Zaak C-196/99 P
Siderúrgica Aristrain Madrid SL
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten»
|
| Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 26 september 2002 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
|
| Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 oktober 2003 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
Samenvatting van het arrest
- 1..
- Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Afwijzing
(Art. 32 quinquies, lid 1, KS; Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51)
- 2..
- Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels – Loutere wenselijkheid, wijze van berekening van geldboete mee te delen
(EGKS-Verdrag, art. 15, eerste alinea, en 65, lid 5)
- 3..
- Procedure – Maatregelen van instructie – Verzoek om overlegging van document – Beoordelingsvrijheid van Gerecht
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 49 en 65, sub b)
- 4..
- EGKS – Communautaire mededingingsregels – Inbreuken – Geldboeten – Vaststelling – Criteria – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)
- 5..
- EGKS – Communautaire mededingingsregels – Inbreuk gepleegd door onderneming – Toerekening aan andere onderneming gelet op economische en juridische banden die hen verenigen – Voorwaarden – Ontoereikendheid van omstandigheid dat kapitaal in één hand is verenigd
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)
- 6..
- EGKS – Mededingingsregelingen – Geldboeten – Bedrag – Berekeningsmethode – Vaststelling, voor alle ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen, in ecu op basis van omzet in ecu van laatste volledige
jaar waarin inbreuk is gepleegd – Toelaatbaarheid
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)
- 7..
- Gerecht – Organisatie – Samenstelling van kamers – Afwezigheid of verhindering van rechter – Definitief of tijdelijk – Geen invloed
(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 18 en 44; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 32 en 33, leden 1
en 5)
- 8..
- Procedure – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Beoordelingscriteria
- 1.
Volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie is hogere voorziening
beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen,
alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen.
Het Hof kan evenwel nagaan, of het Gerecht de middelen van de partijen heeft beantwoord en zijn arrest volgens de regels heeft
gemotiveerd. cf. punten 40-41
- 2.
De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van
de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan
wel eventueel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Voor de nakoming van de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten
worden opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, is de vermelding van cijfergegevens met betrekking
tot de berekeningswijze van deze geldboeten, hoe nuttig en wenselijk deze gegevens ook zijn, niet onmisbaar, waarbij dient
te worden aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsvrijheid door uitsluitend en
mechanisch wiskundige formules toe te passen. cf. punten 52, 56
- 3.
Het staat aan de gemeenschapsrechter om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging
van een stuk, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat
het Gerecht betreft, volgt uit de artikelen 49 en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, in hun onderlinge samenhang
beschouwd, dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in
iedere stand van het geding kan gelasten indien het deze nodig acht om de waarheid aan het licht te brengen. cf. punten 67-68
- 4.
De moeilijkheid om het niveau te vergelijken van geldboeten die zijn opgelegd aan ondernemingen die op verschillende markten,
op soms zeer uiteenlopende tijdstippen, aan verschillende overeenkomsten hebben deelgenomen, kan voortvloeien uit de voorwaarden
waaraan moet zijn voldaan om een efficiënt mededingingsbeleid te voeren. Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige
soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, staat niet eraan in de weg dat zij dit niveau binnen de
in artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag getrokken grenzen verhoogt, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire
mededingingsbeleid te verzekeren. cf. punt 81
- 5.
Het mededingingsverstorend gedrag van een onderneming kan aan een andere onderneming worden toegerekend wanneer eerstgenoemde
onderneming haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalde, maar in hoofdzaak de door laatstgenoemde onderneming verstrekte instructies
volgde, in het bijzonder gelet op de economische en juridische banden die hen verenigden. Het loutere feit dat het maatschappelijk kapitaal van twee onderscheiden handelsvennootschappen in handen is van eenzelfde
persoon of familie, levert als zodanig nog niet het bewijs op dat tussen deze twee vennootschappen een economische eenheid
bestaat die krachtens het communautaire mededingingsrecht tot gevolg heeft dat de ene vennootschap voor de handelingen van
de andere aansprakelijk kan worden gesteld en gehouden kan zijn om voor de andere een geldboete te betalen. cf. punten 96, 99
- 6.
Wanneer de Commissie aan verschillende ondernemingen geldboeten oplegt wegens inbreuken op de mededingingsregels in het kader
van het EGKS-Verdrag, is de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen
het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, een relevante factor voor de beoordeling van
de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Bij de beoordeling van de omvang en de economische macht van een
onderneming ten tijde van de inbreuk moet immers noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode
en niet van de omzet ten tijde van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete is opgelegd. Verder geeft het gebruik
van een gemeenschappelijk referentiejaar voor alle ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, elke onderneming
de garantie dat zij op dezelfde wijze als de andere wordt behandeld, aangezien de sancties op uniforme wijze worden bepaald,
zonder rekening te houden met extrinsieke en aleatoire factoren die een invloed zouden hebben kunnen uitoefenen op de omzet
tussen het laatste jaar van de inbreuk en het tijdstip van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboeten worden
opgelegd. Overigens biedt het feit dat het referentiejaar deel uitmaakt van de periode waarin de inbreuk is gepleegd, de mogelijkheid
om de omvang van de gepleegde inbreuk te beoordelen op basis van de economische werkelijkheid in die periode. Wat de geldboete zelf betreft, kan dankzij de vaststelling van het bedrag ervan in ecu op basis van de omzet van het referentiejaar
tegen de wisselkoers van die periode worden verhinderd dat de omvang van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben
deelgenomen, door de inaanmerkingneming van extrinsieke en aleatoire factoren, zoals de ontwikkeling van de nationale valuta
in de periode daarna, wordt vertekend. Verder is het gebruik van een gemeenschappelijke munt, zoals de ecu, voor de vaststelling
van de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, niet verboden door artikel 65,
lid 5, EGKS-Verdrag, maar integendeel gerechtvaardigd door de wens om de sanctie voor deze ondernemingen op uniforme wijze
te bepalen. Ten slotte vormen de valutaschommelingen een toeval dat zowel voordeel als nadeel kan opleveren; ondernemingen krijgen in
het kader van hun commerciële activiteiten gewoonlijk met dit toeval te maken, en deze toevallige omstandigheid brengt op
zich niet mee dat het bedrag van een geldboete dat op wettige wijze is vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk
en de omzet in het laatste jaar waarin die inbreuk is gepleegd, niet langer passend zou zijn. cf. punten 128-132
- 7.
Voor de toepassing van de in de artikelen 18, tweede alinea, en 44 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie en de artikelen 32
en 33, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bedoelde regels betreffende de samenstelling van de
rechtsprekende formaties van het Gerecht is het irrelevant of een rechter definitief dan wel tijdelijk is verhinderd. Zo het
reeds bij een tijdelijke afwezigheid of verhindering gerechtvaardigd is de samenstelling te wijzigen om een oneven aantal
rechters te behouden, dan geldt dit a fortiori in het geval van een definitieve verhindering die bijvoorbeeld voortvloeit
uit het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter. Volgens artikel 33, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient bij het onderzoek of de bepalingen
van dit reglement inzake de beraadslaging in acht zijn genomen, te worden gekeken naar het ogenblik waarop bij de eindberaadslaging
het gevoelen dat de beslissing van het Gerecht bepaalt, wordt gevormd. cf. punten 155-157
- 8.
Het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces
binnen een redelijke termijn, is van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan
een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het
bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde
autoriteiten. De lijst van deze criteria is niet uitputtend en de beoordeling van de redelijkheid van de termijn vereist niet dat de zaak
stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd
lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak gerechtvaardigd is. Zo kan de
complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker een rechtvaardiging vormen voor een termijn die op het eerste
gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in
het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. In voorkomend geval kan de duur van
een fase van de procedure zonder meer als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde
behandelingsduur van een zaak van dat type. cf. punten 165-167