«Richtlijn 93/16/EEG – Vrij verkeer van artsen en onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels – Artikel 23, lid 2 – Opleidingsvoorwaarden – Opleidingsduur – Inaanmerkingneming van perioden van in derde land gevolgde opleiding – Artikel 9, lid 5 – Verklaring waaruit blijkt dat diploma opleiding afsluit die aan voorwaarden voldoet – Heronderzoek van opleidingsvoorwaarden door ontvangende lidstaat voor erkenning van diploma»
|
||||
|
||||
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 9, lid 5, en 23, lid 2)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
19 juni 2003 (1)
„Richtlijn 93/16/EEG – Vrij verkeer van artsen en onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels – Artikel 23, lid 2 – Opleidingsvoorwaarden – Opleidingsduur – Inaanmerkingneming van perioden van in derde land gevolgde opleiding – Artikel 9, lid 5 – Verklaring waaruit blijkt dat diploma opleiding afsluit die aan voorwaarden voldoet – Heronderzoek van opleidingsvoorwaarden door ontvangende lidstaat voor erkenning van diploma”
In zaak C-110/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Conseil d'État (Frankrijk) in het aldaar aanhangige geding tussen Malika Tennah-Durezen
Conseil national de l'ordre des médecins, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 9, lid 5, en 23, lid 2, van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1),wijstHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. Tennah-Durez, vertegenwoordigd door S. Mandelkern; de Conseil national de l'ordre des médecins, vertegenwoordigd door J. Barthélemy; de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Bergeot-Nunes; de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Lewis, barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia, ter terechtzitting van 5 maart 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2002,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Conseil d'État bij beschikking van 29 januari 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:|
Timmermans |
Edward |
Jann |
|
von Bahr |
Rosas |
|
|
De griffier |
De president van de Vijfde kamer |
|
R. Grass |
M. Wathelet |