«Vrij verkeer van goederen – Extern douanevervoer – Vervoer onder dekking van carnet TIR – Overtredingen of onregelmatigheden – Mogelijkheid voor organisatie die zich garant heeft gesteld, te bewijzen waar overtreding of onregelmatigheid is begaan – Termijn voor bewijs – Verplichting voor lidstaat die overtreding of onregelmatigheid vaststelt, om plaats daarvan op te sporen»
|
I - 0000 | |||
|
I - 0000 | |||
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 454, lid 3, eerste alinea, en 455)
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 454 en 455)
ARREST VAN HET HOF
23 september 2003 (1)
„Vrij verkeer van goederen – Extern douanevervoer – Vervoer onder dekking van carnet TIR – Overtredingen of onregelmatigheden – Mogelijkheid voor organisatie die zich garant heeft gesteld te bewijzen waar overtreding of onregelmatigheid is begaan – Termijn voor bewijs – Verplichting voor lidstaat die overtreding of onregelmatigheid vaststelt om plaats daarvan op te sporen”
In zaak C-78/01, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bundesgerichtshof (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen Bundesverband Güterkraftverkehr und Logistik eV (BGL)en
Bondsrepubliek Duitsland , vertegenwoordigd door Hauptzollamt Friedrichshafen, in tegenwoordigheid van: Préservatrice Foncière Tiard SA, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 454 en 455 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1),wijstHET HOF VAN JUSTITIE,,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bundesverband Güterkraftverkehr und Logistik eV (BGL), vertegenwoordigd door M. Gräfin von Westerholt en M. Lausterer; Hauptzollamt Friedrichshafen, vertegenwoordigd door J. Kummer; Préservatrice Foncière Tiard SA, vertegenwoordigd door H.-J. Prieß, en de Commissie, vertegenwoordigd door U. Wölker als gemachtigde, ter terechtzitting van 9 juli 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 2003,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 11 januari 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:|
Rodríguez Iglesias |
Wathelet |
Schintgen |
|
Timmermans |
Gulmann |
La Pergola |
|
Skouris |
Macken |
Colneric |
|
Cunha Rodrigues |
Rosas |
|
|
De griffier |
De president |
|
R. Grass |
G. C. Rodríguez Iglesias |