Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Gemeenschappelijk douanetarief – Indeling van goederen – Bindende tariefinlichting – Draagwijdte – Mogelijkheid voor derde om deze aan te voeren in kader van geding voor rechter van andere lidstaat – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 12)

2. Prejudiciële vragen – Voorlegging aan Hof – Verplichting tot verwijzing – Nationale rechter bij wie geding over tariefindeling van goed aanhangig is gemaakt en die aan derde afgegeven bindende tariefinlichting die hem is overgelegd, onjuist acht – Geen verplichting tot verwijzing – Voorwaarden

(Art. 234 EG)

3. Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Voertuigen ontworpen om opleggers te verplaatsen op bedrijfsterreinen en in bedrijfsgebouwen – Indeling onder post 8709 van gecombineerde nomenclatuur, betreffende transportwagens met eigen beweegkracht voor vervoer van goederen en trekkers van soort gebruikt voor trekken van perronwagentjes – Daarvan uitgesloten

Samenvatting

1. Ingevolge artikel 12 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, verleent een bindende tariefinlichting alleen aan de verkrijger ervan rechten, en alleen ten aanzien van de daarin omschreven goederen. Bijgevolg hebben partijen in het kader van een bij een rechter van een lidstaat aanhangig geding geen enkel persoonlijk recht om zich op de door de autoriteiten van een andere lidstaat voor soortgelijke goederen aan een derde afgegeven bindende tariefinlichting te beroepen.

(cf. punt 27)

2. Artikel 234 EG moet aldus worden uitgelegd dat wanneer in het kader van een bij een nationale rechter aanhangig geding over de tariefindeling van een bepaald goed een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat aan een buiten het geding staande derde afgegeven bindende tariefinlichting wordt overgelegd die betrekking heeft op een soortgelijk goed, en deze rechter de tariefindeling in deze inlichting onjuist acht, deze twee omstandigheden, indien het een rechter betreft waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep, niet tot gevolg hebben dat deze rechter verplicht is het Hof uitleggingsvragen te stellen.

Indien het een rechter betreft waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, hebben die twee omstandigheden op zich niet automatisch tot gevolg dat deze rechter verplicht is het Hof uitleggingsvragen te stellen. Een dergelijke rechter is echter gehouden een vraag van gemeenschapsrecht die voor hem rijst, naar het Hof te verwijzen, tenzij hij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan; bij de vraag of een dergelijk geval zich voordoet, moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Gemeenschap. In dit verband moet het bestaan van een door de autoriteiten van een andere lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting deze rechter ertoe brengen bijzondere aandacht te geven aan zijn beoordeling of er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de juiste toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, met name gelet op de drie bovenvermelde beoordelingselementen.

(cf. punt 45, dictum 1)

3. Post 8709 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2261/98, moet aldus worden uitgelegd dat daaronder niet valt een voertuig dat is uitgerust met een dieselmotor met een vermogen van 132 kW bij 2 500 toeren per minuut en met een volautomatische transmissie met vier versnellingen vooruit en één achteruit, en dat is voorzien van een gesloten cabine alsmede van een hefschotel met een hefhoogte van 60 cm en met een laadvermogen van 32 000 kg, dat een zeer korte draaicirkel heeft en dat is ontworpen voor de verplaatsing van opleggers op industrieterreinen en in industriële gebouwen. Een dergelijk voertuig vormt immers geen transportwagen met eigen beweegkracht gebruikt voor goederenvervoer en evenmin een trekker van de soort gebruikt voor het trekken van perronwagentjes, in de zin van deze post.

(cf. punt 64, dictum 2)