P. J. Slot, Common Market Law Review, 1996, blz. 1035, en F. Candela Castillo, „La confirmation par la Cour du principe de non-opposabilité aux tiers des règles techniques non notifiées dans le cadre de la directive 83/189/CEE”, Revue du Marché Commun, 1997, blz. 51).


37 – Arrest van 6 juni 2002 (C‑159/00, Jurispr. blz. I‑5031), inzake de Franse wetgeving die bepaalt dat bedrijven voor de verwijdering van verpakkingsafval een beroep moeten doen op een erkende onderneming of zelf een eigen systeem voor het ophalen van afval moeten opzetten.


38 – Dit decreto legislativo heeft betrekking op elke „drager die geluid of beeld bevat van film‑ of audiovisuele werken of van bewegende beelden”. Uit de feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vermeld en door de advocaat van Schwibbert in antwoord op de vragen van het Hof zijn gepreciseerd, vloeit voort dat sommige cd’s enkel reproducties van schilderijen bevatten en geen video of muzikale begeleiding. Dergelijke cd’s zouden dus niet onder dit decreto legislativo vallen en niet worden geraakt door de verplichting om de afkorting SIAE aan te brengen.


39 – Ik vermeld alleen dat het Hof, wat het vrije verkeer van goederen betreft, heeft beklemtoond dat de richtlijn beoogt, door middel van een preventieve controle het vrije verkeer van goederen te beschermen, dat een van de grondslagen van de Gemeenschap vormt. Het nut van deze controle bestaat hierin, dat onder de richtlijn vallende technische voorschriften belemmeringen kunnen vormen voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten, welke belemmeringen enkel kunnen worden toegestaan indien zij noodzakelijk zijn om te voldoen aan dwingende eisen verband houdend met een doelstelling van algemeen belang (arrest CIA Security International, reeds aangehaald, punt 40, en arrest van 16 juni 1998, Lemmens, C‑226/97, Jurispr. blz. I‑3711, punt 35).