62002O0190

Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 8 oktober 2002. - Viacom Outdoor Srl tegen Giotto Immobilier SARL. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Giudice di pace di Genova-Voltri - Italië. - Zaak C-190/02.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08287


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Prejudiciële vragen - Ontvankelijkheid - Vragen gesteld zonder voldoende precisering van juridische en feitelijke context - Vragen gesteld in context die bruikbaar antwoord uitsluit

(Art. 234 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 20)

Samenvatting


$$Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Het is bovendien onontbeerlijk dat de rechter enigszins uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt en welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de op het geschil toepasselijke nationale wetgeving. Dienaangaande dienen de in de verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens immers niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de betrokken partijen worden gebracht.

( cf. punten 14-16 )

Partijen


In zaak C-190/02,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Giudice di pace di Genova-Voltri (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen

Viacom Outdoor Srl

en

Giotto Immobilier SARL,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2 EG, 3, lid 1, sub a, b en c, EG, 23 EG, 27, sub a, b en d, EG, 31, leden 1 en 3, EG, 49 EG, 50 EG, 81 EG, 82 EG, 86 EG en 87 EG,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Wathelet en A. Rosas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: S. Alber,

griffier: R. Grass,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 9 april 2002, ingekomen ter griffie van het Hof op 22 mei daaraanvolgend, heeft de Giudice di pace te Genova-Voltri krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 2 EG, 3, lid 1, sub a, b en c, EG, 23 EG, 27, sub a, b en d, EG, 31, leden 1 en 3, EG, 49 EG, 50 EG, 81 EG, 82 EG, 86 EG en 87 EG.

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Viacom Outdoor Srl (hierna: Viacom"), gevestigd te Milaan (Italië), en Giotto Immobilier SARL (hierna: Giotto"), gevestigd te Menton (Frankrijk), in het kader van de afwikkeling van een overeenkomst.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

3 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft Viacom Giotto voor de Giudice di pace gedagvaard tot betaling van 2 082 235 LIT, ofwel 1 075,38 euro, voor aan gedaagde in het hoofdgeding geleverde diensten, bestaande in het aanplakken van reclameposters op het grondgebied van de gemeente Genua, en van schadevergoeding van 1 000 000 LIT, ofwel 516,46 euro.

4 Giotto betwist de vordering van Viacom, omdat het gevorderde bedrag de gemeentebelasting op reclame ten bedrage van 439 385 LIT - 226,92 euro - en andere aan de gemeente Genua betaalde rechten, ad 277 850 LIT - 117,97 euro - omvat.

5 Zij heeft met name gesteld dat deze bedragen, die bovenop de voor de diensten bedongen prijs worden gevorderd, niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn omschreven en dat zij deze niet kon kennen, daar belastingen op reclame, aanplakrechten of andere heffingen ten gunste van de gemeente in Frankrijk onbekend zijn.

6 Bovendien, aldus Giotto, is het toepasselijke Italiaanse recht, met name wetsdecreet nr. 507 van 15 november 1993, zoals gewijzigd, de daarmee samenhangende bepalingen, alsook de krachtens dit wetsdecreet vast te stellen en door de Italiaanse gemeenten - in het bijzonder Genua waar de litigieuze verplichting is ontstaan - vastgestelde regelingen onverenigbaar met een aantal bepalingen van het EG-Verdrag.

7 Volgens Giotto is de Italiaanse regelgeving kennelijk in strijd met de artikelen 49 EG en 50 EG, aangezien zij het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap beperkt.

8 Wetsdecreet nr. 507/93, zoals gewijzigd, en de krachtens de bepalingen ervan vastgestelde gemeentelijke regelingen schenden ook de mededingingsregels van de artikelen 81 EG, 82 EG, 86 EG en 87 EG.

9 Het begrip openbaar bedrijf, zoals dit uit het gemeenschapsrecht is af te leiden, is van toepassing op de activiteit van gemeenten op het gebied van de aanplakking van reclameposters. De Italiaanse regelgeving schendt de artikelen 81 EG en 82 EG, aangezien zij de normale werking van de mededinging vervalst, doordat zij misbruik van de machtspositie van gemeenten bij de uitoefening van deze economische activiteit in de hand werkt. Zij schendt ook artikel 86 EG door in strijd met de verdragsbepalingen de gemeenten bijzondere en exclusieve rechten toe te kennen.

10 Giotto heeft ook gesteld dat de Italiaanse regelgeving inzake de gemeentebelasting op reclame en op aanplakking artikel 87 EG schendt, aangezien de Italiaanse staat via deze belasting en de andere in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechten en heffingen de gemeentelijke onderneming op verkapte wijze financiert, ook al wordt de betrokken activiteit rechtstreeks beheerd door ad-hocdiensten.

11 De Giudice di Pace vraagt zich voorts af of de artikelen 2 EG, 3, lid 1, sub a, b en c, EG, 23 EG, 27, sub a, b en d, EG, en 31, leden 1 en 3, EG zich verzetten tegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Italiaanse regelgeving die goederen aan een heffing van fiscale aard - met inbegrip van het als rechten gekwalificeerde gedeelte - onderwerpt op een tijdstip waarop ze op het punt staan om met de nodige publiciteit op het Italiaanse grondgebied te koop te worden aangeboden, terwijl Italiaanse goederen die in de rest van de Gemeenschap in de handel worden gebracht, niet aan een dergelijke heffing zijn onderworpen.

12 In deze omstandigheden heeft de Giudice di pace di Genova-Voltri het Hof de volgende vragen gesteld:

1) Schending van de artikelen 49 EG en 50 EG

Verzetten de artikelen 49 EG en 50 EG, bij een juiste uitlegging, zich tegen de wet van de Italiaanse staat die de reclamebelasting en de aanplakrechten invoert en regelt en daarbij het exclusieve beheer aan de Italiaanse gemeenten voorbehoudt, en omvat het begrip dienstverrichting in artikel 50 EG ook de activiteit van gemeentelijke diensten of van met het beheer van deze economische activiteit belaste diensten?

Betekent de omstandigheid dat in andere lidstaten geen met de Italiaanse wetgeving vergelijkbare regeling bestaat, tegen de achtergrond van de uitlegging van genoemde verdragsbepalingen, dat de Italiaanse wetgeving de concrete en werkelijke vrijheid van dienstverrichting binnen de Gemeenschap belemmert? Wordt de vrije dienstverrichting binnen de Gemeenschap belemmerd:

a) doordat een belasting als de onderhavige bestaat,

b) doordat bijzondere vergunningen nodig zijn, de verlening waarvan afhankelijk is van de goedkeuring van commissies waarin alleen de leden die bij de gemeente werkzaam zijn, stemrecht hebben en niet tevens andere economische groeperingen, die wel eigen vertegenwoordigers kunnen aanwijzen, maar zonder stemrecht,

c) doordat de plaatsen voor de uitoefening van de activiteit beperkt zijn en rechten en retributies, ook voor aanplakking op plaatsen in particulier bezit, worden geheven?

2) Schending van de artikelen 81 EG, 82 EG, 86 EG en 87 EG

Moeten deze artikelen aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling die, door de invoering van een belasting op buitenreclame of van rechten op openbare aanplakking ten gunste van de gemeenten op het grondgebied waarvan die economische activiteiten worden verricht, en door aan de gemeenten de exclusieve uitoefening van de activiteit van aanplakking van reclameboodschappen voor te behouden, uiteindelijk een verkapte financiering van het gemeentelijke reclamebedrijf bewerkstelligt? De geldende Italiaanse regeling lijkt namelijk de Italiaanse gemeenten in de uitoefening van de ondernemingsactiviteit van aanplakken op het nationale grondgebied een machtspositie te geven op de markt voor reclameactiviteiten en ze aan de vrije mededinging te onttrekken. Door de gemeenten en hun openbare aanplakkingsbedrijven in strijd met de gemeenschapsregels bijzondere en exclusieve rechten toe te kennen, kan de Italiaanse Staat in strijd handelen met artikel 86 EG. Daar de betrokken activiteit niet als dienst van algemeen economisch belang kan worden gezien, evenmin als dat de uitoefening van een economische activiteit als het aanplakken van reclameposters, die kennelijk een bedrijfsactiviteit is, kan gelden als de aan de gemeente opgedragen hoofdtaak of taak van algemeen belang, hoe moet artikel 87 EG worden uitgelegd gelet op de daarin bepaalde afwijkingen, en kunnen de in de Italiaanse wetgeving voorziene voorwaarden en situaties worden beschouwd als afwijkingen die door het Verdrag zijn toegestaan, mede tegen de achtergrond van het arrest van 20 maart 1985, [Italië/Commissie], C-41/83, [Jurispr. blz. 873], waarin het Hof heeft verklaard dat: ,de toepassing van artikel 90, lid 2, EEG-Verdrag [thans artikel 86, lid 2, EG] niet is overgelaten aan het goeddunken van de lidstaat die het beheer van een dienst van algemeen economisch belang aan een onderneming opdraagt. Ingevolge artikel 90, lid 3 [thans artikel 86, lid 3, EG], heeft de Commissie ter zake immers een controlerende functie, die zij uitoefent onder toezicht van het Hof?

3) Schending van artikel 2 EG, artikel 3, lid 1, sub a, b en c, EG, artikel 23 EG, artikel 27 sub a, b en d, EG, artikel 31, leden 1 en 3, EG

Kunnen deze artikelen aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wet van een lidstaat - in casu Italië - die voorziet in een heffing op reclame en in de betaling van rechten op openbare aanplakking, waaronder deze heffing, ten gunste van de gemeenten die het alleenrecht hebben om posters aan te plakken?"

Beoordeling door het Hof

13 Nagegaan moet worden of de verwijzingsbeschikking de noodzakelijke gegevens bevat op grond waarvan het Hof tot een voor de nationale rechter bruikbare uitlegging van het gemeenschapsrecht kan komen na de in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG genoemde partijen te hebben gehoord.

14 De in de verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens dienen immers niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen te maken (beschikking van 2 maart 1999, Colonia Versicherung e.a., C-422/98, Jurispr. blz. I-1279, punt 5). Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissing ter kennis van de betrokken partijen wordt gebracht (arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a., 141/81-143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6; beschikking van 13 maart 1996, Banco de Fomento e Exterior, C-326/95, Jurispr. blz. I-1385, punt 7, arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C-176/96, Jurispr. blz. I-2681, punt 23 en beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C-116/00, Jurispr. blz. I-4979, punt 14).

15 Volgens vaste rechtspraak is het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie met name arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90-C-322/90, Jurispr. blz. I-393, punt 6; beschikkingen van 19 maart 1993, Banchero, C-157/92, Jurispr. blz. I-1085, punt 4; van 30 april 1998, Testa en Modesti, C-128/97 en C-137/97, Jurispr. blz. I-2181, punt 5; van 8 juli 1998, Agostini, C-9/98, Jurispr. blz. I-4261, punt 4; beschikking Colonia Versicherung e.a., reeds aangehaald, punt 4, en arrest Lehtonen en Castors Braine, reeds aangehaald, punt 22, en beschikking Laguillaumie, reeds aangehaald, punt 15).

16 Ook heeft het Hof erop gewezen, dat het van belang is dat de nationale rechter de precieze redenen vermeldt waarom hij twijfelt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht en het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof noodzakelijk acht (beschikkingen van 25 juni 1996, Italia Testa, C-101/96, Jurispr. blz. I-3081, punt 6; Testa en Modesti, reeds aangehaald, punt 15, en Agostini, reeds aangehaald, punt 6). Zo heeft het Hof verklaard dat het onontbeerlijk is, dat de nationale rechter enigszins uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt en welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de op het geschil toepasselijke nationale wetgeving (beschikking van 7 april 1995, Grau Gomis e.a., C-167/94, Jurispr. blz. I-1023, punt 9).

17 De verwijzingsbeslissing bevat evenwel onvoldoende gegevens om aan deze eisen te voldoen.

18 Met name kwalificeert de verwijzende rechter de elementen waarvan wordt gesteld dat zij douanerechten of heffingen van gelijke werking in de zin van artikel 23 EG, beperkingen in de zin van artikel 49 EG, misbruik van machtspositie in de zin van de artikelen 82 EG en 86 EG of steunmaatregelen van de staten in de zin van artikel 87 EG kunnen vormen, als aan de gemeente Genua betaalde gemeentebelasting op reclame" en rechten en heffingen". De voorwaarden voor de betaling van deze gemeentebelasting, rechten en heffingen worden nader gepreciseerd.

19 Nu het belastbaar feit niet nader wordt gepreciseerd, kan niet worden nagegaan of de belasting wordt geheven wegens de grensoverschrijding van een product tussen lidstaten, hetgeen de voorwaarde is voor de toepassing van artikel 23 EG, dan wel of zij de activiteiten van een in een andere lidstaat dan Italië gevestigde dienstverrichter of -ontvanger verhindert of meer belemmert (zie, aangaande de discriminatie van een dienstverrichter, arrest van 29 november 2001, De Coster, C-17/00, Jurispr. blz. I-9445, punt 35).

20 Evenzo kan, wegens het ontbreken van gegevens over de schuldenaar van deze bedragen, niet worden bepaald welke marktdeelnemer zou kunnen worden belemmerd in het verrichten of ontvangen van diensten. Doordat de algemene context van de betrokken wettelijke regeling niet wordt beschreven, kunnen evenmin dienstige opmerkingen worden geformuleerd over het bestaan van een eventuele dwingende reden van algemeen belang, bijvoorbeeld van financiële, stedenbouwkundige of andere aard, die deze belemmering kan rechtvaardigen.

21 Wat de toepassing van de mededingingsregels betreft, kan bij gebreke van gegevens over de met het beheer van de aanplakking in de gemeenten door de wet belaste instelling, de structuur en financiering ervan met name niet worden uitgemaakt, in de eerste plaats of het om een onderneming" in de zin van de toepasselijke communautaire mededingingsregels gaat, in de tweede plaats of, zoals de verwijzende rechter stelt, deze instelling geen onderneming belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang" in de zin van artikel 86 EG is, in de derde plaats of de toegepaste tarieven misbruik van machtspositie in de zin van artikel 81 EG kunnen vormen (zie, dienaangaande arrest van 10 december 1991, Merci convenzionale porto di Genova, C-179/90, Jurispr. blz. I-5889, punten 16-20) en ten slotte in de vierde plaats of de financiering ervan in strijd is met de gemeenschapsregels inzake staatssteun (zie, dienaangaande arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punten 58-62).

22 Bij gebreke van voldoende gegevens kan niet worden uitgemaakt, wat het concrete uitleggingsprobleem is dat de afzonderlijke bepalingen van gemeenschapsrecht waarvan de rechter om uitlegging verzoekt, zouden kunnen opwerpen. Het vereiste van nauwkeurigheid ten aanzien van het feitelijk en juridisch kader geldt in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door feitelijk en juridisch complexe situaties wordt gekenmerkt (beschikking Banchero, reeds aangehaald, punt 5, en arrest Lehtonen en Castors Braine, reeds aangehaald, punt 22, en beschikking Laguillaumie, punt 19).

23 De verwijzende rechter heeft weliswaar verschillende processtukken en met name tal van wettelijke en bestuursrechtelijke teksten inzake aanplakking aan zijn beschikking gehecht.

24 De nationale rechter behoort echter in de verwijzingsbeslissing zelf aangeven wat het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding is, welke redenen hem ertoe hebben gebracht een vraag te stellen over de uitlegging van bepaalde communautaire bepalingen in het bijzonder, en welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de op dit geschil toepasselijke nationale wetgeving (beschikking Laguillaumie, reeds aangehaald, punt 23).

25 De verwijzingsbeslissing dient als basis voor de procedure bij het Hof. Zoals in punt 14 van de onderhavige beschikking is aangegeven, wordt overigens overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG alleen deze beslissing aan de belanghebbende partijen, zoals de lidstaten, betekend, vergezeld van een vertaling in de officiële taal van iedere lidstaat (beschikking Laguillaumie, punt 24).

26 Mitsdien moet met toepassing van de artikelen 92 en 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk zijn.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

27 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer)

beschikt:

Het bij beschikking van 9 april 2002 door de Giudice di pace di Genova-Voltri ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.