Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 maart 2002. - Caterina Insalaca tegen Office national des pensions (ONP). - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal du travail de Mons - België. - Sociale zekerheid - Artikelen 46 tot en met 46 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 - Nationale anticumulatieregels - Uitkeringen van dezelfde aard. - Zaak C-107/00.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-02403
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
In zaak C-107/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Arbeidsrechtbank te Bergen (België), in het aldaar aanhangige geding tussen
Caterina Insalaca
en
Rijksdienst voor pensioenen (RVP),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 46 bis tot en met 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- C. Insalaca, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde,
- de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door G. Perl als gemachtigde,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en H. Michard als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van C. Insalaca, vertegenwoordigd door D. Rossini, de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door J.-P. Lheureux als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Michard, ter terechtzitting van 5 april 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
1 Bij vonnis van 13 maart 2000, ingekomen bij het Hof op 22 maart daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7; hierna: "verordening nr. 1408/71").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen C. Insalaca en de Rijksdienst voor pensioenen (hierna: "RVP") over de inaanmerkingneming van een Italiaans overlevingspensioen bij de vaststelling van het plafond van het Belgische rustpensioen en het Belgische overlevingspensioen waarop zij aanspraak kan maken.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
"Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven."
4 Artikel 46, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
"1. Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden is voldaan, (...) gelden de volgende regels:
a) het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn:
i) enerzijds, uitsluitend op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving;
ii) anderzijds, op grond van lid 2;
(...)
2. Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden eerst is voldaan na toepassing van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, gelden de volgende regels:
a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) het bevoegde orgaan stelt op basis van het onder a), bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.
3. De betrokkene heeft van het bevoegde orgaan van elke lidstaat recht op het overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende hoogste bedrag, onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving krachtens welke deze uitkering verschuldigd is, voorziet.
Wanneer zulks het geval is, heeft de uit te voeren vergelijking betrekking op de na de toepassing van bedoelde bepalingen vastgestelde bedragen."
5 Artikel 46 bis van verordening nr. 1408/71 bevat algemene bepalingen betreffende de voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking geldende voor invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingspensioenen op grond van de wetgevingen van de lidstaten. Het bepaalt:
"1. Onder samenloop van uitkeringen van dezelfde aard wordt (...) verstaan de samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen.
2. Onder samenloop van uitkeringen van verschillende aard wordt (...) verstaan de samenloop van uitkeringen die in de zin van lid 1 niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt.
3. Voor de toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingsuitkering met een uitkering van dezelfde aard of een uitkering van verschillende aard of met andere inkomsten, gelden de volgende regels:
a) er wordt alleen rekening gehouden met uitkeringen welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of met andere inkomsten welke in een andere lidstaat zijn verworven, indien de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat voorziet in de inaanmerkingneming van in het buitenland verkregen uitkeringen of verworven inkomsten;
(...)"
6 Artikel 46 ter van de verordening bevat bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in geval van samenloop van krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten verschuldigde uitkeringen van dezelfde aard. Dit artikel luidt:
"1. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn niet van toepassing op uitkeringen berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2.
2. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), berekende uitkering van toepassing, indien het een uitkering betreft:
a) als bedoeld in bijlage IV, deel D, waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen,
of
b) waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een fictief tijdvak dat geacht wordt te zijn vervuld tussen de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden en een latere datum. In laatstbedoeld geval zijn bedoelde bepalingen van toepassing bij samenloop van een dergelijke uitkering:
i) ofwel met een uitkering van hetzelfde type, behoudens indien tussen twee of meer lidstaten een overeenkomst is gesloten teneinde te voorkomen dat hetzelfde fictieve tijdvak meermaals in aanmerking wordt genomen;
ii) ofwel met een uitkering van het onder a) bedoelde type.
(...)"
7 Artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71 bevat bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in geval van samenloop van één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46 bis, lid 1, met één of meer uitkeringen van verschillende aard of met andere inkomsten wanneer er twee of meer betrokken lidstaten zijn.
Bepalingen van nationaal recht
8 Artikel 20, eerste alinea, van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967) bepaalt: "Het overlevingspensioen kan niet worden samengevoegd met een rustpensioen of met enig ander als rustpensioen geldend voordeel, tenzij ten belope van het door de Koning bepaald bedrag."
9 Artikel 52, lid 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1968), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 juli 1997 (Belgisch Staatsblad van 9 augustus 1997; hierna: "koninklijk besluit van 21 december 1967"), luidt:
"Wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken, enerzijds, op een overlevingspensioen krachtens de pensioenregeling voor werknemers en, anderzijds, op één of meer rustpensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden krachtens de pensioenregeling voor werknemers of één of meer andere pensioenregelingen, mag het overlevingspensioen niet worden samen genoten met de vermelde rustpensioenen dan tot beloop van een som gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan.
Wanneer de in [de] eerste [alinea] bedoelde echtgenoot eveneens aanspraak kan maken op één of meer overlevingspensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden in de zin van artikel 10 bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, mag het overlevingspensioen niet meer belopen dan het verschil tussen, enerzijds 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan en, anderzijds, de som van de bedragen van de rustpensioenen of van de als dusdanig geldende voordelen bedoeld in [de] eerste [alinea], en van een bedrag gelijk aan het overlevingspensioen als werknemer voor een volledige loopbaan, vermenigvuldigd met de breuk of met de som van de breuken die de belangrijkheid van de overlevingspensioenen in de andere pensioenregelingen, die van de zelfstandigen uitgezonderd, uitdrukken. Deze breuken zijn die welke voor de toepassing van het voormelde artikel 10 bis in aanmerking werden of zouden worden genomen.
De toepassing van [de] tweede [alinea] kan evenwel niet tot gevolg hebben dat het overlevingspensioen wordt verminderd tot een bedrag dat kleiner is dan het verschil tussen het bedrag van het vóór de toepassing van de vorige leden toekenbaar overlevingspensioenen en de som van de bedragen van de rustpensioenen en van de als zodanig geldende voordelen, beoogd in [de] eerste [alinea].
(...)"
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Op 28 oktober 1997 diende C. Insalaca, die sinds 1981 een overlevingspensioen van het Italiaanse bevoegde orgaan ontvangt, bij de RVP een aanvraag voor een rust- en overlevingspensioen in. De RVP kende haar met ingang van 1 december 1998 een rustpensioen ten laste van de Belgische pensioenregeling voor werknemers toe.
11 Bij besluit van 2 juli 1998 kende de RVP haar bovendien met ingang van 1 december 1998 een overlevingspensioen toe.
12 Voor de berekening van het bedrag van het Belgische overlevingspensioen paste de RVP de anticumulatieregels van artikel 52, lid 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 en van artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71 toe. In dit verband werd rekening gehouden met verzoeksters Italiaanse overlevingspensioen. Deze berekeningsmethode had tot gevolg dat verzoeksters Belgische overlevingspensioen werd gekort.
13 Insalaca kwam voor de Arbeidsrechtbank te Bergen op tegen het besluit van de RVP van 2 juli 1998 en stelde met name dat artikel 52, lid 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, zoals het was toegepast, strijdig was met de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71.
14 Voor de verwijzende rechter wierp de RVP op, dat de vermindering van het Belgische overlevingspensioen in casu niet het gevolg was van het bestaan van het Italiaanse overlevingspensioen, maar wel van de cumulatie van het Belgische overlevingspensioen met het Belgische rustpensioen.
15 In deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
"1) Is een nationale regeling voor de berekening van een overlevingspensioen die voorziet in een beperking van het cumulatieplafond $ouderdomspensioen - overlevingspensioen' wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak heeft op een overlevingspensioen ten laste van een andere lidstaat, een bepaling inzake vermindering in de zin van de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971?
2) Zo ja, staan de artikelen 46 bis en 46 ter toe, dat het nationale orgaan dat de anticumulatieregel toepast, rekening houdt met het krachtens de regeling van een andere lidstaat aan de langstlevende echtgenoot toegekende pensioen, om het in de nationale wettelijke regeling gestelde cumulatieplafond $ouderdomspensioen - overlevingspensioen' te verlagen?"
De eerste vraag
16 Volgens vaste rechtspraak moet een nationale regel als bepaling inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71 worden aangemerkt, indien de daarbij voorgeschreven berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene aanspraak heeft, wordt verminderd omdat hij een uitkering in een andere lidstaat geniet (zie, met name, arresten van 18 november 1999, Van Coile, C-442/97, Jurispr. blz. I-8093, punt 25, en Platbrood, C-161/98, Jurispr. blz. I-8195, punt 25).
17 Wat het hoofdgeding betreft, dient enerzijds te worden vastgesteld dat de Arbeidsrechtbank te Bergen blijkens het verwijzingsvonnis oordeelt dat de RVP artikel 52, lid 1, tweede alinea, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 enkel wegens het bestaan van een uitkering ten laste van een andere lidstaat heeft toegepast, en uit het oogpunt van het nationale recht deze bepaling correct heeft toegepast.
18 Bijgevolg moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling worden geacht althans impliciet betrekking te hebben op uitkeringen die de betrokkene in een andere lidstaat geniet.
19 Anderzijds staat vast, zoals de advocaat-generaal in de punten 40 en 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de toepassing van de berekeningsregel van artikel 52, lid 1, tweede alinea, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 leidt tot een vermindering van het totale bedrag van de uitkeringen waarop de betrokkene aanspraak heeft.
20 In deze omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de regeling van een lidstaat voor de berekening van een overlevingspensioen, die voorziet in een beperking van het plafond voor cumulatie van een rustpensioen met een overlevingspensioen wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak heeft op een overlevingspensioen ten laste van een andere lidstaat, een bepaling inzake vermindering is in de zin van de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71.
De tweede vraag
21 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71 zich verzetten tegen de toepassing van de regeling van een lidstaat, die een anticumulatieregel bevat krachtens welke het in deze lidstaat toegekende overlevingspensioen moet worden verminderd wanneer de pensioentrekker krachtens de regeling van een andere lidstaat een overlevingspensioen ontvangt.
22 Ter beantwoording van deze vraag zij onmiddellijk eraan herinnerd, dat volgens artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 de verminderingsbepalingen in de wettelijke regeling van een lidstaat, tenzij in de verordening anders is bepaald, van toepassing zijn op de personen die een uitkering ten laste van deze lidstaat ontvangen wanneer zij aanspraak hebben op andere socialezekerheidsuitkeringen, zelfs indien deze uitkeringen zijn verkregen op grond van de wetgeving van een andere lidstaat.
23 Een uitzondering op het beginsel van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vormt artikel 46 ter, lid 1, van deze verordening, volgens hetwelk in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard de verminderingsbepalingen in de nationale wettelijke regeling niet van toepassing zijn op een overeenkomstig artikel 46, lid 2, berekende uitkering.
24 Dienaangaande zij vastgesteld, enerzijds dat volgens vaste rechtspraak uitkeringen van sociale zekerheid als uitkeringen van dezelfde aard moeten worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn (zie, met name, arrest van 12 februari 1998, Cordelle, C-366/96, Jurispr. blz. I-583, punt 19). Bijgevolg zijn het Belgische overlevingspensioen en het Italiaanse overlevingspensioen, die in de hoofdzaak in geding zijn, uitkeringen van dezelfde aard in de zin van verordening nr. 1408/71.
25 Anderzijds heeft de RVP, zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de uitkeringen in de hoofdzaak overeenkomstig artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vastgesteld.
26 Hieruit volgt dat het Belgische overlevingspensioen en het Italiaanse overlevingspensioen die in de hoofdzaak in geding zijn, onder de uitzondering van artikel 46 ter, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vallen, en dat een verminderingsbepaling zoals die welke in de hoofdzaak aan de orde is, dus niet kan worden toegepast bij de berekening van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46, lid 2, van deze verordening.
27 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel, dat de bepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 in hun geheel moeten worden toegepast wanneer de uitsluitende toepassing van de nationale wettelijke regeling voor de betrokkene minder gunstig blijkt te zijn dan de toepassing van de in dit artikel voorgeschreven communautaire regeling (zie, met name, arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande, C-90/91 en C-91/91, Jurispr. blz. I-3851, punt 16).
28 De berekening van het bedrag van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 moet in drie fasen worden verricht. In de eerste plaats berekent de bevoegde instelling overeenkomstig artikel 46, lid 1, sub a-i, van deze verordening de zogenaamde "autonome" uitkering. In de tweede plaats berekent zij krachtens artikel 46, lid 1, sub a-ii, van deze verordening het bedrag van de zogenaamde "geproratiseerde" uitkering volgens lid 2 van hetzelfde artikel. En ten slotte vergelijkt het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 46, lid 3, van deze verordening het bedrag van de autonome uitkering met dat van de geproratiseerde uitkering en neemt het van de twee bedragen het hoogste.
29 Het staat derhalve aan het bevoegde orgaan om de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn bij uitsluitende toepassing van het nationale recht, met inbegrip van de anticumulatievoorschriften ervan, te vergelijken met de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn bij toepassing van het gemeenschapsrecht, en aan de betrokkene het hoogste uitkeringsbedrag toe te kennen.
30 Gelet op een en ander, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71 zich verzetten tegen de toepassing van de regeling van een lidstaat die een anticumulatieregel bevat volgens welke een in deze lidstaat toegekend overlevingspensioen moet worden verminderd wegens het bestaan van een krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat verkregen overlevingspensioen, wanneer de overeenkomstig de nationale regeling verschuldigde uitkeringen minder gunstig blijken te zijn dan de overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde uitkeringen.
Kosten
31 De kosten door de Belgische regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Bergen bij vonnis van 13 maart 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De regeling van een lidstaat voor de berekening van een overlevingspensioen, die voorziet in een beperking van het plafond voor de cumulatie van een rustpensioen en een overlevingspensioen wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak heeft op een overlevingspensioen ten laste van een andere lidstaat, is een bepaling inzake vermindering in de zin van de artikelen 46 bis en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992.
2) De artikelen 46 bis en 46 ter van verordening nr. 1408/71, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening nr. 2001/83, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992, verzetten zich tegen de toepassing van de wettelijke regeling van een lidstaat die een anticumulatieregel bevat volgens welke een in deze lidstaat toegekend overlevingspensioen moet worden verminderd wegens het bestaan van een krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat verkregen overlevingspensioen, wanneer de overeenkomstig de nationale regeling verschuldigde uitkeringen minder gunstig blijken te zijn dan de overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde uitkeringen.