Zaak C‑374/03
Gaye Gürol
tegen
Bezirksregierung Köln
(verzoek van het Verwaltungsgericht Sigmaringen om een prejudiciële beslissing)
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 9 van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Rechtstreekse werking – Toegang tot onderwijs van kinderen van Turkse werknemer die tot legale arbeidsmarkt behoort – Kinderen die bij hun ouders wonen – Studietoelage”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 2 december 2004
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 juli 2005
Samenvatting van het arrest
1. Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Associatieraad ingesteld bij Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Besluit nr. 1/80 – Toegang van Turkse kinderen tot onderwijs en beroepsopleiding en toekenning van nationale voordelen (artikel 9) – Rechtstreekse werking – Recht op toelage voor studie in buitenland – Studie gevolgd in Turkije – Geen invloed
(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 9)
2. Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Associatieraad ingesteld bij Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Besluit nr. 1/80 – Toegang van Turkse kinderen tot onderwijs en beroepsopleiding (artikel 9, eerste volzin) – Vereiste dat kind „bij zijn ouders” woont – Begrip – Kind dat zijn hoofdwoonplaats in universiteitsstad heeft en adres van zijn ouders slechts als tweede woonplaats heeft – Daaronder begrepen
(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 9)
1. Artikel 9 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, op grond waarvan Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, in die lidstaat toegang hebben tot het algemeen onderwijs, een opleiding in het kader van het leerlingenstelsel en een beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat, en de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen genieten, heeft rechtstreekse werking in de lidstaten.
Genoemde bepaling bevat namelijk een verplichting tot gelijke behandeling bij de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen, en bij de toekenning van voordelen op dat gebied, die naar haar aard door een justitiabele voor de nationale rechter kan worden ingeroepen met het verzoek om de discriminerende bepalingen van een regeling van een lidstaat die de toekenning van een recht of een voordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die niet geldt voor eigen onderdanen, buiten toepassing te laten, zonder dat daarvoor aanvullende uitvoeringsmaatregelen vereist zijn.
Aangezien hiermee is gewaarborgd, dat Turkse kinderen zonder discriminatie in aanmerking komen voor een studietoelage, moeten, wanneer de ontvangende lidstaat eigen onderdanen studiefinanciering toekent voor opleidingen in het buitenland, gelet op de bewoordingen van artikel 9 van besluit nr. 1/80 en teneinde de gelijkheid van kansen tussen studenten te waarborgen, Turkse kinderen die buiten deze lidstaat willen gaan studeren in aanmerking komen voor hetzelfde voordeel. Het is op geen enkele grond gerechtvaardigd, Turkse kinderen een gelijke behandeling te onthouden op de enkele grond dat zij deze opleiding in het land van herkomst van hun familie willen gaan volgen.
(cf. punten 22‑23, 26, 42‑45, dictum 1 en 3)
2. Een Turks kind dat, na legaal in de ontvangende lidstaat bij zijn ouders te hebben gewoond, zijn hoofdwoonplaats verlegt naar de plaats, gelegen in dezelfde lidstaat, waar het een universitaire opleiding volgt, en het adres van zijn ouders slechts als tweede woonplaats opgeeft, voldoet aan het in artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije gestelde vereiste dat het bij zijn ouders woont.
Genoemde bepaling stelt namelijk het recht op gelijke behandeling bij de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding noch afhankelijk van een bepaalde wijze van wonen bij de ouders tijdens de studieperiode, zoals het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding van kinderen en ouders, noch van een bepaalde vorm van wonen tijdens deze periode, zoals het aanhouden van een hoofdwoonplaats in plaats van een tweede woonplaats. Deze uitlegging is bovendien noodzakelijk ter verzekering van de volledige verwezenlijking van de doelstelling van deze bepaling, die erin bestaat, Turkse kinderen in staat te stellen onderwijs en een beroepsopleiding te volgen in het land van ontvangst van hun ouders, zonder de keuze van de betrokkenen tot een bepaald type onderwijs of beroepsopleiding te beperken.
(cf. punten 30‑31, 33, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
7 juli 2005 (*)
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 9 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad ─ Rechtstreekse werking ─ Toegang tot onderwijs van kinderen van Turkse werknemer die tot legale arbeidsmarkt behoort – Kinderen die bij hun ouders wonen ─ Studietoelage”
In zaak C-374/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) bij beslissing van 31 juli 2003, ingekomen bij het Hof op 8 september 2003, in de procedure
Gaye Gürol
tegen
Bezirksregierung Köln,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), E. Juhász en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 oktober 2004,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– G. Gürol, vertegenwoordigd door I. Baysu, Rechtsanwältin,
– de Bezirksregierung Köln, vertegenwoordigd door R. Bongs en E. Frings‑Schäfer als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door C.-D. Quassowski en A. Tiemann als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Martenczuk en D. Martin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 december 2004,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”). De Associatieraad is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: „Associatieovereenkomst”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G. Gürol, die de Turkse nationaliteit heeft, en de Bezirksregierung Köln, ter zake van een verzoek om toekenning van een studietoelage krachtens het Bundesausbildungsförderungsgesetz (Duitse wet studiefinanciering; hierna: „BAföG”).
Toepasselijke bepalingen
De associatie EEG-Turkije
3 Artikel 12 van de Associatieovereenkomst bepaalt:
„De overeenkomstsluitende partijen komen overeen zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap, teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen.”
4 Artikel 36 van het aanvullend protocol, dat op 23 november 1970 te Brussel is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: „aanvullend protocol”), bepaalt:
„Het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije wordt overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen geleidelijk tot stand gebracht tussen het einde van het twaalfde en het tweeëntwintigste jaar na de inwerkingtreding van genoemde overeenkomst.
De hiertoe nodige regels worden bepaald door de Associatieraad.”
5 Artikel 9 van besluit nr. 1/80 luidt:
„Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, hebben in die lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, opleiding in het kader van een leerlingenstelsel en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat. Zij kunnen in die lidstaat de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen genieten.”
De nationale regeling
6 § 1 BAföG bepaalt:
„Op individuele studiefinanciering bestaat voor een bij de belangstelling, capaciteiten en resultaten passende opleiding een aanspraak overeenkomstig deze wet, indien de student niet anderszins beschikt over de voor zijn levensonderhoud en zijn opleiding benodigde middelen.”
7 § 5, lid 2, BaföG, getiteld „Studie in het buitenland”, bepaalt:
„Aan studenten die een vaste woonplaats op het nationale grondgebied hebben en aan een in het buitenland gelegen onderwijsinstelling studeren, wordt een studietoelage toegekend indien:
1. zulks gelet op het bereikte opleidingsniveau nuttig is voor de opleiding van de betrokkenen en ten minste een deel van deze studie kan worden geacht deel uit te maken van de vereiste of gebruikelijke opleidingsduur, of
2. in het kader van de grensoverschrijdende samenwerking tussen een Duitse en een buitenlandse opleidingsplaats de op elkaar voortbouwende leergangen van een opleiding die één geheel vormt, afwisselend door de Duitse en door de buitenlandse opleidingsplaats worden aangeboden, of
3. een opleiding na het verblijf van ten minste één jaar in de Duitse opleidingsplaats wordt voortgezet in een opleidingsplaats in een lidstaat van de Europese Unie,
en er sprake is van toereikende talenkennis. Voor de instellingen voor beroepsonderwijs geldt het eerste punt alleen wanneer het studieprogramma verblijf in het land voorschrijft ter verwerving van talenkennis. De opleiding moet ten minste zes maanden of één semester duren. Indien zij plaatsvindt in het kader van een samenwerking met de bezochte opleidingsplaats, moet zij minstens twaalf weken duren. Voor de in § 8, lid 2, genoemde studenten geldt het eerste punt enkel indien het verblijf in het buitenland in de betreffende studieregeling als een noodzakelijkerwijs in het buitenland te volbrengen onderdeel van de opleiding verplicht is gesteld.”
8 § 8, lid 1, BAföG bepaalt:
„Een studietoelage wordt toegekend aan:
1. Duitsers in de zin van de grondwet;
2. staatloze buitenlanders in de zin van de wet inzake de rechtspositie van staatloze buitenlanders op het grondgebied van de Bondsrepubliek;
3. buitenlanders die op het nationale grondgebied verblijven en volgens de asielprocedurewet asielgerechtigden zijn;
4. buitenlanders die hun gewone verblijfplaats op het nationale grondgebied hebben en ingevolge § 1 van de wet inzake maatregelen voor in het kader van humanitaire hulp opgenomen vluchtelingen, vluchteling zijn;
5. buitenlanders die hun gewone verblijfplaats op het nationale grondgebied hebben en de vluchtelingenstatus hebben en op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland niet slechts een tijdelijk verblijfsrecht hebben;
6. buitenlanders die hun gewone verblijfplaats op het nationale grondgebied hebben en ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij krachtens § 51, lid 1, van de wet buitenlanders recht hebben op bescherming tegen uitzetting;
7. buitenlanders die hun vaste woonplaats op het nationale grondgebied hebben, indien een van de ouders of de echtgenoot Duitser in de zin van de grondwet is;
8. studenten die op grond van de verblijfswet/EEG als kind vrij verkeer genieten, die op grond daarvan als kind recht op verblijf hebben of die op grond daarvan als kind geen recht op vrij verkeer of verblijf hebben enkel op grond dat zij 21 jaar of ouder zijn en niet door hun ouders of hun echtgenoot worden onderhouden;
9. studenten die de nationaliteit van een andere lidstaat van de EG of van een andere verdragsluitende staat van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte hebben en vóór aanvang van de opleiding op het nationale grondgebied in een arbeidsverhouding stonden; de in het kader daarvan verrichte arbeid en de inhoud van de opleiding moeten in beginsel een inhoudelijke samenhang vertonen.”
9 § 8, lid 2, sub 2, bepaalt:
„Aan andere buitenlanders wordt een studietoelage toegekend indien ten minste een van de ouders gedurende de zes jaren voorafgaande aan de aanvang van het onderdeel van de opleiding waarvoor een toelage kan worden verleend, in totaal drie jaar op het nationale grondgebied heeft verbleven en legaal werkzaam is geweest.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Gürol, verzoekster in het hoofdgeding, is een in Duitsland geboren Turkse onderdaan. Haar ouders hebben eveneens de Turkse nationaliteit en wonen evenals hun dochter in Duitsland, waar zij legaal zijn tewerkgesteld.
11 Gürol studeert sinds het begin van het universitaire jaar 1995 aan de universiteit Tübingen (Duitsland) economie met als hoofdvak „regionale studies”. Voor dit studieonderdeel werd haar krachtens het BAföG een studietoelage toegekend.
12 Bij aanvang van haar universitaire studie had Gürol haar eerste woonplaats te Tübingen, doch als tweede woonplaats had zij het adres van haar ouders te Philippsburg (Duitsland) opgegeven. In het kader van deze studie volgde zij van september 1999 tot en met oktober 2000 een cursus aan de Bogazici Universiteit te Istanbul. Gedurende haar verblijf in het buitenland gaf zij het adres van haar ouders als eerste woonplaats op. Na terugkeer naar Duitsland verlegde zij haar eerste woonplaats weer naar Tübingen, en gaf zij opnieuw als tweede woonplaats het adres van haar ouders op.
13 Op 13 augustus 1999 vroeg Gürol bij het Landesamt für Ausbildungsförderung Nordrhein-Westfalen (dienst studiefinanciering van Nordrhein-Westfalen; hierna: „Landesamt”), dat inmiddels is vervangen door de Bezirksregierung Köln, een studietoelage aan voor haar opleiding in Istanbul.
14 Bij beslissing van 2 september 1999 wees verweerster in het hoofdgeding deze aanvraag af op grond van het bepaalde in § 5, lid 2, BAföG. Verweerster was namelijk van oordeel dat Gürol moest worden aangemerkt als buitenlandse in de zin van § 8, lid 2, sub 2, van deze wet, zodat zij, anders dan met name Duitse onderdanen, op grond van § 5, lid 2, vierde volzin, BAföG enkel recht had op een studietoelage in het buitenland „indien het verblijf in het buitenland in de betreffende studieregeling als een noodzakelijkerwijs in het buitenland te volbrengen onderdeel van de opleiding verplicht [was] gesteld”. Bij het door Gürol gekozen hoofdvak was dit echter niet het geval.
15 Het studieschema van deze studie vermeldt namelijk alleen, dat een verblijf van één of twee semesters voor een studie aan een universiteit buiten Duitsland voor studenten regionale studies een goede mogelijkheid is om hun kennis van de taal en de cultuur van de gekozen regio te verdiepen en ervaring op te doen, mede met het oog op de latere kansen in het beroepsleven. Het gaat hierbij echter slechts om een aanbeveling. Zo wordt niet aangegeven dat een studie aan een buitenlandse universiteit noodzakelijk is om de betrokken studie te voltooien, hoewel de universiteit van Tübingen bij brief van 9 augustus 1999 heeft bevestigd dat de faculteit economie van deze universiteit een studieverblijf in het buitenland dringend voorschrijft. Bovendien vermeldt het examenreglement van voornoemde studie een studie in het buitenland niet als voorwaarde voor toelating tot de examens.
16 Het door Gürol op 29 september 1999 tegen genoemde beslissing ingediende bezwaarschrift is bij beslissing van 17 december 1999 afgewezen.
17 De verwijzende rechter, bij wie de zaak bij beroep van 2 februari 2000 aanhangig is gemaakt, merkt op dat het recht op een studietoelage weliswaar niet voortvloeit uit het BAföG, doch zou kunnen worden gebaseerd op artikel 9 van besluit nr. 1/80.
18 In die omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Heeft artikel 9, eerste volzin, van besluit […] nr. 1/80 binnen de rechtsorde van de lidstaten van de Europese Gemeenschap rechtstreekse werking, zodat Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap bij hun ouders wonen die daar legaal werkzaam zijn of waren, onder dezelfde voorwaarden als kinderen van de onderdanen van deze lidstaat een gelijk recht hebben op toegang tot het algemene onderwijs, tot het leerlingstelsel en tot beroepsopleidingen?
2) Zo ja, voldoen dan ook die Turkse kinderen aan het vereiste van ‚legaal wonen bij de ouders’ die in de plaats van hun universitaire beroepsopleiding een eigen hoofdverblijfplaats vestigen en aanhouden, en bij hun ouders slechts met tweede verblijfplaats zijn ingeschreven?
3) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord:
Omvat artikel 9, eerste volzin, van besluit […] nr. 1/80, naast een recht van de beschermde kring van personen op gelijke toegang tot de onderwijsinstellingen, ook de gelijke inaanmerkingneming voor overheidsprestaties die de lidstaat verstrekt met het doel de deelname aan het onderwijs te vergemakkelijken, of moet artikel 9, eerste volzin, in samenhang met de tweede volzin, van besluit […] nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten het recht behouden om aan de toekenning van sociale prestaties op het gebied van onderwijs aan de in lid 1 beschermde kring van personen andere voorwaarden te verbinden of deze prestaties te beperken?
4) Indien vraag 2 en vraag 3 bevestigend worden beantwoord:
Geldt dit voor de beschermde kring van personen ook voor een universitaire opleiding in het thuisland Turkije?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
19 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 op het grondgebied van de lidstaten rechtstreekse werking heeft.
20 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een bepaling van een besluit van de Associatieraad EEG-Turkije worden geacht rechtstreekse werking te hebben wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van het besluit waarvan zij deel uitmaakt en van de overeenkomst waaraan zij is gekoppeld, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is (zie in die zin met name arresten van 20 september 1990, Sevince, C-192/89, Jurispr. blz. I-3461, punt 15, en 8 mei 2003, Wählergruppe Gemeinsam, C-171/01, Jurispr. blz. I-4301, punten 54 en 55).
21 Zoals alle interveniënten in de onderhavige procedure hebben opgemerkt, voldoet artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 aan deze voorwaarden.
22 Op grond van de bewoordingen van deze bepaling hebben Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, in die lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, een opleiding in het kader van het leerlingenstelsel en een beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat.
23 Artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 bevat een verplichting tot gelijke behandeling bij de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen, die naar haar aard door een justitiabele voor de nationale rechter kan worden ingeroepen met het verzoek om de discriminerende bepalingen van een wettelijke regeling van een lidstaat die de toekenning van een recht afhankelijk stelt van een voorwaarde die niet geldt voor eigen onderdanen, buiten toepassing te laten, zonder dat daarvoor aanvullende uitvoeringsmaatregelen vereist zijn (zie naar analogie arrest van 4 mei 1999, Sürül, C‑262/96, Jurispr. blz. I‑2685, punt 63).
24 Deze conclusie wordt bevestigd door de omstandigheid dat artikel 9 van besluit nr. 1/80 slechts de uitvoering en concretisering is, op het bijzondere gebied van de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding in de lidstaat van ontvangst (zie in die zin arrest van 19 november 1998, Akman, C-210/97, Jurispr. blz. I-7519, punt 41), van het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, neergelegd in artikel 9 van de Associatieovereenkomst, dat verwijst naar artikel 7 EEG-Verdrag (nadien artikel 6 EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 12 EG) (zie naar analogie arrest Wählergruppe Gemeinsam, reeds aangehaald, punt 59).
25 Aan de vaststelling dat het non-discriminatiebeginsel van artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 de situatie van particulieren rechtstreeks kan beïnvloeden, wordt evenmin afgedaan door het doel en de aard van dit besluit en van de Associatieovereenkomst waaraan het is gekoppeld (zie arrest Wählergruppe Gemeinsam, reeds aangehaald, punten 61‑65).
26 Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking heeft in de lidstaten.
De tweede vraag
27 Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter met deze vraag in wezen wenst te vernemen, of een Turks kind dat, na legaal in de ontvangende lidstaat bij zijn ouders te hebben gewoond, zijn eerste woonplaats verlegt naar de plaats, gelegen in dezelfde lidstaat, waar het een universitaire opleiding volgt, en het adres van zijn ouders slechts als tweede woonplaats opgeeft, voldoet aan het in artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 gestelde vereiste dat het bij zijn ouders woont.
28 De verwijzende rechter vraagt zich met name af of het in artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 neergelegde vereiste van wonen het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding veronderstelt of dat het bestaan van een gemeenschappelijke woonplaats voldoende is en of, in het laatste geval, aan deze voorwaarde is voldaan indien het adres van de ouders als tweede woonplaats wordt aangehouden.
29 Een Turks kind dat, zoals in het hoofdgeding, legaal in de ontvangende lidstaat bij zijn ouders woont en bij de aanvang van zijn studie zijn eerste woonplaats verlegt van de woonplaats van zijn ouders naar de in dezelfde lidstaat gelegen plaats van de onderwijs- of opleidingsinstelling, terwijl het adres van zijn ouders als tweede woonplaats wordt opgegeven, voldoet aan het in artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 neergelegde vereiste van wonen.
30 In de eerste plaats stelt genoemde bepaling het recht op gelijke behandeling bij de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding noch afhankelijk van een bepaalde wijze van wonen bij de ouders tijdens de studieperiode, zoals het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding van kinderen en ouders, noch van een bepaalde vorm van wonen tijdens deze periode, zoals het aanhouden van een eerste woonplaats in plaats van een tweede woonplaats.
31 In de tweede plaats is deze uitlegging noodzakelijk ter verzekering van de volledige verwezenlijking van de doelstelling van deze bepaling, die erin bestaat, Turkse kinderen in staat te stellen onderwijs en een beroepsopleiding te volgen in het land van ontvangst van hun ouders, zonder de keuze van de betrokkenen tot een bepaald type onderwijs of beroepsopleiding te beperken.
32 Niet elk type onderwijs of opleiding wordt immers noodzakelijkerwijs in de nabijheid van de woonplaats van de ouders van de betrokkene aangeboden, zodat in voorkomend geval alleen het recht van deze laatste om zich in een andere plaats dan de woonplaats van de ouders te vestigen de zekerheid biedt dat Turkse kinderen, evenals kinderen van onderdanen van de ontvangende lidstaat, daadwerkelijk het gewenste onderwijs of de gewenste beroepsopleiding kunnen kiezen.
33 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat aan het vereiste van wonen bij de ouders in de zin van artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 is voldaan in het geval van een Turks kind dat, na in legaal de ontvangende lidstaat bij zijn ouders te hebben gewoond, zijn eerste woonplaats verlegt naar de plaats, gelegen in dezelfde lidstaat, waar het een universitaire opleiding volgt, en het adres van zijn ouders slechts als tweede woonplaats opgeeft.
De derde en de vierde vraag
34 Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, eerste en tweede volzin, van besluit 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het de in dit artikel bedoelde personen waarborgt dat zij zonder discriminatie aanspraak kunnen maken op een studietoelage als die voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, en zo ja of die aanspraak ook bestaat wanneer het om in Turkije gevolgd hoger onderwijs gaat.
35 Vastgesteld moet worden dat de studietoelage die overeenkomstig § 1 BAföG wordt toegekend aan studenten die niet anderszins beschikken over de voor hun levensonderhoud en opleiding benodigde middelen, krachtens § 5, lid 2, van deze wet aan Turkse studenten die een opleiding in het buitenland willen volgen slechts wordt toegekend „indien het verblijf in het buitenland in de betreffende studieregeling als een noodzakelijkerwijs in het buitenland te volbrengen onderdeel van de opleiding verplicht is gesteld”. Daarentegen hebben Duitse onderdanen recht op die toelage indien de studie in het buitenland gelet op het bereikte opleidingsniveau „nuttig” is voor hun opleiding, en ten minste een deel van deze opleiding als onderdeel van de vereiste of gebruikelijke opleidingsduur kan worden aangerekend.
36 Ingevolge artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 hebben Turkse kinderen in de ontvangende lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, een opleiding in het kader van een leerlingenstelsel en een beroepsopleiding zonder discriminatie. De gelijke toegang tot het onderwijs in de zin van deze bepaling strekt zich dus uit tot elke onderwijsvorm, daaronder begrepen de universitaire studie economie zoals die in het hoofdgeding aan de orde is (zie naar analogie arrest van 15 maart 1989, Echternach en Moritz, 389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punten 29 en 30).
37 De tweede volzin van dit artikel preciseert dat Turkse kinderen „[in de ontvangende lidstaat] de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen [kunnen] genieten”.
38 Deze precisering moet aldus worden opgevat dat indien de wetgeving van de ontvangende lidstaat voorziet in voordelen op het gebied van het onderwijs, zoals de litigieuze toelage, die is bestemd om de kosten van toegang tot het onderwijs en van levensonderhoud van de student te dekken, Turkse onderdanen daar evenals de onderdanen van deze lidstaat voor in aanmerking komen.
39 De toegang zonder discriminatie van Turkse kinderen tot onderwijs en beroepsopleidingen, ook – zoals in het hoofdgeding – in het buitenland, zou grotendeels illusoir blijven wanneer hun niet een gelijk recht op de voordelen als de litigieuze toelage werd gewaarborgd.
40 Deze uitlegging is ook de enige waarmee de doelstelling van artikel 9 van besluit nr. 1/80, die erin is gelegen Turkse kinderen gelijke kansen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding te waarborgen als kinderen van onderdanen van de ontvangende lidstaat, volledig kan worden verwezenlijkt. Indien het beginsel van gelijke behandeling niet gold voor in het buitenland gevolgde opleidingen, zouden deze laatste kinderen toegang hebben tot cursussen die hun opleiding ten goede komen, terwijl Turkse kinderen deze cursussen, die voor hun opleiding eveneens bevorderlijk zijn, wellicht niet zouden kunnen volgen om de enkele reden dat deze voor de door hen gekozen opleiding niet onmisbaar zijn.
41 Bovendien zou de tweede volzin van artikel 9 geen nuttig effect hebben indien zij, zoals de Bezirksregierung Köln en de Duitse en de Oostenrijkse regering betogen, enkel een machtiging voor de ontvangende lidstaat inhield om de in zijn nationale wetgeving voorziene voordelen ook toe te kennen aan Turkse kinderen. Deze staat heeft een dergelijke machtiging immers niet nodig.
42 Genoemde bepaling bevat dus, evenals artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80, een verplichting tot gelijke behandeling bij de toekenning van voordelen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, welke verplichting naar haar aard door een justitiabele voor de nationale rechter kan worden ingeroepen met het verzoek, de discriminerende bepalingen van de wettelijke regeling van een lidstaat die de toekenning van een voordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die niet geldt voor eigen onderdanen, buiten toepassing te laten, zonder dat daarvoor aanvullende uitvoeringsmaatregelen vereist zijn.
43 In deze omstandigheden en gelet op de overwegingen in de punten 24 en 25 van dit arrest, heeft artikel 9, tweede volzin, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking in de lidstaten.
44 Aangezien hiermee is gewaarborgd, dat Turkse kinderen zonder discriminatie in aanmerking komen voor een studietoelage, moeten, wanneer de ontvangende lidstaat eigen onderdanen studiefinanciering toekent voor opleidingen in het buitenland, gelet op de bewoordingen van artikel 9, tweede volzin, van besluit nr. 1/80 en teneinde de gelijkheid van kansen tussen studenten te waarborgen, Turkse kinderen die buiten deze lidstaat willen gaan studeren in aanmerking komen voor hetzelfde voordeel. Het is op geen enkele grond gerechtvaardigd, Turkse kinderen een gelijke behandeling te onthouden op de enkele grond dat zij deze opleiding in het land van herkomst van hun familie willen gaan volgen.
45 Gelet op het voorgaande moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 9, tweede volzin, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking heeft in de lidstaten. Deze bepaling waarborgt dat Turkse kinderen zonder discriminatie in aanmerking komen voor een studietoelage als die voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, ook wanneer zij een hogeschoolopleiding in Turkije volgen.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) Artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad, ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, heeft rechtstreekse werking in de lidstaten.
2) Aan het vereiste van wonen bij de ouders in de zin van artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 is voldaan in het geval van een Turks kind dat, na legaal in de ontvangende lidstaat bij zijn ouders te hebben gewoond, zijn eerste woonplaats verlegt naar de plaats, gelegen in dezelfde lidstaat, waar het een universitaire opleiding volgt, en het adres van zijn ouders slechts als tweede woonplaats opgeeft.
3) Artikel 9, tweede volzin, van besluit nr. 1/80 heeft rechtstreekse werking in de lidstaten. Deze bepaling waarborgt dat Turkse kinderen zonder discriminatie in aanmerking komen voor een studietoelage als die voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, ook wanneer zij een hogeschoolopleiding in Turkije volgen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.