62001J0099

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 24 oktober 2002. - Strafzaak tegen Gottfried Linhart en Hans Biffl. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgerichtshof - Oostenrijk. - Harmonisatie van wetgevingen - Artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) - Richtlijn 76/768/EEG betreffende cosmetische producten - Richtlijn 84/450/EEG betreffende misleidende reclame - Nationale wettelijke regeling houdende beperkingen op gebied van reclame. - Zaak C-99/01.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-09375


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1. Harmonisatie van wetgevingen - Cosmetische producten - Verpakking en etikettering - Richtlijn 76/768 - Maatregelen tegen reclame waardoor aan cosmetische producten kenmerken worden toegeschreven die deze niet bezitten - Nationale regeling volgens welke verwijzingen naar medische rapporten, en met name vermelding dermatologisch getest" zonder bepaalde gegevens, verboden zijn - Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 76/768 van de Raad, art. 6, lid 3)

2. Harmonisatie van wetgevingen - Cosmetische producten - Verpakking en etikettering - Richtlijn 76/768 - Maatregelen tegen reclame waardoor aan cosmetische producten kenmerken worden toegeschreven die deze niet bezitten - Nationale regeling volgens welke verwijzingen naar medische rapporten, en met name vermelding dermatologisch getest", slechts mogen worden gebruikt na voorafgaande vergunning van bevoegde minister - Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 76/768 van de Raad, art. 6, lid 3)

Samenvatting


1. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35, dat tot doel heeft misleidende vermeldingen te verbieden die uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van deze producten, verzet zich tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan het bij het in het verkeer brengen van cosmetische producten verboden is naar medische rapporten te verwijzen - met name door het gebruik van de vermelding dermatologisch getest" - indien die verwijzing geen gegevens over het voorwerp en de conclusie van die rapporten bevat.

( cf. punt 39, dictum 1 )

2. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35, dat tot doel heeft misleidende vermeldingen te verbieden die uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van deze producten, verzet zich tegen de regeling van een lidstaat volgens welke verwijzingen naar medische rapporten - met name de vermelding dermatologisch getest" -slechts mogen worden gebruikt na voorafgaande vergunning van de bevoegde minister.

( cf. punt 46, dictum 2 )

Partijen


In zaak C-99/01,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk), in de aldaar dienende strafzaken tegen

Gottfried Linhart

en

Hans Biffl,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) alsmede van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 151, blz. 32), en richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PB L 250, blz. 17),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, R. Schintgen, V. Skouris, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,

griffier: R. Grass,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- G. Linhart, vertegenwoordigd door G. Legat, Rechtsanwalt,

- H. Biffl, vertegenwoordigd door C. Hauer, Rechtsanwalt,

- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en M. França als gemachtigden,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 29 januari 2001, ingekomen bij het Hof op 28 februari daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgerichtshof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) alsmede van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 151, blz. 32; hierna: richtlijn 76/768"), en richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PB L 250, blz. 17).

2 Deze vragen zijn gerezen in strafzaken tegen G. Linhart en H. Biffl, die terechtstaan wegens het in het verkeer brengen van onjuist aangeduide cosmetische producten.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsrecht

3 Artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 luidt:

De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat bij het etiketteren, het ten verkoop aanbieden van en het maken van reclame voor cosmetische producten de tekst, de benamingen, merken en afbeeldingen of andere al dan niet figuratieve tekens niet worden gebruikt om aan deze producten kenmerken toe te schrijven die deze niet bezitten. [...]"

4 Artikel 7 bis, lid 1, van richtlijn 76/768 bepaalt:

De fabrikant, zijn gevolmachtigde, degene voor wiens rekening een cosmetisch product gefabriceerd is of degene die voor het in de Gemeenschap in de handel brengen van ingevoerde cosmetische producten verantwoordelijk is, houdt op het overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub a, op het etiket vermelde adres, voor controledoeleinden de volgende gegevens ter gerede beschikking van de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat:

[...]

f) de bestaande gegevens inzake de voor de gezondheid van de mens ongewenste bijwerkingen van het cosmetische product;

g) bewijzen van de werking waarop het cosmetische product aanspraak maakt wanneer de aard van de werking of het product zulks rechtvaardigt."

5 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 84/450 bepaalt:

De lidstaten dragen zorg voor passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van misleidende reclame in het belang van zowel consumenten als concurrenten en het publiek in het algemeen.

[...]"

6 Voorts bepaalt artikel 7 van richtlijn 84/450:

Deze richtlijn belet de lidstaten niet voorschriften te handhaven of aan te nemen met het oog op een verdergaande bescherming van de consument, van de personen die een commerciële, industriële, ambachtelijke of beroepsactiviteit uitoefenen, en van het publiek in het algemeen."

Nationaal recht

7 § 8 van het Bundesgesetz über den Verkehr mit Lebensmittel, Verzehrprodukten, Zusatzstoffen, Kosmetischen Mitteln und Gebrauchsgegenständen (Lebensmittelgesetz 1975) (bondswet inzake de verhandeling van levensmiddelen, consumptieartikelen, additieven, cosmetische producten en gebruiksvoorwerpen; hierna: LMG") van 23 februari 1975 bepaalt:

Levensmiddelen, consumptieartikelen en additieven zijn:

[...]

f) onjuist aangeduid indien zij met voor misverstanden vatbare gegevens over kenmerken die naar de verkeersopvatting, met name naar de verwachtingen van de consument, van wezenlijk belang zijn, zoals de aard, herkomst, gebruiksmogelijkheden, houdbaarheid, datum van vervaardiging, hoedanigheid, gehalte aan relevante bestanddelen, hoeveelheid, afmetingen, aantal of gewicht, of in een dergelijke vorm of opmaak, of met verboden gezondheidsgerelateerde informatie in omloop worden gebracht."

8 § 9, leden 1 en 3, LMG bevat de volgende voorschriften:

1. Bij het in het verkeer brengen van levensmiddelen, consumptieartikelen of additieven is het verboden:

a) te verwijzen naar het voorkomen, behandelen of genezen van ziekten of ziektesymptomen, of naar fysiologische of farmacologische werkingen - met name op het gebied van het vertragen van het verouderingsproces, het afremmen van ouderdomsverschijnselen, het doen vermageren of het zorgen voor het behoud van een goede gezondheid - dan wel een zodanige werking te suggereren;

b) te verwijzen naar ziektegeschiedenissen, aanbevelingen van artsen of adviezen van deskundigen op medisch gebied;

c) gezondheidsgerelateerde, figuratieve of gestileerde afbeeldingen van organen van het menselijk lichaam, afbeeldingen van beoefenaars van geneeskundige beroepen of van kuuroorden of andere naar de geneeskunde verwijzende afbeeldingen te gebruiken.

[...]

3. De federale minister van Gezondheid en Milieubescherming staat op verzoek gezondheidsgerelateerde informatie toe voor bepaalde cosmetische producten, indien dit verenigbaar is met de bescherming van de consument tegen misleiding. De vergunning moet worden ingetrokken wanneer niet meer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan."

9 Ingevolge § 26, lid 1, LMG is het verboden cosmetische producten in het verkeer te brengen die:

a) in normale of voorspelbare gebruiksomstandigheden de gezondheid schaden;

b) farmacologisch werkzame stoffen of niet-toegelaten kleurstoffen bevatten, die niet overeenstemmen met de vergunningsvoorwaarden of in verboden hoeveelheden aanwezig zijn;

c) bedorven zijn;

d) onjuist aangeduid zijn;

e) niet voldoen aan de krachtens artikel 27 vastgestelde regels".

10 § 26, lid 2, LMG luidt als volgt:

§ 8, sub a, b en f, is van overeenkomstige toepassing [op het in het verkeer brengen van cosmetische producten] en § 9 is van toepassing met dien verstande, dat niet-misleidende verwijzingen naar fysiologische of farmacologische werkingen, alsmede figuratieve voorstellingen ter verduidelijking van de gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan. Indien zodanige werkingen aan een product worden toegeschreven, moeten de werkzame bestanddelen [van het product] desgevraagd aan de autoriteiten worden medegedeeld."

De hoofdzaken en de prejudiciële vragen

11 Twee strafzaken liggen ten grondslag aan de onderhavige prejudiciële verwijzing.

12 Bij besluit van de Unabhängige Verwaltungssenat Wien (Oostenrijk) van 22 februari 1999 is Linhart, zaakvoerder van Colgate Palmolive GmbH, schuldig bevonden aan overtreding van § 74, lid 1, juncto § 9, lid 1, sub a, en § 8, sub f, LMG, op grond dat deze onderneming het cosmetisch product Palmolive flüssige Seife Prima Antibakteriell" met de vermelding dermatologisch getest" op de verpakking ervan in het verkeer heeft gebracht.

13 Bij besluit van de Unabhängige Verwaltungssenat im Land Niederösterreich (Oostenrijk) van 9 mei 2000 is Biffl, zaakvoerder van Haarkos Parfumeriewaren und Kosmetika GmbH, veroordeeld wegens overtreding van § 74, lid 1, juncto § 9, lid 1, sub b, en § 8, sub f, LMG, op grond dat deze onderneming het product Keralogie Creme-Peeling Anti Schuppen regulierendes Haarbad" met de vermelding dermatologisch getest" op de verpakking ervan in het verkeer heeft gebracht.

14 In de bij het Verwaltungsgerichtshof tegen deze besluiten ingestelde beroepen voerden Linhart en Biffl aan dat de geldende Oostenrijkse wetgeving, waarop de besluiten zijn gebaseerd, in strijd is met het gemeenschapsrecht, met name richtlijn 76/768 en de rechtspraak van het Hof, inzonderheid het arrest van 28 januari 1999, Unilever (C-77/97, Jurispr. blz. I-431).

15 Volgens het Verwaltungsgerichsthof is de vraag of de Oostenrijkse regeling zoals die in de hoofdzaken moet worden toegepast, strookt met het EG-Verdrag en met de richtlijnen 76/768 en 84/450, in de rechtspraak van het Hof niet volledig beantwoord. De verwijzende rechter meent in casu dat richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109, blz. 29), volgens welke de etikettering aan levensmiddelen geen eigenschappen mag toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte van de mens, noch toespelingen mag maken op dergelijke eigenschappen, ook van toepassing kan zijn op cosmetische producten.

16 In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgerichtshof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1) Verzetten de artikelen 28 EG en 30 EG, richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 88/667/EEG van de Raad van 21 december 1988 en 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 [...], met name artikel 6, lid 3, ervan, alsmede richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame [...], met name de artikelen 4 en 7 ervan, zich tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan het verboden is, bij het in het verkeer brengen van cosmetische middelen - met name door het gebruik van de vermelding ,klinisch getest of ,dermatologisch getest - naar medische rapporten te verwijzen, indien bij gebreke van gegevens over het voorwerp en de conclusie van die rapporten bij de consument misverstanden over de aard en de werking van het cosmetische product kunnen ontstaan?

2) Verzetten de artikelen 28 EG en 30 EG, richtlijn 76/768, met name artikel 6, lid 3, ervan, en richtlijn 84/450, met name de artikelen 4 en 7 ervan, zich tegen de regeling van een lidstaat die het gebruik van vermeldingen als bedoeld in vraag 1 slechts na voorafgaande vergunning van de bevoegde minister toestaat?"

Voorafgaande opmerkingen

17 Om te beginnen zij opgemerkt, dat bij richtlijn 76/768 een volledige harmonisatie van de nationale bepalingen inzake verpakking en etikettering van cosmetische producten tot stand is gebracht (zie met name arrest Unilever, reeds aangehaald, punt 24, en arrest van 13 januari 2000, Estée Lauder, C-220/98, Jurispr. blz. I-117, punt 23).

18 Het Hof heeft reeds geoordeeld, dat wanneer op communautair niveau voor een bepaalde materie een geharmoniseerde regeling is getroffen, alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen aan de bepalingen van de harmonisatiemaatregel moeten worden getoetst en niet aan de artikelen 30 en 36 van het Verdrag (arresten van 23 november 1989, Parfümerie-Fabrik 4711, C-150/88, Jurispr. blz. 3891, punt 28; 12 oktober 1993, Vanacker en Lesage, C-37/92, Jurispr. blz. I-4947, punt 9, en 13 december 2001, DaimlerChrysler, C-324/99, Jurispr. blz. I-9897, punt 32).

19 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten krachtens artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 verplicht zijn alle nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat bij het etiketteren en het ten verkoop aanbieden van cosmetische producten en het maken van reclame daarvoor de tekst, de benamingen, merken en afbeeldingen of andere al dan niet figuratieve tekens niet worden gebruikt om aan deze producten kenmerken toe te schrijven die zij niet bezitten.

20 Het gaat in casu om een concrete bepaling, die tot doel heeft misleidende vermeldingen te verbieden die uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van cosmetische producten en die derhalve moet worden uitgelegd als een bijzondere regel ten opzichte van de in richtlijn 84/450 neergelegde algemene regels inzake bescherming tegen misleiding.

21 Bijgevolg dient het Hof voor de beantwoording van de prejudiciële vragen enkel artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 uit te leggen.

De eerste vraag

22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 zich verzet tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan het verboden is bij het in het verkeer brengen van cosmetische producten naar medische rapporten te verwijzen - met name door het gebruik van de vermelding klinisch getest" of dermatologisch getest" - indien hierdoor bij gebreke van gegevens over het voorwerp en de conclusie van die rapporten bij de consument misverstanden over de aard en de werking van het cosmetische product kunnen ontstaan.

23 Er zij aan herinnerd dat de lidstaten krachtens artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 verplicht zijn alle nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat bij het etiketteren en het ten verkoop aanbieden van cosmetische producten en het maken van reclame daarvoor de tekst, de benamingen, merken en afbeeldingen of andere al dan niet figuratieve tekens niet worden gebruikt om aan deze producten kenmerken toe te schrijven die zij niet bezitten.

24 De volledigheid van deze regeling, waarop in punt 17 van het onderhavige arrest reeds is gewezen, heeft tot gevolg dat de lidstaten niet meer gerechtigd zijn, strengere nationale maatregelen te nemen ter bestraffing van misleidende reclame inzake de kenmerken van cosmetische producten.

25 Het is immers vaste rechtspraak dat, hoewel de lidstaten ingevolge artikel 36 van het Verdrag beperkingen van het vrije verkeer van goederen kunnen handhaven, de toepassing van deze bepaling niettemin is uitgesloten wanneer gemeenschapsrichtlijnen voorzien in harmonisatie van de maatregelen die nodig zijn ter verwezenlijking van de specifieke doelstelling die met het beroep op artikel 36 wordt nagestreefd (zie met name arresten van 19 maart 1998, Compassion in World Farming, C-1/96, Jurispr. blz. I-1251, punt 47, en 25 maart 1999, Commissie/Italië, C-112/97, Jurispr. blz. I-1821, punt 54). Die uitsluiting geldt ook wanneer een beroep wordt gedaan op de noodzaak de consumenten te beschermen (arrest van 12 november 1998, Commissie/Duitsland, C-102/96, Jurispr. blz. I-6871, punt 21).

26 De maatregelen die de lidstaten dienen te treffen om uitvoering te geven aan artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768, moeten echter in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel (zie met name reeds aangehaalde arresten Unilever, punt 27, en Estée Lauder, punt 26).

27 Volgens artikel 26, lid 2, LMG zijn vermeldingen met betrekking tot medische rapporten verboden, met dien verstande dat niet-misleidende verwijzingen naar fysiologische of farmacologische werkingen van het betrokken product zijn toegestaan.

28 In casu blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat de vermelding dermatologisch getest" op de verpakkingen van de in de hoofdzaken in geding zijnde producten verboden is om de enkele reden dat deze producten in het verkeer zijn gebracht zonder enigerlei aanwijzing omtrent het voorwerp en de conclusie van het medisch rapport waarop met deze vermelding impliciet wordt gedoeld.

29 Volgens de Oostenrijkse regelgeving en de nationale rechtspraak kan de niet-vermelding van expliciete gegevens over het voorwerp en de conclusie van het medisch deskundigenonderzoek waaraan cosmetische producten zijn onderworpen, bij de consumenten het misverstand doen ontstaan dat een product een genezende werking heeft.

30 In dit verband moet worden nagegaan of door de eenvoudige vermelding dermatologisch getest" op de verpakking van een cosmetisch product, aan dit product kenmerken kunnen worden toegeschreven die het niet bezit, zodat de autoriteiten op grond van artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 de verkoop ervan kunnen verbieden.

31 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de vermoedelijke verwachting van een normaal geïnformeerde, redelijk oplettende en omzichtige, gemiddelde consument, ook geldt op het gebied van de verkoop van cosmetische producten, wanneer een onjuiste opvatting over de kenmerken van het product niet schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid (arrest Estée Lauder, reeds aangehaald, punten 27 en 28).

32 Bij de toepassing van dit criterium op de hoofdzaken kan worden vastgesteld dat de vermelding dermatologisch getest" op de verpakking van een aantal cosmetische producten, in casu zeep en haarverzorgingsproducten, bij een normaal geïnformeerde, redelijk oplettende en omzichtige, gemiddelde consument geen andere opvatting kan doen ontstaan dan dat een dergelijk product een test heeft ondergaan waarbij de gevolgen voor de huid zijn onderzocht en dat het in het verkeer brengen van dit product bijgevolg betekent dat die test positieve resultaten heeft opgeleverd en het product naar is vastgesteld door de opperhuid goed wordt verdragen althans onschadelijk is voor de huid.

33 De echtheid van deze resultaten blijft trouwens aan het toezicht van de nationale autoriteiten onderworpen.

34 Ingevolge artikel 7 bis, lid 1, sub f en g, van richtlijn 76/768 moet degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een cosmetisch product, immers ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gemakkelijk toegang krijgen tot de bestaande gegevens inzake de voor de gezondheid van de mens ongewenste bijwerkingen van het betrokken product en tot de bewijzen van de werking waarop het cosmetische product aanspraak maakt.

35 In deze omstandigheden kan de vermelding dermatologisch getest" een normaal geïnformeerde, redelijk oplettende en omzichtige, gemiddelde consument niet in verwarring brengen doordat aan de betrokken producten kenmerken worden toegeschreven die zij niet bezitten, en kan hoe dan ook een eventuele vergissing met betrekking tot de kenmerken van het product geen weerslag hebben op de volksgezondheid.

36 Hieruit volgt dat het verbod op deze vermelding, in de gevallen waarin op de verpakking van cosmetische producten geen gegevens zijn vermeld over de inhoud en de conclusie van het medisch rapport, een nationale maatregel tot voorkoming van misleidende reclame vormt die strenger is dan die voorzien in artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768.

37 Aangaande de vermelding klinisch getest", die in de verwijzingsbeschikking eveneens wordt genoemd, zij vastgesteld dat deze blijkens het dossier geen verband houdt met het voorwerp van de hoofdzaken. Deze hebben immers enkel betrekking op de vermelding dermatologisch getest" op de verpakking van de betrokken producten.

38 Bijgevolg behoeft de vraag betreffende het gebruik van de vermelding klinisch getest" niet te worden beantwoord.

39 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord, dat artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 zich verzet tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan het bij het in het verkeer brengen van cosmetische producten verboden is naar medische rapporten te verwijzen - met name door het gebruik van de vermelding dermatologisch getest" - indien die verwijzing geen gegevens over het voorwerp en de conclusie van die rapporten bevat.

De tweede vraag

40 Met de tweede vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 zich verzet tegen de regeling van een lidstaat volgens welke aanduidingen als bedoeld in de eerste vraag slechts mogen worden gebruikt na voorafgaande vergunning van de bevoegde minister.

41 Zoals gezegd, staat de bevoegde minister krachtens § 9, lid 3, juncto § 26, lid 2, LMG op verzoek gezondheidsgerelateerde informatie toe voor bepaalde cosmetische producten, indien dit verenigbaar is met de bescherming van de consument tegen misleiding.

42 Derhalve is een voorafgaande vergunning van de nationale autoriteiten vereist om cosmetische producten met de vermelding dermatologisch getest" in het verkeer te brengen, ook al brengt deze vermelding, zoals het Hof in punt 35 van het onderhavige arrest heeft vastgesteld, een normaal geïnformeerde, redelijk oplettende en omzichtige, gemiddelde consument niet in verwarring.

43 Aangezien de vermelding dermatologisch getest" bedoelde consument niet in verwarring brengt nu zij de betrokken cosmetische producten geen kenmerken toeschrijft die deze niet bezitten, valt de verhandeling van die producten niet onder de verbodsbepalingen van artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768.

44 Bijgevolg valt het in het verkeer brengen van cosmetische producten die aan de voorschriften van richtlijn 76/768 voldoen, onder de fundamentele regel van het vrij verkeer van goederen, en mogen de lidstaten dan ook geen maatregelen nemen die de verhandeling van deze producten beperken.

45 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld vormt de verplichting om de in § 9, lid 3, LMG voorgeschreven vergunning te verkrijgen dan ook een belemmering van het vrije verkeer van de betrokken producten, die in geen opzicht gerechtvaardigd is (arrest Unilever, reeds aangehaald, punt 34).

46 Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord, dat artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 zich verzet tegen de regeling van een lidstaat volgens welke vermeldingen als bedoeld in de eerste vraag slechts mogen worden gebruikt na voorafgaande vergunning van de bevoegde minister.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

47 De kosten door de Oostenrijkse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdzaken is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Verwaltungsgerichtshof bij beschikking van 29 januari 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993, verzet zich tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan het bij het in het verkeer brengen van cosmetische producten verboden is naar medische rapporten te verwijzen - met name door het gebruik van de vermelding dermatologisch getest" - indien die verwijzing geen gegevens over het voorwerp en de conclusie van die rapporten bevat.

2) Artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35, verzet zich tegen de regeling van een lidstaat volgens welke vermeldingen als bedoeld in de eerste vraag slechts mogen worden gebruikt na voorafgaande vergunning van de bevoegde minister.