Zaak C‑466/04
Manuel Acereda Herrera
tegen
Servicio Cántabro de Salud
(verzoek van het Tribunal Superior de Justicia de Cantabria om een prejudiciële beslissing)
„Sociale zekerheid – Ziekenhuiskosten die in andere lidstaat zijn gemaakt – Reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten – Artikel 22 van verordening (EEG) nr. 1408/71”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 19 januari 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 juni 2006
Samenvatting van het arrest
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Ziekteverzekering – Verstrekkingen verleend in andere lidstaat – Artikelen 22, lid 1, sub c, en 36 van verordening nr. 1408/71
(Art. 49 EG; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 22, leden 1, sub c, en 2, en 36)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Ziekteverzekering – Verstrekkingen verleend in andere lidstaat
(Art. 10 EG; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 22, lid 1, sub a en c)
3. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen
(Art. 234 EG)
1. Artikel 22, leden 1, sub c, en 2, alsmede artikel 36 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de aangeslotene die van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende ziekenhuisbehandeling te ondergaan, geen recht geven op vergoeding door dat orgaan van de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die door hemzelf en de persoon die hem heeft begeleid, op het grondgebied van die lidstaat zijn gemaakt, met uitzondering van de verblijf‑ en maaltijdkosten van de aangeslotene in het ziekenhuis.
Enerzijds ziet de krachtens artikel 22, lid 1, sub c‑i, van verordening nr. 1408/71 op het bevoegde orgaan rustende verplichting, wat verstrekkingen betreft, immers uitsluitend op de kosten voor de gezondheidszorg die de aangeslotene in de verblijfstaat krijgt, te weten, wanneer het zorg betreft die in een ziekenhuisbehandeling bestaat, de kosten van de medische verstrekkingen in eigenlijke zin en de daarmee onlosmakelijk verbonden kosten van het verblijf en maaltijden in het ziekenhuis. Voorts ziet het begrip „uitkeringen” in de zin van dit artikel niet op de vergoeding van reeds gemaakte kosten, zoals bijkomende komsten als reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die de aangeslotene en de persoon die hem heeft begeleid, op het grondgebied van die lidstaat heeft gemaakt.
Anderzijds betreft artikel 36 van verordening nr. 1408/71 uitsluitend de kwestie van vergoedingen tussen organen onderling en verleent het de aangeslotenen geen rechten.
Deze uitlegging doet niet af aan de oplossing die zou voortvloeien uit de eventuele toepasselijkheid van artikel 49 EG, dat zich verzet tegen een nationale regeling die vergoeding uitsluit van de bijkomende kosten van een patiënt aan wie toestemming is verleend om in een andere lidstaat een ziekenhuisbehandeling te ondergaan, terwijl deze kosten volgens die regeling wel worden vergoed wanneer de behandeling wordt ondergaan in een ziekenhuis dat onder het nationale stelsel valt.
(cf. punten 28, 33, 36, 38‑39, dictum 1)
2. Een nationale regeling die in het geval van artikel 22, lid 1, sub a, maar niet in het geval van artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, voorziet in een recht op verstrekkingen in aanvulling op die waarin dit artikel voorziet, doet geen afbreuk aan de rechtstreekse werking van deze bepaling en is niet in strijd met het uit artikel 10 EG voortvloeiende beginsel van loyale samenwerking.
(cf. punt 45, dictum 2)
3. Het is uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.
Niettemin kan het Hof geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is. De reden voor een prejudiciële vraag is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil.
(cf. punten 47‑49)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 juni 2006 (*)
„Sociale zekerheid – In andere lidstaat gemaakte ziekenhuiskosten – Reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten – Artikel 22 van verordening (EEG) nr. 1408/71”
In zaak C‑466/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Cantabria (Spanje) bij beslissing van 1 oktober 2004, ingekomen bij het Hof op 3 november 2004, in de procedure
Manuel Acereda Herrera
tegen
Servicio Cántabro de Salud,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, N. Colneric, K. Lenaerts (rapporteur) en E. Juhász, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 november 2005,
gelet op de opmerkingen van:
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door E. Braquehais Conesa en J. M. Rodríguez Cárcamo als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Wimmer als gemachtigde,
– Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door N. Hyland, BL,
– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door C. Lycourgos als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door E. Buczkowska en T. Nowakowski als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Nwaokolo als gemachtigde, bijgestaan door S. Lee, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Vidal en D. Martin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 22 en 36 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71), alsmede de uitlegging van de artikelen 10 EG, 12 EG, 49 EG, 81 EG, 82 EG, 87 EG en 249 EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding ter zake van de weigering van de Servicio Cántabro de Salud (openbare gezondheidsdienst van de autonome gemeenschap Cantabrië; hierna: „SCS”) om de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die M. Acereda Herrera, een Spaans onderdaan, wegens een ziekenhuisbehandeling in Frankrijk heeft gemaakt en de door een hem begeleidend familielid gemaakte kosten te vergoeden.
Toepasselijke bepalingen
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 22 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Verblijf buiten het grondgebied van de bevoegde staat – Terugkeer of overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van een andere lidstaat tijdens ziekte of moederschap – Noodzaak om zich voor behandeling naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven”, luidt:
„1. De werknemer of zelfstandige die aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, en:
a) wiens toestand het nodig maakt dat onmiddellijk prestaties worden verleend gedurende het verblijf op het grondgebied van een andere lidstaat, of
[...]
c) die van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan,
heeft recht op:
i) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de [...] verblijfplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze werknemer of zelfstandige bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten; het tijdvak gedurende hetwelk de verstrekkingen worden verleend, wordt evenwel bepaald door de wettelijke regeling van de bevoegde staat;
ii) uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling [...]
2. [...]
De op grond van lid 1, sub c, vereiste toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling behoort tot de prestaties waarin de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene woont voorziet, en bedoelde behandeling hem, gelet op zijn gezondheidstoestand van dat moment en het te verwachten ziekteverloop, niet kan worden gegeven binnen de termijn die gewoonlijk nodig is voor de desbetreffende behandeling in de lidstaat waar hij woont.
[...]”
4 Artikel 23 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen een gemiddelde verdienste dan wel een gemiddelde bijdrage als grondslag wordt genomen, stelt deze gemiddelde verdienste of gemiddelde bijdrage uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke zijn genoten of de bijdragen die zijn toegepast gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
2. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een in een vast bedrag uitgedrukte verdienste houdt uitsluitend rekening met dit vaste bedrag of, eventueel, met het gemiddelde van deze vaste bedragen voor de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
3. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat het bedrag der uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt eveneens rekening met de gezinsleden van de betrokkene die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde staat woonden.”
5 Artikel 36 van verordening nr. 1408/71 luidt:
„1. De krachtens dit hoofdstuk door het orgaan van een lidstaat voor rekening van het orgaan van een andere lidstaat verleende verstrekkingen worden onderling volledig vergoed.
2. De in lid 1 bedoelde vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in de in artikel 98 bedoelde toepassingsverordening, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.
In het laatste geval dienen deze vaste bedragen zodanig te worden vastgesteld, dat de vergoeding de werkelijke uitgaven zo veel mogelijk benadert.
3. Twee of meer lidstaten of de bevoegde autoriteiten van deze staten kunnen andere wijzen van vergoeding vaststellen of afzien van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen.”
6 In het hoofdstuk dat is gewijd aan arbeidsongevallen en beroepsziekten bepaalt artikel 59 van verordening nr. 1408/71, „Kosten voor het vervoer van de getroffene”:
„1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van de getroffene naar zijn woning of naar het ziekenhuis, neemt de kosten van vervoer van de getroffene naar een overeenkomstige plaats op het grondgebied van een andere lidstaat, waarop de getroffene woont, voor zijn rekening, mits het orgaan vooraf toestemming tot dat vervoer heeft verleend, waarbij het naar behoren rekening houdt met de daarvoor geldende redenen. Ten aanzien van een grensarbeider is deze toestemming niet vereist.
2. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van het stoffelijk overschot van de getroffene naar de begraafplaats, neemt de kosten van vervoer naar de begraafplaats op het grondgebied van een andere lidstaat, waarop de getroffene op het tijdstip van het ongeval woonde, voor zijn rekening, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.”
7 Volgens de artikelen 18 en 24 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97 (hierna: „verordening nr. 574/72”), is de werknemer of zelfstandige, om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 22, lid 1, sub c‑ii, van verordening nr. 1408/71, in het algemeen verplicht tot overlegging van „een kennisgeving van onderbreking van de werkzaamheden of, indien de wettelijke regeling die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid”.
8 Blijkens besluit nr. 153 (94/604/EG) van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 7 oktober 1993 betreffende de modelformulieren ten behoeve van de toepassing van de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72 (E 001, E 103-E 127) (PB 1994, L 244, blz. 22) is het formulier E 112 de voor de toepassing van artikel 22, lid 1, sub c‑i, van verordening nr. 1408/71 vereiste verklaring.
De nationale regeling
9 Ten tijde van de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 in Spanje, dat wil zeggen op 1 januari 1986, werd de kwestie van de gezondheidszorg verleend door diensten die buiten het nationale gezondheidsstelsel vielen, geregeld door artikel 18 van Decreto nr. 2766/1967 van 16 november 1967 betreffende de regeling van de gezondheidszorg en de organisatie van de medische diensten van het algemene socialezekerheidsstelsel (BOE nr. 354 van 28 november 1967, blz. 16425).
10 Kort gezegd bepaalde dit artikel dat de aangeslotene die zich tot andere diensten wilde wenden dan hem door het bevoegde orgaan waren aangegeven, in beginsel geen recht had op vergoeding van de gemaakte kosten (lid 1). Bij wijze van uitzondering was een recht op vergoeding voorzien, hetzij wanneer het betrokken orgaan „ten onrechte had geweigerd” de aangeslotene de voor zijn gezondheidstoestand vereiste zorg te verlenen (lid 3), hetzij wanneer het gebruik van niet onder het nationale gezondheidsstelsel vallende diensten moest worden toegeschreven aan de „noodzaak van een spoedeisende levensreddende behandeling” (lid 4).
11 Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie omvatten de te vergoeden kosten in de gevallen voorzien in artikel 18, leden 3 en 4, van Decreto nr. 2766/1967 op grond van de nationale rechtspraak en de administratieve praktijk van de met het nationale gezondheidsstelsel belaste autoriteiten, de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten van de aangeslotene en, eventueel, van de persoon die hem wegens zijn gezondheidstoestand heeft moeten begeleiden.
12 De verwijzende rechter preciseert dat het recht op vergoeding van die kosten met de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 in Spanje is uitgebreid tot de gevallen bedoeld in artikel 22, lid 1, sub a en c, van die verordening, omdat het eerste van die gevallen gelijk kan worden gesteld met het geval bedoeld in artikel 18, lid 4, van Decreto nr. 2766/1967 en het tweede met dat bedoeld in artikel 18, lid 3.
13 Voormeld artikel 18 is ingetrokken en vervangen door artikel 5 van Real Decreto nr. 63/1995 van 20 januari 1995 betreffende de zorgverlening in het kader van het nationale gezondheidsstelsel (BOE nr. 35 van 10 februari 1995, blz. 4538).
14 Op grond van dit artikel 5 is de vergoeding van kosten in verband met buiten de structuur van het nationale gezondheidsstelsel verstrekte gezondheidszorg voortaan alleen nog mogelijk „in het geval waarin spoedeisende, directe en levensreddende zorg is verleend buiten het nationale gezondheidsstelsel” en voorzover is aangetoond „dat het niet mogelijk was, tijdig gebruik te maken van de prestaties van dit stelsel en er geen oneigenlijk gebruik of misbruik van deze uitzondering is gemaakt” (lid 3).
15 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft de in het voorgaande punt bedoelde wijziging van de regeling tot gevolg gehad dat het recht op vergoeding van ziektekosten in het geval van een onterechte weigering van het bevoegde orgaan om de betrokkene zorg te verlenen, dat voorheen was voorzien in artikel 18, lid 3, van Decreto nr. 2766/1967, werd afgeschaft. Sinds die wijziging bestaat er dus geen samenhang meer tussen het daarmee vergelijkbare geval bedoeld in artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 en de nationale regeling inzake de vergoeding van reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten in verband met een ziekenhuisbehandeling in een andere lidstaat. De vergoeding van dergelijke kosten blijft echter mogelijk in het geval van artikel 22, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, omdat dit geval vergelijkbaar is met dat van artikel 5, lid 3, van Real Decreto nr. 63/1995.
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Acereda Herrera is als zelfstandige aangesloten bij het nationale gezondheidsstelsel.
17 In juli 2002 werd hij met spoed opgenomen in een onder de SCS vallend ziekenhuis, waar werd vastgesteld dat hij aan een ernstige ziekte leed. Die ziekte werd in dat ziekenhuis behandeld.
18 Omdat hij die behandeling, gelet op zijn gezondheidstoestand, ontoereikend achtte, heeft Acereda Herrera het bevoegde orgaan op 19 augustus 2002 verzocht om afgifte van een formulier E 112 teneinde in een Frans ziekenhuis te kunnen worden behandeld.
19 Op 17 januari 2003 werd hem dit formulier afgegeven, met een geldigheidsduur van een jaar. De SCS nam de kosten van de ziekenhuisbehandeling in Frankrijk op zich.
20 In het kader van die behandeling is Acereda Herrera meermaals naar Frankrijk gereisd, waarbij hij wegens zijn slechte gezondheidstoestand werd vergezeld door een familielid. Hij heeft de SCS om vergoeding gevraagd van de daarvoor gemaakte reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten voor een totaalbedrag van 19 594 EUR.
21 De SCS heeft die aanvraag afgewezen. Acereda Herrera heeft tegen die afwijzing beroep ingesteld bij de Juzgado de lo Social n° 1 de Santander, die het beroep bij vonnis van 17 november 2003 heeft verworpen.
22 Acereda Herrera is van dat vonnis in hoger beroep gegaan bij het Tribunal Superior de Justicia de Cantabria.
23 Omdat het Tribunal Superior de Justicia de Cantabria twijfels had over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Dienen de artikelen 22, leden 1, sub c, en 2, alsmede 36 van verordening nr. 1408/1971 aldus te worden uitgelegd dat de toestemming van het bevoegde orgaan aan een rechthebbende om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, voor deze laatste tevens het recht inhoudt op vergoeding van de reis‑, verblijf- en/of maaltijdkosten op het grondgebied van de betrokken lidstaat door het orgaan dat de toestemming heeft verleend?
2) Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: bestaat er in het gemeenschapsrecht een regel of een criterium om de te vergoeden kosten en het bedrag daarvan vast te stellen?
3) Bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag: is het verenigbaar met de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen als bepaald in het EG-Verdrag en, in het bijzonder, met artikel 10 [...] ervan, alsmede met het in artikel 249 EG [...] bepaalde rechtskarakter van de gemeenschapsverordeningen, dat een lidstaat via nationale bepalingen ter uitvoering van een gemeenschapsverordening de inhoud van deze laatste met nieuwe regels aanvult, waarbij voor gevallen die in de verordening onder dezelfde rechtsregeling vallen, een verschillende regeling wordt ingevoerd waardoor het voor de burgers minder interessant wordt om van de rechten en bevoegdheden waarover zij uit hoofde van de gemeenschapsregeling beschikken, gebruik te maken? Meer bepaald: is het met het EG-Verdrag en met verordening nr. 1408/71 verenigbaar, dat het Koninkrijk Spanje bepalingen van nationaal recht handhaaft waarbij aan de sociaal verzekerden, naast de in artikel 22 van deze verordening verleende rechten, aanvullende rechten op prestaties worden verleend, doch waarbij tussen de verschillende gevallen van dit artikel wordt gedifferentieerd, zodat enkel in het geval onder lid 1, sub c, de aanvullende prestaties niet worden verleend, zonder dat voor deze differentiatie kennelijk een objectieve, evenredige en redelijke rechtvaardiging bestaat?
4) In elk geval:
a) Staat het in artikel 12 EG neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in de weg aan een nationale wetsbepaling zoals [...] artikel 5, lid 3, van Real Decreto nr. 63/1995, waarbij artikel 18, lid 3, van Decreto nr. 2766/1967 wordt afgeschaft en de Spaanse sociaal verzekerden, wanneer de prestatie waar zij recht op hebben hun, gelet op hun toestand en het te verwachten ziekteverloop, door het stelsel van openbare gezondheidszorg niet binnen een redelijke termijn wordt verstrekt, niet langer vergoeding kunnen verkrijgen van kosten van verzorging die door op Spaans grondgebied gevestigde medische instellingen of zorgverleners is verstrekt, terwijl het socialeverzekeringsorgaan gehouden is toe te staan dat deze prestatie in dergelijke gevallen door op het grondgebied van andere lidstaten gevestigde medische instellingen of zorgverleners aan de rechthebbende wordt verleend?
b) Staat de in de artikelen 49 EG en volgende gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting in de weg aan een nationale wetsbepaling zoals [...] artikel 5, lid 3, van Real Decreto nr. 63/1995, waarbij artikel 18, lid 3, van Decreto nr. 2766/1967 wordt afgeschaft en de Spaanse sociaal verzekerden, wanneer de prestatie waar zij recht op hebben hun, gelet op hun toestand en het te verwachten ziekteverloop, door het stelsel van openbare gezondheidszorg niet binnen een redelijke termijn wordt verstrekt, niet langer vergoeding kunnen verkrijgen van kosten van verzorging die door op Spaans grondgebied gevestigde medische instellingen of zorgverleners is verstrekt, terwijl het socialeverzekeringsorgaan gehouden is toe te staan dat deze prestatie in dergelijke gevallen door op het grondgebied van andere lidstaten gevestigde medische instellingen of zorgverleners aan de rechthebbende wordt verleend?
c) Staan de mededingingsregels van de artikelen 81 EG, 82 EG en 87 EG in de weg aan een nationale wetsbepaling zoals [...] artikel 5, lid 3, van Real Decreto nr. 63/1995, waarbij artikel 18, lid 3, van Decreto nr. 2766/1967 wordt afgeschaft en de Spaanse sociaal verzekerden, wanneer de prestatie waar zij recht op hebben hun, gelet op hun toestand en het te verwachten ziekteverloop, door het stelsel van openbare gezondheidszorg niet binnen een redelijke termijn wordt verstrekt, niet langer vergoeding kunnen verkrijgen van kosten van verzorging die door op Spaans grondgebied gevestigde medische instellingen of zorgverleners is verstrekt, terwijl het socialeverzekeringsorgaan gehouden is toe te staan dat deze prestatie in dergelijke gevallen door op het grondgebied van andere lidstaten gevestigde medische instellingen of zorgverleners aan de rechthebbende wordt verleend?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste twee vragen
24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 22, leden 1, sub c, en 2, alsmede artikel 36 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd dat de aangeslotene die van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om zich naar een andere lidstaat te begeven om aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, recht heeft op vergoeding door dat orgaan van de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die zijn gemaakt in verband met die reis voor medische doeleinden.
25 Zoals de Finse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft beklemtoond, somt artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 uitputtend de categorieën prestaties op waarop de aangeslotene die toestemming van het bevoegde orgaan heeft gekregen, aanspraak kan maken.
26 Ingevolge dit artikel heeft die aangeslotene enerzijds recht op „verstrekkingen”, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de lidstaat van verblijf worden verleend, volgens de door laatstgenoemd orgaan toegepaste regeling (sub i), en anderzijds op „uitkeringen”, welke door het bevoegde orgaan volgens de door hem toegepaste bepalingen worden verleend, onder voorbehoud van eventuele overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de lidstaat van verblijf dat deze uitkeringen door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de bepalingen van de bevoegde lidstaat (sub ii).
27 Zoals wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 22, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71, heeft lid 1, sub c‑i, slechts tot doel, aan de aangeslotene die toestemming van het bevoegde orgaan heeft, toegang te verlenen tot „zorg” in een andere lidstaat onder even gunstige vergoedingsvoorwaarden als de patiënten die onder de wettelijke regeling van die andere staat vallen (zie arresten van 12 juli 2001, Vanbraekel e.a., C‑368/98, Jurispr. blz. I‑5363, punt 32; 23 oktober 2003, Inizan, C‑56/01, Jurispr. blz. I‑12403, punt 21, en 16 mei 2006, Watts, C‑372/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 135).
28 Zoals de Spaanse regering, Ierland, de Cypriotische en de Finse regering alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk in hun schriftelijke opmerkingen hebben beklemtoond, ziet de krachtens artikel 22, lid 1, sub c‑i, van verordening nr. 1408/71 op het bevoegde orgaan rustende verplichting dus uitsluitend op de kosten voor de gezondheidszorg die de aangeslotene in de verblijfstaat krijgt, te weten, wanneer het zorg betreft die, zoals de zorg waar het in het hoofdgeding om gaat, in een ziekenhuisbehandeling bestaat, de kosten van de medische verstrekkingen in eigenlijke zin en de daarmee onlosmakelijk verbonden kosten van het verblijf en maaltijden in het ziekenhuis (zie arrest Watts, reeds aangehaald, punt 136).
29 Het wezenlijke kenmerk van de „verstrekkingen” in de zin van verordening nr. 1408/71 is immers dat deze „bestemd zijn ter dekking van de verzorging van de verzekerde”, met name in de vorm van een vergoeding of een terugbetaling van de „ziektekosten” die zijn situatie meebrengt (zie, in de context van een wettelijke regeling betreffende de sociale verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid, arrest van 5 maart 1998, Molenaar, C‑160/96, Jurispr. blz. I‑843, punten 32 en 34; zie eveneens arrest Watts, reeds aangehaald, punt 137).
30 Het begrip „uitkeringen” in de zin van artikel 22, lid 1, sub c‑ii, van verordening nr. 1408/71 moet in het gemeenschapsrecht eveneens autonoom worden uitgelegd (zie in dat verband arrest Molenaar, reeds aangehaald, punten 31 en 33-36).
31 Het begrip heeft hoofdzakelijk betrekking op uitkeringen bestemd ter compensatie van het verlies aan inkomsten als gevolg van een arbeidsongeschiktheid (zie in die zin arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 31) dat de levensstandaard van de betrokkene en zijn eventuele gezinsleden kan aantasten. Dit blijkt in de eerste plaats uit de verwijzing in artikel 23 van verordening nr. 1408/71 naar berekeningswijzen die gebaseerd zijn op de verdiensten van de betrokkene en die kunnen variëren naargelang het aantal gezinsleden, en in de tweede plaats uit de artikelen 18 en 24 van verordening nr. 574/72, die het genot van uitkeringen krachtens artikel 22, lid 1, sub c‑ii, van verordening nr. 1408/71 in het algemeen afhankelijk stellen van de overlegging van een kennisgeving van onderbreking van de werkzaamheden of, indien de wettelijke regeling die door het bevoegde orgaan wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid.
32 In het reeds aangehaalde arrest Molenaar heeft het Hof voorts een „Pflegegeld” aangemerkt als een „uitkering”. Hiertoe merkte het om te beginnen op dat het om een periodieke toelage ging en de betaling ervan niet afhankelijk was van de voorwaarde dat eerst betalingsverplichtingen waren aangegaan noch, a fortiori, van de overlegging van bewijsstukken voor gemaakte kosten. Voorts bestond die toelage uit een vast bedrag, ongeacht de kosten die de gerechtigde daadwerkelijk had gemaakt om in de behoeften van zijn dagelijks leven te voorzien. Ten slotte genoot de gerechtigde bij de besteding van de hem aldus toegekende bedragen een grote vrijheid (punt 34). Gelet op deze kenmerken, heeft het Hof geoordeeld dat de betrokken toelage een financiële ondersteuning vormde, die het levenspeil van hulpbehoevende personen over het geheel genomen kon verbeteren doordat de extra kosten die hun situatie met zich brengt, werden gecompenseerd (punt 35).
33 Uit de analyse in de twee voorgaande punten blijkt dat het begrip „uitkeringen” betrekking heeft op prestaties met een periodiek karakter die een vervangend inkomen of een financiële ondersteuning verschaffen bedoeld om het algemene levenspeil van de zieke en zijn eventuele gezinsleden veilig te stellen. Het begrip ziet daarentegen niet op de vergoeding van reeds gemaakte kosten, zoals de bijkomende komsten waar het in het hoofdgeding om gaat.
34 Voorts is het vaste rechtspraak dat artikel 22, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de verzekerde die van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, de mogelijkheid wil bieden gebruik te maken van verstrekkingen bij ziekte voor rekening van het bevoegde orgaan en volgens de wettelijke regeling van de staat waar de verstrekkingen worden verleend. Uitgelegd in het licht van het doel ervan, beoogt dit artikel daarentegen niet „de vergoeding door de lidstaten van de kosten van een behandeling in een andere lidstaat volgens de tarieven van de bevoegde lidstaat” te regelen (arrest van 28 april 1998, Kohll, C‑158/96, Jurispr. blz. I‑1931, punt 27, en arrest Vanbraekel e.a., reeds aangehaald, punt 36).
35 Uitkeringen, die volgens artikel 22, lid 1, sub c‑ii, van verordening nr. 1408/71 door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, kunnen dus niet aldus worden opgevat dat daaronder vergoedingen vallen van kosten die, zoals de kosten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn gemaakt in verband met een in een andere lidstaat verkregen behandeling.
36 Artikel 36 van verordening nr. 1408/71 betreft, zoals blijkt uit het opschrift van de afdeling waarin het is opgenomen, uitsluitend de kwestie van vergoedingen tussen organen onderling. Zoals de Cypriotische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft gesteld, verleent het de aangeslotenen geen rechten.
37 In navolging van de Spaanse regering moet voorts nog worden opgemerkt dat verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijke bepalingen bevat voor de nadere regeling van andere elementen dan verstrekkingen of uitkeringen, zoals blijkt uit artikel 59 van deze verordening, dat is opgenomen in het hoofdstuk betreffende arbeidsongevallen en beroepsziekten, en de „[k]osten voor het vervoer van de getroffene” betreft.
38 Ten slotte zij beklemtoond dat deze uitlegging niet mag afdoen aan de oplossing die zou voortvloeien uit de eventuele toepasselijkheid van artikel 49 EG. Dit artikel verzet zich immers tegen een nationale regeling die vergoeding uitsluit van de bijkomende kosten van een patiënt aan wie toestemming is verleend om in een andere lidstaat een ziekenhuisbehandeling te ondergaan, terwijl deze kosten volgens die wettelijke regeling wel worden vergoed wanneer de behandeling wordt ondergaan in een ziekenhuis dat onder het nationale stelsel valt (zie in die zin arrest Watts, reeds aangehaald, punt 139).
39 Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 22, leden 1, sub c, en 2, alsmede artikel 36 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de aangeslotene die van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende ziekenhuisbehandeling te ondergaan, geen recht geven op vergoeding door dat orgaan van de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die door hemzelf en de persoon die hem heeft begeleid op het grondgebied van die lidstaat zijn gemaakt, met uitzondering van de verblijf‑ en maaltijdkosten van de aangeslotene in het ziekenhuis.
40 Gezien dit antwoord, behoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.
De derde vraag
41 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de artikelen 10 EG en 249 EG alsmede artikel 22 van verordening nr. 1408/71, zich verzet tegen een nationale regeling die in de gevallen van artikel 22, lid 1, sub a, maar niet in die van artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 voorziet in een recht op prestaties in aanvulling op die welke in dit artikel zijn voorzien.
42 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zonder dat het nodig is een uitspraak te doen over de vraag of de situaties bedoeld in artikel 22, lid 1, sub a, respectievelijk sub c, al dan niet vergelijkbaar zijn, de in deze zaak aan de orde zijnde aanvullende prestaties niet onder artikel 22 vallen. In deze omstandigheden kan een regeling als waar het in het hoofdgeding om gaat, zoals Ierland alsmede de Poolse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk in hun schriftelijke opmerkingen hebben gesteld, niet worden geacht inbreuk te maken op het recht op verstrekkingen en uitkeringen dat artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 verleent aan de aangeslotene die krachtens die bepaling van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om zich voor medische doeleinden naar een andere lidstaat te begeven.
43 Hieruit volgt dat die regeling niet in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 en de rechtstreekse werking van die bepaling dus niet belemmert.
44 Die regeling maakt geen inbreuk op het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking.
45 Gelet op het voorgaande, moet op de derde vraag worden geantwoord dat een nationale regeling die in het geval van artikel 22, lid 1, sub a, maar niet in het geval van artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 voorziet in een recht op prestaties in aanvulling op die welke in dit artikel zijn voorzien, geen afbreuk doet aan de rechtstreekse werking van deze bepaling en niet in strijd is met het uit artikel 10 EG voortvloeiende beginsel van loyale samenwerking.
De vierde vraag
46 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een wijziging als in 1995 in de nationale regeling heeft plaatsgevonden, op grond waarvan de aangeslotene aan wie het nationale gezondheidsstelsel niet binnen een redelijke termijn de voor zijn gezondheidstoestand noodzakelijke zorg kan verstrekken, geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor gezondheidszorg die hem door in Spanje gevestigde, maar niet onder dat stelsel vallende zorgverleners is verstrekt, terwijl de Spaanse autoriteiten verplicht zijn om de aangeslotene toestemming te verlenen om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde zich aldaar onder de voorwaarden voorzien in artikel 22 van verordening nr. 1408/71 op hun kosten te laten behandelen, verenigbaar is met de artikelen 12 EG, 49 EG, 81 EG, 82 EG en 87 EG.
47 Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie onder meer arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59, en 13 juli 2000, Idéal tourisme, C‑36/99, Jurispr. blz. I‑6049, punt 20).
48 Niettemin heeft het Hof geoordeeld dat het geen uitspraak op een prejudiciële vraag van een nationale rechter kan doen wanneer duidelijk blijkt dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de hem gestelde vragen (zie reeds aangehaalde arresten Bosman, punt 61, en Idéal tourisme, punt 20).
49 De reden voor een prejudiciële vraag is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (zie arrest van 12 maart 1998, Djabali, C‑314/96, Jurispr. blz. I‑1149, punt 19).
50 In casu wenst de verwijzende rechter, zoals reeds blijkt uit de formulering van de vierde vraag en uit de door hem ter ondersteuning van die vraag uiteengezette motivering, het oordeel van het Hof te vernemen met betrekking tot de vraag of er eventueel sprake is van discriminatie van de Spaanse aangeslotene aan wie het nationale stelsel niet binnen een redelijke termijn een medische behandeling kan verstrekken en die zich tot een particuliere Spaanse zorgverlener wendt, wanneer een dergelijke aangeslotene sinds de wijziging van de regeling in 1995, behoudens het geval van medische urgentie, naar nationaal recht niet langer recht heeft op vergoeding van de medische kosten die hij bij een dergelijke zorgverlener heeft gemaakt, terwijl de aangeslotene die van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om een medische behandeling in een andere lidstaat te ondergaan, overeenkomstig artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 wel recht op vergoeding van dergelijke kosten heeft.
51 Zoals de Spaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk in hun schriftelijke opmerkingen hebben uiteengezet, moet worden vastgesteld dat deze vraag geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding, waarin het gaat om de eventuele vergoedbaarheid van de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten van een aangeslotene en de persoon die hem in een andere lidstaat heeft begeleid om aldaar met toestemming van het bevoegde orgaan een ziekenhuisbehandeling te ondergaan.
52 De vierde vraag behoeft derhalve geen beantwoording.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 22, leden 1, sub c, en 2, alsmede artikel 36 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de aangeslotene die van het bevoegde orgaan toestemming heeft gekregen om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende ziekenhuisbehandeling te ondergaan, geen recht geven op vergoeding door dat orgaan van de reis‑, verblijf‑ en maaltijdkosten die door hemzelf en de persoon die hem heeft begeleid op het grondgebied van die lidstaat zijn gemaakt, met uitzondering van de verblijf‑ en maaltijdkosten van de aangeslotene in het ziekenhuis.
2) Een nationale regeling die in het geval van artikel 22, lid 1, sub a, maar niet in het geval van artikel 22, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, voorziet in een recht op prestaties in aanvulling op die welke in dit artikel zijn voorzien, doet geen afbreuk aan de rechtstreekse werking van deze bepaling en is niet in strijd met het uit artikel 10 EG voortvloeiende beginsel van loyale samenwerking.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.