Zaak C‑353/04

Nowaco Germany GmbH

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Jonas

(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)

„Verordeningen (EEG) nrs. 1538/91 en 3665/87 – Communautair douanewetboek – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning – Gezonde handelskwaliteit – Douaneregeling – Aangifte ten uitvoer – Fysieke controle – Monster – Toegestaan aantal ondeugdelijke producten – Uniforme kwaliteit – Rechten en verplichtingen van exporteur en van douaneautoriteit – Vlees van pluimvee”

Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 23 februari 2006 

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 september 2006 

Samenvatting van het arrest

1.     Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning

(Verordeningen van de Commissie nr. 3665/87, art. 13, en nr. 1538/91, art. 6 en 7)

2.     Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning

(Verordeningen van de Raad nr. 386/90 en nr. 2913/92, art. 1 en 70; verordeningen van de Commissie nr. 1538/91 en nr. 2221/95)

3.     Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning

(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 70, lid 1, eerste alinea; verordening nr. 1538/91 van de Commissie, art. 7, leden 3-5)

4.     Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning

(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 70)

1.     Voor de vaststelling of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, kunnen de bepalingen van verordening nr. 1538/91 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1906/90 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1000/96, die minimumkwaliteitsnormen en tolerantiemarges vaststellen, en met name de artikelen 6 en 7 daarvan, worden toegepast.

(cf. punt 39, dictum 1)

2.     Artikel 70 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, betreffende het onderzoek van een gedeelte de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, is van toepassing wanneer moet worden vastgesteld of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, mits het in dit artikel voorgeschreven onderzoek naar behoren wordt uitgevoerd.

Dit artikel is immers een van de algemene douanebepalingen die van toepassing zijn op alle aangiften ten uitvoer ter zake van goederen waarvoor een restitutie geldt, onverminderd bijzondere bepalingen. Geen enkele bijzondere bepaling van de specifieke regeling die van toepassing is op de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die voor restitutie in aanmerking komen, sluit de toepassing van artikel 70 van het douanewetboek uit.

(cf. punten 47‑53, dictum 2, sub a)

3.     De fictie van eenvormige kwaliteit in artikel 70, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, is niet van toepassing wanneer het aantal producten in het genomen monster niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7 van verordening nr. 1538/91 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1906/90 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee.

Artikel 70, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek is immers een algemene bepaling die voorschrijft dat wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, de resultaten van dat onderzoek gelden voor alle goederen van deze aangifte. Deze fictie van eenvormige kwaliteit is echter niet uitsluitend van toepassing op onderzoeken die worden verricht op grond van de douaneregeling, maar is tevens relevant voor controles die worden uitgevoerd overeenkomstig de regeling met betrekking tot het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, en die ter zake van de handelsnormen voor pluimvee. Artikel 7, leden 3 tot en met 5, van verordening nr. 1538/91 stelt het aantal ondeugdelijke producten vast dat is toegestaan ten opzichte van het aantal producten in de partij en het aantal producten in het monster. Indien het monster niet het minimale aantal producten bevat, is het niet mogelijk te controleren of deze tolerantiemarges in acht zijn genomen.

(cf. punten 55‑57, 59, dictum 2, sub b)

4.     Wanneer verschillende monsters zijn genomen van partijen waarvoor één enkele uitvoeraangifte is ingediend, en bij het onderzoek van een gedeelte van de monsters een gezonde handelskwaliteit en bij een ander gedeelte daarentegen een dergelijke kwaliteit niet is vastgesteld, moeten de nationale bestuurlijke en rechterlijke instanties de feiten vaststellen met inachtneming van alle bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen kunnen de beschikbare monsters omvatten, maar ook andere gegevens, met name verslagen die overeenkomstig de communautaire regeling zijn opgesteld door de bevoegde ambtenaar die de fysieke controle heeft verricht. Wanneer de feiten niet aldus kunnen worden vastgesteld dat op grond daarvan het recht op restitutie kan worden vastgesteld, dient de nationale rechter de handelwijze van de exporteur en van de douaneautoriteiten te beoordelen door vast te stellen in hoeverre ieder van hen al of niet zijn rechten heeft uitgeoefend en zijn verplichtingen is nagekomen, en passende consequenties te trekken met betrekking tot het recht op restitutie bij uitvoer.

(cf. punten 24, 68, dictum 3)




ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

7 september 2006 (*)

„Verordeningen (EEG) nrs. 1538/91 en 3665/87 – Communautair douanewetboek – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning – Gezonde handelskwaliteit – Douaneregeling – Aangifte ten uitvoer – Fysieke controle – Monster – Toegestaan aantal ondeugdelijke producten – Uniforme kwaliteit – Rechten en verplichtingen van exporteur en van douaneautoriteit – Vlees van pluimvee”

In zaak C‑353/04,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beslissing van 22 juli 2004, ingekomen bij het Hof op 16 augustus 2004, in de procedure

Nowaco Germany GmbH

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Jonas,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, E. Juhász (rapporteur), M. Ilešič en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2005,

gelet op de opmerkingen van:

–       Nowaco Germany GmbH, vertegenwoordigd door C. Bittner en U. Schrömbges, Rechtsanwälte,

–       het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door S. Plenter als gemachtigde,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Schieferer en F. Erlbacher als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 2006,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), alsmede van verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PB L 143, blz. 11), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1000/96 van de Commissie van 4 juni 1996 (PB L 134, blz. 9; hierna: „verordening nr. 1538/91”).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nowaco Germany GmbH (hierna: „Nowaco”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hoofdkantoor der douane te Hamburg-Jonas; hierna: „Hauptzollamt”) ter zake van het recht op restitutie bij uitvoer en de desbetreffende bedragen.

 Toepasselijke communautaire bepalingen

3       In de negende overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1) staat te lezen dat:

„[...] de kwaliteit van de producten zodanig dient te zijn dat zij onder normale omstandigheden in de handel kunnen worden gebracht”.

4       Artikel 3, leden 4 tot en met 6, van deze verordening bepaalt het volgende:

„4.      De dag van uitvoer is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.

5.      Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name:

a.      de omschrijving van de producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;

b.      de nettohoeveelheid van deze producten of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de meeteenheid die voor de berekening van de restitutie in aanmerking moet worden genomen;

c.      voor zover nodig [voor] de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling.

Ingeval het in dit lid bedoelde document de aangifte ten uitvoer is, moet deze eveneens de genoemde gegevens bevatten evenals de vermelding ‚restitutiecode’.

6.      Op het tijdstip van deze aanvaarding of van deze handeling worden de producten onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.”

5       Volgens artikel 13 van genoemde verordening worden „[r]estituties [...] niet verleend indien de producten niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie, voor zover zij daarvoor zijn bestemd, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan”.

6       Artikel 1 van het douanewetboek luidt als volgt:

„Dit wetboek, alsmede de communautaire en nationale bepalingen die ter uitvoering ervan worden vastgesteld, vormen de douanewetgeving. Onverminderd de bijzondere bepalingen die op andere gebieden zijn vastgesteld, is het wetboek van toepassing op:

–       het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen;

[...] ”

7       Volgens artikel 4, punt 16, sub h, van het douanewetboek is uitvoer een van de douaneregelingen.

8       Artikel 69 van dit wetboek bepaalt het volgende:

„1.      Het vervoer van de goederen naar de plaats waar het onderzoek en, in voorkomend geval, de monsterneming dienen plaats te vinden, alsmede alle handelingen welke voor dit onderzoek of deze monsterneming noodzakelijk zijn, worden door de aangever of onder diens verantwoordelijkheid verricht. De hieraan verbonden kosten komen ten laste van de aangever.

2.      De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen alsmede, in voorkomend geval, bij de monsterneming aanwezig te zijn. Wanneer zij zulks nuttig achten, eisen de douaneautoriteiten van de aangever dat hij bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen ten einde hun de noodzakelijke bijstand te verlenen om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken.

3.      Indien zulks volgens de geldende bepalingen gebeurt, geeft de monsterneming door de douaneautoriteiten geen aanleiding tot enige vergoeding van de zijde van de administratie. De aan de analyse of de controle verbonden kosten komen echter ten laste van deze laatste.”

9       Artikel 70 van het douanewetboek bepaalt het volgende:

„1.      Wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, gelden de resultaten van het onderzoek voor alle goederen van deze aangifte.

De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek van de goederen verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden.

2.      Voor de toepassing van lid 1 worden, wanneer een aangifteformulier verscheidene artikelen omvat, de vermeldingen met betrekking tot elk artikel geacht een afzonderlijke aangifte te vormen.”

10     Artikel 71 van het douanewetboek bepaalt het volgende:

„1.      De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

2.      Indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, vindt de toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen plaats aan de hand van de vermeldingen in de aangifte.”

11     Artikel 247 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1; hierna: „verordening tot uitvoering van het douanewetboek”), bepaalt het volgende:

„1.      Wanneer de douaneautoriteiten overgaan tot verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of tot onderzoek van de goederen, geven zij in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid aan waarop deze verificatie of dit onderzoek betrekking had, alsmede de resultaten hiervan. Bij een gedeeltelijk onderzoek van de goederen wordt eveneens aangegeven welk gedeelte werd onderzocht.

In voorkomend geval maken de douaneautoriteiten op de aangifte ook melding van de afwezigheid van de aangever of diens vertegenwoordiger.

2.      Indien het resultaat van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of van het onderzoek van de goederen niet in overeenstemming is met de aangifte, vermelden de douaneautoriteiten in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid de grondslagen welke in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van de heffing op de betrokken goederen en, in voorkomend geval, de grondslagen voor de berekening van de restituties en de andere bedragen bij uitvoer en voor de toepassing van de andere bepalingen van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

3.      Uit de bevindingen van de douaneautoriteiten dient in voorkomend geval te blijken welke identificatiemiddelen zijn gebruikt.

Voorts dienen de bevindingen te zijn gedagtekend en de nodige gegevens te bevatten aan de hand waarvan de ambtenaar die de bevindingen heeft gedaan, kan worden geïdentificeerd.

4.      De douaneautoriteiten kunnen zich onthouden van het aanbrengen van enige vermelding op de aangifte en op een bijgevoegd document indien zij in het geheel niet tot verificatie van de aangifte of tot onderzoek van de goederen zijn overgegaan.”

12     Luidens de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die in aanmerking komen voor restituties of andere bedragen (PB L 42, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 163/94 van de Raad van 24 januari 1994 (PB L 24, blz. 2; hierna: „verordening nr. 386/90”) voeren de lidstaten op de grondslag van de documenten die ter staving van de uitvoeraangifte worden overgelegd, een fysieke controle uit op de goederen bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer en voordat toestemming voor de uitvoer wordt gegeven, alsmede een controle van de documenten in het betalingsaanvraagdossier. Volgens dezelfde verordening moet, onverminderd de bijzondere bepalingen die een grondiger controle vereisen, de fysieke controle steekproefsgewijs, frequent en onverwacht worden verricht. De controle moet in ieder geval ten minste betrekking hebben op een representatieve keuze van 5 % van de uitvoeraangiften waarvoor een aanvraag om restitutie bij uitvoer is ingediend. Voor de wijze waarop dit percentage van 5 % moet worden bereikt, gelden bijzondere bepalingen.

13     De achtste overweging van de considerans van verordening (EG) nr. 2221/95 van de Commissie van 20 september 1995 houdende nadere bepalingen ter toepassing van verordening nr. 386/90 (PB L 224, blz. 13) bepaalt het volgende:

„Overwegende dat [...] het communautair douanewetboek [...] met name van toepassing [is] op de uitvoer van alle industrie‑ of landbouwproducten; dat in het geval van landbouwproducten waarvoor restituties bij uitvoer worden toegekend, bijzondere bepalingen noodzakelijk kunnen blijken.”

14     Artikel 5 van deze verordening bepaalt het volgende:

„1.      Onder ‚fysieke controle’ in de zin van artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 386/90 wordt verstaan, het onderzoek van de overeenstemming tussen de aangifte ten uitvoer, met inbegrip van de eventuele documenten ter staving, en de goederen wat hoeveelheid, aard en kenmerken ervan betreft.

[...]

Het douanekantoor van uitvoer ziet erop toe dat artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87 wordt nageleefd.

[...]

4.      Indien de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte, neemt het douanekantoor van uitvoer in het raam van de fysieke controle representatieve monsters om de bestanddelen ervan in het bevoegde laboratorium te doen analyseren.”

15     Artikel 7, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalt het volgende:

„1.      Elk douanekantoor van uitvoer treft maatregelen die het mogelijk maken te allen tijde vast te stellen of het controlepercentage van 5 % is bereikt.

Deze maatregelen doen per sector blijken:

–       het aantal voor de fysieke controle in aanmerking genomen uitvoeraangiften,

en

–       het aantal verrichte fysieke controles.

2.      Over elke fysieke controle wordt door de bevoegde douaneambtenaar die de controle heeft verricht, een gedetailleerd verslag opgesteld.

Dit verslag bevat de datum en de naam van de bevoegde ambtenaar. De verslagen worden gedurende drie jaar na het jaar van uitvoer door het douanekantoor van uitvoer of door een ander kantoor op een gemakkelijk te raadplegen wijze bewaard.”

16     Artikel 1, lid 3, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PB L 173, blz. 1) bepaalt het volgende:

„Deze verordening is niet van toepassing op:

–       vlees van pluimvee dat voor uitvoer uit de Gemeenschap bestemd is.”

17     Artikel 6 van verordening nr. 1538/91 luidt als volgt:

„1.      Hele dieren en delen van pluimvee die onder deze verordening vallen, moeten aan de onderstaande minimumeisen voldoen om in de klassen ‚A’ en ‚B’ te worden ingedeeld:

[...]

–       zij moeten vrij zijn van naar buiten stekende gebroken beenderen;

[...]”

18     Artikel 7, lid 1, van deze verordening bepaalt dat beslissingen op grond van de vaststelling dat niet aan het bepaalde in artikel 6 is voldaan, slechts mogen worden genomen voor de gehele partij die overeenkomstig het bepaalde in genoemd artikel 7 is gekeurd. Volgens artikel 7, lid 3, van deze verordening wordt van elke partij steekproefsgewijs een monster genomen. Blijkens de tabel in dit lid wordt in geval van een partij van 501 tot en met 3 200 producten een monster van 50 producten genomen en in geval van een partij van meer dan 3 200 producten een monster van 80 producten. Ingevolge artikel 7, lid 4, is het toegestane aantal ondeugdelijke producten bij keuring van vlees van pluimvee van klasse A voor genoemde partijen respectievelijk 7 en 10. Wanneer het vastgestelde gebrek te wijten is aan de in artikel 6, lid 1, genoemde oorzaken, zoals „naar buiten stekende gebroken beenderen”, wordt het toegestane aantal ondeugdelijke producten verminderd tot respectievelijk 3 en 4. Volgens artikel 7, lid 5, wordt met betrekking tot vlees van pluimvee van klasse B het toegestane aantal ondeugdelijke producten verdubbeld.

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

19     Nowaco deed in december 1997 en februari 1998 aangifte ten uitvoer van twee partijen bevroren kippen, bestaande uit respectievelijk 2 647 en 2 750 kartons (in totaal 43 996 kilogram). Het Zollamt (Duitse douane) liet in het kader van het onderzoek van de goederen telkens een monster en een reservemonster nemen.

20     Vastgesteld werd dat bij de twee in 1997 genomen monsters een aantal kippen naar buiten stekende gebroken dijbenen vertoonde. Bij de in februari 1998 aangegeven partij liet alleen het eerste monster naar buiten stekende gebroken beenderen van de linkervleugel zien, terwijl het reservemonster geen gebreken vertoonde.

21     Het Hauptzollamt stelde derhalve voor de twee partijen een uitvoerrestitutie van 0 DM vast. In zijn beslissing op het door Nowaco tegen deze beslissing ingestelde beroep heeft het Finanzgericht met betrekking tot de partij van februari 1998 het Hauptzollamt verplicht, verzoekster de helft van de verschuldigde uitvoerrestitutie toe te kennen. Het Finanzgericht heeft het beroep voor het overige verworpen omdat het van oordeel was dat de goederen niet van gezonde handelskwaliteit waren aangezien zij niet voldeden aan de handelsnormen van verordening nr. 1538/91, volgens welke hele dieren en delen van pluimvee, om in de klassen A en B te worden ingedeeld, ten minste vrij moeten zijn van naar buiten stekende gebroken beenderen.

22     Volgens het Finanzgericht had het Hauptzollamt de uitvoerrestitutie niet voor de volledige in februari 1998 aangegeven partij mogen weigeren. De draagwijdte van de fictie van artikel 70, lid 1, van het douanewetboek moet immers aldus worden gewijzigd dat deze partij voor 50 % uit door verzoekster aangegeven producten van gezonde handelskwaliteit bestond.

23     De twee partijen in het hoofdgeding hebben tegen dit vonnis van het Finanzgericht „Revision” ingesteld bij het Bundesfinanzhof. Nowaco betoogt dat zij recht heeft op de volledige uitvoerrestitutie voor zowel de partij van december 1997 als die van februari 1998. Het Hauptzollamt betoogt dat het Finanzgericht met betrekking tot deze laatste partij op basis van de verhouding tussen het gewicht van het eerste monster en dat van het reservemonster een voor restitutie in aanmerking komende hoeveelheid van 48,1 % had moeten vaststellen.

24     In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Kan voor de vaststelling van de gezonde handelskwaliteit van een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee worden toegepast?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

a)      Is artikel 70 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek van toepassing wanneer moet worden vastgesteld of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van gezonde handelskwaliteit is?

b)      Is de fictie van eenvormige kwaliteit in artikel 70, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 ook van toepassing wanneer alleen een steekproef van de producten is gekeurd, de toepasselijke gemeenschapsrechtelijke bepalingen evenwel een bepaald aantal ondeugdelijke producten toestaan en daartoe de keuring verlangen – en ook uitdrukkelijk voorschrijven – van een minimumaantal monsters voor de vaststelling dat het toegestane aantal ondeugdelijke producten niet is overschreden?

3)      Ingeval ook de vragen 2a en 2b bevestigend worden beantwoord:

Welk gevolg heeft genoemde fictie van eenvormige kwaliteit wanneer verschillende monsters zijn genomen van partijen waarvoor één enkele uitvoeraangifte is ingediend, en bij het onderzoek van een gedeelte van de monsters een gezonde handelskwaliteit en bij een ander gedeelte daarentegen geen gezonde handelskwaliteit is vastgesteld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

25     In de verwijzingsbeslissing vraagt het Bundesfinanzhof zich af, of voor de vaststelling van de „gezonde handelskwaliteit” van een product als in het hoofdgeding verordening nr. 1538/91 kan worden toegepast, vanwege de uitsluitingsregel van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1906/90. Het Bundesfinanzhof is in elk geval van mening dat wanneer verordening nr. 1538/91 wordt toegepast, niet alleen artikel 6 daarvan in aanmerking moet worden genomen, maar ook artikel 7, waarin de toleranties zijn vastgesteld. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af, of deze verordening, indien zij van toepassing is, voor andere dan voorverpakte goederen afwijkingen van de toleranties toestaat.

26     Wat de toepasselijkheid van verordening nr. 1538/91 betreft, zij eraan herinnerd dat daarin de uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld van verordening nr. 1906/90, die in artikel 1, lid 3, eerste streepje, uitdrukkelijk bepaalt dat zij niet van toepassing is op vlees van pluimvee dat voor uitvoer uit de Gemeenschap bestemd is. Nowaco leidt daaruit af dat de handelsnormen van verordening nr. 1538/91 juncto verordening nr. 1906/90 geen voorwaarde vaststellen voor het bestaan van een „gezonde handelskwaliteit”.

27     Het Hof heeft met betrekking tot verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie van 21 december 1967 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van producten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prijzen geldt (PB 1967, 314, blz. 9) reeds geoordeeld dat het vereiste van „gezonde handelskwaliteit” een algemene en objectieve voorwaarde is voor de toekenning van een restitutie, en dat een product dat op het grondgebied van de Gemeenschap niet „in normale omstandigheden” in de handel kan worden gebracht, niet voldoet aan deze kwaliteitseisen (zie in die zin arresten van 9 oktober 1973, Muras, 12/73, Jurispr. blz. 963, punt 12; 26 mei 2005, SEPA, C‑409/03, Jurispr. blz. I‑4321, punt 22, en 1 december 2005, Fleisch-Winter, C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 20).

28     Het Hof heeft ook geoordeeld dat het feit dat de hoedanigheid dat een product „in normale omstandigheden” in de handel kan worden gebracht, inherent is aan het begrip „gezonde handelskwaliteit”, duidelijk blijkt uit de regeling inzake de uitvoerrestituties voor landbouwproducten, aangezien alle relevante verordeningen die sinds verordening nr. 1041/67 zijn vastgesteld, vereisen dat een product zowel van „gezonde handelskwaliteit” is als in „normale omstandigheden” in de handel kan worden gebracht, opdat uitvoerrestituties kunnen worden toegekend. Wat verordening nr. 3665/87 betreft, is in de negende overweging daarvan sprake van dit vereiste (arresten SEPA, reeds aangehaald, punten 23 en 26, en Fleisch-Winter, reeds aangehaald, punt 21).

29     Verordening nr. 3665/87 is per 1 juli 1999 vervangen door verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11), die in artikel 21, lid 1, eerste en tweede alinea, bepaalt dat restituties niet worden verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van „gezonde handelskwaliteit” zijn, en dat de producten aan deze eis voldoen „wanneer zij in normale omstandigheden [...] op het grondgebied van de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht”. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat deze bepaling een bestaande rechtstoestand heeft bevestigd (zie in die zin arrest SEPA, reeds aangehaald, punt 27).

30     Daaruit volgt, zoals de advocaat-generaal in de punten 32 en 33 van zijn conclusie terecht heeft beklemtoond, dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat een vanuit de Gemeenschap naar een derde land uitgevoerd product slechts als van „gezonde handelskwaliteit” kan worden beschouwd en dus recht kan geven op restitutie bij uitvoer, wanneer het op het grondgebied van de Gemeenschap „in normale omstandigheden” in de handel kan worden gebracht, en dat dit product dus moet voldoen aan de kwaliteitseisen die gelden voor het met het oog op menselijke consumptie in de handel brengen ervan in de Gemeenschap.

31     Volgens artikel 6 van verordening nr. 1538/91 kunnen hele dieren en delen van pluimvee slechts in de klassen A en B worden ingedeeld en bijgevolg voor menselijke consumptie in de Gemeenschap in de handel worden gebracht, wanneer zij voldoen aan verschillende kwaliteitseisen en met name vrij zijn van naar buiten stekende gebroken beenderen. Volgens artikel 7 van deze verordening is de aanwezigheid van dergelijke gebroken beenderen toegestaan wanneer het aantal ondeugdelijke producten beneden een aan de omvang van de partij gerelateerd maximum blijft. In dat geval kan een partij vlees van pluimvee die producten met naar buiten stekende gebroken beenderen bevat, waarvan het aantal de tolerantiemarges niet te boven gaat, zonder beperking in de Gemeenschap in de handel worden gebracht.

32     Het lijdt geen twijfel dat deze bepalingen, die minimumvoorwaarden bevatten om vlees van pluimvee als „in normale omstandigheden” in de Gemeenschap verhandelbaar te kunnen aanmerken, kwaliteitsnormen vormen waaraan dit vlees moet voldoen om te kunnen aannemen dat het van „gezonde handelskwaliteit” is in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87.

33     De „gezonde handelskwaliteit” van vlees van pluimvee voor export moet dus worden beoordeeld aan de hand van de eisen die worden gesteld door de communautaire regelgeving, waarvan de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 1538/91 deel uitmaken. Overigens komt Nowaco, subsidiair, tot dezelfde conclusie met haar betoog dat, voor zover de voor categorie B vastgestelde handelsnormen in acht zijn genomen, het vlees van pluimvee waarop de uitvoerrestitutie betrekking heeft, van „gezonde handelskwaliteit” is in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87.

34     Met betrekking tot artikel 7 van verordening nr. 1538/91 moet worden beklemtoond dat het artikel 6 van dezelfde verordening completeert en dat op basis van deze twee artikelen kan worden beoordeeld of een partij vlees van pluimvee, zoals de partijen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, gelet op de eventuele aanwezigheid van naar buiten stekende gebroken beenderen bij in deze partijen aangetroffen hele dieren, in „normale omstandigheden” in de Gemeenschap in de handel kan worden gebracht.

35     Artikel 1, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1906/90, dat bepaalt dat de verordening niet van toepassing is op vlees van pluimvee dat voor uitvoer uit de Gemeenschap is bestemd, verzet zich niet tegen de conclusie in punt 33, eerste zin, van het onderhavige arrest. Deze bepaling moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van deze verordening, dat erin bestaat normen vast te stellen voor het in de handel brengen in de Gemeenschap. Noch de genoemde verordening, noch de verordening houdende de bepalingen voor de uitvoering ervan, stellen dus criteria voor de exporteerbaarheid als zodanig vast. Ook wanneer een product niet voldoet aan de kwaliteitsnormen die in de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 1538/91 als criteria voor het in de Gemeenschap in normale omstandigheden in de handel brengen zijn vastgesteld, kan het in beginsel worden uitgevoerd.

36     De normen in de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 1538/91 zijn niet van toepassing op uitvoer in eigenlijke zin, dat wil zeggen op transacties waarbij communautaire marktdeelnemers handelen met marktdeelnemers van derde landen. Zij dienen uitsluitend voor de vaststelling van het recht op financiële steun van de Gemeenschap. In die zin gaat het om een interne handeling van de Gemeenschap, want de handeling vindt plaats tussen de communautaire marktdeelnemer en de nationale autoriteiten van een lidstaat en er zijn geen natuurlijke personen of rechtspersonen van derde landen bij betrokken.

37     Een uitlegging die de subsidiëring van de uitvoer van producten die niet voldoen aan de voorwaarden voor het in de Gemeenschap in de handel brengen, mogelijk zou maken, zou haaks staan op het communautaire stelsel van uitvoerrestituties, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in punt 31 van het reeds aangehaalde arrest SEPA.

38     Overigens moet worden gepreciseerd, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen in punt 23 van haar schriftelijke opmerkingen doet, dat de minimumvoorwaarden in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1538/91 (zoals onder meer het vrij zijn van zichtbare vreemde substanties, vreemde geuren en zichtbare bloedvlekken) vereisten zijn die rechtstreeks de kwaliteit van de producten betreffen, terwijl andere bepalingen van dezelfde verordening, die geen betrekking hebben op deze kwaliteit (bijvoorbeeld de bepalingen ter zake van de benaming of de etikettering) en die ten doel hebben de consument en de marktdeelnemers te informeren, niet kunnen worden ingeroepen met het oog op de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 3665/87.

39     Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat voor de vaststelling of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, de bepalingen van verordening nr. 1538/91, die minimum-kwaliteitsnormen en tolerantiemarges vaststellen, en met name de artikelen 6 en 7 daarvan, kunnen worden toegepast.

40     Daaraan moet worden toegevoegd dat het antwoord dat moet worden gegeven op de andere vraag van het Bundesfinanzhof, te weten de vraag of genoemde verordening voor andere dan voorverpakte goederen afwijkingen van de toleranties toestaat, geen invloed heeft op het in punt 39 van het onderhavige arrest gegeven antwoord.

41     In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat deze ongewisheid in wezen voortvloeit uit divergenties tussen de verschillende taalversies van artikel 7 van verordening nr. 1538/91. De Duitse versie van deze bepaling, die het begrip „Fertigpackung” (voorverpakking) hanteert, is immers in tegenspraak met de andere taalversies van deze bepaling, waaronder de Spaanse versie („unidad”), de Deense („emne”), de Griekse („μονάδa”), de Engelse („unit”), de Franse („unité”), de Italiaanse („unità”), de Nederlandse („product”), de Portugese („unidade”), de Finse („yksiköt”), en de Zweedse versie („enhet”). In een dergelijk geval brengt volgens vaste rechtspraak het vereiste van een uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht mee dat de tekst van een bepaling niet op zichzelf mag worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in de andere officiële talen (zie in die zin arresten van 12 juli 1979, Koschniske, 9/79, Jurispr. blz. 2717, punt 6; 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 36, en 9 maart 2006, Zuid‑Hollandse Milieufederatie en Natuur en Milieu, C‑174/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20).

42     Naast de vergelijking van de tekst van de verschillende taalversies van verordening nr. 1538/91 toont ook de analyse van de opzet en de totstandkoming van deze verordening aan, dat moet worden uitgegaan van het begrip „product” in de tabel in artikel 7, lid 3, van deze verordening. Er zij aan herinnerd dat artikel 8 van verordening nr. 1538/91 aan voorverpakkingen is gewijd en dat de Duitse versie van artikel 7 van deze verordening, vóór de wijziging ervan bij artikel 1, punt 4, van verordening (EEG) nr. 2891/93 van de Commissie van 21 oktober 1993 (PB L 263, blz. 12) geen melding maakte van voorverpakkingen. Vaststaat dat deze wijziging slechts betrekking had op de toleranties en niet op de betrokken producten.

43     In de tweede plaats moet, zelfs wanneer in artikel 7 van verordening nr. 1538/91 „voorverpakking” moet worden gelezen in plaats van „product”, dat wil zeggen wanneer moet worden uitgegaan van een formulering volgens welke de genoemde tolerantiemarges zijn bedoeld voor voorverpakkingen, de analyse worden aanvaard van de verwijzende rechter alsmede die van de advocaat-generaal in de punten 45 en 46 van zijn conclusie, die van mening zijn dat deze tolerantiemarges ook mutatis mutandis moeten worden toegepast op niet-voorverpakte producten. Wanneer dergelijke tolerantiemarges gelden wanneer het vlees van pluimvee is bestemd voor de consumenten, dat wil zeggen de kopers die het meest horen te worden beschermd, lijkt het logisch dat zij ook van toepassing zijn wanneer datzelfde vlees aan tussenhandelaren moet worden verkocht.

 De tweede vraag

 De tweede vraag, sub a

44     Allereerst zij eraan herinnerd dat volgens artikel 1, eerste streepje, van het douanewetboek, dit wetboek, onverminderd de bijzondere bepalingen die op andere gebieden zijn vastgesteld, van toepassing is op het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen. De bepalingen van dit wetboek vormen samen met die van de uitvoeringsverordening een algemene regeling voor velerlei sectoren en activiteiten die tot het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen behoren.

45     Overigens moet volgens de in artikel 4, punt 16, van het douanewetboek gegeven definitie onder „douaneregeling” worden verstaan het in het vrije verkeer brengen, douanevervoer, douane-entrepot, actieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht, tijdelijke invoer, passieve veredeling en uitvoer. Dit laatste vormt dus een douaneregeling of, zoals de Commissie betoogt, een douaneprocedure.

46     Wat tot slot de structuur van het douanewetboek betreft, moet worden beklemtoond dat artikel 70 deel uitmaakt van afdeling 1 (Plaatsing van goederen onder een douaneregeling) van hoofdstuk 2 (Douaneregelingen) van titel IV (Douanebestemmingen), terwijl de regelgeving betreffende elk van de douaneregelingen is opgenomen in de andere afdelingen van hetzelfde hoofdstuk.

47     Daaruit volgt dat artikel 70 een van de algemene douanebepalingen is die van toepassing zijn op alle aangiften ten uitvoer ter zake van goederen waarvoor een restitutie geldt, onverminderd bijzondere bepalingen.

48     Derhalve dient te worden onderzocht of de specifieke regeling die in het hoofdgeding van toepassing is, dergelijke bepalingen bevat.

49     Allereerst volgt uit de bepalingen van verordening nr. 3665/87 niet dat artikel 70 van het douanewetboek buiten toepassing moet blijven bij het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten. Integendeel, uit artikel 3, lid 6, van deze verordening, volgens hetwelk op het tijdstip van de aangifte ten uitvoer of van elke andere handeling met dezelfde rechtsgevolgen de producten onder douanecontrole worden geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, volgt dat de bepalingen van het douanewetboek van toepassing zijn.

50     Ten tweede completeert verordening nr. 386/90 met betrekking tot de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die voor restitutie in aanmerking komen, de algemene douanebepalingen door in de artikelen 2 en 3 onder meer te bepalen dat een fysieke controle op de goederen moet worden uitgevoerd bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer en voordat toestemming voor de uitvoer wordt gegeven, en dat de fysieke controle steekproefsgewijs, frequent en onverwacht moet worden verricht.

51     Uit verordening nr. 2221/95 houdende nadere bepalingen ter toepassing van verordening nr. 386/90 volgt evenmin dat artikel 70 van het douanewetboek buiten toepassing blijft. Weliswaar staat in de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 2221/95 dat bijzondere bepalingen noodzakelijk kunnen blijken in het geval van landbouwproducten waarvoor restituties bij uitvoer worden toegekend, maar geen van de bepalingen van deze verordening, ook al kunnen zij als bijzondere bepalingen worden beschouwd, brengt mee dat het douanewetboek buiten toepassing blijft.

52     Ten derde zijn, zoals in punt 39 van het onderhavige arrest is vastgesteld, een aantal bepalingen van verordening nr. 1538/91 ook van toepassing voor de vaststelling of een product waarvoor om restitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is. Deze regels zijn eveneens bijzondere bepalingen in de zin van artikel 1 van het douanewetboek. Zij sluiten evenmin de toepasselijkheid van artikel 70 van het douanewetboek uit, maar zijn juist nadere bepalingen voor de toepassing daarvan.

53     Gelet op een en ander moet op de tweede vraag, sub a, worden geantwoord dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding artikel 70 van het douanewetboek van toepassing is wanneer moet worden vastgesteld of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, mits het in dit artikel voorgeschreven onderzoek naar behoren wordt uitgevoerd.

 De tweede vraag, sub b

54     Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de fictie van eenvormige kwaliteit in artikel 70, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek ook van toepassing is wanneer het aantal producten in het genomen monster niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7 van verordening nr. 1538/91 en het derhalve niet mogelijk is om vast te stellen of de daarin bepaalde tolerantiemarges zijn overschreden.

55     Artikel 70, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek is een algemene bepaling die voorschrijft dat wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, de resultaten van dat onderzoek gelden voor alle goederen van deze aangifte.

56     Deze fictie van eenvormige kwaliteit is niet uitsluitend van toepassing op onderzoeken die worden verricht op grond van de douanewetgeving, maar is, zoals ook blijkt uit het antwoord op de tweede vraag, sub a, tevens relevant voor controles die worden uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, en die ter zake van de handelsnormen voor pluimvee. Voor de toepassing van deze fictie van eenvormige kwaliteit moeten de voorwaarden en het verloop van het onderzoek voldoen aan de bij genoemde wetgeving vastgestelde criteria.

57     Artikel 7, leden 3 tot en met 5, van verordening nr. 1538/91 stelt het aantal ondeugdelijke producten vast dat is toegestaan ten opzichte van het aantal producten in de partij en het aantal producten in het monster. Indien het monster niet het minimale aantal producten bevat, is het niet mogelijk te controleren of deze tolerantiemarges in acht zijn genomen.

58     Daaruit volgt dat, wanneer het niet mogelijk is na te gaan of deze tolerantiemarges in acht zijn genomen omdat het aantal producten in het genomen monster onvoldoende is, de resultaten van het onderzoek van dit monster niet kunnen worden toegepast op de gehele partij en daarvoor dus niet kunnen gelden.

59     In deze omstandigheden moet op de tweede vraag, sub b, worden geantwoord dat de fictie van eenvormige kwaliteit in artikel 70, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek niet van toepassing is wanneer het aantal producten in het genomen monster niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7 van verordening nr. 1538/91.

60     Gelet op het antwoord dat het Hof op de tweede vraag sub b heeft gegeven, hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

61     Er zij echter aan herinnerd dat het Hof de nationale rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht dient te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem dienende zaak, ongeacht of deze in zijn vragen worden genoemd (zie in deze zin met name arresten van 12 december 1990, SARPP, C‑241/89, Jurispr. blz. I‑4695, punt 8; 2 februari 1994, Verband Sozialer Wettbewerb, Clinique, C‑315/92, Jurispr. blz. I‑317, punt 7; 4 maart 1999, Consorzio per la tutela del formaggio Gorgonzola, C‑87/97, Jurispr. blz. I‑1301, punt 16, en van 7 september 2004, Trojani, C‑456/02, Jurispr. blz. I‑7573, punt 38).

62     In het kader van de onderhavige zaak moeten met name de rechten en plichten alsmede de verantwoordelijkheid worden onderzocht van de exporteur en de nationale douaneautoriteiten met betrekking tot het onderzoek van producten die met gemeenschapssteun worden uitgevoerd.

63     De communautaire regelgeving voorziet in een vorm van samenwerking tussen de exporteur en de nationale douaneautoriteiten om de controle van de uitvoer waarvoor restitutie wordt verleend, naar behoren uit te voeren.

64     Volgens artikel 69, lid 2, van het douanewetboek heeft de aangever het recht bij het onderzoek van de goederen alsmede, in voorkomend geval, bij de monsterneming aanwezig te zijn. Artikel 70, lid 1, tweede alinea, van het wetboek bepaalt dat de aangever om een aanvullend onderzoek van de goederen kan verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden

65     In punt 35 van het reeds aangehaalde arrest Fleisch-Winter heeft het Hof reeds vastgesteld dat aangezien de exporteur door de indiening van een restitutieaanvraag altijd op expliciete of impliciete wijze verzekert dat er sprake is van een „gezonde handelskwaliteit”, hij volgens de bewijsregels van het nationale recht moet aantonen dat deze voorwaarde wel degelijk is vervuld ingeval de aangifte door de nationale autoriteiten in twijfel wordt getrokken. In het hoofdgeding toonden het resultaat van het douaneonderzoek en de beslissingen van het Hauptzollamt aan dat, hoewel het aantal producten in de genomen monsters niet voldoende was, de nationale autoriteiten de aangifte van de exporteur in twijfel trokken.

66     Daartegenover staat dat de communautaire regelgeving genoemde autoriteiten ook specifieke verplichtingen oplegt. Met name bepaalt artikel 5, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2221/95 dat het douanekantoor van uitvoer erop toeziet dat het product dat voor restitutie bij uitvoer in aanmerking komt, van „gezonde handelskwaliteit” is. Het lijdt evenmin twijfel dat de nationale autoriteiten de relevante communautaire regelgeving, met inbegrip van de regels ter zake van het nemen van monsters, ambtshalve moeten toepassen.

67     Weliswaar schrijft noch verordening nr. 386/90 noch verordening nr. 2221/95 voor dat elke partij fysiek moet worden gecontroleerd, maar wanneer fysieke controle van een partij plaatsvindt, moet deze geschieden volgens de communautaire regelgeving, met inbegrip van de regels ter zake van het nemen van monsters.

68     Derhalve moet worden vastgesteld dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding de nationale bestuurlijke en rechterlijke instanties de feiten moeten vaststellen met inachtneming van alle bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen kunnen de beschikbare monsters omvatten, maar ook andere gegevens, met name verslagen die overeenkomstig de communautaire regelgeving zijn opgesteld door de bevoegde ambtenaar die de fysieke controle heeft verricht. Wanneer de feiten niet aldus kunnen worden vastgesteld dat op grond daarvan het recht op restitutie kan worden vastgesteld, dient de nationale rechter de handelwijze van de exporteur en van de douaneautoriteiten te beoordelen door vast te stellen in hoeverre ieder van hen al of niet zijn rechten heeft uitgeoefend en zijn verplichtingen is nagekomen, en passende consequenties te trekken met betrekking tot het recht op restitutie bij uitvoer.

 Kosten

69     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Voor de vaststelling of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, kunnen de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1906/90, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1000/96 van de Commissie van 4 juni 1996, die minimum-kwaliteitsnormen en tolerantiemarges vaststellen, en met name de artikelen 6 en 7 daarvan, worden toegepast.

2)      a)     In omstandigheden als die in het hoofdgeding is artikel 70 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, van toepassing wanneer moet worden vastgesteld of een product waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, van „gezonde handelskwaliteit” is, mits het in dit artikel voorgeschreven onderzoek naar behoren wordt uitgevoerd.

         b)     De fictie van eenvormige kwaliteit in artikel 70, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, is niet van toepassing wanneer het aantal producten in het genomen monster niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7 van verordening nr. 1538/91.

3)      In omstandigheden als die in het hoofdgeding moeten de nationale bestuurlijke en rechterlijke instanties de feiten vaststellen met inachtneming van alle bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen kunnen de beschikbare monsters omvatten, maar ook andere gegevens, met name verslagen die overeenkomstig de communautaire regelgeving zijn opgesteld door de bevoegde ambtenaar die de fysieke controle heeft verricht. Wanneer de feiten niet aldus kunnen worden vastgesteld dat op grond daarvan het recht op restitutie kan worden vastgesteld, dient de nationale rechter de handelwijze van de exporteur en van de douaneautoriteiten te beoordelen door vast te stellen in hoeverre ieder van hen al of niet zijn rechten heeft uitgeoefend en zijn verplichtingen is nagekomen, en passende consequenties te trekken met betrekking tot het recht op restitutie bij uitvoer.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.