Zaak C‑181/03 P
Albert Nardone
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Voormalig ambtenaar – Aanvraag voor invaliditeitspensioen – Toekenningsvoorwaarden”
Conclusie van advocaat-generaal M. Poiares Maduro van 29 juni 2004
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 januari 2005
Samenvatting van het arrest
Ambtenaren – Invaliditeitspensioen – Inleiding van invaliditeitsprocedure – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 78; bijlage VIII, art. 13)
Uit de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut, dat volgens artikel 78 van dit Statuut
de voorwaarden vaststelt waaronder een ambtenaar recht heeft op een invaliditeitspensioen, volgt dat de invaliditeitsprocedure
alleen toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken doordat zijn invaliditeit
het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten. Hieruit volgt dat een ambtenaar die sedert verscheidene jaren de dienst heeft
beëindigd, en die een ziekte heeft die hem ongeschikt zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte, niet
uitsluitend op deze grond om inleiding van de invaliditeitsprocedure kan verzoeken.
(cf. punten 39‑40)
-
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
13 januari 2005(1)
„Hogere voorziening – Voormalig ambtenaar – Aanvraag voor invaliditeitspensioen – Toekenningsvoorwaarden”
In zaak C-181/03 P,betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 25 april 2003,
Albert Nardone , gewezen ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Piétrain (België), vertegenwoordigd door I. Kletzlen,
advocaat,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen , vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), S. von Bahr en K. Schiemann,
rechters,
advocaat-generaal: L. Poiares Maduro,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 mei 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juni 2004,
het navolgende
Arrest
- 1
In zijn hogere voorziening verzoekt A. Nardone om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese
Gemeenschappen van 26 februari 2003, Nardone/Commissie (T-59/01, JurAmbt. blz. I‑A‑55 en II‑323; hierna: „bestreden arrest”),
houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van
20 maart 2000, hem geen invaliditeitspensioen toe te kennen (hierna: „bestreden besluit”).
-
- Rechtskader
- 2
Artikel 78, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) bepaalt:
„Overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op een invaliditeitsuitkering wanneer
hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden
te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen.”
- 3
Artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut luidt als volgt:
„Onverminderd het in artikel 1, lid 1, bepaalde heeft de ambtenaar die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, indien
hij tijdens de periode gedurende welke hij recht op pensioen verkreeg, door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide
wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten
die met een ambt in zijn loopbaan overeenkomen, zodat hij de dienst bij de Gemeenschappen moet onderbreken, gedurende de tijd
van zijn arbeidsongeschiktheid recht op het in artikel 78 van het statuut bedoelde invaliditeitspensioen.
Een invaliditeitspensioen kan niet samengaan met een ouderdomspensioen.”
De feiten van het geding
- 4
Nardone, die in 1963 als plaatselijk functionaris in dienst trad van de Hoge Autoriteit van de EGKS en nadien ambtenaar in
vaste dienst werd bij de Commissie, heeft bij schrijven, gedateerd 18 oktober 1981, met ingang van 31 december 1981 ontslag
genomen.
- 5
Op 18 november 1999 heeft hij een aanvraag voor een invaliditeitspensioen ingediend op basis van artikel 78, tweede alinea,
van het Statuut.
- 6
Bij het bestreden besluit heeft de Commissie deze aanvraag verworpen zonder het geval aan de invaliditeitscommissie voor te
leggen, op grond dat Nardone niet aan de in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut gestelde toekenningsvoorwaarden voldeed.
- 7
Op 23 mei 2000 heeft Nardone krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit. Deze klacht
werd op 23 september 2000 bij stilzwijgend besluit verworpen. Op 15 december 2000 werd een uitdrukkelijk afwijzend besluit
genomen.
- 8
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 maart 2001, heeft Nardone een beroep ingesteld dat primair
strekte tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
Het bestreden arrest
- 9
Nardone heeft in zijn beroep voor het Gerecht aangevoerd dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan misbruik van bevoegdheid,
door zijn aanvraag voor een invaliditeitspensioen van 18 november 1999 te verwerpen zonder de invaliditeitscommissie bijeen
te roepen, welke commissie krachtens artikel 53 van het Statuut uitsluitend bevoegd is om over die aanvraag te beslissen.
- 10
Voorts heeft rekwirant verwezen naar het arrest van 17 mei 1984, Bähr/Commissie (12/83, Jurispr. blz. 2155), waarin het Hof
heeft geoordeeld dat een ambtenaar die sedert verscheidene jaren de dienst heeft beëindigd en die een ziekte heeft die hem
ongeschikt zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte, niet enkel op deze grond om inleiding van de
invaliditeitsprocedure kan verzoeken. Hij heeft hieruit afgeleid dat een invaliditeitspensioen moet kunnen worden toegekend
aan een gewezen ambtenaar ondanks het feit dat deze ontslag heeft genomen, wanneer hij een toereikende medische rechtvaardiging
kan overleggen.
- 11
Bovendien benadrukt Nardone dat het Hof in dit arrest heeft geoordeeld dat de Commissie niet voldoet aan haar verplichting
om bij ontslag van een ambtenaar een invaliditeitscommissie bijeen te roepen, wanneer wordt vastgesteld dat de invaliditeit
waardoor de betrokkene tenslotte is getroffen rechtstreeks en onmiddellijk verband houdt met zijn gezondheidstoestand op het
moment van beëindiging van de dienst.
- 12
Ter rechtvaardiging van haar besluit betoogt de Commissie dat in casu de voorwaarden voor de toekenning van een invaliditeitspensioen
zoals gesteld in artikel 78 van het Statuut en artikel 13 van bijlage VIII daarbij niet waren vervuld. In het bijzonder stelt
zij dat overeenkomstig de bewoordingen van bovengenoemde bepalingen en de uitlegging die daaraan is gegeven in het arrest
Bähr/Commissie, reeds aangehaald, en in het arrest van het Gerecht van 3 juni 1999, Coussios/Commissie (T‑295/97, JurAmbt.
blz. I‑A‑103 en II‑577), „de invaliditeitsprocedure enkel toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden
moet onderbreken, doordat zijn invaliditeit het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten.”
- 13
Verder heeft zij benadrukt dat hoewel de invaliditeitscommissie de enige instantie is die bevoegd is om een invaliditeit in
de zin van artikel 78 van het Statuut vast te stellen, deze commissie daar enkel toe bevoegd is zolang de ambtenaar zijn beroepswerkzaamheden
verricht.
- 14
Betreffende het zogenaamde misbruik van bevoegdheid van de Commissie heeft het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest
vastgesteld dat de Commissie de door Nardone ingediende aanvraag van een invaliditeitspensioen heeft verworpen omdat de voorwaarden
rechtens met betrekking tot zijn administratieve, en niet zijn medische situatie kennelijk niet waren vervuld. Derhalve heeft
het Gerecht geoordeeld dat de Commissie geen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door de aanvraag van Nardone te verwerpen
zonder de invaliditeitscommissie bijeen te roepen, aangezien deze laatste enkel bevoegd is om vraagstukken van medische –
en niet juridische – aard op te lossen.
- 15
Aangaande het middel dat gebaseerd is op de uitlegging van het arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Gerecht
in punt 31 van het bestreden arrest benadrukt „dat uit de bewoordingen van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut [voortvloeit]
dat de invaliditeitsprocedure enkel toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken
doordat zijn invaliditeit het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten” (reeds aangehaalde arresten Bähr/Commissie, punt
12, en Coussios/Commissie, punt 37).
- 16
Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat „een ambtenaar die sedert verscheidene
jaren de dienst heeft beëindigd en die een ziekte heeft die hem ongeschikt zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze
nog verrichtte, niet op deze enkele grond om inleiding van de invaliditeitsprocedure kan verzoeken” (zie reeds aangehaalde
arresten Bähr/Commissie, punt 13, en Coussios/Commissie, punt 38). Vervolgens heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwirant,
die in 1981 ontslag heeft genomen en zijn aanvraag voor de toekenning van een invaliditeitspensioen in 1999 heeft ingediend,
zich in deze feitelijke situatie bevond.
- 17
Bovendien heeft het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest geoordeeld dat Nardone, aangezien hij in 1981 ontslag heeft
genomen als ambtenaar, evenmin voldeed aan de tweede cumulatieve voorwaarde die door artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut
wordt gesteld, volgens welke de ambtenaar die de toekenning van een invaliditeitspensioen aanvraagt pensioenrechten moet verwerven
op het moment dat de invaliditeitscommissie erkent dat hij werd getroffen door een invaliditeit die als volledig moet worden
beschouwd.
- 18
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest geoordeeld dat aangezien geen van beide in artikel 13 van
bijlage VIII bij het Statuut gestelde voorwaarden was vervuld, het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit in
beginsel moest worden verworpen.
- 19
Verder heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest vastgesteld dat de omstandigheden in de zaak die tot het arrest
Bähr/Commissie, reeds aangehaald, heeft geleid, sterk verschilden van die in het onderhavige geval. Bähr had immers na de
beëindiging van zijn werkzaamheden de hoedanigheid van „ambtenaar” behouden op basis van verordening (Euratom, EGKS, EEG)
nr. 2530/72 van de Raad van 4 december 1972 tot vaststelling van de bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving
van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van nieuwe lidstaten, alsmede betreffende de beëindiging
van de dienst van ambtenaren van deze Gemeenschappen (PB L 272, blz. 1). In tegenstelling tot Nardone was Bähr bijdragen voor
het verwerven van pensioenrechten blijven betalen overeenkomstig verordening nr. 2530/72 (zie arrest Bähr/Commissie, reeds
aangehaald, punten 5 en 8) en was hij derhalve blijven voldoen aan deze voorwaarde voor toepassing van artikel 13 van bijlage
VIII bij het Statuut.
- 20
In punt 37 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat er hoe dan ook geen enkele verplichting op de Commissie
rustte om de gezondheidstoestand van rekwirant door de invaliditeitscommissie te laten onderzoeken op het moment waarop deze
ontslag heeft genomen en de dienst van de Gemeenschappen heeft verlaten.
- 21
Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest aangevoerd dat noch uit het arrest Bähr/Commissie, reeds
aangehaald, noch uit een andere bron van gemeenschapsrecht volgt dat er op een gemeenschapsinstelling een algemene verplichting
rust om bij vrijwillig vertrek de arbeidsgeschiktheid van een ambtenaar na te trekken.
- 22
Verder heeft het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat aangezien het Hof in zijn arrest Bähr/Commissie,
reeds aangehaald, heeft gepreciseerd dat de instelling in voorkomend geval op het moment van beëindiging van de dienst de
verplichting heeft om een invaliditeitscommissie bijeen te roepen, de vraag of dit diende te gebeuren in het geval van rekwirant
enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de elementen waarover de instelling beschikte op het moment van zijn ontslag,
met andere woorden in 1981.
- 23
Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 40 en 41 van het bestreden arrest geoordeeld:
- „40
- Wanneer een ambtenaar van mening is dat zijn gezondheidstoestand hem verplicht zijn werkzaamheden te beëindigen, dient hij
vóór zijn vertrek een aanvraag overeenkomstig artikel 90 van het Statuut in te dienen voor de toekenning van een invaliditeitspensioen
krachtens artikel 78. In casu blijkt uit het verzoekschrift dat rekwirant reeds in de jaren zeventig zeer begaan was met zijn
gezondheidstoestand en dat hij ontslag heeft genomen in 1981, met name omdat hij ervan overtuigd was dat de ongezonde arbeidsomstandigheden
waaraan hij was blootgesteld zijn gezondheidstoestand schade zouden toebrengen. Aangezien de ambtenaren worden geacht de bepalingen
van het Statuut te kennen (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 17 oktober 2000, Drabbe/Commissie, T-27/99, JurAmbt. blz. I‑A‑213
en II‑955), moet een ambtenaar die zich in een dergelijke situatie bevindt gebruikmaken van deze mogelijkheid indien hij in
aanmerking wenst te komen voor een invaliditeitspensioen. Als hij nalaat dit te doen schiet hij tekort in de zorgvuldigheidsplicht,
te meer aangezien dient te worden aangenomen dat hij op het moment van zijn ontslag beter op de hoogte is van zijn medische
antecedenten en zijn lichamelijke conditie dan de instelling waartoe hij behoort. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden
kan een instelling derhalve niet worden verweten, althans in het geval van een ambtenaar die haar vrijwillig verlaat zonder
daarom te zijn gevraagd, niet ambtshalve een invaliditeitscommissie te hebben bijeengeroepen terwijl de belanghebbende niet
zelf daarom heeft verzocht.
- 41
- De zeer ernstige medische antecedenten van Bähr, met name het eerste infarct waarvan hij het slachtoffer werd zes jaar vóór
het neerleggen van zijn functies, was een vaststaand feit in zijn zaak (arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, punt 14,
in fine). Ook al blijkt in casu uit het dossier dat rekwirant zich bij de raadgevend geneesheer van de instelling had beklaagd
over zijn gezondheidstoestand, met name over de steeds terugkerende bronchitis waaraan hij zou hebben geleden alsook over
de ongezonde werkomstandigheden waaraan hij was blootgesteld, moet worden vastgesteld dat de Commissie op de hoogte was van
geen element uit zijn medische voorgeschiedenis van vergelijkbare ernst als het eerste infarct van Bähr, op grond waarvan
het Gerecht zou kunnen oordelen dat zij op het moment van betrokkenes ontslag ambtshalve een invaliditeitscommissie had moeten
bijeenroepen, ook al had hij daar zelf niet om gevraagd (arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, punt 15). Dienaangaande
moet worden opgemerkt dat de raadsman van rekwirant ter terechtzitting heeft bevestigd dat deze laatste zich in 1981 zelf
niet bewust was van de grote invloed dat het door hem ingeademde stof op zijn gezondheid zou hebben en dat deze onwetendheid
heeft geduurd tot 1992.”
- 24
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest opgemerkt dat het bestaan van een verband, in de veronderstelling
dat dit wordt aangetoond, tussen de gezondheidstoestand van rekwirant op het moment waarop hij zijn aanvraag van 18 november
1999 indiende en zijn gezondheidstoestand ten tijde van de beëindiging van de dienst, geen voldoende bewijs kan opleveren
dat de Commissie in 1981 de invaliditeitscommissie had moeten bijeenroepen.
- 25
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit moest worden
verworpen, omdat in de omstandigheden van het geding aan rekwirant geen invaliditeitspensioen kon worden toegekend.
Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
- 26
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 april 2003, heeft Nardone krachtens artikel 76 van het Reglement
voor de procesvoering van het Hof om kosteloze rechtsbijstand verzocht.
- 27
Het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 6 februari 2004 ingewilligd.
- 28
Nardone concludeert dat het het Hof behage:
primair:
- –
- de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- –
- het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen;
subsidiair:
- –
- het uitdrukkelijke besluit van 15 december 2000 van het tot aanstelling bevoegd gezag houdende afwijzing van de op 23 mei
2003 door Nardone ingediende klacht inzake de toekenning van een invaliditeitspensioen, nietig te verklaren;
- –
- het bestreden besluit houdende afwijzing van de aanvraag van 18 november 1999 van Nardone inzake de toekenning van een invaliditeitspensioen
op basis van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut nietig te verklaren;
hoe dan ook:
- –
- over de kosten te beslissen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
- 29
De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- –
- de hogere voorziening tegen het bestreden arrest niet-ontvankelijk althans ongegrond te verklaren;
- –
- rekwirant te veroordelen in de kosten van de hogere voorziening.
De hogere voorziening Het eerste middel Argumenten van partijen
- 30
Met zijn eerste middel verwijt Nardone het Gerecht, te hebben geoordeeld dat, aangezien hij in 1981 ontslag had genomen en
zijn aanvraag voor een invaliditeitspensioen in 1999 had ingediend, hij zich derhalve niet bevond in de situatie van de ambtenaar
die zijn werkzaamheden moet onderbreken doordat zijn invaliditeit het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten, zoals bedoeld
in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut.
- 31
Hij is van mening dat het Gerecht het arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, niet juist heeft geïnterpreteerd en voert aan,
thans recht te hebben op de inleiding van een invaliditeitsprocedure, aangezien sommige van zijn aandoeningen, die bovendien
als beroepsziekten zijn aangemerkt, hem ongeschikt zouden maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte.
- 32
Rekwirant voert aan dat ook al heeft hij niet de in artikel 78 van het Statuut en artikel 13 van bijlage VIII daarbij voorziene
invaliditeitsprocedure ingeleid op het moment waarop hij de dienst beëindigde, aangezien hij zich op dat moment niet bewust
was van zijn gezondheidstoestand, het causale verband tussen de gezondheidstoestand van de ambtenaar toen hij nog in dienst
was en zijn gezondheidstoestand op een tijdstip ná de definitieve beëindiging van de dienst, de doorslaggevende juridische
factor is voor het inleiden van deze procedure.
- 33
Volgens de Commissie houdt het betoog van rekwirant geen rekening met de duidelijke en nauwkeurige bewoordingen van artikel
13 van bijlage VIII bij het Statuut. Volgens deze bepaling kan het in artikel 78 van dit Statuut bedoelde invaliditeitspensioen
uitsluitend worden toegekend aan een ambtenaar die het slachtoffer wordt van een blijvende invaliditeit die als volledig wordt
beschouwd waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen,
wanneer die ambtenaar om deze reden verplicht is de dienst bij de Gemeenschappen te onderbreken.
- 34
Aangezien rekwirant in 1981 zijn functie heeft neergelegd, acht de Commissie het uitgesloten dat hij nu „de dienst bij de
Gemeenschappen moet onderbreken”, zelfs wegens blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd, aangezien deze dienst
reeds definitief is beëindigd.
- 35
Volgens de Commissie volgt uit het arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, gelezen in samenhang met artikel 13 van bijlage
VIII bij het Statuut, dat een ambtenaar die sedert verscheidene jaren de dienst heeft beëindigd en die een ziekte heeft die
hem ongeschikt zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte, niet op deze enkele grond om inleiding van
de invaliditeitsprocedure kan verzoeken. Vereist wordt bovendien dat hij „de dienst bij de Gemeenschappen moet onderbreken”.
- 36
Zij stelt dat de instelling in voorkomend geval op het moment waarop de dienst wordt beëindigd een invaliditeitscommissie
bijeen dient te roepen. Derhalve moest deze vraag in het geval van rekwirant enkel worden beoordeeld aan de hand van de elementen
waarover de instelling beschikte ten tijde van zijn ontslag, in 1981 dus. Op het moment van het ontslag van rekwirant in 1981
hoefde de Commissie geen invaliditeitscommissie bijeen te roepen en kon zij dit ook niet, aangezien rekwirants gezondheidstoestand
een dergelijke maatregel toen niet rechtvaardigde. Rekwirant geeft zelf toe dat hij zich in 1981 niet bewust was van de aandoeningen
die zijn gezondheidstoestand konden aantasten. De Commissie kon daar al helemaal niet van op de hoogte zijn gebracht en had
dus geen enkele reden om op dat moment een invaliditeitscommissie bijeen te roepen.
Beoordeling door het Hof
- 37
Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat rekwirant het bestreden arrest niet bestrijdt voorzover het Gerecht heeft
geoordeeld dat de Commissie niet nalatig is geweest door na te laten de invaliditeitscommissie bijeen te roepen op het moment
van de beëindiging van de werkzaamheden in 1981.
- 38
Rest de vraag of, zoals rekwirant betoogt, deze bijeenroeping had moeten plaatsvinden na de beëindiging van zijn werkzaamheden,
op het moment van de indiening van zijn aanvraag voor een invaliditeitspensioen in 1999.
- 39
Dienaangaande volgt uit de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut, hetwelk volgens artikel
78 van dit Statuut de voorwaarden vaststelt waaronder een ambtenaar recht heeft op een invaliditeitspensioen, dat de invaliditeitsprocedure
enkel toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken doordat zijn invaliditeit
het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten (arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, punt 12).
- 40
Hieruit volgt dat een ambtenaar die sedert verscheidene jaren de dienst heeft beëindigd en die een ziekte heeft die hem ongeschikt
zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte, niet op deze enkele grond om inleiding van de invaliditeitsprocedure
kan verzoeken (arrest Bähr/Commissie, reeds aangehaald, punt 13).
- 41
In casu heeft het Gerecht vastgesteld dat Nardone bij schrijven, gedateerd 18 oktober 1981, vrijwillig ontslag heeft genomen,
zonder melding te maken van gezondheidsproblemen en zonder te verzoeken om een onderzoek van zijn gezondheidstoestand door
de invaliditeitscommissie. Pas in 1999, 18 jaar later, heeft hij een aanvraag voor een invaliditeitspensioen ingediend.
- 42
Gelet op deze feitelijke situatie heeft het Gerecht in de punten 30 tot en met 32 van het bestreden arrest terecht geoordeeld
dat rekwirant zich niet bevond in de situatie van de ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken doordat zijn invaliditeit
het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten, zoals bedoeld in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut.
- 43
Derhalve is het eerste middel ongegrond en dient het te worden verworpen.
Het tweede middel Argumenten van partijen
- 44
Volgens het tweede middel van Nardone heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat hij evenmin voldeed aan de tweede in artikel
13 van bijlage VIII bij het Statuut gestelde voorwaarde, volgens welke de ambtenaar die de toekenning van een invaliditeitspensioen
aanvraagt op dat moment pensioenrechten moet verwerven. Rekwirant is namelijk van mening dat hij pensioenrechten verwerft
in de zin van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut omdat hij bij de beëindiging van zijn dienst een uitkering bij vertrek
heeft gekregen overeenkomstig artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut.
- 45
De Commissie betwist de ontvankelijkheid van dit middel, dat volgens haar voor het eerst is opgeworpen voor het Hof van Justitie.
- 46
Daarenboven is de Commissie van mening dat dit middel ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
- 47
Zoals het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, legt artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut twee
cumulatieve voorwaarden op. Na in de punten 30 tot en met 32 te hebben aangetoond dat rekwirant niet aan de eerste voorwaarde
voldeed, heeft het Gerecht in punt 33 derhalve ten overvloede vastgesteld dat hij de tweede voorwaarde niet vervulde.
- 48
Daar het tweede middel is gericht tegen een overweging ten overvloede in het bestreden arrest, moet het worden verworpen.
Kosten
- 49
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens ditzelfde reglement van toepassing
is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is
gevorderd. Volgens artikel 70 van dat reglement blijven de kosten, in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden
door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit reglement is artikel 70 echter
niet van toepassing, indien de hogere voorziening door ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen tegen hen
is ingesteld. Daar rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten
worden verwezen.
-
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
- 1)
- De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
- Nardone wordt in de kosten verwezen.
ondertekeningen
- 1 –
- Procestaal: Frans.