Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 september 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek. - Niet-nakoming - Richtlijn 98/78/EG - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn. - Zaak C-312/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-07053
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging op basis van nationale rechtsorde - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
In zaak C-312/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson en M. Patakia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door N. Dafniou als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, of aan de Commissie mee te delen, die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PB L 330, blz. 1), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, M. Wathelet en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 7 augustus 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, of aan haar mee te delen, die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PB L 330, blz. 1; hierna richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Deze richtlijn vult de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3) en de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PB L 63, blz. 1) aan.
3 Artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
In aanvulling op het bepaalde in richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 79/267/EEG, inzake het toezicht op verzekeringsondernemingen, stellen de lidstaten een aanvullend toezicht in op iedere verzekeringsonderneming die een deelnemende onderneming is in minstens één verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsonderneming van een derde land, op de wijze zoals bepaald in de artikelen 5, 6, 8 en 9."
4 Artikel 11, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
De lidstaten stellen uiterlijk op 5 juni 2000 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis."
5 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na de Helleense Republiek te hebben aangemaand haar opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 29 december 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
6 Daar de Commissie binnen de gestelde termijn geen verdere informatie over de uitvoering van de richtlijn heeft ontvangen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Griekse regering merkt op dat de nodige maatregelen tot uitvoering van de richtlijn in behandeling zijn. Over een ontwerp van presidentieel besluit wordt beslist.
8 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van een richtlijn binnen de gestelde termijn, op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen (zie onder meer arrest van 8 maart 2001, Commissie/Portugal, C-276/98, Jurispr. blz. I-1699, punt 20).
9 Aangezien de richtlijn niet binnen de in het met redenen omkleed advies verleende termijn is uitgevoerd, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
10 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
11 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.