Procedure - Interventie - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Belang bij uitkomst van geding - Geding betreffende nietigverklaring van beschikking van Commissie houdende vaststelling van schending van artikel 81, lid 1, EG - Geding beperkt tot intrekking of verlaging van aan verzoeker opgelegde geldboeten - Beschikking waarbij aan verzoeker tot tussenkomst boete is opgelegd die niet meer kan worden betwist - Geen belang
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 37, tweede alinea, en 46, eerste alinea)
$$Het begrip belang bij de beslissing van het geding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dit statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en daaronder moet worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij de toewijzing dan wel de afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. Onder beslissing" van het geding moet namelijk de aan de geadieerde rechter gevraagde eindbeslissing worden verstaan zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest. Om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van een verzoek tot tussenkomst dient met name te worden nagegaan of de interveniënt rechtstreeks wordt geraakt door de aangevochten handeling en of zijn belang bij de beslissing van het geding zeker is. In deze context dient onderscheid te worden gemaakt tussen verzoekers tot tussenkomst die aannemelijk maken rechtstreeks belang te hebben bij hetgeen wordt beslist op de specifieke handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, en verzoekers tot tussenkomst die slechts doen blijken van een indirect belang bij de beslissing van het geding wegens de gelijkenis tussen hun situatie en die van een der partijen.
De verzoeker tot tussenkomst heeft slechts een rechtstreeks en dadelijk belang wanneer na de vaststelling door de Commissie van schending van artikel 81, lid 1, EG door verschillende ondernemingen, in de hoofdzaak alleen de intrekking of verlaging van het totaalbedrag van de aan de verzoeker opgelegde geldboete wordt gevorderd, terwijl laatstgenoemde met zijn beroep het oordeel van de Commissie over de samenwerking van verzoeker tot tussenkomst in de administratieve procedure probeert te betwisten. Zodra de hoofdzaak niet de beslissing betreft waarbij aan de verzoeker tot tussenkomst een boete is opgelegd, en daartegen overigens geen beroep is ingesteld of deze beslissing niet vatbaar is voor beroep, wijzigt een arrest waarbij de door verzoeker betwiste beschikking nietig wordt verklaard of gewijzigd, niets aan de jegens de verzoeker tot tussenkomst gegeven beschikking en biedt het de Commissie, gelet op het beginsel ne bis ne idem, niet de mogelijkheid opnieuw ten gronde te beoordelen of de daarin bedoelde inbreuk inderdaad is gepleegd.
( cf. punten 26-27, 32, 34-36 )