61999B0143

Beschikking van de president van de tweede kamer van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juli 1999. - Hortiplant SAT tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Kort geding - Spoedeisendheid. - Zaak T-143/99 R.

Jurisprudentie 1999 bladzijde II-02451


Samenvatting

Trefwoorden


Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Imminente ernstige en onherstelbare schade - Begrip - Bewijslast

[EG-Verdrag, art. 185 en 186 (thans art. 242 EG en 243 EG); Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2]

Samenvatting


$$De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de noodzakelijkheid van een voorlopige beslissing ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij moet aantonen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden.

Om te kunnen beoordelen of de door verzoeker gestelde schade ernstig en onherstelbaar is, zodat er gronden zijn om bij wijze van uitzondering de uitvoering van een beschikking op te schorten, dient de rechter in kort geding te beschikken over concrete gegevens, die hem in staat stellen te beoordelen, wat waarschijnlijk de gevolgen zullen zijn indien de gevraagde maatregelen niet worden getroffen. De dreiging van schade behoeft echter niet met volstrekte zekerheid te worden aangetoond. In het bijzonder wanneer het intreden van de schade afhankelijk is van een aantal factoren, is het voldoende dat zij met een redelijke mate van zekerheid kan worden voorzien.