Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Vereiste van individuele of collectieve arbeidsvergunning en verplichting tot stellen van bankgarantie opgelegd aan ondernemingen uit andere lidstaten die werknemers, onderdanen van derde land, ter beschikking stellen – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Sociale bescherming van werknemers – Stabiliteit van arbeidsmarkt – Onevenredigheid en inadequaatheid van betrokken vereisten
(Art. 49 EG)
Een lidstaat die voor in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters die werknemers – onderdanen van een derde land – op zijn grondgebied ter beschikking willen stellen, een individuele arbeidsvergunning voorschrijft, waarvan de afgifte afhankelijk is van overwegingen die verband houden met de arbeidsmarkt, of een collectieve arbeidsvergunning die slechts in uitzonderlijke gevallen wordt afgegeven voorzover tussen de betrokken werknemers en de onderneming van herkomst sinds ten minste zes maanden voor het begin van de terbeschikkingstelling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van kracht was, en van die dienstverrichters een bankgarantie eist, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens artikel 49 EG.
Redenen van sociale bescherming en stabiliteit van de arbeidsmarkt kunnen dergelijke voorwaarden voor het vrij verrichten van diensten niet rechtvaardigen, aangezien die voorwaarden geen passende middelen zijn om de genoemde doelstellingen te bereiken. De verplichting voor een dienstverrichter om de plaatselijke autoriteiten in kennis te stellen van de aanwezigheid van een of meer ter beschikking gestelde werknemers, de vermoedelijke duur van die aanwezigheid en de diensten die de terbeschikkingstelling nodig maken, en om aan te tonen dat de betrokken werknemers in de lidstaat waar zij door de onderneming worden tewerkgesteld, voldoen aan alle voorschriften, met name inzake verblijf, arbeidsvergunning en sociale zekerheid, zou die autoriteiten immers op een minder restrictieve en even doeltreffende wijze als de onderhavige vereisten de waarborg bieden dat de nationale sociale regels gedurende de terbeschikkingstelling worden nageleefd, en dat die werknemers zich in een reguliere situatie bevinden en hun hoofdactiviteit uitoefenen in de lidstaat waar de dienstverrichter is gevestigd.
(cf. punten 27, 31, 36, 46, 48‑50 en dictum)