Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 28 april 1999. - Pacific Fruit Company NV, Leon Van Parijs NV, Pacific Fruit Company Italy SpA en Pacific Fruchtimport GmbH tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Bananen - Verzoek om afgifte van extra invoercertificaten - Procedure in kort geding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid. - Zaak T-11/99 R.
Jurisprudentie 1999 bladzijde II-01355
1 Procedure - Behandeling van zaken voor Gerecht - Bescherming van partijen tegen oneigenlijk gebruik van processtukken - Draagwijdte
(Instructies voor de griffier van het Gerecht, art. 5, lid 3)
2 Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevantie - Grenzen
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
3 Kort geding - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Financiële schade
(EG-Verdrag, art. 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
1 Volgens de regels inzake de behandeling van zaken voor het Gerecht en artikel 5, lid 3, derde alinea, van de Instructies voor de griffier genieten partijen bescherming tegen oneigenlijk gebruik van de processtukken. Partijen bij een zaak mogen de processtukken van andere partijen derhalve alleen gebruiken om hun eigen zaak te verdedigen.
2 Het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak mag weliswaar in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding teneinde de grond van de zaak niet te prejudiciëren, doch wanneer wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het niettemin noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan aanvankelijk tot de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden geconcludeerd. Met name moet worden vermeden, dat de verzoeker via een kort geding maatregelen kan verkrijgen waarop hij geen recht zou hebben indien het Gerecht bij het onderzoek van de hoofdzaak zijn beroep niet-ontvankelijk verklaart.
3 De voor toekenning van voorlopige maatregelen gestelde voorwaarde van gevaar voor ernstige en onherstelbare schade is niet vervuld, wanneer de betrokken onderneming slechts zuiver financiële schade stelt zonder gegevens aan te dragen waaruit aanvankelijk kan worden opgemaakt, dat zij daardoor in haar voortbestaan wordt bedreigd of ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden, en dat deze schade derhalve niet volledig zou kunnen worden hersteld ingeval het beroep in de hoofdzaak slaagt.