Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Mededingingsregelingen strekkende tot neutralisering van gevolgen van rechtsregels die al te ongunstig worden geacht – Ontoelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG)

2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Rechtvaardiging van bij artikel 81, lid 1, EG verboden mededingingsregeling op basis van rule of reason – Ontoelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG)

3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededinging verstorend doel – Vaststelling toereikend

(Art. 81, lid 1, EG)

4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Begrip – Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag – Vorm van wilsuiting – Geen invloed

(Art. 81, lid 1, EG)

5. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk – Verplichting tot afbakening van relevante markt – Omvang

(Art. 81, lid 1, EG)

6. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Opzet – Begrip

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing

(Art. 229 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Bijzonder zware inbreuken – Verdeling van markt – Compartimentering van markt

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art 15, lid 2)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Duur van inbreuken – Overeenkomst die ongeacht gevolgen ervan wegens mededingingsbeperkend doel is gewraakt – Inaanmerkingneming van duur van bestaan van overeenkomst met voorbijgaan aan niet-toepassing

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomst – Beoordeling aan hand van individueel gedrag van elke onderneming

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

Samenvatting

1. Het is onacceptabel dat ondernemingen de gevolgen van rechtsregels die zij al te ongunstig achten, trachten te neutraliseren door mededingingsregelingen die ten doel hebben die nadelen te corrigeren, onder het voorwendsel dat die regels een onevenwichtigheid in hun nadeel veroorzaken.

(cf. punt 81)

2. Wanneer vaststaat dat het doel van een overeenkomst naar zijn aard mededingingsbeperkend is, zoals bij een verdeling van de clientèle het geval is, kan deze overeenkomst niet op grond van een rule of reason aan de toepassing van artikel 81, lid 1, EG ontsnappen wegens het feit dat zij ook rechtmatige doelen zou nastreven.

(cf. punt 85)

3. Voorzover een overeenkomst tussen ondernemingen ertoe strekt de mededinging te beperken, behoeft niet te worden onderzocht of zij ook tot een dergelijke beperking heeft geleid.

(cf. punten 97, 140)

4. Het wezenlijke element van het begrip overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is het bestaan van wilsovereenstemming van ten minste twee partijen, ongeacht de vorm die daaraan wordt gegeven, voorzover hij de getrouwe weergave van die wilsovereenstemming is.

(cf. punt 119)

5. De Commissie is uitsluitend verplicht in een beschikking krachtens artikel 81 EG de relevante markt af te bakenen, wanneer zonder een dergelijke afbakening niet kan worden uitgemaakt of de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

(cf. punt 144)

6. Het is niet noodzakelijk dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op de mededingingsregels van het Verdrag, om de inbreuk op deze regels als een opzettelijke inbreuk te kunnen beschouwen; het volstaat dat zij niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat het gewraakte gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken, en het is niet van belang of de onderneming zich al dan niet ervan bewust was, het verbod van artikel 81 EG te overtreden.

(cf. punt 155)

7. De zwaarte van de inbreuken op het mededingingsrecht moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat er een dwingende of uitputtende lijst van hoe dan ook in aanmerking te nemen criteria bestaat. Bovendien beschikt de Commissie over een beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen van het bedrag van de geldboeten in het kader van verordening nr. 17, teneinde het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven.

Niettemin dient het Gerecht te controleren of de hoogte van de opgelegde geldboete in verhouding staat tot de zwaarte en de duur van de inbreuk, en moet het de zwaarte van de inbreuk en de door de verzoekende partij aangevoerde omstandigheden tegen elkaar afwegen. Dienaangaande lopen de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd, niet vooruit op de beoordeling van de geldboete door de gemeenschapsrechter, die daartoe krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht heeft.

(cf. punten 169‑170)

8. De verdeling en de compartimentering van de markt moeten tot de zwaarste inbreuken op artikel 81 EG worden gerekend.

Aangaande de verdeling van de markt behoren mededingingsregelingen van dit type tot die welke in artikel 81, lid 1, sub c, EG met zoveel woorden onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard. Zij worden dan ook als klaarblijkelijke beperkingen van de mededinging aangemerkt.

Wat de compartimentering van de gemeenschappelijke markt betreft, is een dergelijke klaarblijkelijke inbreuk op het mededingingsrecht naar zijn aard bijzonder zwaar. De meest fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap en in het bijzonder de verwezenlijking van één enkele markt worden daardoor tegengewerkt.

(cf. punten 173‑175)

9. Aangezien de Commissie de gevolgen van een overeenkomst niet heeft bewezen en zij daartoe niet verplicht was, daar de betrokken overeenkomst een mededingingsbeperkend doel had, is het feit dat de betrokken overeenkomst al dan niet ten uitvoer is gelegd, irrelevant voor de berekening van de duur van de inbreuk. Voor de berekening van de duur van een inbreuk met een mededingingsbeperkend doel moet namelijk uitsluitend worden bepaald hoe lang deze overeenkomst heeft bestaan, te weten de periode die is verstreken tussen de datum waarop zij is gesloten en die waarop zij is beëindigd.

(cf. punt 185)

10. Punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd, betreffende „het feit dat de inbreukmakende overeenkomsten of gedragsregels niet daadwerkelijk zijn toegepast”, moet niet aldus worden uitgelegd, dat het ziet op het geval waarin een mededingingsregeling, los van het individuele gedrag van elke onderneming, in haar geheel niet is toegepast. De in deze bepaling bedoelde omstandigheid betreft integendeel het individuele gedrag van elke onderneming.

(cf. punt 195)