1. Internationale overeenkomsten – Bevoegdheid van Gemeenschap – Schepping van exclusieve externe bevoegdheid van Gemeenschap door uitoefening van haar interne bevoegdheid – Voorwaarden – Vervoer over binnenwateren – Verordening nr. 3921/91 – Gemeenschapsregeling ontoereikend om overdracht van exclusieve externe bevoegdheid te bewerkstelligen
(Art. 71, lid 1, EG en 80, lid 1, EG; verordening nr. 3921/91 van de Raad)
2. Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot samenwerking – Besluit houdende machtiging van Commissie om namens Gemeenschap over multilaterale overeenkomst te onderhandelen – Verplichtingen tot handelen en tot nalaten van lidstaten – Omvang
(Art. 10 EG)
1. De Gemeenschap verkrijgt een exclusieve externe bevoegdheid uit hoofde van de uitoefening van haar interne bevoegdheid, wanneer de internationale verbintenissen binnen de werkingssfeer van de gemeenschappelijke regels vallen, of in elk geval binnen een gebied dat reeds grotendeels door dergelijke regels wordt bestreken, zelfs wanneer er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen deze verbintenissen en de gemeenschappelijke regels.
Wanneer de Gemeenschap dus in haar interne wettelijke voorschriften bepalingen heeft opgenomen betreffende de behandeling van onderdanen van derde landen, of wanneer zij haar instellingen uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft verleend om met derde landen te onderhandelen, verkrijgt zij een exclusieve externe bevoegdheid op het door die voorschriften bestreken gebied.
Dit geldt zelfs bij ontstentenis van een bepaling die de gemeenschapsinstellingen uitdrukkelijk machtigt om met derde landen te onderhandelen, wanneer de Gemeenschap een bepaald gebied volledig heeft geharmoniseerd, want de aldus vastgestelde gemeenschappelijke regels zouden kunnen worden aangetast indien de lidstaten vrij bleven om met derde landen te onderhandelen.
Voor de vaststelling van de voorwaarden waaronder niet-communautaire vervoersondernemers in een lidstaat binnenlands vervoer over de binnenwateren kunnen verrichten, heeft de Gemeenschap geen exclusieve externe bevoegdheid verkregen. Verordening nr. 3921/91 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen‑ en personenvervoer over de binnenwateren in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn, is immers niet van toepassing op bedoelde vervoersondernemers, aangezien zij alleen geldt voor in een lidstaat gevestigde vervoersondernemers, zodat daarmee geen volledige harmonisatie tot stand is gebracht.
(cf. punten 40‑45, 48, 50-51)
2. De verplichting tot loyale samenwerking van artikel 10 EG heeft algemene gelding, ongeacht het al dan niet exclusief karakter van de betrokken communautaire bevoegdheid en het eventuele recht van de lidstaten om verplichtingen jegens derde landen aan te gaan.
Inzonderheid hebben de lidstaten bijzondere positieve en negatieve verplichtingen in een situatie waarin de Commissie bij de Raad voorstellen heeft ingediend, die weliswaar niet zijn aanvaard, maar die toch het uitgangspunt vormen van een gezamenlijke communautaire actie.
De vaststelling door de Raad van een besluit tot machtiging van de Commissie om namens de Gemeenschap over een multilaterale overeenkomst te onderhandelen, die het begin aangeeft van een gezamenlijke communautaire internationale actie, brengt daarom met zich dat lidstaten, zo zij al niet van optreden dienen af te zien, ten minste de plicht hebben om nauw samen te werken met de gemeenschapsinstellingen, ter vergemakkelijking van de vervulling van de taak van de Gemeenschap en ter verzekering van de eenheid en de samenhang van het internationale optreden en de internationale vertegenwoordiging van de Gemeenschap.
(cf. punten 58‑60)