Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Hof van Justitie – Organisatie – Toewijzing van zaken aan Grote kamer

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 16, derde alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 44, lid 4)

2. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Katoen – Productiesteun

(Akte van Toetreding van de Helleense Republiek, Protocol nr. 4; verordeningen van de Raad nr. 1782/2003 en nr. 864/2004, art. 1)

3. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang

(Art. 253 EG; verordening nr. 864/2004 van de Raad)

4. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Misbruik van bevoegdheid

5. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Grenzen

(Verordening nr. 864/2004 van de Raad)

6. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Katoen – Productiesteun

(Akte van Toetreding van de Helleense Republiek, Protocol nr. 4, lid 2; verordening nr. 864/2004 van de Raad)

7. Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen

(Art. 231 EG; verordeningen van de Raad nr. 1782/2003, titel IV, hoofdstuk 10 bis, en art. 156, lid 2, sub g, en nr. 864/2004)

Samenvatting

1. Ofschoon het Hof van Justitie krachtens artikel 16, derde alinea, van het Statuut verplicht is in Grote kamer zitting te houden wanneer een gemeenschapsinstelling die partij is bij het geding, daarom verzoekt, is een verwijzing van een zaak naar het Hof opdat deze opnieuw zou worden toegewezen aan een grotere formatie overeenkomstig artikel 44, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering, een maatregel waarover de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen, ambtshalve en discretionair beslist. Zou een verzoek op grond van artikel 16, derde alinea, van het Statuut evenwel in een vergevorderd stadium van de procedure kunnen worden ingediend, bijvoorbeeld na de sluiting van de mondelinge behandeling en dus in het stadium van de beraadslaging, dan zou de procedure grote vertraging kunnen oplopen, wat gevolgen zou kunnen teweegbrengen die kennelijk in strijd zijn met het vereiste van een goede rechtsbedeling, dat impliceert dat het Hof in iedere zaak die hem wordt voorgelegd, moet kunnen verzekeren dat uitspraak wordt gedaan na een efficiënte procedure die binnen een redelijke termijn wordt afgesloten.

(cf. punten 22‑23)

2. Het begrip steun voor de katoenproductie in de zin van lid 3 van Protocol nr. 4 bij de toetredingsakte van de Helleense Republiek staat niet in de weg aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor de gewasspecifieke betaling, die bij artikel 1, punt 20, van verordening nr. 864/2004 in verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers is opgenomen, namelijk dat het areaal ten minste tot de opening van de katoenbollen in stand wordt gehouden.

Protocol nr. 4 bevat immers geen definitie van het begrip productie, en niets in de tekst of de context van die handeling wijst erop, dat dit begrip in het kader van bedoeld Protocol een andere strekking heeft dan die welke resulteert uit de normale betekenis ervan, welke naar een meerfasig procédé verwijst. De vermelding in de considerans van Protocol nr. 4 van het belang van katoen als grondstof impliceert in dat verband niet dat het Protocol slechts betrekking heeft op geoogst katoen, maar moet, beschouwd in de context van de considerans waarin zij is opgenomen, aldus worden opgevat, dat daarmee alleen wordt benadrukt dat de steunregeling voor katoen, wegens bedoeld belang, het handelsverkeer met derde landen niet ongunstig zal mogen beïnvloeden. Bovendien sluit de precisering in artikel 1 van verordening nr. 4006/87 tot wijziging van Protocol nr. 4 betreffende katoen, dat bedoeld Protocol betrekking heeft op niet-gekaarde en niet-gekamde katoen die onder post 5201 00 van de gecombineerde nomenclatuur valt, katoen in de fase van de opening van de katoenbollen volstrekt niet uit. In die fase, net als overigens in de latere fase van de oogst, is katoen immers per definitie niet-gekaard en niet-gekamd.

(cf. punten 41‑45, 49)

3. De door artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Betreft het een handeling die algemene toepassing moet vinden, dan kan in de motivering worden volstaan met de vermelding in het algemeen van de omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid, en van haar algemene doelstellingen. Indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit een handeling van algemene toepassing blijkt, zou het bovendien te ver gaan om voor elke technische keuze van die instelling een specifieke motivering te verlangen.

Aan die voorwaarden voldoet verordening nr. 864/2004 houdende wijziging van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers. Dienaangaande worden de omstandigheden die de gemeenschapswetgever ertoe hebben gebracht bedoelde verordening vast te stellen, en bedoelde algemene doelstellingen, transparant en duidelijk samengevat in de considerans van die verordening. Voorts kan de essentie van het nagestreefde doel duidelijk worden teruggevonden in de punten vijf en zes van de considerans, voor zover daarbij de nieuwe steunregeling voor katoen wordt ingesteld. Bijgevolg diende de gemeenschapswetgever niet ook nog eens specifiek elke technische keuze te motiveren, zoals deze om als voorwaarde voor de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen te verlangen dat de katoenteelt tot de fase van de opening van de katoenbollen in stand wordt gehouden.

(cf. punten 57‑60, 64‑65)

4. Van misbruik van bevoegdheid is slechts sprake wanneer op grond van objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om het hoofd te bieden aan de omstandigheden van het geval.

(cf. punt 69)

5. Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kon voorzien, kan hij zich niet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld. Bovendien is een dergelijk beginsel weliswaar één van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, doch de marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsvrijheid kunnen wijzigen. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische situatie meebrengt.

Bijgevolg kon een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling voorzien van verordening nr. 864/2004 houdende wijziging van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, en van de daarbij vastgestelde hervorming van de steunregeling voor katoen. Deze hervorming maakt immers deel uit van een ruimere hervorming, die sinds 1992 op politiek vlak werd besproken en die overigens specifiek aan de orde was in een in 2003 door de Commissie vastgestelde mededeling, waarin een voorstel tot wijziging van verordening nr. 1782/2003 was opgenomen en waarvoor een kennisgeving in het Publicatieblad was gepubliceerd. Daarenboven was de steunregeling voor de katoensector in het verleden reeds herhaaldelijk grondig gewijzigd.

(cf. punten 81, 83‑84)

6. Gezien de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beschikt, kan aan de wettigheid van een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts worden afgedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel. Die bevoegdheid, waarvan de uitoefening bijgevolg door de rechter beperkt wordt getoetst, geldt niet slechts de aard en de draagwijdte van de vast te stellen bepalingen, doch tot op zekere hoogte ook de vaststelling van de basisgegevens. Een dergelijke rechterlijke toetsing, ook al is de draagwijdte ervan beperkt, vereist evenwel dat de gemeenschapsinstellingen voor het Hof kunnen aantonen dat zij bij de vaststelling van de handeling hun beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk hebben uitgeoefend, wat veronderstelt dat rekening wordt gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van de situatie welke die handeling heeft willen regelen.

De vaste loonkosten, zoals de kosten van de arbeid van de landbouwers en hun gezinnen, zijn echter niet meegerekend, zodat daarmee geen rekening is gehouden bij het vergelijkend onderzoek door de Commissie van de te verwachten rentabiliteit van de katoenteelt onder de katoensteunregeling die bij verordening nr. 864/2004 houdende wijziging van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers is ingevoerd, op grond waarvan het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen is vastgesteld. De relevantie van de betrokken loonkosten bij de berekening van de productiekosten van katoen en van de te verwachten rentabiliteit van die teelt als zodanig lijkt nochtans moeilijk te kunnen worden betwist.

Overigens zijn de mogelijke gevolgen van de hervorming van de katoensteunregeling voor de economische positie van de egreneringsbedrijven niet onderzocht. De katoenproductie is echter economisch niet haalbaar zonder de aanwezigheid van dergelijke onder economisch rendabele voorwaarden opererende ondernemingen in de nabijheid van de productiegebieden, aangezien katoen vóór de verwerking ervan slechts een geringe handelswaarde heeft, en niet over grote afstanden kan worden vervoerd. De productie van katoen en de verwerking ervan door de egreneringsbedrijven zijn dus kennelijk onlosmakelijk verbonden. Bijgevolg zijn de mogelijke gevolgen van de hervorming van de steunregeling voor katoen voor het economische voortbestaan van de egreneringsbedrijven een basisgegeven waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de rentabiliteit van de katoenteelt.

Dienaangaande heeft de Raad, die verordening nr. 864/2004 heeft vastgesteld, voor het Hof niet aangetoond dat hij bij de vaststelling van de bij die verordening ingestelde nieuwe steunregeling voor katoen zijn beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk heeft uitgeoefend, wat veronderstelde dat rekening werd gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van de situatie. Hieruit volgt dat het Hof op basis van de door de gemeenschapsinstellingen verstrekte gegevens niet kan nagaan of de gemeenschapswetgever, zonder overschrijding van zijn ruime beoordelingsvrijheid ter zake, tot het besluit kon komen dat de vaststelling van het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen op 35 % van het totaalbedrag van de steun onder de vroegere steunregeling, volstond ter bereiking van de in punt 5 van de considerans van verordening nr. 864/2004 uiteengezette doelstelling, namelijk de rentabiliteit en dus de voortzetting van die teelt te verzekeren, welke doelstelling overeenkomt met de doelstelling die in lid 2 van het aan de toetredingsakte van de Helleense Republiek gehechte Protocol nr. 4 is vermeld. Bijgevolg is het evenredigheidsbeginsel geschonden.

(cf. punten 98, 117, 121‑122, 124, 126, 128, 131‑135)

7. De nieuwe steunregeling voor katoen van hoofdstuk 10 bis van titel IV van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, is volgens artikel 156, lid 2, sub g, van die verordening, dat bij artikel 1, punt 28, van verordening nr. 864/2004 is ingevoegd, van toepassing met ingang van 1 januari 2006 voor de op of na die datum ingezaaide katoen. Bijgevolg hebben de landbouwers van de betrokken lidstaten mogelijkerwijs reeds bepaalde voorbereidingen getroffen om zich aan die regeling aan te passen teneinde recht te hebben op de daarbij vastgestelde steun, of zullen zij dit althans binnenkort moeten doen. Bovendien is het mogelijk dat de bevoegde overheidsinstanties van die lidstaten reeds de nodige uitvoeringsmaatregelen voor die regeling hebben vastgesteld of dat zij dit binnenkort zullen moeten doen. Gelet op een en ander, en in het bijzonder om te vermijden dat na de nietigverklaring van hoofdstuk 10 bis van titel IV van verordening nr. 1782/2003 rechtsonzekerheid ontstaat over de regeling die van toepassing is op de steun in de katoensector, moeten de gevolgen van die nietigverklaring worden opgeschort totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld.

(cf. punten 139‑141)