Zaak T-130/02


Kronoply GmbH & Co. KG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen


«Staatssteun – Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten – Verzoek om rectificatie van beschikking waarbij steun verenigbaar met gemeenschappelijke markt is verklaard – Antwoord van Commissie – Geen beschikking – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid»

Beschikking van het Gerecht (Vierde kamer ─ uitgebreid) van 5 november 2003
    

Samenvatting van de beschikking

Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Begrip – Handelingen die bindende rechtsgevolgen in leven roepen – Beoordeling van deze gevolgen aan hand van wezenlijke inhoud van handeling – Informeel antwoord van Commissie op informeel initiatief van lidstaat – Daarvan uitgesloten

(Art. 230 EG)

Het volstaat niet dat een gemeenschapsinstelling een brief heeft gezonden in antwoord op een verzoek, opdat deze brief zou kunnen worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 230 EG, die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring. Verder zijn alleen handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, vatbaar voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 230 EG. Om uit te maken of een handeling of een beschikking dergelijke gevolgen sorteert, moet te rade worden gegaan met de wezenlijke inhoud ervan.Een antwoord van de Commissie op een brief van de autoriteiten van een lidstaat kan niet als een beschikking worden opgevat, wanneer zowel uit de vorm en de inhoud ervan als uit de identiteit van de auteurs van die brief blijkt, dat deze brief en dit antwoord slechts de uitdrukking zijn van, respectievelijk, een informeel initiatief van deze autoriteiten tot het verkrijgen, na een officieus nieuw onderzoek, van een rectificatie van een beschikking van de Commissie waarbij staatssteun verenigbaar is verklaard met de gemeenschappelijke markt, en een eveneens informeel antwoord van de ter zake van staatssteun bevoegde diensten [van de Commissie] op dit initiatief.cf. punten 42-45




BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer ─ uitgebreid)
5 november 2003 (1)


„Staatssteun – Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten – Verzoek om rectificatie van beschikking waarbij steun verenigbaar met gemeenschappelijke markt is verklaard – Antwoord van Commissie – Geen beschikking – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T-130/02,

Kronoply GmbH & Co. KG, gevestigd te Heiligengrabe (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Luther, en vervolgens door R. Nierer, advocaten,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en T. Scharf als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de vermeende beschikking van de Commissie van 5 februari 2002 om haar beschikking van 3 juli 2001 betreffende de goedkeuring van staatssteun ten bedrage van 69,3 miljoen Duitse mark ten gunste van verzoekster voor de verwezenlijking van een investeringsproject te Heiligengrabe (Duitsland) niet te rectificeren,

geeft



HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ─ uitgebreid),



samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, J. Pirrung, P. Mengozzi, A. W. H. Meij en M. Vilaras, rechters,

griffier: H. Jung,

de navolgende



Beschikking



Het rechtskader

1
De multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (PB 1998, C 107, blz. 7; hierna: multisectorale kaderregeling) bevat de regels ter beoordeling van uit dien hoofde verleende steun die binnen de werkingssfeer hiervan valt.

2
Punt 3.10 van de multisectorale kaderregeling bevat de berekeningsformule op basis waarvan de Commissie de maximale toelaatbare intensiteit van een aangemelde steun bepaalt.

3
Deze formule berust allereerst op de vaststelling van de maximale toelaatbare steunintensiteit voor grote ondernemingen in het betrokken gebied, het regionaal steunplafond (factor R), dat vervolgens wordt vermenigvuldigd met drie coëfficiënten, welke respectievelijk staan voor de mededinging in de betrokken sector (factor T), de verhouding kapitaal/arbeid (factor I) en de regionale gevolgen van de betrokken steun (factor M). De toegestane maximale steunintensiteit wordt aldus berekend volgens de formule: R x T x I x M.

4
Volgens de punten 3.2 tot en met 3.4 van de multisectorale kaderregeling houdt de factor mededinging in dat wordt onderzocht of het voorgenomen project plaatsvindt in een sector of subsector met een structurele overcapaciteit. Dit onderzoek heeft betrekking op een referentieperiode die bestaat uit de laatste vijf jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Wanneer onvoldoende gegevens over de capaciteitsbenutting beschikbaar zijn, onderzoekt de Commissie of de investering plaatsvindt in een krimpende markt. Hiertoe vergelijkt de Commissie de ontwikkeling van de schijnbare consumptie van het (de) betrokken product(en) (dat wil zeggen de productie plus de invoer min de uitvoer) met het groeiritme van de fabrieksnijverheid in de Europese Economische Ruimte (EER) in haar geheel.

5
Ingevolge punt 3.10.1 van de multisectorale kaderregeling is op de factor T (mededinging) een correctiecoëfficiënt van 0,25, van 0,5, van 0,75 of van 1 van toepassing naar gelang van de volgende criteria:

i)
Project dat leidt tot capaciteitsuitbreiding in een sector met ernstige structurele overcapaciteit en/of absolute afnemende vraag 0,25

ii)
Project dat leidt tot capaciteitsuitbreiding in een sector met structurele overcapaciteit en/of een krimpende markt en dat waarschijnlijk een hoog marktaandeel zal versterken 0,50

iii)
Project dat leidt tot capaciteitsuitbreiding in een sector met structurele overcapaciteit en/of een krimpende markt 0,75

iv)
Waarschijnlijk geen negatieve gevolgen in de zin van i)-iii) 1,00.

De feiten van het geding

6
Verzoekster is een vennootschap naar Duits recht die houtderivaten produceert.

7
Bij brief van 22 december 2000 heeft de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) bij de Commissie een steunvoornemen ten gunste van verzoekster aangemeld, waarop de multisectorale kaderregeling van toepassing is.

8
Het aangemelde voornemen voorzag in de toekenning aan verzoekster van steun ten bedrage van 77 miljoen Duitse mark (DEM) (39,36 miljoen EUR) voor de bouw van een productielijn voor houtpanelen in haaks geperste lagen, OSB (Oriented Strand Boards) genaamd, waarvan de totale kostprijs 220 miljoen DEM (112,5 miljoen EUR) bedroeg. Bij dit voornemen gaven de Duitse autoriteiten aan dat de uit hoofde van de mededinging toe te passen correctiecoëfficiënt (factor T) 1,00 was.

9
Bij brieven van 3 januari en 9 februari 2001 heeft de Commissie respectievelijk om aanvullende informatie verzocht en de Duitse autoriteiten een aantal vragen gesteld. Deze autoriteiten hebben bij brieven van 9 en 20 februari en 21 mei 2001 de gevraagde aanvullende informatie verstrekt en op de gestelde vragen geantwoord.

10
Bij brief van 19 juni 2001 heeft de Bondsrepubliek Duitsland de aanvankelijke aanmelding van het steunvoornemen gewijzigd wat de steunintensiteit betreft. Zij heeft de Commissie met name laten weten dat zij besloten [had] de aangemelde factor mededinging terug te brengen van 1 tot 0,75. Door de toepassing van deze nieuwe, door de Duitse autoriteiten aangemelde factor T werd het totaalbedrag van de steun teruggebracht tot 69,3 miljoen DEM (35,4 miljoen EUR).

11
Op 3 juli 2001 heeft de Commissie krachtens artikel 4, lid 3, van verordening nr. 659/1999 een beschikking van geen bezwaar tegen het aldus aangemelde steunvoornemen gegeven (PB 2001, C 226, blz. 14; hierna: beschikking van 3 juli 2001).

12
In deze beschikking wijst de Commissie erop dat de Bondsrepubliek Duitsland haar aanvankelijke aanmelding bij brief van 19 juni 2001 heeft gewijzigd, en dat de ten gunste van verzoekster voorziene steun 69,3 miljoen DEM (35,4 miljoen EUR) bedraagt voor een investering die wordt begroot op in totaal 220 miljoen DEM, wat overeenkomt met een steunintensiteit van 31,5 %.

13
Op basis van een beoordeling van de aangemelde steun aan de hand van de criteria die in de multisectorale kaderregeling zijn vastgesteld, heeft de Commissie in diezelfde beschikking uiteengezet om welke redenen de in casu toepasselijke factoren moesten worden vastgesteld op:

35 % wat de toegestane maximale steunintensiteit in de regio Heiligengrabe betreft;
35 % wat de toegestane maximale steunintensiteit in de regio Heiligengrabe betreft;

0,75 voor de factor T, rekening houdend met de mededinging op de betrokken markt;
0,75 voor de factor T, rekening houdend met de mededinging op de betrokken markt;

0,8 voor de factor I (verhouding kapitaal/arbeid);
0,8 voor de factor I (verhouding kapitaal/arbeid);

1,5 voor de factor M, gelet op de regionale gevolgen van de voorgenomen steun,
1,5 voor de factor M, gelet op de regionale gevolgen van de voorgenomen steun,

zijnde een maximale intensiteit van 31,5 % (35 % x 0,75 x 0,8 x 1,5).

14
Nadat zij had vastgesteld dat het steunbedrag dat de Bondsrepubliek Duitsland voornemens was aan verzoekster toe te kennen, in overeenstemming was met de toegestane maximale steun, heeft de Commissie de aangemelde steun verenigbaar met het EG-Verdrag verklaard.

15
Bij brief van 3 januari 2002 (hierna: brief van 3 januari 2002) heeft Happe, hoofd van een eenheid bij het Duitse ministerie van Financiën, de Commissie een document gezonden met als opschrift Mededeling van de Duitse Bondsregering aan de Europese Commissie, waarin de Duitse Bondsregering verzocht om rectificatie van de beschikking van 3 juli 2001 teneinde de toegestane steunintensiteit van 31,5 op 35 % van de voor steun in aanmerking komende investeringskosten te brengen, en, in het bijzonder, om de factor T (mededinging) te wijzigen. Als grond voor dit verzoek werd gegeven dat de in het kader van de aanmeldingsprocedure meegedeelde verwachtingen van de jaarlijkse groei van het verbruik op de relevante markt van OSB en multiplex voor het jaar 2000 ─ die in punt 33 van de considerans van de beschikking van 3 juli 2001 buiten beschouwing waren gelaten omdat zij op schattingen en niet op vastgestelde waarden berustten ─ door een recent onderzoek waren bevestigd (Jaakko Pöyry: The development of OSB and wood based panels consumption in the European Economic Area 1996-2000 with an outlook on the demand development for OSB in 2001) (De ontwikkeling van het verbruik van OSB en panelen op basis van hout in de Europese Economische Ruimte 1996-2000 en de perspectieven van de ontwikkeling van de vraag naar OSB in 2001). Volgens dit onderzoek had de voor 2000 verwachte uitzonderlijke groei van de markt van OSB daadwerkelijk plaats gevonden. Deze evolutie zou rechtvaardigen dat de factor T van 0,75 op 1,00 wordt gebracht.

16
Bij brief van 5 februari 2002 (hierna: bestreden handeling) heeft H. Drabbe, directeur van het directoraat Staatssteun II van het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie, op de brief van 3 januari 2002 geantwoord in de volgende bewoordingen: Geachte heer Happe,In antwoord op uw brief van 3 januari 2002 met betrekking tot de hierboven genoemde aangelegenheid, moet ik u tot mijn spijt meedelen dat de door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland gewenste rectificatie van de op 3 juli 2001 verzonden beschikking van de Commissie niet kan worden verricht.Op grond van artikel 9 van verordening [nr. 659/99] kan de Commissie een door haar gegeven beschikking herroepen, ingeval deze beschikking berust op onjuiste informatie die in de loop van de procedure is verstrekt. De door de Duitse Bondsregering uiteengezette feiten betreffende de economische gegevens van het jaar 2000 hebben evenwel niet betrekking op informatie die ten tijde van de vaststelling van de beschikking bekend was en die tot een kennelijke beoordelingsfout zou hebben geleid.Aangezien de vaststelling van de factor mededinging in casu berust op de vergelijking van de ontwikkeling van het verbruik van het betrokken product met het groeiritme van de fabrieksnijverheid in haar geheel tijdens de jaren 1994 tot en met 1999, en aangezien de prognosegegevens niet onjuist waren op het tijdstip dat de beschikking werd gegeven, kan geen nieuwe beschikking worden gegeven in dezelfde zaak.Verder ziet de beschikking van de Commissie op het gehele project bouw van een productielijn voor OSB-panelen, dat door middel van een individuele steun ad hoc is gesubsidieerd. Bijgevolg is het evenmin mogelijk een onderscheid te maken tussen verschillende perioden, waarop dan verschillende factoren mededinging en bijgevolg een verschillende steunintensiteit zouden worden toegepast.Ik hoop u met deze informatie van dienst te zijn geweest.

De procedure en de conclusies van partijen

17
In die omstandigheden heeft verzoekster bij een op 17 april 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.

18
Bij een afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 augustus 2002, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft haar opmerkingen hierover ingediend op 8 oktober 2002.

19
Verzoekster concludeert in haar verzoekschrift, dat het het Gerecht behage:

de bestreden handeling nietig te verklaren;
de bestreden handeling nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.
de Commissie te verwijzen in de kosten.

20
De Commissie concludeert in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid, dat het het Gerecht behage:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.
verzoekster te verwijzen in de kosten.

21
Verzoekster concludeert in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, dat het het Gerecht behage:

de exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen en het beroep ontvankelijk te verklaren;
de exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen en het beroep ontvankelijk te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.
de Commissie te verwijzen in de kosten.

In rechte

22
Krachtens artikel 114, lid 1, van Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij hierom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid, zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens lid 3 van ditzelfde artikel geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu is het Gerecht van oordeel dat het voldoende is geïnformeerd door de stukken en dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend.

Argumenten van partijen

23
De Commissie voert in de eerste plaats aan dat niet elke brief die zij stuurt in antwoord op een verzoek, een beschikking is (beschikking Gerecht van 27 oktober 1999, Meyer/Commissie, T-106/99, Jurispr. blz. II-3273, punt 31). De bestreden handeling is geen handeling waartegen beroep kan worden ingesteld, aangezien zij geen rechtsgevolgen in het leven roept en evenmin beoogt dergelijke gevolgen in het leven te roepen (arrest Hof van 22 juni 2000, Nederland/Commissie, C-147/96, Jurispr. blz. I-4723, punt 26).

24
Ook formeel gezien vormt de bestreden handeling geen beschikking. Deze handeling is immers ondertekend door de directeur van het directoraat Staatssteun II van het directoraat-generaal Concurrentie en niet door een lid van de Commissie. Bovendien bevat zij geen enkele verwijzing naar een beschikking van de Commissie, die als enige bevoegd is om ─ als college ─ een officiële beschikking vast te stellen. Anders dan verzoekster stelt, vormt dit evenwel geen aanwijzing dat het collegialiteitsbeginsel is geschonden, maar toont het integendeel aan dat het niet om een beschikking van de Commissie gaat.

25
Ten slotte kan de bestreden handeling hoe dan ook niet als een beschikking worden aangemerkt, omdat in casu geen aanmelding van een nieuwe steun is verricht waarop bij wege van deze handeling zou zijn beslist. De nationale autoriteiten kunnen weliswaar een voornemen tot toekenning van nieuwe steun of tot wijziging van reeds verleende steun aanmelden, doch de brief van 3 januari 2002 kan niet als aanmelding van een dergelijk steunvoornemen worden beschouwd en bevat gewoon een verzoek om rectificatie van een reeds vastgestelde beschikking waarbij de steun voor het volledige aangemelde bedrag werd toegestaan.

26
In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de bestreden handeling, zoals uit de inhoud ervan blijkt, indien zij een beschikking vormt, slechts een bevestiging van de beschikking van 3 juli 2001 is.

27
In dit verband merkt de Commissie allereerst op dat de bestreden handeling kennelijk niet is voorafgegaan door een nieuw onderzoek van de situatie en dat, gelijk verzoekster zelf erkent, in casu noch een eerste onderzoek is verricht noch de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure is ingeleid.

28
Verder bevat de bestreden handeling geen nieuwe elementen ten opzichte van de beschikking van 3 juli 2001, doch vermeldt zij kort om welke redenen deze beschikking niet kan worden gewijzigd. Met betrekking tot de informatie betreffende het jaar 2000 die de Duitse autoriteiten bij brief van 3 januari 2002 hadden meegedeeld, wordt in de bestreden handeling slechts verklaard dat de beschikking niet berust op gegevens die onjuist waren ten tijde van de vaststelling ervan, en dat de informatie voor het jaar 2000 op die datum nog niet bekend was.

29
Ten slotte gaat het in casu, anders dan verzoekster in haar verzoekschrift betoogt, niet om een wijziging van een reeds met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaarde steun die wegens een verkeerde beoordeling door de Commissie op een te laag niveau zou zijn vastgesteld. Integendeel, de Commissie heeft de factor mededinging toegepast die haar door de Bondsregering was meegedeeld en heeft haar beschikking op deze factor gebaseerd. In die omstandigheden was er geen reden om de steun die reeds was toegekend en bij de beschikking van 3 juli 2001 was goedgekeurd, aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, of om elementen in aanmerking te nemen die niet bekend waren ten tijde van de vaststelling van deze beschikking.

30
Ten slotte voert de Commissie aan dat, zelfs indien de bestreden handeling een voor beroep vatbare handeling vormt, verzoekster geen belang heeft bij de nietigverklaring ervan (arrest Gerecht van 30 januari 2002, Nuove Industrie Molisane/Commissie, T-212/00, Jurispr. blz. II-347, punt 33).

31
Verzoekster brengt in de eerste plaats hiertegen in dat de bestreden handeling een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG vormt. Dienaangaande wijst zij erop dat een handeling vatbaar is voor beroep, wanneer zij bindende externe rechtsgevolgen sorteert (arrest Hof van 20 maart 1997, Frankrijk/Commissie, C-57/95, Jurispr. blz. I-1627, punt 7). Om uit te maken of de bestreden handeling dergelijke gevolgen in het leven roept of beoogt te roepen, dient naar de inhoud ervan te worden gekeken. Ter zake bestaat het bindende externe rechtsgevolg van de bestreden handeling hierin dat de Commissie het door de Bondsrepubliek Duitsland ingediende verzoek om rectificatie van de beschikking van 3 juli 2001 afwijst. De afwijzing van een verzoek om rectificatie van een beschikking vormt op haar beurt een beschikking. Indien dit niet zo zou zijn, zou ieder verzoek om rectificatie van een beschikking kunnen worden afgewezen met een eenvoudige verwijzing naar de eerste beschikking, zonder dat de belanghebbende tegen deze afwijzing zou kunnen opkomen.

32
Het argument van de Commissie dat de bestreden handeling geen formele beschikking van het college van de leden van de Commissie vormt, is volgens verzoekster niet overtuigend. De vorm waarin handelingen of besluiten zijn vastgesteld, is in beginsel immers van geen belang voor de vraag of zij vatbaar zijn voor beroep. Om vast te stellen of het gaat om handelingen in de zin van artikel 230 EG, moet naar de inhoud ervan worden gekeken (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9; arrest Gerecht van 12 september 2002, DuPont Teijin Films Luxembourg e.a./Commissie, T-113/00, Jurispr. blz. II-3681, punt 45). Dit geldt ook voor brieven die niet door een lid van de Commissie, maar door een ambtenaar zijn ondertekend (beschikking Gerecht van 4 mei 1998, BEUC/Commissie, T-84/97, Jurispr. blz. II-795, punten 47 en 48), voorzover zij ─ zoals in casu ─ en definitieve beoordeling van een verzoek bevatten.

33
In de tweede plaats, en anders dan de Commissie betoogt, is de bestreden handeling volgens verzoekster niet louter een bevestiging van de beschikking van 3 juli 2001. De bestreden handeling is immers vastgesteld na een onderzoek van de nieuwe, bij de brief van 3 januari 2002 gesignaleerde feiten en vormt bijgevolg een voor beroep vatbare handeling.

34
Ten slotte is verzoekster van mening dat zij een rechtmatig belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling, overeenkomstig de redenering die het Gerecht in punt 47 van zijn arrest Nuove Industrie Molisane/Commissie, reeds aangehaald, heeft gevolgd. In dit verband betoogt verzoekster dat de Commissie, indien zij van mening was dat de brief van 3 januari 2002 geen volledige aanmelding was, de betrokken lidstaat de nodige informatie had moeten vragen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 659/1999.

Beoordeling door het Gerecht

35
Vooraf zij eraan herinnerd dat de Commissie bij de beschikking van 3 juli 2001, die op grond van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 659/1999 is vastgesteld, heeft besloten, geen bezwaar te maken tegen het door de Bondsrepubliek Duitsland aangemelde steunvoornemen ten gunste van verzoekster en dat zij het totale bedrag van de aangemelde steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, nadat zij had vastgesteld dat het bedrag van de voorgenomen steun in overeenstemming was met de toegestane maximale steun, en zij dit voornemen aan de andere criteria van de multisectorale kaderregeling had getoetst. Voor de berekening van de maximale intensiteit van deze steun heeft de Commissie op de factor T (mededinging) de correctiecoëfficiënt toegepast die de Bondsrepubliek Duitsland in de loop van de administratieve procedure bij brief van 19 juni 2001 had aangemeld, namelijk 0,75.

36
Bij het onderzoek van de factor T heeft de Commissie haar beoordeling en haar conclusies gebaseerd op de gegevens die de Duitse autoriteiten in de loop van de administratieve procedure hadden verstrekt met betrekking tot de evolutie van de markt van de betrokken producten ─ te weten de markt van OSB en multiplex (welke onderling vervangbare producten zijn) ─ in de EER tijdens de periode 1994-2000, en op een vergelijking van deze gegevens met die betreffende de ontwikkeling van de fabrieksnijverheid in haar geheel tijdens diezelfde periode.

37
Wat inzonderheid het jaar 2000 betreft, heeft de Commissie in punt 33 van de considerans van de beschikking van 3 juli 2001 geoordeeld dat de verwachtingen voor dat jaar grotendeels op een raming en niet op vastgestelde waarden berustten, en dat er geen voor een vergelijking dienstige betrouwbare gegevens over de ontwikkeling van de klaarblijkelijke consumptie in de fabrieksnijverheid in haar geheel voorhanden waren. Bovendien wees een door de Organisatie van de Verenigde Naties voor voedsel en landbouw verricht onderzoek ( ECE/FAO: Forest Products Annual Market Review 1999-2000) ( EEG/FAO-rapport over de markt van bosbouwproducten 1999-2000) op een andere ontwikkeling van de markt. Ten slotte, en vooral, was de Commissie van mening dat de positieve trend over één jaar niet volst[ond] om te concluderen dat het relatieve groeiritme op een sterke tendens tot herstel van de markt [wees].

38
De Commissie was in hetzelfde punt van de considerans voorts van mening dat de relevante markt, ondanks enkele tekenen van herstel in de afgelopen jaren, moest worden beschouwd als een krimpende markt in vergelijking met de evolutie van de fabrieksnijverheid in haar geheel.

39
Gelet op een en ander is de Commissie in punt 36 van de considerans van de beschikking van 3 juli 2001 tot de slotsom gekomen dat het betrokken project, dat tot een capaciteitsuitbreiding leidt in een sector met een structurele overcapaciteit, op een krimpende markt zou worden uitgevoerd, en dat derhalve de op de factor T toe te passen correctiecoëfficiënt, overeenkomstig punt 3.10.1, sub iii, van de multisectorale kaderregeling, die was welke door de Duitse autoriteiten was aangemeld, te weten 0,75.

40
Uit een en ander volgt dat de Commissie bij haar beschikking van 3 juli 2001 de voorgenomen staatssteun ten gunste van verzoekster in zijn geheel heeft toegestaan overeenkomstig de door de Bondsrepubliek Duitsland verrichte aanvraag.

41
Verder moet worden uitgemaakt of de bestreden handeling een beschikking is, zoals verzoekster stelt, dan wel, zoals de Commissie betoogt, een louter informatieve handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld.

42
Volgens vaste rechtspraak volstaat het niet dat een gemeenschapsinstelling een brief heeft gezonden in antwoord op een verzoek, opdat deze brief zou kunnen worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 230 EG, die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring (arrest Gerecht van 22 mei 1996, AITEC/Commissie, T-277/94, Jurispr. blz. II-351, punt 50; beschikkingen Gerecht van 4 oktober 1996, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, T-5/96, Jurispr. blz. II-1299, punt 26, en Meyer/Commissie, reeds aangehaald, punt 31).

43
Verder is het vaste rechtspraak dat alleen handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 230 EG (arresten Hof, IBM/Commissie, reeds aangehaald, punt 9, en 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, C-68/94 en C-30/95, Jurispr. blz. I-1375, punt 62; arresten Gerecht van 4 maart 1999, Assicurazioni Generali en Unicredito/Commissie, T-87/96, Jurispr. blz. II-203, punt 37; 22 maart 2000, Coca-Cola/Commissie, T-125/97 en T-127/97, Jurispr. blz. II-1733, punt 77, en 18 september 2001, M6 e.a./Commissie, T-112/99, Jurispr. blz. II-2459, punt 35; beschikking BEUC/Commissie, reeds aangehaald, punt 43).

44
Om uit te maken of een handeling dergelijke gevolgen sorteert, moet te rade worden gegaan met de wezenlijke inhoud ervan (beschikking Hof van 13 juni 1991, Sunzest/Commissie, C-50/90, Jurispr. blz. I-2917, punt 12; arresten Frankrijk e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 63, en Coca-Cola/Commissie, reeds aangehaald, punt 78).

45
Het Gerecht is van oordeel dat de bestreden handeling niet als een beschikking kan worden opgevat. Zowel uit de vorm en de inhoud van de brief van 3 januari 2002 en van de bestreden handeling, als uit de identiteit van de auteurs ervan, blijkt dat deze brief en deze handeling slechts de uitdrukking zijn van, respectievelijk, een informeel initiatief van de Duitse autoriteiten tot het verkrijgen, na een officieus nieuw onderzoek, van een rectificatie van de beschikking van 3 juli 2001, en een eveneens informele reactie van de ter zake van staatssteun bevoegde diensten op dit initiatief.

46
Het Gerecht wijst erop dat de in punt 15 hierboven bedoelde Mededeling van de Duitse Bondsregering aan de Europese Commissie, een niet-ondertekende en niet-gedateerde tekst is, en dat pas bij de lezing van de bestreden handeling duidelijk wordt dat deze mededeling ─ bij brief van 3 januari 2002 ─ aan de Commissie is gezonden. Wat de bestreden handeling betreft, leidt het Gerecht uit de bewoordingen zelf ervan, in het bijzonder uit die van de eerste en de laatste alinea ervan, af dat zij geenszins een formele afwijzing van een verzoek vormde, doch slechts informatie wilde verstrekken in antwoord op een geformuleerde wens. Het Gerecht wijst er overigens op dat het gebruik van dergelijke bewoordingen in de bestreden handeling in de lijn ligt van het feit dat deze handeling niet uitgaat van de Commissie zelf noch van het voor de mededinging bevoegde lid van de Commissie, maar van de directeur van het directoraat Staatssteun II van het directoraat-generaal Concurrentie, Drabbe, van wie in de bestreden handeling geenszins blijkt dat hij namens de Commissie een beslissing mocht nemen.

47
Bovendien is het Gerecht van mening dat deze beperkte draagwijdte van de briefwisseling tussen Happe en Drabbe ook verband houdt met het feit dat de door de Duitse Bondsregering gewenste wijziging geenszins betrekking had op de rectificatie van een materiële tik- of rekenfout, die in voorkomend geval buiten het in verordening nr. 659/1999 bepaalde strikte procedurele kader had kunnen worden verricht, maar in werkelijkheid een substantiële wijziging van de betrokken beschikking beoogde, die slechts met gebruikmaking van de in deze verordening voorziene procedures, en in het bijzonder, bij wege van aanmelding door de Bondsrepubliek Duitsland van een nieuw steunvoornemen overeenkomstig artikel 2 van deze verordening, kon worden gevraagd.

48
Een andere conclusie, namelijk dat de bestreden handeling een beschikking is, zou in casu alleen mogelijk zijn indien de brief van 3 januari 2002 met de Mededeling van de Duitse Bondsregering aan de Commissie moet worden opgevat als een aanmelding van een voornemen tot wijziging, in het voordeel van verzoekster, van de haar reeds verleende en bij de beschikking van 3 juli 2001 goedgekeurde steun, met betrekking tot welk voornemen de Commissie bij de bestreden handeling een negatieve beschikking zou hebben gegeven.

49
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 659/1999 elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie wordt aangemeld. In de aanmelding verstrekt de betrokken lidstaat alle informatie die de Commissie nodig heeft om overeenkomstig de artikelen 4 en 7 van deze verordening een beschikking te geven. De aanmeldingsplicht beoogt te verzekeren dat de Commissie in het algemene belang van de Gemeenschap tijdig toezicht kan uitoefenen op elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen (arrest Hof van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C-301/87, Jurispr. blz. I-307, punt 17, en arrest Gerecht van 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie, T-126/96 en T-127/96, Jurispr. blz. II-3437, punt 46).

50
Bovendien zij opgemerkt dat niets in de weg staat aan de aanmelding door de nationale autoriteiten van een nieuw steunvoornemen ten gunste van een onderneming of van een voornemen om reeds toegekende steun te wijzigen. Volgens de rechtspraak kan in een dergelijk geval, indien de Commissie een volledig of gedeeltelijk negatieve beschikking geeft ten aanzien van dit voornemen, de onderneming als begunstigde van de voorgenomen individuele steun een beroep tot nietigverklaring instellen (arresten Hof van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 5; 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, Jurispr. blz. 3809, punt 5, en 9 maart 1994, TWD, C-188/92, Jurispr. blz. I-833, punt 24; arrest Nuove Industrie Molisane/Commissie, reeds aangehaald, punt 47).

51
Vastgesteld moet evenwel worden dat dit in casu niet het geval is.

52
De brief van 3 januari 2002 kan, gelet op de inhoud ervan, niet worden opgevat als een aanmelding van een steunvoornemen strekkende tot wijziging van de reeds aan verzoekster verleende en bij de beschikking van 3 juli 2001 goedgekeurde steun. In deze brief wordt geen steun ten gunste verzoekster aangemeld en hij bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 88, lid 3, EG (zie, omtrent dit laatste punt, arrest BFM en EFIM/Commissie, reeds aangehaald, punt 47). Uit de bewoordingen van deze brief en de boodschap die hij bevat [ hierbij verzoeken wij om rectificatie van de factor mededinging (T)] blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat deze brief hooguit een verzoek inhoudt om de beschikking van 3 juli 2001, waarbij het aanvankelijk aangemelde steunbedrag volledig is toegestaan, opnieuw te onderzoeken of te wijzigen.

53
Aangezien de brief van 3 januari 2002 niet als een geldige aanmelding ─ en zelfs niet als een aanmelding ─ van een steunvoornemen strekkende tot wijziging van een reeds aan verzoekster verleende steun kan worden aangemerkt, kan niet op goede gronden worden gesteld dat de bestreden handeling met betrekking tot dit voornemen een negatieve beschikking van de Commissie vormt, waartegen verzoekster op basis van de in punt 50 hierboven aangehaalde rechtspraak een beroep tot nietigverklaring kan instellen. In dit verband moet bovendien worden vastgesteld dat de Commissie bij de bestreden handeling overduidelijk niet een eerste onderzoek heeft verricht van een steunvoornemen dat bij de brief van 3 januari 2002 zou zijn aangemeld, en evenmin de formele onderzoeksprocedure met betrekking tot een dergelijk voornemen heeft ingeleid.

54
In die omstandigheden berust het argument van verzoekster dat de Commissie, indien zij van mening was dat de brief van 3 januari 2002 geen volledige aanmelding vormde, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 659/1999, de betrokken lidstaat de nodige aanvullende informatie had moeten vragen, op een onjuiste premisse en dient het te worden afgewezen.

55
Derhalve moet worden geconcludeerd dat de bestreden handeling niet een beschikking is, maar een informatieve maatregel die niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring. Bijgevolg dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, zonder dat de andere door verweerster aangevoerde argumenten behoeven te worden onderzocht.


Kosten

56
Volgens artikel 87, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ─ uitgebreid)

beschikt:

1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)
Verzoekster wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 5 november 2003.

De griffier

De president van de Vierde kamer

H. Jung

V. Tiili


1
Procestaal: Duits.