Arrest van het Hof van 6 maart 2003. - T. Port GmbH & Co. KG tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Hogere voorziening - Bananen - Invoer uit ACSstaten en uit derde landen - Berekening van jaarlijks aan marktdeelnemers toegekende referentiehoeveelheid - Invoer overeenkomstig door nationale rechterlijke instantie in kort geding gelaste voorlopige maatregelen - Beroep tot schadevergoeding. - Zaak C-213/01 P.
Jurisprudentie 2003 bladzijde I-02319
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Bananen - Invoerregeling - Tariefcontingent - Verdeling - Vaststelling van referentiehoeveelheden op basis van daadwerkelijke invoer van verschillende marktdeelnemers - Bewijs van werkelijke invoer - Bewijs van betaling van geldende douanerechten - Bewijs van betaling van door nationale rechterlijke instantie in kort geding voorlopig vastgestelde douanerechten niet ter zake dienend
(Verordening nr. 2362/98 van de Commissie, art. 4 en 5, lid 3, eerste alinea, sub b)
$$De in het kader van een procedure in kort geding voor de nationale rechter voorlopig vastgestelde douanerechten zijn niet noodzakelijkerwijze de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten, waarvan de marktdeelnemers overeenkomstig artikel 5, lid 3, eerste alinea, sub b, van verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap de betaling moeten bewijzen om de daadwerkelijke invoer aan te tonen van de hoeveelheid bananen die zij in aanmerking willen laten nemen bij de berekening van de in artikel 4 van deze verordening bedoelde jaarlijkse referentiehoeveelheid.
( cf. punt 20 )
In zaak C-213/01 P,
T. Port GmbH & Co. KG, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Meier, Rechtsanwalt,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 20 maart 2001, T. Port/Commissie (T-52/99, Jurispr. blz. II-981), strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt en M. Niejahr als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J.-P. Puissochet, M. Wathelet, R. Schintgen (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann, V. Skouris, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 mei 2001, heeft T. Port GmbH & Co. KG (hierna: T. Port") krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 20 maart 2001, T. Port/Commissie (T-52/99, Jurispr. blz. II-981; hierna: bestreden arrest"), strekkende tot gedeeltelijk vernietiging van dat arrest.
Het rechtskader
2 In het bestreden arrest heeft het Gerecht het rechtskader uiteengezet als volgt:
1 Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1) werd per 1 juli 1993 een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingesteld, die in de plaats kwam van de verschillende nationale regelingen. Er werd onderscheid gemaakt tussen ,bananen uit de Gemeenschap', die in de Gemeenschap worden geoogst, ,bananen uit derde landen', die afkomstig zijn uit derde landen die niet tot de staten van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten) behoren, ,traditionele ACS-bananen' en ,niet-traditionele ACS-bananen'. Onder traditionele ACS-bananen en niet-traditionele ACS-bananen werd verstaan de hoeveelheden bananen die werden geëxporteerd door de ACS-staten onder respectievelijk boven de traditioneel door elk van deze staten uitgevoerde hoeveelheden, zoals vastgesteld in de bijlage bij verordening nr. 404/93.
2 Met het oog op een bevredigende afzet van bananen uit de Gemeenschap alsmede van bananen van oorsprong uit de ACS-staten en andere derde landen, voorzag verordening nr. 404/93 in de opening van een jaarlijks tariefcontingent van 2,2 miljoen ton (nettogewicht) voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen.
3 Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93, oude versie, gaf een onderverdeling van dit tariefcontingent, dat werd geopend ten belope van 66,5 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie A), 30 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie B), en 3,5 % voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 waren begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten (categorie C).
4 Artikel 19, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 404/93, oude versie, luidde:
,Op basis van berekeningen die afzonderlijk zijn uitgevoerd voor elk van de categorieën marktdeelnemers bedoeld in lid 1 [...] ontvangt elke marktdeelnemer invoercertificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij in de laatste drie jaren waarover gegevens beschikbaar zijn, heeft verkocht.'
5 Verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 142, blz. 6), stelde onder meer de criteria vast voor het bepalen van de soorten marktdeelnemers van de categorieën A en B die invoercertificaten konden aanvragen. Als criterium werd genomen de werkzaamheid die deze marktdeelnemers tijdens de referentieperiode hadden uitgeoefend.
6 Na klachten van een aantal derde landen werd over deze invoerregeling een geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gevoerd.
7 In deze procedure werden rapporten uitgebracht door het panel van de WTO van 22 mei 1997 en een rapport van 9 september 1997 door de vaste beroepsinstantie van de WTO, dat door het orgaan voor geschillenbeslechting werd aangenomen bij uitspraak van 25 september 1997. Bij deze uitspraak verklaarde het orgaan voor geschillenbeslechting verschillende aspecten van de communautaire invoerregeling voor bananen onverenigbaar met de WTO-regels.
8 Teneinde aan de uitspraak te voldoen stelde de Raad verordening (EG) nr. 1637/98 van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 404/93 (PB L 210, blz. 28) vast. Vervolgens stelde de Commissie verordening (EG) nr. 2362/98 van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 293, blz. 32) vast.
9 In de nieuwe invoerregeling voor bananen komt de verdeling van het contingent over drie verschillende categorieën marktdeelnemers niet meer voor. Verordening nr. 2362/98 voorziet enkel in een verdeling over ,traditionele marktdeelnemers' en ,marktdeelnemers-nieuwkomers', zoals gedefinieerd in de verordening. Ook de onderverdeling van marktdeelnemers van de categorieën A en B naar gelang van de aard van hun activiteiten op de markt is afgeschaft.
10 Artikel 4 van verordening nr. 2362/98 luidt:
,1. Elke traditionele marktdeelnemer die overeenkomstig artikel 5 in een lidstaat is geregistreerd, krijgt voor elk jaar voor alle in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden samen één enkele referentiehoeveelheid die wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheden bananen die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd.
2. Voor de in 1999 in het kader van de tariefcontingenten en van de traditionele ACS-bananen te verrichten invoer omvat de referentieperiode de jaren 1994, 1995 en 1996.'
11 In artikel 5, leden 2, 3 en 4, van verordening nr. 2362/98 wordt bepaald:
,2. Elke marktdeelnemer doet met het oog op de vaststelling van zijn referentiehoeveelheid jaarlijks vóór 1 juli aan de bevoegde autoriteit toekomen:
a) een opgave van het totaal van de hoeveelheden bananen uit de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden die hij in elk van de jaren van de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd;
b) de in lid 3 genoemde bewijsstukken.
3. De daadwerkelijke invoer wordt aangetoond:
a) door overlegging van een kopie van de invoercertificaten die voor het in het vrije verkeer brengen van de vermelde hoeveelheden door de titularis van het certificaat [...] zijn gebruikt, [...] en
b) door het bewijs van de betaling, hetzij rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten, hetzij langs de weg van een douane-expediteur of van een andere dergelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde, van de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten.
De marktdeelnemer die het bewijs levert dat hij de bij het in het vrije verkeer brengen van een bepaalde hoeveelheid bananen geldende douanerechten rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten of langs de weg van een douane-expediteur of van een andere dergelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde heeft betaald, zonder van het betrokken, voor die transactie gebruikte invoercertificaat [...] de titularis of cessionaris te zijn, wordt geacht die hoeveelheid daadwerkelijk te hebben ingevoerd, indien hij in een lidstaat overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1442/93 is geregistreerd en/of aan de in de onderhavige verordening voor registratie als traditionele marktdeelnemer gestelde voorwaarden voldoet. Douane-expediteurs en andere dergelijke vertegenwoordigers en gevolmachtigden kunnen op de toepassing van deze alinea geen aanspraak maken.
4. Voor de in Oostenrijk, Finland en Zweden gevestigde marktdeelnemers wordt het bewijs van de hoeveelheden die in 1994 tot en met de eerste drie kwartalen van 1995 in deze lidstaten in het vrije verkeer zijn gebracht, geleverd door overlegging van de kopieën van de passende douanedocumenten alsmede van door de bevoegde autoriteiten afgegeven invoervergunningen, welke documenten naar behoren dienen te zijn gebruikt.'
12 Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2362/98 bepaalt:
,Met inachtneming van de overeenkomstig lid 2 meegedeelde gegevens en op basis van het totale volume van de in artikel 2 bedoelde tariefcontingenten en traditionele ACS-bananen stelt de Commissie zo nodig één enkele, op de voorlopige referentiehoeveelheid van elke marktdeelnemer toe te passen aanpassingscoëfficiënt vast.'"
De aan het geding ten grondslag liggende feiten en de procedure voor het Gerecht
3 Wat de feiten betreft, heeft het Gerecht in het bestreden arrest het volgende vastgesteld:
13 [T. Port] houdt zich bezig met de import van groenten en fruit. Tot de inwerkingtreding van verordening nr. 2362/98 viel zij in categorie A. Zij is een traditionele marktdeelnemer in de zin van deze verordening.
14 Bij beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten van 8 december 1998 werd verzoeksters voorlopige referentiehoeveelheid voor 1999 vastgesteld op 13 709 963 kg, waarop 824 833 kg in mindering werd gebracht door toepassing van de door de Commissie ingevolge artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2362/98 vastgestelde aanpassingscoëfficiënt van 0,939837. De nationale autoriteiten trokken van de door verzoekster aangevraagde hoeveelheden bovendien de hoeveelheden af die zij in 1994 in Oostenrijk, Finland en Zweden zou hebben ingevoerd, te weten 898 692 kg, alsmede de hoeveelheid bananen uit derde landen, 9 838 861 kg, die zij had ingevoerd met toestemming van het Finanzgericht Hamburg."
4 Wat deze laatste hoeveelheid (hierna: door de rechter vastgestelde hoeveelheid") betreft, blijkt uit de stukken dat het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beschikkingen in kort geding van 19 mei en 8, 21 en 28 juni 1995 het Hauptzollamt Hamburg-Jonas gelastte, T. Port toestemming te geven tot het in het vrije verkeer brengen van in totaal 9 860 571 kg bananen tegen betaling van de destijds voor invoer van bananen uit derde landen in het kader van het tariefcontingent geldende douanerechten van 75 ECU per ton, hoewel deze vennootschap niet over de vereiste invoercertificaten beschikte. Bij beschikking van 19 mei 1995 besliste het Finanzgericht Hamburg tevens, het Hof vier prejudiciële vragen te stellen. De eerste drie vragen betroffen de uitlegging van artikel 234 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 307 EG), de geldigheid van verordening (EG) nr. 478/95 van de Commissie van 1 maart 1995 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling inzake het tariefcontingent voor de invoer van bananen in de Gemeenschap en tot wijziging van verordening nr. 1442/93 (PB L 49, blz. 13), en de rechtstreekse werking van de artikelen I, II, III en XIII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (hierna: GATT 1994"), opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO-Overeenkomst"), die namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1). De vierde vraag betrof de voorwaarden waaronder een nationale rechterlijke instantie voorlopige maatregelen kan uitvaardigen wanneer zij twijfelt aan de toepasselijkheid van het afgeleide gemeenschapsrecht dat aan de juridische beoordeling ten grondslag ligt. De behandeling van de door dit verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing ingeleide zaak C-182/95 werd eerst geschorst en nadien werd die zaak bij beschikking van de president van het Hof van 12 maart 2001 doorgehaald in het register van het Hof.
5 Uit de stukken blijkt eveneens dat, nadat het Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beschikking van 22 augustus 1995 bovengenoemde beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg had vernietigd, het Hauptzollamt Hamburg-Jonas bij beschikkingen van 29 augustus en 1 september 1995 de door T. Port verschuldigde douanerechten vaststelde op 850 ECU per ton, hetgeen overeenstemde met het destijds bij invoer buiten het tariefcontingent geldende tarief. Op verzoek van T. Port gelastte het Finanzgericht Hamburg bij beschikkingen van 22 en 27 september 1995 de voorlopige opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikkingen van het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, zonder dat hiertoe zekerheid behoefde te worden gesteld. Bij dezelfde beschikkingen stelde het Finanzgericht Hamburg het Hof drie prejudiciële vragen die identiek zijn aan de eerste drie in zaak C-182/95 gestelde vragen. Op dit verzoek om een prejudiciële beslissing wees het Hof het arrest van 10 maart 1998, T. Port (C-364/95 en C-365/95, Jurispr. blz. I-1023).
6 In die omstandigheden heeft T. Port bij een op 19 februari 1999 neergelegd verzoekschrift op basis van artikel 178 juncto artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG) bij het Gerecht een beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die zij haar heeft berokkend door de nationale autoriteiten te verplichten haar referentiehoeveelheid te verlagen door toepassing van de aanpassingscoëfficiënt en de door haar aangevraagde hoeveelheden te verlagen met de in 1994 in Oostenrijk, Finland en Zweden ingevoerde hoeveelheden, alsmede met de door de rechter vastgestelde hoeveelheid.
7 Tot staving van haar beroep voerde T. Port verschillende middelen aan, waarin de Commissie werd verweten dat zij door haar handelwijze, in de eerste plaats het GATT 1994 alsmede de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) en de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, respectievelijk opgenomen in bijlagen 1B en 1A bij de WTO-overeenkomst, in de tweede plaats het beginsel van gelijke behandeling en in de derde plaats het beginsel van bescherming van de eigendom, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel had geschonden.
8 Meer in het bijzonder betoogde T. Port dat met name de verlaging van de door haar aangevraagde hoeveelheden met de door de rechter vastgestelde hoeveelheid in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling. In het bestreden arrest vatte het Gerecht het door T. Port dienaangaande gevoerde betoog als volgt samen:
71 Het Finanzgericht Hamburg had in kort geding bepaald, dat de invoer van de door de rechter vastgestelde hoeveelheid moest worden aanvaard zonder certificaat, mits het normale douanerecht werd voldaan. Verzoekster heeft dit recht betaald.
72 Volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2362/98 wordt als importeur beschouwd de marktdeelnemer die, zonder van het voor de betrokken transactie gebruikte invoercertificaat de titularis te zijn, het bewijs levert dat hij de bijbehorende douanerechten heeft betaald. Verzoekster stelt dat zij, al beschikt zij niet over invoercertificaten, dat bewijs heeft geleverd door middel van [eerdergenoemde kortgedingbeschikking] van het Finanzgericht Hamburg. Op grond van het beginsel van gelijke behandeling moeten importen die berusten op een [beschikking] in kort geding van een nationale rechter dezelfde rechten geven als importen die berusten op certificaten."
9 Uit het bestreden arrest blijkt dat de Commissie dit betoog van T. Port op basis van de volgende overwegingen betwistte:
78 De door de rechter vastgestelde hoeveelheden kunnen worden toegekend als referentiehoeveelheid, mits de invoerrechten werkelijk zijn betaald en de invoer heeft plaatsgehad in de referentieperiode, in casu 1994-1996.
79 Verzoeksters douaneschuld voor de door de rechter bepaalde hoeveelheid was weliswaar bij beschikking van de bevoegde nationale autoriteit vastgesteld, maar het Finanzgericht Hamburg had de betaling van deze schuld opgeschort zonder dat zekerheid behoefde te worden gesteld. Derhalve kon deze douaneschuld niet als voldaan worden beschouwd.
80 De Commissie verklaart voorts, dat de betrokken hoeveelheid bananen door verzoekster zonder certificaat en dus buiten [het] tariefcontingent om is ingevoerd, zodat daarop het volle tarief van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing is. Zolang dit douanerecht niet werkelijk is voldaan, kan bij de berekening van de referentiehoeveelheid met deze hoeveelheid bananen geen rekening worden gehouden."
Het bestreden arrest
10 In het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen een door de Commissie aangevoerd middel inzake niet-ontvankelijkheid afgewezen, alsmede het door T. Port aangevoerde middel inzake schending van het GATT 1994 en van de andere in punt 7 van het onderhavige arrest genoemde overeenkomsten. Wat het middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, heeft het Gerecht, na een aantal argumenten te hebben afgewezen, in punt 88 van het bestreden arrest het betoog inzake de verlaging van de aangevraagde hoeveelheden met de door de rechter vastgestelde hoeveelheid in de volgende bewoordingen afgewezen:
Wat ten slotte verzoeksters argument betreft, dat zij zich kon beroepen op een hoeveelheid bananen die het Finanzgericht Hamburg in kort geding heeft vastgesteld, behoeft er slechts op te worden gewezen, dat de Commissie terecht eist, dat de als referentiehoeveelheden in aanmerking te nemen importen werkelijk hebben plaatsgehad. De hoeveelheid waarop verzoekster zich beroept, is echter buiten het tariefcontingent om ingevoerd, zodat daarop het volle tarief van het gemeenschappelijk douanetarief is toegepast. De desbetreffende betaling van de douanerechten is vervolgens bij [kortgedingbeschikking] van het Finanzgericht Hamburg opgeschort. Verzoekster kan dan ook niet eisen, dat deze hoeveelheid bij de bepaling van haar referentiehoeveelheid wordt meegeteld. Het is immers aan verzoekster om aan te tonen dat de betrokken douanerechten inderdaad zijn voldaan; dit heeft zij niet aangetoond. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting onweersproken verklaard, dat zij de bevoegde Duitse autoriteiten ervan op de hoogte heeft gesteld dat deze hoeveelheid in aanmerking [zal] moeten worden genomen indien bedoelde douanerechten zijn betaald."
11 Na eveneens het middel inzake schending van het beginsel van bescherming van de eigendom, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel te hebben afgewezen, is het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat T. Port geen onwettige gedraging had aangetoond die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap kon leiden, en dat het beroep derhalve diende te worden verworpen. Bijgevolg verwees het Gerecht T. Port in haar eigen kosten en, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in die van deze laatste.
De hogere voorziening
12 T. Port vraagt het Hof, het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij het middel wordt afgewezen dat de Commissie bij de berekening van de referentiehoeveelheid van T. Port voor de jaren 1997 tot 1999 niet naar behoren rekening heeft gehouden met de door de rechter vastgestelde hoeveelheid, en voorzover T. Port daarbij wordt verwezen in alle kosten.
13 De Commissie verzoekt het Hof, de hogere voorziening als kennelijk ongegrond af te wijzen en T. Port te verwijzen in de kosten van beide instanties.
Argumenten van partijen
14 T. Port betoogt dat, door voor de inaanmerkingneming van de door de rechter vastgestelde hoeveelheid bij de berekening van de referentiehoeveelheid te eisen dat het bij invoer buiten het tariefcontingent om geldende volle douanetarief van 850 ECU per ton is betaald, het Gerecht de draagwijdte van artikel 5, leden 2 en 3, van verordening nr. 2362/98 verkeerd heeft begrepen. Volgens deze bepalingen dient de referentiehoeveelheid te worden vastgesteld op basis van de totale invoer met betrekking tot dewelke is bewezen dat de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten" zijn betaald. In casu stemt het op de dag van de invoer geldende douanerecht evenwel overeen met het contingentrecht van 75 ECU per ton, aangezien het Finanzgericht Hamburg in zijn beschikkingen in kort geding had beslist dat de door de rechter vastgestelde hoeveelheid na betaling van dit contingentrecht zelfs zonder invoercertificaten kon worden ingevoerd. Dat het Bundesfinanzhof deze beschikkingen later heeft vernietigd en dat het Hauptzollamt Hamburg-Jonas zijn beschikking daarop heeft gewijzigd en het door T. Port verschuldigde douanerecht heeft vastgesteld op het bij invoer buiten het tariefcontingent om geldende volle tarief, is niet ter zake dienend.
15 Voorts betoogt T. Port dat de door de rechter vastgestelde hoeveelheid moet worden geacht te zijn ingevoerd in het kader van het tariefcontingent, ook al is na de invoer en de betaling van de douanerechten komen vast te staan dat de reden waarom het Finanzgericht Hamburg de gevraagde voorlopige maatregelen had gelast, ongegrond was. T. Port voert dienaangaande aan dat het Finanzgericht Hamburg in zijn beschikkingen in kort geding de in de rechtspraak van het Hof aan de nationale rechterlijke instanties gestelde grenzen inzake het nemen van voorlopige maatregelen in acht heeft genomen en het Hof voor het gemeenschapsrecht relevante prejudiciële vragen heeft gesteld. T. Port meent dat de voorlopige rechtsbescherming die de nationale rechterlijke instanties aan particulieren mogen bieden, teniet zou worden gedaan wanneer deze particulieren er niet op kunnen vertrouwen dat de invoer en de betaling van de door de douaneautoriteit vastgestelde douanerechten een definitief feitelijk kader hebben geschapen.
16 De Commissie betoogt dat een nationale rechterlijke instantie ook in kort geding rekening moet houden met volkomen duidelijke regels van het gemeenschapsrecht en hiervoor geen bijzondere en voorlopige regelingen in de plaats kan stellen. Door te beslissen dat voor buiten het tariefcontingent om ingevoerde bananen voorlopig slechts het voor het contingent geldende douanerecht moet worden betaald, heeft het Finanzgericht Hamburg de volkomen duidelijke bepalingen van artikel 5, leden 2 en 3, van verordening nr. 2362/98 geschonden, die de toepassing van dit contingentrecht afhankelijk stellen van de overlegging van de desbetreffende invoercertificaten.
17 De Commissie meent dat indien het argument van T. Port dat de feiten die na de invoer hebben plaatsgevonden niet relevant zijn om het toepasselijke douanetarief te bepalen, gegrond zou zijn, zelfs een onwettige kortgedingbeschikking van een nationale rechter het mogelijk zou maken het gemeenschapsrecht te omzeilen. T. Port kan zich in casu niet beroepen op de rechtspraak van het Hof volgens welke nationale rechterlijke instanties voorlopige maatregelen mogen treffen wanneer er twijfel bestaat omtrent de geldigheid van het aan een nationale rechtshandeling ten grondslag liggende gemeenschapsrecht, aangezien de beschikkingen in kort geding van het Finanzgericht Hamburg niet aan de in deze rechtspraak gestelde eisen voldoen.
Beoordeling door het Hof
18 Om te beoordelen of het betoog van T. Port hout snijdt, volstaat het vast te stellen dat uit de punten 4 en 5 van het onderhavige arrest volgt dat de invoer van de door de rechter vastgestelde hoeveelheid tegen betaling van de destijds bij invoer van bananen uit derde landen in het kader van het tariefcontingent geldende douanerechten van 75 ECU per ton, slechts voorlopig werd toegestaan bij de beschikkingen in kort geding van het Finanzgericht Hamburg, die waren gebaseerd op de twijfel die deze rechterlijke instantie, met name gelet op de bepalingen van het GATT 1994, had omtrent de geldigheid van de relevante gemeenschapsregeling.
19 Voorlopige maatregelen in het kader van een kort geding worden evenwel slechts gelast in afwachting van de definitieve beslissing in de hoofdzaak en mogen hierop niet prejudiciëren. Bovendien kunnen voorlopige maatregelen in afwachting van die beslissing zelf worden aangevochten en vernietigd of gewijzigd, zoals in casu trouwens is gebeurd, aangezien de beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg waarbij tegen betaling van de douanerechten van 75 ECU per ton toestemming werd gegeven voor het in het vrije verkeer brengen van de door de rechter vastgestelde hoeveelheid, door het Bundesfinanzhof werden vernietigd.
20 Uit het voorgaande vloeit voort dat, anders dan T. Port stelt, de in het kader van een procedure in kort geding voorlopig vastgestelde douanerechten niet noodzakelijkerwijze de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten zijn, waarvan de marktdeelnemers overeenkomstig artikel 5, lid 3, eerste alinea, sub b, van verordening nr. 2362/98 de betaling moeten bewijzen om de daadwerkelijke invoer aan te tonen van de hoeveelheid bananen die zij in aanmerking willen laten nemen bij de berekening van de in artikel 4 van deze verordening bedoelde referentiehoeveelheid.
21 Uit het voorgaande volgt tevens dat de voorlopige rechtsbescherming die de nationale rechterlijke instanties volgens de rechtspraak van het Hof aan particulieren mogen verlenen, niet tot gevolg kan hebben dat een definitief feitelijk kader wordt geschapen waaraan nadien niet meer kan worden getornd.
22 Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het betoog van T. Port ongegrond is en dat haar hogere voorziening moet worden afgewezen.
Kosten
23 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien T. Port in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst T. Port GmbH & Co. KG in de kosten.