«Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Toepasselijkheid van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en artikel 141, leden 1 en 2, EG, alsook richtlijn 86/378/EEG of richtlijn 79/7/EEG – Begrip beloning – Pensioenregeling voor ambtenaren – Berekening van ouderdomspensioen voor deeltijdambtenaren – Ongelijke behandeling ten opzichte van voltijdwerknemers – Indirecte discriminatie op grond van geslacht – Voorwaarden voor mogelijke rechtvaardiging op objectieve gronden die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht – Protocol ad artikel 119 EG-Verdrag (thans protocol ad artikel 141 EG) – Werking in tijd»
|
I - 0000 | |||
|
I - 0000 | |||
[EG-Verdrag, art. 119 (de art. 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG); art. 141, leden 1 en 2, EG)]
[EG-Verdrag, art. 119 (de art. 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG); art. 141, leden 1 en 2, EG)]
[EG-Verdrag, art. 119 (de art. 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG); protocol nr. 2 ad art. 119 (thans
protocol ad art. 141 EG)]
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
23 oktober 2003 (1)
„Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Toepasselijkheid van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en artikel 141, leden 1 en 2, EG, alsook richtlijn 86/378/EEG of richtlijn 79/7/EEG – Begrip beloning – Pensioenregeling voor ambtenaren – Berekening van ouderdomspensioen voor deeltijdambtenaren – Ongelijke behandeling ten opzichte van voltijdwerknemers – Indirecte discriminatie op grond van geslacht – Voorwaarden voor mogelijke rechtvaardiging door objectieve redenen die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht – Protocol ad artikel 119 EG-Verdrag (thans protocol ad artikel 141 EG) – Werking in tijd”
In de gevoegde zaken C-4/02 en C-5/02, betreffende twee verzoeken aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen Hilde Schönheiten
Stadt Frankfurt am Main (C-4/02) , en tussen Silvia Beckeren
Land Hessen (C-5/02) , om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), het protocol ad artikel 119 EG-Verdrag, aan het EG-Verdrag gehecht bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans protocol ad artikel 141 EG), artikel 141, leden 1 en 2, EG, richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB L 225, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 (PB 1997, L 46, blz. 20), alsook richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht (PB 1998, L 14, blz. 6),wijstHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Becker, vertegenwoordigd door H. Schröder, Justiziar, en A. Kähler, en de Commissie, vertegenwoordigd door F. Hoffmeister als gemachtigde, ter terechtzitting van 6 maart 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2003,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikkingen van 12 november 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:|
La Pergola |
Jann |
von Bahr |
|
De griffier |
De president |
|
R. Grass |
V. Skouris |