ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
9 juli 2003
Zaak T-22/01
Petros Efthymiou
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren — Vergoeding van kosten van dienstreizen — Vleigtuigreis in business class”
Volledige Franse tekst II-891
Betreft:
Beroep strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 maart 2000 houdende drie „rectificaties” van afrekeningen van de kosten van dienstreizen waarbij verzoeker teveel ontvangen bedragen in rekening worden gebracht, en anderzijds, veroordeling van de Commissie om verzoeker de bedragen uit te betalen die als teveel ontvangen bedragen op zijn bezoldiging zijn ingehouden.
Beslissing:
Het besluit van de Commissie van 24 maart 2000 houdende drie „rectificaties” van afrekeningen van de kosten van dienstreizen waarbij verzoeker teveel ontvangen bedragen in rekening worden gebracht, wordt nietig verklaard voorzover verzoeker daarbij voor de dienstreis naar Den Haag van 12 tot en met 18 september 1999 een voor de vliegtuigreis teveel ontvangen bedrag van 1921 BEF in plaats van 1291 BEF in rekening wordt gebracht. Verweerster wordt veroordeeld tot terugbetaling aan verzoeker van een bedrag van 15,62 euro, te vermeerderen met verwijlinteresten vanaf 25 juni 2000 op de voet van het door de Europese Centrale Bank voor de voornaamste herfinancieringverrichtingen vastgestelde tarief tijdens de betrokken periode vermeerderd met twee procentpunten. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Verweerster zal haar eigen kosten dragen alsmede één zesde van de kosten van verzoeker.
Samenvatting
Ambtenaren – Vergoeding van kosten – Kosten van dienstreizen – Gids voor dienstreizen van Commissie – Reis per vliegtuig – Soort ticket dat voor vergoeding in aanmerking komt
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 12, lid 2, eerste alinea)
Ambtenaren – Vergoeding van kosten – Kosten van dienstreizen – Interne richtlijn van instelling over toepassing van statutaire regels – Rechtsgevolgen
(Ambtenarenstatuut, art. 71; bijlage VII, art. 11-13)
Ambtenaren – Vergoeding van kosten – Kosten van dienstreizen – Gids voor dienstreizen van Commissie – Reis per vliegtuig – Toegestane uitzonderingen ter zake van soort ticket dat voor vergoeding in aanmerking komt
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 12, lid 2, alinea 's 2-3; gids voor dienstreizen van de Commissie, punt III. 3)
Ambtenaren – Vergoeding van kosten – Kosten van dienstreizen – Gids voor dienstreizen van Commissie – Reis per vliegtuig – Eenheid bevoegd om uitzonderingen toe te staan ter zake van soort ticket dat voor vergoeding in aanmerking komt
(Ambtenarenstatuut, art. 71; gids voor dienstreizen van de Commissie, punt III.3)
Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Identificatie van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Vergelijkbare vereisten voor ter ondersteuning van middel aangevoerde argumenten
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 19; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
Uit artikel 12, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut volgt dat wanneer de ambtenaar wordt gemachtigd per vliegtuig te reizen, hij onder voorbehoud van een ander besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag recht heeft op vergoeding van de reiskosten op basis van het tarief voor „de klasse die onmiddellijk volgt op de luxe of eerste klasse”, hetgeen betekent dat de klasse moet worden genomen die onmiddellijk volgt op de beste klasse die voor het betrokken traject daadwerkelijk op de markt wordt aangeboden.
(cf. punt 50)
De gids voor dienstreizen van de Commissie, die krachtens artikel 71 van het Statuut en de artikelen 11 tot en met 13 van bijlage VII erbij bij intern administratief besluit is vastgesteld, vormt een interne richtlijn en moet uit dien hoofde worden aangemerkt als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij, eventueel, alleen met vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling. In beginsel staat niets er immers aan in de weg, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij wege van intern besluit met algemene strekking regelen stelt voor de uitoefening van de hem door het Ambtenarenstatuut toegekende discretionaire bevoegdheid.
(cf. punten 53 en 54)
Referentie: Gerecht 7 februari 1991, Ferreira de Freitas/Commissie, T-2/90, Jurispr. blz. II-103, punt 61, en de aldaar aangehaalde rechtspraak; Gerecht 21 oktober 1998, Vicente-Nuñez/Commissie, T-100/96, JurAmbt. blz. I-A-591 en II-1779, punt 67
De bepalingen van artikel 12, lid 2, tweede en derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut juncto van artikel 2 van de door de instellingen in gemeenschappelijk overleg vastgestelde regeling houdende vaststelling van de modaliteiten voor de terugbetaling van vervoerskosten voor dienstreizen die in bijzonder vermoeiende omstandigheden plaatsvinden, bedoeld in artikel 12, lid 2, derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut, geven een limitatieve precisering van de gevallen waarin voor reizen per vliegtuig een uitzondering kan worden toegestaan op de regel van vergoeding op basis van „de klasse die onmiddellijk volgt op de luxe- of eerste klasse”. Om die reden hebben de in punt III.3 van de gids voor dienstreizen van de Commissie gebruikte bewoordingen „uitzonderingen op de hierboven genoemde regels” uitsluitend betrekking op de machtiging voor business klasse of eerste klasse in de gevallen die, op basis van de geldende statutaire en gemeenschappelijke regeling, in dat punt III.3 limitatief worden genoemd.
(cf. punten 60 en 63)
Punt III.3 van de gids voor dienstreizen van de Commissie, betreffende reizen per vliegtuig, moet aldus worden uitgelegd dat de met de bewoordingen „uitzonderingen op de hierboven genoemde regels” bedoelde uitzonderingen niet alleen door de ordonnateur moeten worden goedgekeurd, maar ook door de administratie. De goedkeuring van de ordonnateur heeft immers alleen tot doel, in de omstandigheden van elk individueel geval te bevestigen dat de uitzondering overeenstemt met het belang van de dienst, met dien verstande dat dit belang steeds in overeenstemming moet worden gebracht met de eisen van een evenwichtig beheer van de middelen die de instelling ter beschikking staan alsmede met het vereiste dat ambtenaren van eenzelfde instelling gelijk moeten worden behandeld, voorwaarden die de administratie van deze instelling moet verifiëren en verzekeren.
(cf. punten 64 en 68)
Ingevolge artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Schending van deze bepalingen behoort tot de middelen van niet-ontvankelijkheid die het Gerecht overeenkomstig artikel 113 van dat Reglement in iedere stand van het geding ambtshalve in behandeling kan nemen. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen om, in voorkomend geval zonder de beschikking te hebben over nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep - althans summier, maar coherent en begrijpelijk - uit het verzoekschrift zelf blijken. Vergelijkbare vereisten gelden wanneer een argument tot staving van een middel wordt aangevoerd.
(cf. punten 86 en 87)
Referentie: Gerecht 13 december 1996. Lebedef/Commissie, T-128/96. JurAmbt. blz. I-A-629 en II-1679, punten 24 en 25; Gerecht 14 mei 1998. Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94. Jurispr. blz. II-1989, punten 333 en 334; Gerecht 23 november 1999. Sabbioni/Commissie. T-129/98, JurAmbt. blz. I-A-223 en II-1139, punt 92; Gerecht 21 maart 2002. Shaw en Falla/Commissie. T-131/99, Jurispr. blz. II-2023. punt 71