Zaak C‑239/02

Douwe Egberts NV

tegen

Westrom Pharma NV e.a.

(verzoek van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt om een prejudiciële beslissing)

„Harmonisatie van wetgevingen – Uitlegging van artikel 28 EG en van richtlijnen 1999/4/EG en 2000/13/EG – Geldigheid van richtlijn 1999/4/EG – Etikettering van en reclame voor levensmiddelen – Verbod van verwijzingen naar gezondheid”

Samenvatting van het arrest

1.        Harmonisatie van wetgevingen – Etikettering en presentatie van levensmiddelen – Extracten van koffie en extracten van chicorei – Richtlijn 1999/4 – Verkoopbenamingen – Gelijktijdig gebruik van fantasienaam of handelsmerk – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 1999/4 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2)

2.        Harmonisatie van wetgevingen – Etikettering en presentatie van en reclame voor levensmiddelen – Richtlijn 2000/13 – Nationale regeling die verwijzingen naar „vermageren” en naar „medische aanbevelingen of attesten” in etikettering van levensmiddelen verbiedt – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

(Richtlijn 2000/13 van het Europees Parlement en de Raad, art. 18, leden 1 en 2)

3.        Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Nationale regeling die verwijzingen naar „vermageren” en naar „medische aanbevelingen of attesten” in reclame voor levensmiddelen verbiedt – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

(Art. 28 EG en 30 EG)

1.        Artikel 2 van richtlijn 1999/4 inzake extracten van koffie en extracten van chicorei, dat bepaalt dat de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde verkoopbenamingen uitsluitend mogen worden gebruikt voor de daar genoemde producten en in de handel moeten worden gebruikt ter aanduiding van die producten, moet aldus worden uitgelegd dat het niet is verboden dat bij het in de handel brengen van deze producten naast de verkoopbenamingen, andere benamingen worden gebruikt, zoals een fantasie‑ of handelsnaam.

(cf. punten 24, 29, dictum 1)

2.        Artikel 18, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/13 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame verzet zich tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de etikettering en de presentatie van levensmiddelen verbiedt.

Levensmiddelen waarvan de etikettering niet-misleidende vermeldingen op het gebied van de gezondheid bevat, moeten immers worden geacht te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, en de lidstaten mogen de verhandeling van deze levensmiddelen niet verbieden op gronden die zijn ontleend aan de eventuele onregelmatigheid van die etikettering. Richtlijn 2000/13 staat de lidstaten evenwel toe, niet-geharmoniseerde nationale bepalingen, zoals de in het geding zijnde regeling, toe te passen die de verhandeling van aan deze richtlijn conforme levensmiddelen verbieden, wanneer deze bepalingen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van met name de bescherming van de volksgezondheid en van de consumenten. Een dergelijke regeling gaat echter verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(cf. punten 38‑39, 44, 47, dictum 2)

3.        De artikelen 28 EG en 30 EG verzetten zich tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in reclame voor uit andere lidstaten ingevoerde levensmiddelen verbiedt.

Het is immers niet uitgesloten dat het feit dat de betrokken marktdeelnemer gedwongen wordt, een door hem bijzonder doeltreffend geacht reclamesysteem op te geven, een invoerbelemmering vormt.

Bovendien kan een absoluut verbod op reclame voor de eigenschappen van een product de toegang tot de markt sterker belemmeren voor nieuwe producten uit andere lidstaten dan voor nationale producten, waarmee de consument meer vertrouwd is.

Een dergelijke belemmering kan bovendien niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de gezondheid van personen en het tegengaan van misleiding, aangezien een dergelijke regeling verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(cf. punten 52‑53, 56, 59, dictum 3)




ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
15 juli 2004(1)

„Harmonisatie van wetgevingen – Uitlegging van artikel 28 EG en richtlijnen 1999/4/EG en 2000/13/EG – Geldigheid van richtlijn 1999/4/EG – Etikettering en presentatie van levensmiddelen – Verbod van verwijzingen naar gezondheid”

In zaak C-239/02,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt (België), in het aldaar aanhangige geding tussen

Douwe Egberts NV

en

Westrom Pharma NV,Christophe Souranis, handelend onder de handelsnaam „Établissements FICS” en tussen

Douwe Egberts NV

en

FICS-World BVBA,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 28 EG, de uitlegging en de geldigheid van artikel 2 van richtlijn 1999/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake extracten van koffie en extracten van cichorei (PB L 66, blz. 26), en de uitlegging van artikel 18 van richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109, blz. 29),wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,



samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), R. Schintgen en N. Colneric, rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

Douwe Egberts NV, vertegenwoordigd door G. Glas en A. Wilsens, advocaten,

FICS-World BVBA, vertegenwoordigd door Y. Van Wallendael, advocaat,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,

het Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Baas en M. Moore als gemachtigden,

de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Karlsson als gemachtigde,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. França en H. M. H. Speyart als gemachtigden,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Douwe Egberts NV, vertegenwoordigd door T. Heremans, advocaat; FICS-World BVBA, vertegenwoordigd door Y. Van Wallendael en door M. Roosen, advocaat; de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder en D. Haven als gemachtigden; het Parlement, vertegenwoordigd door A. Baas en M. Moore; de Raad, vertegenwoordigd door E. Karlsson en door B. Driessen als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy en A. Nijenhuis als gemachtigden, ter terechtzitting van 6 november 2003,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2003,

het navolgende



Arrest



1
Bij beschikking van 28 juni 2002, binnengekomen bij het Hof op 1 juli daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van Koophandel te Hasselt krachtens artikel 234 EG prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 28 EG, de uitlegging en de geldigheid van artikel 2 van richtlijn 1999/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake extracten van koffie en extracten van cichorei (PB L 66, blz. 26), en de uitlegging van artikel 18 van richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109, blz. 29).

2
Deze vragen zijn gerezen in een geding betreffende het op de Belgische markt brengen van een product onder de naam „DynaSvelte Koffie” onder voorwaarden die volgens de vennootschap Douwe Egberts NV (hierna: „Douwe Egberts”) in strijd zijn met de nationale bepalingen betreffende de etikettering en de reclame voor voedingsmiddelen.


Het rechtskader

De communautaire regeling

3
Artikel 2 van richtlijn 1999/4 bepaalt:

„Richtlijn 79/112/EEG is van toepassing op de in de bijlage omschreven producten, met dien verstande dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

a)
de in de bijlage genoemde verkoopbenamingen mogen uitsluitend worden gebruikt voor de daar genoemde producten en moeten in de handel worden gebruikt ter aanduiding van die producten. Deze benamingen worden, in voorkomend geval, aangevuld met de woorden:

‚pasta’ of ‚in pastavorm’

of

‚vloeibaar’ of ‚in vloeibare vorm’.

[…]”

4
Artikel 3 van dezelfde richtlijn bepaalt:

„De lidstaten stellen met betrekking tot de in de bijlage omschreven producten, geen nationale bepalingen vast die niet in deze richtlijn zijn voorzien.”

5
Punt 1 van de bijlage bij richtlijn 1999/4, met als titel „Koffie-extract, oplosbaar koffie-extract, oploskoffie of instantkoffie”, bepaalt onder meer:

„Is het geconcentreerde product dat wordt verkregen door extractie van gebrande koffiebonen, waarbij uitsluitend water als extractiemiddel wordt gebruikt met uitsluiting van elk hydrolyseprocédé waarbij zuren of basen worden toegevoegd.

[...]

Koffie-extract in vaste of pastavorm mag geen andere bestanddelen bevatten dan die welke afkomstig zijn van de extractie van de koffie. [...]”

6
De vierde, de vijfde, de zesde en de achtste overweging van de considerans van richtlijn 2000/13 luiden als volgt:

„(4)
De onderhavige richtlijn moet ertoe strekken communautaire voorschriften van algemene en horizontale aard op te stellen die van toepassing zijn op alle levensmiddelen die in de handel worden gebracht.

(5)
In tegenstelling daarmee moeten de voorschriften van specifieke en verticale aard die uitsluitend betrekking hebben op bepaalde levensmiddelen worden vastgesteld in het kader van de bepalingen die voor deze producten gelden.

(6)
Bij iedere vorm van reglementering op het gebied van de etikettering van levensmiddelen dient in de eerste plaats te worden uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen.

(8)
Een gedetailleerde etikettering betreffende de precieze aard en de karakteristieken van de producten, die de verbruiker in staat stelt met kennis van zaken zijn keuze te bepalen, is het meest geschikt in de mate dat zij het vrije handelsverkeer het minst belemmert.”

7
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/13 bepaalt:

„De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd:

a)
mogen de koper niet kunnen misleiden, onder meer:

i)
ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel en met name van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging,

ii)
door aan het levensmiddel effecten of eigenschappen toe te schrijven die het niet bezit,

iii)
door hem te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten;

b)
mogen, onder voorbehoud van de communautaire bepalingen ten aanzien van natuurlijk mineraalwater en voor een bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, aan levensmiddelen geen eigenschappen toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte van de mens, of toespelingen maken op dergelijke eigenschappen.”

8
Artikel 2, lid 3, sub b, van deze richtlijn preciseert dat de verbodsbepalingen of de beperkingen, bedoeld in de leden 1 en 2, eveneens betrekking hebben op de reclame.

9
Artikel 3, lid 1, van dezelfde richtlijn bepaalt:

„Op de etikettering van levensmiddelen moeten, onder de voorwaarden en onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 17, uitsluitend de volgende gegevens worden vermeld:

1. de benaming waaronder het product wordt verkocht,

[...]”

10
Artikel 5 van die richtlijn bepaalt:

„1. De verkoopbenaming van een levensmiddel is de benaming van dat levensmiddel vermeld in de hierop toepasselijke communautaire bepalingen.

[...]

2. Een fabrieks- of handelsmerk of een fantasienaam mag niet in de plaats treden van de verkoopbenaming.

[...]”

11
Artikel 18 van richtlijn 2000/13 bepaalt:

„1. De lidstaten mogen de handel in levensmiddelen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, niet verbieden door de toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van bepaalde levensmiddelen of van levensmiddelen in het algemeen.

2. Lid 1 is niet van toepassing op de niet-geharmoniseerde nationale bepalingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van:

de bescherming van de volksgezondheid,

het tegengaan van misleiding, mits deze bepalingen niet van dien aard zijn dat daarmee de toepassing van de in deze richtlijn vervatte definities en voorschriften wordt belemmerd,

de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, de aanduidingen van herkomst en oorsprong, alsmede het tegengaan van oneerlijke concurrentie.”

De nationale regeling

12
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 maart 1987 betreffende koffie en koffiesurrogaten (Belgisch Staatsblad van 12 juni 1987, blz. 9035) luidt als volgt:

„Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° koffie: de behoorlijk gereinigde en gerooste zaadkern van de koffieboon (soorten van het geslacht Coffea); […]”

13
Artikel 3, § 1, van dit koninklijk besluit bepaalt:

„Bij het in de handel brengen mogen uitsluitend en moeten de in artikel 1 bedoelde voedingsmiddelen aangeduid worden met één van de benamingen die overeenstemt met de in dit artikel gegeven definitie”.

14
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen (Belgisch Staatsblad van 6 mei 1980, blz. 5476) bepaalt:

„In de reclame voor voedingsmiddelen is het verboden gebruik te maken van:

[...]

3° verwijzingen naar het vermageren;

[...]

7° verwijzingen naar medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring, met uitzondering van de vermelding dat een voedingsmiddel niet tegen medisch advies in mag verbruikt worden; [...]”


Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

15
Douwe Egberts produceert koffie en verkoopt deze op de Belgische markt onder het merk „Douwe Egberts”. Zij komt in rechte op tegen het op de markt brengen van een product, genaamd „DynaSvelte Koffie”, dat wordt vervaardigd door Westrom Pharma NV en tot en met 31 december 2001 werd verkocht door Souranis, handelend onder de handelsnaam „Établissements FICS”, en sedert 1 januari 2002 door FICS-World BVBA.

16
Douwe Egberts betoogt in het kader van een procedure in kort geding voor de Rechtbank van Koophandel dat de op de bokaal, op de verpakking en in de gebruiksaanwijzing aangebrachte vermeldingen, „de absolute doorbraak in gewichtsbeheersing”, „afslanken, betere gewichtsbeheersing, remmen van vetoverstockering” en „de in de VS gepatenteerde formule van de hand van dr. Ann de Wees Allen, verbonden aan de Glycemie Research Institute”, een inbreuk vormen op verschillende nationale wettelijke bepalingen betreffende de reclame voor en de etikettering van voedingsmiddelen.

17
Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhankelijk is van de uitlegging van het gemeenschapsrecht en van de beoordeling van de geldigheid van richtlijn 1999/4, heeft de Rechtbank van Koophandel te Hasselt de behandeling van het geding geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)
Moet artikel 2 van richtlijn 1999/4/EG […] zodanig geïnterpreteerd worden dat voor de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde producten uitsluitend de in die bijlage genoemde verkoopbenamingen mogen worden gebruikt, zonder dat naast deze verkoopbenamingen nog andere benamingen mogen gebruikt worden (bv. in een fantasie- of handelsnaam), of moet artikel 2 zodanig geïnterpreteerd worden dat enkel voor de in de bijlage bij de richtlijn genoemde producten de in die bijlage genoemde verkoopbenamingen mogen gebruikt worden, maar dat naast deze verkoopbenamingen voor die producten nog andere benamingen mogen gebruikt worden (bv. in een fantasie- of handelsnaam)?

2)
Indien het Hof […] van oordeel zou zijn dat artikel 2 van richtlijn 1999/4/EG […] zodanig moet geïnterpreteerd worden dat voor de in [de] bijlage van deze richtlijn genoemde producten uitsluitend de in die bijlage genoemde verkoopbenamingen mogen gebruikt worden, zonder dat naast deze verkoopbenamingen nog andere benamingen mogen gebruikt worden (bv. in een fantasie- of handelsnaam), vloeit daar dan niet uit voort dat deze richtlijn strijdig is met artikel 28 van het EG-Verdrag dat een verbod inhoudt van kwantitatieve invoerbeperkingen en van alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en wel om de reden dat deze richtlijn, bij toepassing van genoemde interpretatie, voor producten die voldoen aan de in de bijlage bij de richtlijn genoemde definitie voor extracten van koffie:

het gebruik van andere benamingen dan ‚koffie-extract’ of ‚instantkoffie’, zoals de benaming ‚koffie’, uitsluit;

zodoende het gebruik van de benaming ‚koffie’ voorbehoudt aan één enkele vorm van ‚koffie’, nl. de koffieboon;

en derhalve de koffiemarkt kunstmatig afschermt van concurrerende producten, die andere vormen van koffie uitmaken dan de koffieboon, zoals onder meer koffie-extracten en instantkoffie?

3)
Moeten artikel 18, lid 1, en artikel 18, lid 2, van richtlijn 2000/13/EG zodanig worden geïnterpreteerd dat niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen, alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, die bepaalde vermeldingen zoals ‚verwijzingen naar het vermageren’, en ‚verwijzingen naar medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring’ in de etikettering en/of presentatie van levensmiddelen en/of reclame ervoor verbieden, terwijl deze vermeldingen niet verboden worden door de richtlijn, schendingen uitmaken van deze richtlijn, rekening houdend met het feit dat de achtste overweging van deze richtlijn stelt dat de meest geschikte etikettering deze is die het vrije handelsverkeer het minst belemmert en dat derhalve deze nationale bepalingen niet mogen worden toegepast?

4)
Moet artikel 18, lid 2, van richtlijn 2000/13/EG zodanig worden uitgelegd dat onder ‚bescherming van de volksgezondheid’ dient verstaan te worden de niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen, alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame die bepaalde vermeldingen verbieden zoals ‚verwijzingen naar het vermageren’, en ‚verwijzingen naar medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring’?

5)
Moet artikel 28 van het EG-Verdrag zodanig geïnterpreteerd worden dat nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen, alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame die niet geharmoniseerd zijn op Europees niveau en die afwijken van richtlijn 2000/13/EG in zoverre zij bepaalde vermeldingen in de etikettering en/of presentatie van levensmiddelen en/of reclame verbieden zoals ‚verwijzingen naar het vermageren’ en ‚verwijzingen naar medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring’, moeten worden beschouwd als maatregelen van gelijke werking en/of als kwantitatieve invoerbeperkingen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap, in zoverre deze nationale bepalingen:

enerzijds een bijkomende last opleggen bij de invoer van levensmiddelen om deze conform de nationale wetgeving te maken en zodoende de handel tussen de lidstaten belemmeren

en

anderzijds niet van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers die op het nationale grondgebied hun activiteiten ontplooien, in die zin dat er volkomen gelijkaardige producten bestaan (bv. cosmetische producten) waarop deze bepalingen niet van toepassing zijn, noch enige andere gelijkwaardige bepaling van toepassing is, en deze bepalingen derhalve niet mogen worden toegepast door de nationale rechter?”


Opmerkingen vooraf

18
De Belgische regering, het Parlement en de Raad twijfelen aan de aard van het product „DynaSvelte Koffie”, die eraan in de weg zou kunnen staan dat richtlijn 1999/4 in casu van toepassing is. De Commissie wijst erop dat, indien dit product geen algemeen levensmiddel, maar een bijzonder voedingsmiddel is, het niet binnen de werkingsfeer van richtlijn 2000/13 valt.

19
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 234 EG voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend aan de nationale rechter staat aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie met name arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 38, en 5 juni 2003, Design Concept, C-438/01, Jurispr. blz. I-5617, punt 14).

20
In de onderhavige zaak moeten de gestelde vragen worden beantwoord uitgaande van de premissen waarop de verwijzende rechter zich baseert, namelijk dat het product „DynaSvelte Koffie” een algemeen levensmiddel is en dat het binnen de werkingssfeer van richtlijn 1999/4 valt.


De eerste vraag

21
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, bij het in de handel brengen van de in de bijlage bij richtlijn 1999/4 genoemde producten, uitsluitend de in die bijlage genoemde verkoopbenamingen mogen worden gebruikt, dan wel of naast de verkoopbenamingen nog andere benamingen mogen gebruikt worden, zoals een fantasie- of handelsnaam.

22
Om te beginnen dient te worden opgemerkt, dat richtlijn 2000/13 regels van algemene en horizontale aard geeft, die van toepassing zijn op alle levensmiddelen, terwijl bij richtlijn 1999/4 bepalingen van specifieke en verticale aard zijn vastgesteld, die uitsluitend betrekking hebben op extracten van koffie en van cichorei.

23
In deze context is richtlijn 1999/4 een sectorale richtlijn in de zin van de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 2000/13 en moet zij tegen de achtergrond van deze laatste richtlijn worden uitgelegd.

24
Artikel 2, sub a, van richtlijn 1999/4 bepaalt dat „de in de bijlage genoemde verkoopbenamingen […] uitsluitend [mogen] worden gebruikt voor de daar genoemde producten en […] in de handel moeten worden gebruikt ter aanduiding van die producten”.

25
Daaruit volgt enerzijds dat de verkoopbenamingen, met name „koffie‑extract”, „oplosbaar koffie‑extract”, „oploskoffie” en „instantkoffie”, uitsluitend mogen worden gebruikt voor het in de handel brengen van producten waarop richtlijn 1999/4 van toepassing is, en anderzijds dat een dergelijk gebruik verplicht is.

26
Bovendien noemt artikel 3 van richtlijn 2000/13, zoals het Parlement en de Commissie hebben gepreciseerd, de vermeldingen op die in de etikettering van levensmiddelen moeten voorkomen, waaronder de verkoopbenaming, zonder echter het gebruik van andere vermeldingen uit te sluiten.

27
Bovendien bepaalt artikel 5, lid 2, van richtlijn 2000/13 dat een fabrieks- of handelsmerk of een fantasienaam niet in de plaats mag treden van de verkoopbenaming, zonder echter te verbieden dat deze samen worden gebruikt.

28
Artikel 2 van richtlijn 1999/4 verbiedt derhalve niet het opnemen, naast de verplichte verkoopbenaming, van een fantasienaam of een handelsmerk. Een dergelijk verbod zou de informatie van de consumenten over de eigenschappen van de in het hoofdgeding bedoelde producten beperken en in strijd zijn met één van de in de zesde overweging van de considerans van richtlijn 2000/13 genoemde doelstellingen.

29
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2 van richtlijn 1999/4 aldus moet worden uitgelegd dat het niet is verboden dat bij het in de handel brengen van de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde producten naast de verkoopbenamingen, andere benamingen worden gebruikt, zoals een fantasie- of handelsnaam.


De tweede vraag

30
De vraag over de geldigheid van artikel 2 van richtlijn 1999/4 is door de verwijzende rechter slechts gesteld voor het geval dat het Hof in zijn antwoord op de eerste vraag dat artikel aldus zou hebben uitgelegd dat het verbiedt, voor de in de bijlage bij deze richtlijn vermelde producten naast de verkoopbenamingen, andere benamingen te gebruiken.

31
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.


De derde, de vierde en de vijfde vraag

32
Met deze vragen, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 28 EG en artikel 18, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/13 zich verzetten tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en in de reclame ervoor verbiedt.

33
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat het koninklijk besluit van 17 april 1980 niet alleen verbiedt dat de litigieuze vermeldingen in de reclame voor voedingsmiddelen, maar ook in de etikettering ervan worden gebruikt.

34
Zoals het Hof in zijn arrest van 12 december 1990, SARPP (C‑241/89, Jurispr. blz. I‑4695, punt 15) heeft vastgesteld, verschillen de bepalingen van de richtlijn inzake de etikettering echter op één wezenlijk punt van de bepalingen inzake de reclame. De lidstaten kunnen, wegens het algemene horizontale karakter van de richtlijn, naast de bepalingen van de richtlijn nationale voorschriften handhaven of vaststellen. Wat de etikettering betreft, zijn de grenzen van die bevoegdheid van de lidstaten door de richtlijn zelf bepaald, aangezien deze in artikel 18, lid 2, een limitatieve opsomming geeft van de gronden waarop toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen die de verhandeling van de aan de richtlijn conforme levensmiddelen verbieden, gerechtvaardigd kan zijn. Artikel 18 van richtlijn 2000/13 is echter niet van toepassing op de reclame. De vraag of het gemeenschapsrecht zich ter zake van de reclame verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling naast de bepalingen van de richtlijn, moet bijgevolg worden onderzocht tegen de achtergrond van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, in het bijzonder de artikelen 28 EG en 30 EG.

35
Derhalve dient bij het onderzoek van de betrokken nationale regeling een onderscheid te worden gemaakt naargelang het gaat om de etikettering van levensmiddelen dan wel om de reclame ervoor.

De etikettering van levensmiddelen

36
Artikel 2, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2000/13 verbiedt elke vermelding met betrekking tot ziekten van de mens, ongeacht of de consument erdoor kan worden misleid, alsmede vermeldingen die, ofschoon zij niet verwijzen naar ziekten maar veeleer naar bijvoorbeeld de gezondheid, misleidend zijn (zie arresten van 23 januari 2003, Commissie/Oostenrijk, C‑221/00, Jurispr. blz. I‑1007, punt 35, en Sterbenz en Haug, C‑421/00, C‑426/00 en C‑16/01, Jurispr. blz. I‑1065, punt 28).

37
Voorts belet artikel 18, lid 1, van richtlijn 2000/13 de lidstaten maatregelen te treffen die de handel in levensmiddelen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, verbieden.

38
Uit het voorgaande volgt dat levensmiddelen waarvan de etikettering niet-misleidende vermeldingen op het gebied van de gezondheid bevat, moeten worden geacht te voldoen aan de voorschriften van richtlijn 2000/13, en dat de lidstaten de verhandeling van die levensmiddelen niet mogen verbieden op gronden die zijn ontleend aan de eventuele onregelmatigheid van die etikettering (reeds aangehaalde arresten Commissie/Oostenrijk, punt 37, en Sterbenz en Haug, punt 30).

39
Zoals in punt 34 van dit arrest is opgemerkt, staat richtlijn 2000/13 de lidstaten evenwel toe niet-geharmoniseerde nationale bepalingen toe te passen die de verhandeling van aan de richtlijn conforme levensmiddelen verbieden, wanneer deze bepalingen op grond van artikel 18, lid 2, gerechtvaardigd zijn, zonder dat deze bepalingen moeten worden getoetst aan de artikelen 28 EG en 30 EG. Een van de daarin vermelde gronden is met name de bescherming van de volksgezondheid en van de consumenten.

40
Voorzover de litigieuze bepalingen van het koninklijk besluit van 17 april 1980 verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” absoluut verbieden, ongeacht of deze de consument kunnen misleiden en voorzover zij geen betrekking hebben op ziekten van de mens, moeten zij worden beschouwd als niet-geharmoniseerde nationale bepalingen waarvan de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht afhangt van de gronden waarop zij zijn gebaseerd, en van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

41
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/13 verbiedt enerzijds alle vermeldingen inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte van de mens, zelfs wanneer deze niet van dien aard zijn dat zij de koper misleiden, en anderzijds misleidende vermeldingen op het gebied van de gezondheid. De bescherming van de volksgezondheid, gesteld al dat zich in een bijzondere situatie risico’s van dien aard kunnen voordoen, kan echter geen rechtvaardiging vormen voor een regeling die het vrije verkeer van goederen dermate beperkt als die welke voortvloeit uit de betrokken nationale wetgeving (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten Commissie/Oostenrijk, punt 48, en Sterbenz en Haug, punt 37).

42
Er bestaan immers minder beperkende maatregelen om dergelijke overblijvende risico’s voor de gezondheid weg te nemen, zoals onder meer een op de fabrikant of de distributeur van het betrokken product rustende verplichting om, in geval van twijfel, bewijzen aan te dragen voor de materiële juistheid van de feitelijke gegevens op de etikettering (zie arrest van 28 januari 1999, Unilever, C‑77/97, Jurispr. blz. I‑431, punt 35, en arrest Sterbenz en Haug, reeds aangehaald, punt 38).

43
Een absoluut verbod om in de etikettering van voedingsmiddelen bepaalde vermeldingen inzake het vermageren of inzake medische aanbevelingen op te nemen, zonder dat geval per geval wordt nagegaan of deze vermeldingen de koper daadwerkelijk kunnen misleiden, zou tot gevolg hebben dat de levensmiddelen met deze vermeldingen in België niet vrij in de handel kunnen worden gebracht, zelfs niet ingeval deze vermeldingen niet misleidend zijn.

44
Een dergelijke maatregel gaat verder dan noodzakelijk is voor de bescherming van de consumenten tegen misleiding en kan derhalve niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 18, lid 2, van richtlijn 2000/13.

45
Bovendien verstrekken de betrokken vermeldingen, ingeval zij wetenschappelijk onderbouwd zijn, de consumenten relevante informatie die dezen er juist toe kan brengen het product te kopen en te verbruiken, of hen dit kan ontraden.

46
Aangaande ten slotte de eventuele moeilijkheid om in bepaalde gevallen vast te stellen of een bepaalde vermelding misleidend is, zij eraan herinnerd dat het aan de nationale rechter staat om zich in twijfelgevallen een oordeel te vormen, rekening houdend met de vermoedelijke verwachtingen van de gemiddelde, normaal geïnformeerde, omzichtig handelende en oplettende consument (zie met name arrest van 4 april 2000, Darbo, C‑465/98, Jurispr. blz. I‑2297, punt 20, en arrest Sterbenz en Haug, reeds aangehaald, punt 43).

47
Mitsdien moet op de derde, de vierde en de vijfde vraag met betrekking tot de etikettering van levensmiddelen worden geantwoord dat artikel 18, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als de in geding zijnde, die verwijzingen naar „het vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de etikettering en de presentatie van levensmiddelen verbiedt.

Reclame voor levensmiddelen

48
Aangaande de aspecten van de nationale regeling die betrekking hebben op de reclame voor levensmiddelen, zij opgemerkt dat enerzijds deze regeling identiek is aan de regeling inzake etikettering, en anderzijds de bepalingen van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/13 die van toepassing zijn op de etikettering, krachtens artikel 2, lid 3, sub b, van deze richtlijn eveneens van toepassing zijn op de reclame.

49
In deze omstandigheden moet, gelet op wat in de punten 36 en 40 van het onderhavige arrest is vastgesteld, worden aangenomen dat het absolute verbod van vermeldingen inzake het „vermageren” en inzake „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de reclame voor levensmiddelen, een door richtlijn 2000/13 niet-geharmoniseerde regeling vormt.

50
Het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten is een fundamenteel beginsel van het EG-Verdrag dat tot uitdrukking komt in het in artikel 28 EG geformuleerde verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten.

51
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vallen nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, buiten de werkingssfeer van artikel 28 EG, indien zij de toegang tot de markt voor producten uit een andere lidstaat niet verhinderen of meer bemoeilijken dan voor nationale producten het geval is (arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard, C‑267/91 en C‑268/91, Jurispr. blz. I‑6097, punt 17).

52
Voor levensmiddelen die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht in andere lidstaten waar overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2000/13 niet-misleidende vermeldingen inzake de gezondheid zijn toegestaan, zou de toegang tot de Belgische markt worden beperkt. Het is immers niet uitgesloten dat het feit dat de betrokken marktdeelnemer gedwongen wordt een door hem bijzonder doeltreffend geacht reclamesysteem op te geven, een invoerbelemmering vormt (zie in die zin arrest SARPP, reeds aangehaald, punt 29).

53
Bovendien kan een absoluut verbod op reclame voor de eigenschappen van een product de toegang tot de markt sterker belemmeren voor nieuwe producten uit andere lidstaten dan voor nationale producten, waarmee de consument meer vertrouwd is (zie in die zin arrest van 8 maart 2001, Gourmet International Products, C‑405/98, Jurispr. blz. I‑1795, punt 21).

54
Het in de nationale regeling geformuleerde verbod vormt derhalve een belemmering van de intracommunautaire handel die binnen de werkingssfeer van artikel 28 EG valt.

55
Een dergelijke belemmering kan slechts gerechtvaardigd zijn om een van de in artikel 30 EG genoemde redenen van algemeen belang, zoals de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, of om een van de dwingende eisen inzake onder andere de bescherming van de consumenten. Zij moet ook geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken en mag niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 9 juli 1997, De Agostini en TV-Shop, C‑34/95–C‑36/95, Jurispr. blz. I‑3843, punt 45).

56
Ter rechtvaardiging van de nationale bepalingen inzake de reclame zijn dezelfde redenen aangevoerd als voor die inzake de etikettering, namelijk de bescherming van de gezondheid van personen en het tegengaan van misleiding. Om de in de punten 41 tot en met 46 van het onderhavige arrest genoemde redenen kunnen deze argumenten niet worden aanvaard.

57
Anders dan de nationale wettelijke regelingen inzake etikettering, die in strijd zijn met richtlijn 2000/13 en die noch op ingevoerde noch op binnenlandse levensmiddelen mogen worden toegepast, is de toepassing van een met de artikelen 28 EG en 30 EG strijdige nationale regeling inzake reclame slechts verboden met betrekking tot ingevoerde, doch niet met betrekking tot binnenlandse producten (arrest SARPP, reeds aangehaald, punt 16).

58
Aangezien uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op ingevoerde levensmiddelen, dient de nationale rechter na te gaan, in hoeverre het nationaal recht voorschrijft dat een nationale marktdeelnemer dezelfde rechten toekomen als die welke een marktdeelnemer uit een andere lidstaat in dezelfde situatie krachtens het gemeenschapsrecht bezit (zie in die zin arrest van 5 december 2000, Guimont, C‑448/98, Jurispr. blz. I‑10663, punt 23).

59
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de derde, de vierde en de vijfde vraag, met betrekking tot de reclame voor levensmiddelen, worden geantwoord dat de artikelen 28 EG en 30 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in reclame voor uit andere lidstaten ingevoerde levensmiddelen verbiedt.


Kosten

60
De kosten door de Belgische regering, het Parlement, de Raad alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

uitspraak doende op de door de Rechtbank van Koophandel te Hasselt bij beschikking van 28 juni 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)
Artikel 2 van richtlijn 1999/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake extracten van koffie en extracten van cichorei moet aldus worden uitgelegd dat het niet verboden is dat bij het in de handel brengen van de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde producten naast verkoopbenamingen andere benamingen worden gebruikt, zoals een fantasie- of handelsnaam.

2)
Artikel 18, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als de in geding zijnde, die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de etikettering en de presentatie van levensmiddelen verbiedt.

3)
De artikelen 28 EG en 30 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in reclame voor uit andere lidstaten ingevoerde levensmiddelen verbiedt.

Timmermans

Puissochet

Cunha Rodrigues

Schintgen

Colneric

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 juli 2004.

De griffier

De president van de Tweede kamer

R. Grass

C. W. A. Timmermans


1
Procestaal: Nederlands.