Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Gemeenschapsmerk - Beroepsprocedure - Beroep bij gemeenschapsrechter - Beroep tot vernietiging - Exceptie van onwettigheid - Incident - Toelaatbaarheid

(Art. 241 EG; verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63, lid 2)

2. Europese Gemeenschap - Regeling van taalgebruik - Verordening nr. 1

[EG-Verdrag, art. 217 (thans art. 290 EG); verordening nr. 1 van de Raad]

3. Gemeenschapsmerk - Talen van Bureau - Verplichting van aanvrager van gemeenschapsmerk om een tweede taal" op te geven die gebruikt kan worden in procedures betreffende oppositie, vervallen- en nietigverklaring - Schending van non-discriminatiebeginsel - Geen

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 115, lid 3; verordening nr. 2868/95 van de Commissie, art. 1, regel 1, lid 1, sub j)

Samenvatting

1. Dat verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk de exceptie van onwettigheid niet uitdrukkelijk vermeldt als incidenteel rechtsmiddel dat de justitiabelen kunnen aanwenden voor het Gerecht wanneer zij om vernietiging of herziening van een beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verzoeken, verhindert niet dat de justitiabelen deze exceptie in het kader van een dergelijk beroep kunnen opwerpen. Dit recht vloeit voort uit het in artikel 241 EG vermelde algemene beginsel.

( cf. punt 21 )

2. Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap is slechts een handeling van afgeleid recht, die artikel 217 van het Verdrag (thans artikel 290 EG) als rechtsgrondslag heeft. De stelling dat deze verordening een gemeenschapsrechtelijk beginsel van gelijkheid van de talen tot uitdrukking brengt, waarvan zelfs niet bij een latere verordening van de Raad kan worden afgeweken, miskent dat het om een handeling van afgeleid recht gaat. Verder hebben de lidstaten geen taalregeling voor de instellingen en organen van de Gemeenschap vastgesteld in het Verdrag. Op grond van artikel 217 van het Verdrag heeft de Raad de mogelijkheid om met eenparigheid van stemmen de regeling van het taalgebruik door de instellingen vast te stellen en te wijzigen, alsook om afwijkende regelingen vast te stellen. Dit artikel bepaalt niet dat deze regeling, eenmaal vastgesteld door de Raad, later niet meer kan worden gewijzigd. Derhalve kan de taalregeling van verordening nr. 1 niet op één lijn worden gesteld met een gemeenschapsrechtelijk beginsel.

( cf. punt 58 )

3. Het non-discriminatiebeginsel wordt niet geschonden door de verplichting van de aanvrager van een gemeenschapsmerk om onder de talen van het Bureau een tweede taal op [te geven] die wat hem betreft gebruikt kan worden in procedures betreffende oppositie, vervallen- en nietigverklaring", zoals bepaald in artikel 115, lid 3, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk en in artikel 1, regel 1, lid 1, sub j, van verordening nr. 2868/95 tot uitvoering van verordening nr. 40/94.

Zoals blijkt uit de formulering van artikel 115, lid 3, van verordening nr. 40/94, aanvaardt de aanvrager met de opgave van een tweede taal enkel dat deze taal in oppositie-, vervallen- en nietigverklaringsprocedures als proceduretaal gebruikt kan worden. Zolang de aanvrager de enige partij is in de procedures voor het Bureau, is de proceduretaal dus de taal waarin de inschrijvingsaanvraag is gesteld. In dit geval kan verordening nr. 40/94 derhalve op zich niet tot een verschillende behandeling op taalgebied leiden, aangezien zij juist waarborgt dat de taal waarin de aanvraag is gesteld, wordt gebruikt als proceduretaal en dus als de taal waarin de procedurehandelingen met beslissingskarakter moeten worden opgesteld.

In zijn streven om de proceduretaal vast te stellen bij gebreke van overeenstemming tussen partijen met een verschillende voorkeurstaal, heeft de Raad een passende en evenredige keuze gemaakt, ook al heeft hij daarbij de officiële talen van de Gemeenschap verschillend behandeld. Enerzijds biedt artikel 115, lid 3, van verordening nr. 40/94 de merkaanvrager de gelegenheid te bepalen welke van de in de Europese Gemeenschap meest verbreide talen proceduretaal zal zijn in procedures betreffende oppositie, vervallen- of nietigverklaring, wanneer een andere partij in de procedure de door hem gekozen eerste taal niet wenst. Anderzijds is de Raad, door de keuze te beperken tot de in de Europese Gemeenschap meest verbreide talen en aldus te vermijden dat de proceduretaal al te zeer afwijkt van de bij een andere partij in de procedure bekende talen, niet verder gegaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel.

( cf. punten 60-61, 63 )