Zaak T‑14/00
Coöperatieve Aan‑ en Verkoopvereniging Ulestraten, Schimmert en Hulsberg BA e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Procedure – Staatssteun – Beroep tot nietigverklaring – Interventie – Belang bij beslissing van geding”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) van 4 februari 2004
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Interventie – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Belang bij beslissing van geding – Indirect belang wegens gelijkenis
tussen bestreden beschikking en beschikking die deel uitmaakt van zelfde bundel van individuele beschikkingen en is gericht
tot verzoeker tot tussenkomst – Niet-ontvankelijkheid
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 40, tweede alinea, en 53, eerste alinea)
Het begrip belang bij de beslissing van het geding in de zin van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van
Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet
worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en worden verstaan als een rechtstreeks en actueel
belang bij de toewijzing dan wel de afwijzing van het gevorderde, en niet als een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen
of argumenten. Onder „beslissing” van het geding moet namelijk de aan de geadieerde rechter gevraagde eindbeslissing worden
verstaan zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest.
Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen verzoekers tot tussenkomst die aannemelijk maken een rechtstreeks belang
te hebben bij hetgeen wordt beslist op de specifieke handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, en verzoekers tot
tussenkomst die slechts doen blijken van een indirect belang bij de beslissing van het geding wegens de gelijkenis tussen
hun situatie en die van een der partijen.
In het geval van een beschikking die uit een bundel van individuele beschikkingen bestaat, volstaat het derhalve niet, een
van de adressaten ervan te zijn dan wel daardoor rechtstreeks of individueel te worden geraakt, om aannemelijk te maken een
rechtstreeks belang te hebben bij de beslissing van een geding waarbij een andere adressaat van dezelfde beschikking of een
andere rechtstreeks of individueel daardoor geraakte persoon partij is, en derhalve ook niet om tot tussenkomst in dat geding
te worden toegelaten.
Artikel 233 EG houdt immers niet in dat de Commissie bij gedeeltelijke nietigverklaring van een beschikking die uit een bundel
van individuele beschikkingen bestaat, op verzoek van de belanghebbenden moet overgaan tot een heronderzoek van de wettigheid
van die beschikking, voorzover zij andere personen dan de verzoeker individueel raakt.
(cf. punten 10‑22)
-
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)
4 februari 2004(1)
„Procedure – Staatssteun – Beroep tot nietigverklaring – Tussenkomst – Belang bij beslissing van geding”
In zaak T-14/00,
Coöperatieve Aan- en Verkoopvereniging Ulestraten, Schimmert en Hulsberg BA, gevestigd te Ulestraten (Nederland), en 143 andere verzoeksters waarvan de namen in bijlage bij de onderhavige beschikking
zijn gevoegd, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. van der Wal, vervolgens door L. Parret, advocaten, domicilie gekozen hebbende
te Luxemburg,
verzoeksters,
ondersteund doorKoninkrijk der Nederlanden, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Fierstra, vervolgens door H. G. Sevenster als gemachtigden,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Speyart en G. Rozet, vervolgens door G. Rozet en H. van Vliet als gemachtigden, domicilie
gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/705/EG van de Commissie van 20 juli 1999 betreffende
staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87),
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, V. Tiili, A. W. H. Meij, M. Vilaras en N. J. Forwood, rechters,
griffier: H. Jung,
de volgende
Beschikking
-
- Feiten en procesverloop
- 1
Bij beschikking 1999/705/EG van 20 juli 1999 betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations
in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87; hierna: „beschikking”), heeft de Commissie de subsidie die het Koninkrijk
der Nederlanden aan 450 Nederlandse tankstations heeft toegekend, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de
werking van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3), verklaard en
heeft zij terugvordering van de reeds toegekende steun gelast. Tot de in die beschikking met name genoemde tankstations behoren
onder meer Borrekuil BV, gevestigd te Beek (Nederland), alsmede verzoeksters.
- 2
Bij op 22 september 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, heeft Borrekuil, vertegenwoordigd door P. W. A. M. van
Roy, advocaat, tegen de beschikking beroep ingesteld. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T‑211/99.
- 3
Bij op 16 december 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid
tegen dit beroep opgeworpen krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Borrekuil heeft
haar opmerkingen over die exceptie op 3 en 9 februari 2000 ingediend.
- 4
Bij op 19 januari 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, hebben verzoeksters krachtens artikel 230, vierde
alinea, EG het onderhavige beroep ingesteld, waarbij zij het Gerecht verzoeken de beschikking, althans voorzover zij hen betreft,
nietig te verklaren.
- 5
De schriftelijke behandeling in de zaken T‑211/99 en T‑14/00 is tussen 9 maart 2000 en 13 juni 2002 geschorst in afwachting
van de uitspraak van het arrest van het Hof in de parallelle zaak C‑382/99, Nederland/Commissie.
- 6
Bij op 1 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte, heeft het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om toelating
tot tussenkomst in de onderhavige zaak ter ondersteuning van verzoeksters’ conclusies. Bij beschikking van 3 oktober 2003
heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht die tussenkomst toegestaan.
- 7
Bij op 19 juni 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte, heeft ook Borrekuil verzocht om toelating tot tussenkomst
in de onderhavige zaak ter ondersteuning van verzoeksters’ conclusies. Het verzoek tot tussenkomst is overeenkomstig artikel
116, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering aan partijen betekend. Partijen hebben binnen de daartoe
gestelde termijn geen opmerkingen over dit verzoek gemaakt.
- 8
Overeenkomstig artikel 116, lid 1, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering heeft de president van de Tweede
kamer (uitgebreid) Borrekuils verzoek tot tussenkomst naar de kamer verwezen.
In rechte
- 9
Borrekuil stelt dat zij aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van het voor het Gerecht aanhangige rechtsgeding
in de onderhavige zaak in de zin van artikel 40, tweede alinea, van ’s Hofs Statuut-EG. In dit verband verklaart Borrekuil
dat zij op dezelfde wijze als een aantal verzoeksters door de beschikking wordt geraakt. Evenals die verzoeksters wordt zij
immers in de beschikking individueel vermeld als tankstation dat valt in de categorie van de wederverkopers/huurders („company-owned/dealer
operated” of „Co/Do”) die gebonden zijn aan een oliemaatschappij door een clausule inzake een systeem van prijsbeheer. Volgens
de beschikking hebben de 80 tankstations die in die categorie vallen, en met name Borrekuil, ten onrechte een subsidie ontvangen
die aan de betrokken oliemaatschappijen moet worden terugbetaald. Borrekuil heeft dus alle belang bij de nietigverklaring
van de beschikking.
- 10
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 40, tweede alinea, van ’s Hofs Statuut-EG, dat overeenkomstig
artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, elke persoon die aannemelijk
maakt belang te hebben bij de beslissing van een geding, met uitzondering van de rechtsgedingen tussen lidstaten, tussen instellingen
van de Gemeenschappen of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Gemeenschappen anderzijds, het recht heeft zich
in dit geding te voegen. De conclusies van het verzoek tot voeging kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies
van een der partijen.
- 11
Volgens vaste rechtspraak moet belang bij de beslissing van het geding in de zin van deze bepaling worden gedefinieerd met
inachtneming van het voorwerp van het geding zelf, en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij
de toewijzing dan wel de afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. Onder beslissing
van het geding moet namelijk de aan de geadieerde rechter gevraagde eindbeslissing worden verstaan zoals die zal blijken uit
het dictum van het arrest [beschikkingen Hof van 25 november 1964, Lemmerz-Werke/Hoge Autoriteit, 111/63, Jurispr. 1965, blz. 941,
en 12 april 1978, Amylum e.a./Raad en Commissie, 116/77, 124/77 en 143/77, Jurispr. blz. 893, punten 7 en 9; beschikking president
Hof van 17 juni 1997, National Power en PowerGen, C‑151/97 P(I) en C-157/97 P(I), Jurispr. blz. I‑3491, punten 51‑53 en 57;
beschikking president Tweede kamer Gerecht van 20 maart 1998, CAS Succhi di Frutta/Commissie, T‑191/96, Jurispr. blz. II‑573,
punt 28; beschikking president Eerste kamer Gerecht van 3 juni 1999, ACAV e.a./Raad, T‑138/98, Jurispr. blz. II‑1797, punt
14, en beschikking Gerecht van 25 februari 2003, BASF/Commissie, T‑15/02, Jurispr. blz. II‑213, punt 26].
- 12
Ook is het vaste rechtspraak dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen verzoekers tot tussenkomst die aannemelijk maken
een rechtstreeks belang te hebben bij hetgeen wordt beslist op de specifieke handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd,
en verzoekers tot tussenkomst die slechts doen blijken van een indirect belang bij de beslissing van het geding wegens de
gelijkenis tussen hun situatie en die van een der partijen (beschikkingen Hof van 15 november 1993, Scaramuzza/Commissie,
C‑76/93 P, Jurispr. blz. I‑5715 en I‑5721, punt 11; beschikkingen Gerecht van 15 juni 1993, Rijnoudt en Hocken/Commissie,
T‑97/92 en T‑111/92, Jurispr. blz. II‑587, punt 22, en 8 december 1993, Kruidvat/Commissie, T‑87/92, Jurispr. blz. II‑1375,
punt 12; en beschikkingen CAS Succhi di Frutta/Commissie, reeds aangehaald, punt 28, en BASF/Commissie, reeds aangehaald,
punt 27).
- 13
In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat verzoeksters primair concluderen dat het het Gerecht behage „de [beschikking]
nietig te verklaren, althans de artikelen 2 en 3 daarvan gedeeltelijk nietig te verklaren, voorzover daarin met betrekking
tot (een der) verzoeksters is bepaald dat hetgeen met toepassing van de [betrokken nationale] regeling is ontvangen, verboden
staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, EG en/of door verzoekster(s) dient te worden terugbetaald en/of voorzover
uit de beschikking voortvloeit, dat hetgeen aan verzoekster(s) op grond van de [betrokken nationale] regeling kan of zal worden
betaald, rechtens als verboden steun in de zin van artikel 87, lid 1, EG zal gelden”.
- 14
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de beschikking, hoewel geredigeerd en bekendgemaakt in de vorm van één beschikking
en gericht tot één adressaat, blijkens haar bewoordingen, haar overwegingen en haar dispositief moet worden aangemerkt als
een bundel van 633 individuele beschikkingen waarbij na onderzoek van elk afzonderlijk geval enerzijds de verenigbaarheid
met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld van 183 verschillende subsidies die het Koninkrijk der Nederlanden individueel
aan evenveel met name genoemde tankstations heeft toegekend, en anderzijds de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke
markt wordt vastgesteld van subsidies die die lidstaat individueel aan 450 met name genoemde tankstations heeft toegekend,
en waarbij de terugvordering daarvan van de begunstigden wordt gelast. De beschikking kan alleen nietig worden verklaard met
betrekking tot de exploitanten van tankstations die in hun beroep voor de gemeenschapsrechter in het gelijk zijn gesteld,
en blijft bindend ten opzichte van de exploitanten van tankstations die geen beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld
(zie in die zin arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P,
C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 100; arrest Gerecht van 10 juli 1997, AssiDomän
Kraft Products e.a./Commissie, T‑227/95, Jurispr. blz. II‑1185, punten 56 en 57, op andere punten vernietigd bij arrest Hof
van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, Jurispr. blz. I‑5363, en beschikking BASF/Commissie,
reeds aangehaald, punt 31).
- 15
In de derde plaats moet worden vastgesteld dat, wanneer een persoon die individueel wordt geraakt door een beschikking die
bestaat uit een bundel individuele beschikkingen, beroep tot nietigverklaring instelt, de gemeenschapsrechter dus enkel kan
oordelen over de onderdelen van de beschikking die hem betreffen. De onderdelen betreffende andere daardoor individueel geraakte
personen, welke niet worden betwist, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de gemeenschapsrechter te beslechten
geschil (arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., reeds aangehaald, punt 53).
- 16
In die omstandigheden heeft Borrekuil slechts een belang bij de toewijzing van verzoeksters’ conclusies in de hoofdzaak, voorzover
de daaruit voortvloeiende gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking, waardoor de juistheid van de haar betreffende
beoordelingen en vaststellingen in de beschikking twijfelachtig wordt, de Commissie krachtens artikel 233 EG zou verplichten
de opname van Borrekuil in de categorie van de in de artikelen 2 en 3 van de beschikking bedoelde wederverkopers/huurders
in heroverweging te nemen (zie naar analogie beschikking BASF/Commissie, reeds aangehaald, punt 34).
- 17
Uit het arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., reeds aangehaald (punten 56 en 71), blijkt echter duidelijk dat bij
gedeeltelijke nietigverklaring van een beschikking die uit een bundel van individuele beschikkingen bestaat, artikel 233 EG
niet inhoudt, dat de Commissie op verzoek van de belanghebbenden moet overgaan tot een heronderzoek van de wettigheid van
die beschikking, voorzover zij individueel andere personen dan de verzoeker betreft.
- 18
Een belang als in punt 16 hierboven is bedoeld, vormt derhalve geen rechtstreeks en dadelijk belang in de zin van de in de
punten 11 en 12 hierboven aangehaalde rechtspraak, maar hooguit een indirect en potentieel belang (zie naar analogie beschikking
BASF/Commissie, reeds aangehaald, punt 37).
- 19
Aan voorgaande overwegingen wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat Borrekuil zelf over een zelfstandig beroepsrecht
beschikt, voorzover de beschikking haar betreft, daar die omstandigheid irrelevant is voor de vraag of Borrekuil aannemelijk
maakt belang te hebben bij tussenkomst in het onderhavige geding. In dat verband is ook irrelevant dat Borrekuil daadwerkelijk
een dergelijk beroep heeft ingesteld dan wel dat de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dit beroep heeft
opgeworpen.
- 20
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die uit een bundel van individuele beschikkingen bestaat,
heeft de inaanmerkingneming van de rechtsoverwegingen van een nietigverklaringsarrest, waaruit de precieze redenen voor de
door de gemeenschapsrechter vastgestelde onwettigheid blijken, immers slechts tot doel de exacte betekenis te bepalen van
wat in het dictum is beslist. Het gezag van een rechtsoverweging van een nietigverklaringsarrest kan niet gelden ten aanzien
van personen die geen partij waren bij het geding en te wier aanzien het arrest dus geen enkele beslissing kan bevatten (arrest
Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., reeds aangehaald, punt 55).
- 21
Derhalve kan een eventuele nietigverklaring van de beschikking, voorzover zij verzoeksters betreft, geen gunstige gevolgen
hebben voor het beroep van Borrekuil. Een eventuele verwerping van verzoeksters’ beroep tot nietigverklaring kan het beroep
van Borrekuil evenmin schaden.
- 22
Gelet op voorgaande overwegingen, moet worden geconcludeerd dat het door Borrekuil aangevoerde belang bij tussenkomst niet
kan worden aangemerkt als een rechtstreeks en dadelijk belang bij de beslissing van het geding in de zin van artikel 40, tweede
alinea, van ’s Hofs Statuut-EG. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden afgewezen.
Kosten
- 23
Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de kosten beslist bij het arrest
of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. Daar deze beschikking een einde maakt aan het geding wat Borrekuil
betreft, dient te worden beslist ten aanzien van de op haar verzoek tot tussenkomst gevallen kosten.
- 24
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen,
voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van dit Reglement dragen de lidstaten die in het geding
zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Aangezien Borrekuil in het ongelijk is gesteld, maar de partijen in het hoofdgeding
dienaangaande niet hebben geconcludeerd, dient te worden verstaan dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
-
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer − uitgebreid)
beschikt:
- 1)
- Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen.
- 2)
- Elke partij zal haar eigen kosten betreffende de procedure in interventie dragen.
Luxemburg, 4 februari 2004.
- 1 –
- Procestaal: Nederlands.