Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 februari 2003. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek. - Nietnakoming - Nietomzetting van richtlijn 91/439/EEG. - Zaak C-85/02.
Jurisprudentie 2003 bladzijde 00000
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging op basis van interne orde - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
In zaak C-85/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en S. Pailler als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter omzetting van punt 12 van bijlage II bij richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1), of althans door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 13 maart 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter omzetting van punt 12 van bijlage II bij richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1; hierna: richtlijn"), of althans door die bepalingen niet aan haar mee te delen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn is de afgifte van het rijbewijs onder meer afhankelijk van het slagen voor een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen overeenkomstig de bepalingen van bijlage II.
3 Volgens punt 12 van bijlage II bij de richtlijn mag de duur van het examen met betrekking tot het rijgedrag voor de categorieën A, B en B + E nooit minder dan 25 minuten bedragen.
4 Krachtens artikel 12, lid 1, van de richtlijn moeten de lidstaten vóór 1 juli 1994 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen die nodig zijn om vanaf 1 juli 1996 aan de richtlijn te voldoen.
5 In Frankrijk is de gemiddelde duur van het praktijkexamen voor het rijbewijs van categorie B, zoals geregeld in een circulaire van de overheid, 22 minuten.
6 Aangezien zij van oordeel was dat punt 12 van bijlage II bij de richtlijn nog niet in Frans recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Franse Republiek te hebben aangemaand om haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 17 januari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijn te voldoen.
7 Op 28 maart 2001 heeft de Franse regering de Commissie laten weten, dat de litigieuze bepaling zo spoedig mogelijk zou worden omgezet.
8 Aangezien de Franse regering haar vervolgens geen enkele omzettingsmaatregel heeft meegedeeld, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
9 Onder verwijzing naar de verplichtingen die op de lidstaten rusten krachtens de artikelen 10, eerste alinea, EG en 249, derde alinea, EG betoogt de Commissie, dat de Franse Republiek de maatregelen had moeten nemen die nodig waren om binnen de gestelde termijn aan de richtlijn te voldoen en deze onmiddellijk aan haar had moeten meedelen.
10 De Franse regering betwist niet dat zij de richtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn heeft omgezet. Zij preciseert evenwel dat zij bij de omzetting ervan op praktische problemen is gestuit in verband met het aantal inspecteurs dat nodig is om de correcte toepassing van punt 12 van bijlage II bij de richtlijn te verzekeren. Inmiddels zijn maatregelen in behandeling om de niet-nakoming te beëindigen. Zo zijn reeds nieuwe inspecteurs aangeworven en zijn extra vacatures opengesteld.
11 In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 17 januari 2002, Commissie/Ierland, C-394/00, Jurispr. blz. I-581, punt 12).
12 In casu staat vast dat de Franse Republiek niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om binnen de gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies te voldoen.
13 Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld, dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van een richtlijn binnen de gestelde termijn (zie met name arrest van 7 november 2002, Commissie/Spanje, C-352/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 8).
14 Het beroep van de Commissie is dan ook gegrond.
15 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter omzetting van punt 12 van bijlage II bij de richtlijn, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter omzetting van punt 12 van bijlage II bij richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, is de Franse Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.