Zaak C-196/99 P


Siderúrgica Aristrain Madrid SL
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen


«Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten»

Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 26 september 2002
I - 0000
    
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 oktober 2003
I - 0000
    

Samenvatting van het arrest

1..
Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Afwijzing

(Art. 32 quinquies, lid 1, KS; Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51)

2..
Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels – Loutere wenselijkheid, wijze van berekening van geldboete mee te delen

(EGKS-Verdrag, art. 15, eerste alinea, en 65, lid 5)

3..
Procedure – Maatregelen van instructie – Verzoek om overlegging van document – Beoordelingsvrijheid van Gerecht

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 49 en 65, sub b)

4..
EGKS – Communautaire mededingingsregels – Inbreuken – Geldboeten – Vaststelling – Criteria – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

5..
EGKS – Communautaire mededingingsregels – Inbreuk gepleegd door onderneming – Toerekening aan andere onderneming gelet op economische en juridische banden die hen verenigen – Voorwaarden – Ontoereikendheid van omstandigheid dat kapitaal in één hand is verenigd

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

6..
EGKS – Mededingingsregelingen – Geldboeten – Bedrag – Berekeningsmethode – Vaststelling, voor alle ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen, in ecu op basis van omzet in ecu van laatste volledige jaar waarin inbreuk is gepleegd – Toelaatbaarheid

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

7..
Gerecht – Organisatie – Samenstelling van kamers – Afwezigheid of verhindering van rechter – Definitief of tijdelijk – Geen invloed

(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 18 en 44; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 32 en 33, leden 1 en 5)

8..
Procedure – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Beoordelingscriteria

1.
Volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie is hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen. Het Hof kan evenwel nagaan, of het Gerecht de middelen van de partijen heeft beantwoord en zijn arrest volgens de regels heeft gemotiveerd. cf. punten 40-41

2.
De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel eventueel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Voor de nakoming van de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, is de vermelding van cijfergegevens met betrekking tot de berekeningswijze van deze geldboeten, hoe nuttig en wenselijk deze gegevens ook zijn, niet onmisbaar, waarbij dient te worden aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsvrijheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen. cf. punten 52, 56

3.
Het staat aan de gemeenschapsrechter om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een stuk, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit de artikelen 49 en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, in hun onderlinge samenhang beschouwd, dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten indien het deze nodig acht om de waarheid aan het licht te brengen. cf. punten 67-68

4.
De moeilijkheid om het niveau te vergelijken van geldboeten die zijn opgelegd aan ondernemingen die op verschillende markten, op soms zeer uiteenlopende tijdstippen, aan verschillende overeenkomsten hebben deelgenomen, kan voortvloeien uit de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een efficiënt mededingingsbeleid te voeren. Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, staat niet eraan in de weg dat zij dit niveau binnen de in artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag getrokken grenzen verhoogt, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren. cf. punt 81

5.
Het mededingingsverstorend gedrag van een onderneming kan aan een andere onderneming worden toegerekend wanneer eerstgenoemde onderneming haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalde, maar in hoofdzaak de door laatstgenoemde onderneming verstrekte instructies volgde, in het bijzonder gelet op de economische en juridische banden die hen verenigden. Het loutere feit dat het maatschappelijk kapitaal van twee onderscheiden handelsvennootschappen in handen is van eenzelfde persoon of familie, levert als zodanig nog niet het bewijs op dat tussen deze twee vennootschappen een economische eenheid bestaat die krachtens het communautaire mededingingsrecht tot gevolg heeft dat de ene vennootschap voor de handelingen van de andere aansprakelijk kan worden gesteld en gehouden kan zijn om voor de andere een geldboete te betalen. cf. punten 96, 99

6.
Wanneer de Commissie aan verschillende ondernemingen geldboeten oplegt wegens inbreuken op de mededingingsregels in het kader van het EGKS-Verdrag, is de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, een relevante factor voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Bij de beoordeling van de omvang en de economische macht van een onderneming ten tijde van de inbreuk moet immers noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode en niet van de omzet ten tijde van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete is opgelegd. Verder geeft het gebruik van een gemeenschappelijk referentiejaar voor alle ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, elke onderneming de garantie dat zij op dezelfde wijze als de andere wordt behandeld, aangezien de sancties op uniforme wijze worden bepaald, zonder rekening te houden met extrinsieke en aleatoire factoren die een invloed zouden hebben kunnen uitoefenen op de omzet tussen het laatste jaar van de inbreuk en het tijdstip van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboeten worden opgelegd. Overigens biedt het feit dat het referentiejaar deel uitmaakt van de periode waarin de inbreuk is gepleegd, de mogelijkheid om de omvang van de gepleegde inbreuk te beoordelen op basis van de economische werkelijkheid in die periode. Wat de geldboete zelf betreft, kan dankzij de vaststelling van het bedrag ervan in ecu op basis van de omzet van het referentiejaar tegen de wisselkoers van die periode worden verhinderd dat de omvang van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, door de inaanmerkingneming van extrinsieke en aleatoire factoren, zoals de ontwikkeling van de nationale valuta in de periode daarna, wordt vertekend. Verder is het gebruik van een gemeenschappelijke munt, zoals de ecu, voor de vaststelling van de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, niet verboden door artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, maar integendeel gerechtvaardigd door de wens om de sanctie voor deze ondernemingen op uniforme wijze te bepalen. Ten slotte vormen de valutaschommelingen een toeval dat zowel voordeel als nadeel kan opleveren; ondernemingen krijgen in het kader van hun commerciële activiteiten gewoonlijk met dit toeval te maken, en deze toevallige omstandigheid brengt op zich niet mee dat het bedrag van een geldboete dat op wettige wijze is vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk en de omzet in het laatste jaar waarin die inbreuk is gepleegd, niet langer passend zou zijn. cf. punten 128-132

7.
Voor de toepassing van de in de artikelen 18, tweede alinea, en 44 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie en de artikelen 32 en 33, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bedoelde regels betreffende de samenstelling van de rechtsprekende formaties van het Gerecht is het irrelevant of een rechter definitief dan wel tijdelijk is verhinderd. Zo het reeds bij een tijdelijke afwezigheid of verhindering gerechtvaardigd is de samenstelling te wijzigen om een oneven aantal rechters te behouden, dan geldt dit a fortiori in het geval van een definitieve verhindering die bijvoorbeeld voortvloeit uit het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter. Volgens artikel 33, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient bij het onderzoek of de bepalingen van dit reglement inzake de beraadslaging in acht zijn genomen, te worden gekeken naar het ogenblik waarop bij de eindberaadslaging het gevoelen dat de beslissing van het Gerecht bepaalt, wordt gevormd. cf. punten 155-157

8.
Het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, is van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten. De lijst van deze criteria is niet uitputtend en de beoordeling van de redelijkheid van de termijn vereist niet dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak gerechtvaardigd is. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker een rechtvaardiging vormen voor een termijn die op het eerste gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. In voorkomend geval kan de duur van een fase van de procedure zonder meer als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde behandelingsduur van een zaak van dat type. cf. punten 165-167




ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 oktober 2003 (1)


„Hogere voorziening – Overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen – Europese balkenproducenten”

In zaak C-196/99 P,

Siderúrgica Aristrain Madrid SL, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door A. Creus Carreras en N. Lacalle Mangas, abogados,

rekwirante,

betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer ─ uitgebreid) van 11 maart 1999, Aristrain/Commissie (T-156/94, Jurispr. blz. II-645), strekkende tot vernietiging van dat arrest,

andere partij bij de procedure:

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en W. Wils als gemachtigden, bijgestaan door J. Rivas de Andrés, abogado, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerster in eerste aanleg, wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,



samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,

advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 31 januari 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,

het navolgende



Arrest



1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 1999, heeft Siderúrgica Aristrain Madrid SL krachtens artikel 49 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 maart 1999, Aristrain/Commissie (T-156/94, Jurispr. blz. II-645; hierna: bestreden arrest), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: litigieuze beschikking), gedeeltelijk is verworpen. Bij deze beschikking had de Commissie rekwirante krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag een geldboete opgelegd.

Feiten en litigieuze beschikking

2
Volgens het bestreden arrest heeft de Europese staalsector vanaf 1974 een crisis doorgemaakt, gekenmerkt door een scherpe daling van de vraag die problemen van overproductie, overcapaciteit en lage prijzen teweegbracht.

3
Eerst had de Commissie gepoogd de crisis te beheersen door middel van eenzijdige, vrijwillige verbintenissen van de ondernemingen betreffende de op de markt aangeboden hoeveelheden staal en betreffende minimumprijzen ( plan Simonet), of door richt- en minimumprijzen vast te stellen ( plan Davignon, Eurofer I-akkoord). In 1980 stelde zij vast dat er sprake was van een uitgesproken crisis in de zin van artikel 58 EGKS-Verdrag, en legde zij bindende productiequota op, met name voor balken. Deze communautaire regeling is geëindigd op 30 juni 1988.

4
Reeds lang voor deze datum had de Commissie in verschillende mededelingen en beschikkingen aangekondigd dat de quotaregeling zou worden afgeschaft, en erop gewezen dat het einde van dit systeem de terugkeer zou betekenen naar een markt van vrije mededinging tussen de ondernemingen. In de sector bleef evenwel een overtollige productiecapaciteit bestaan, die volgens de deskundigen voldoende en snel diende te worden ingekrompen om de ondernemingen in staat te stellen stand te houden tegen de mondiale concurrentie.

5
Zodra de quotaregeling een einde had genomen, heeft de Commissie een toezichtsysteem opgezet, waarbij statistieken over productie en leveringen werden bijgehouden, de ontwikkeling van de markten werd gevolgd, en de ondernemingen regelmatig werden geraadpleegd over de marktsituatie en -tendensen. In het kader van overlegbijeenkomsten hebben de ondernemingen van de sector, waarvan een aantal lid waren van de ondernemersvereniging Eurofer, dus regelmatige contacten onderhouden met DG III (directoraat-generaal Interne markt en industrie) van de Commissie (hierna: DG III). Het toezichtsysteem werd op 30 juni 1990 beëindigd en vervangen door een individueel en vrijwillig informatiesysteem.

6
Begin 1991 heeft de Commissie verschillende inspecties uitgevoerd bij een aantal staalondernemingen en ondernemersverenigingen in die sector. Op 6 mei 1992 heeft zij hun een mededeling van punten van bezwaar gezonden. Begin 1993 hebben hoorzittingen plaatsgevonden.

7
In de litigieuze beschikking van 16 februari 1994 heeft de Commissie vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen, in strijd met artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Bij deze beschikking heeft zij aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd voor inbreuken die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 waren gepleegd.

Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

8
Op 18 april 1994 heeft rekwirante in de onderhavige zaak bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking.

9
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van rekwirante gedeeltelijk toegewezen en de haar opgelegde geldboete verlaagd.

Conclusies van partijen

10
Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:

1)
het bestreden arrest wegens alle of bepaalde van de aangegeven gebreken te vernietigen en hieruit, ongeacht of het Hof zelf de zaak afdoet of terugverwijst naar het Gerecht, alle gevolgen rechtens te trekken, en in het bijzonder:

a)
het bestreden arrest te vernietigen voorzover het Gerecht wegens onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 65 EGKS-Verdrag de [litigieuze] beschikking niet in strijd met het gemeenschapsrecht heeft geacht, en op deze grond de beschikking nietig te verklaren;

b)
de zaak af te doen wanneer deze in staat van wijzen is, of anders terug te verwijzen naar het Gerecht, zodat op de onderstaande gronden wordt beslist en bijgevolg de [litigieuze] beschikking nietig wordt verklaard voorzover zij op deze gronden berust, of, subsidiair, de aan rekwirante opgelegde boete wordt verlaagd:

hoofdelijke aansprakelijkheid;

motiveringsgebreken;

tegenstrijdigheden;

schending van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, door de geldboetes uit te drukken in ecu;

verzuim om de Commissie te veroordelen tot betaling aan de verzoekster in eerste aanleg van de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling voor de gehele geldboete of een deel daarvan of met de eventuele betaling daarvan; te beslissen, dat eerst rente over de geldboete verschuldigd is nadat het arrest van het Gerecht uitvoerbaar zal zijn geworden, en bijgevolg veroordeling van de Commissie tot betaling van de ter zake van de zekerheidstelling of betaling van de geldboete ontstane kosten en rente;

eveneens in verband met het achtste en het negende middel;

c)
voorzover de zaak niet in staat van wijzen is, haar terug te verwijzen naar het Gerecht ter beslissing op het middel

misbruik van bevoegdheid;

2)
verweerster in de kosten te verwijzen en tevens, voorzover de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, in de kosten gevallen op de procedure in eerste aanleg.

11
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

de hogere voorziening af te wijzen;

rekwirante in de kosten te verwijzen.

De middelen in hogere voorziening

12
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante negen middelen aan:

1)
onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag en tegenstrijdige motivering bij de beoordeling van de inbreuken die zouden zijn gepleegd;

2)
onjuiste toepassing van het begrip misbruik van bevoegdheid;

3)
schending van artikel 15 EGKS-Verdrag, wat de motivering van het bedrag van de geldboeten betreft;

4)
ontoereikende motivering ten aanzien van:

a)
de vaststelling dat bij de vaststelling van de litigieuze beschikking het quorum was bereikt, en de weigering om de dienaangaande door rekwirante gevorderde maatregel van instructie te gelasten,

b)
de weigering om rekening te houden met de hoogte van de in andere kartelzaken opgelegde geldboeten;

5)
schending van het gemeenschapsrecht bij de beoordeling:

a)
van de argumenten met betrekking tot de rechtspersoon die gehouden is tot betaling van de geldboete die is opgelegd wegens het gedrag van twee verschillende vennootschappen,

b)
van de kennis van de onrechtmatigheid van de gelaakte gedragingen als verzwarende omstandigheid,

c)
van het in het dispositief van de litigieuze beschikking van de Commissie genoemde tijdstip vanaf hetwelk de vermeende inbreuken aan rekwirante zijn toegerekend;

6)
schending van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel bij de beoordeling van de argumenten betreffende de inaanmerkingneming van de waardedaling van de Spaanse peseta ten opzichte van de ecu;

7)
schending van het gemeenschapsrecht, voorzover het Gerecht de Commissie niet heeft verwezen in de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling of de eventuele betaling van de geldboete;

8)
schending van artikel 33 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en van de procedurele waarborgen;

9)
schending van het recht op een billijke uitspraak binnen een redelijke termijn.

13
Bij de uiteenzetting van de middelen zal telkens worden aangegeven tegen welke punten van het bestreden arrest het middel is gericht.

De hogere voorziening

Het eerste middel

14
Met het eerste middel stelt rekwirante schending van het gemeenschapsrecht door onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag en tegenstrijdige motivering bij de beoordeling van de inbreuken die zouden zijn gepleegd op de door dit Verdrag beheerste markt.

15
Dit middel is gericht tegen:

de punten 314 tot en met 336 van bestreden arrest, waarin het Gerecht de kwalificatie van de gelaakte gedragingen heeft getoetst aan het criterium van de normale werking van de mededinging van artikel 65 EGKS-Verdrag;

de punten 413 tot en met 439 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft onderzocht of de betrokken informatie-uitwisseling in de litigieuze beschikking als een zelfstandige inbreuk is beschouwd, en het mededingingsverstorende karakter van deze uitwisseling heeft beoordeeld;

de punten 465 tot en met 519 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de argumenten inzake de betrokkenheid van de Commissie bij de aan rekwirante verweten inbreuken heeft onderzocht;

de punten 612 tot en met de 623 en 645 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht ter bepaling van het bedrag van de geldboete de economische weerslag van de inbreuken heeft onderzocht.

16
Rekwirante stelt in wezen dat:

het Gerecht de begrippen overeenkomst en onderling samenhangende gedragingen van artikel 65 EGKS-Verdrag verkeerd heeft uitgelegd, door toepassingscriteria van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) te hanteren, hoewel de economische en normatieve context van de twee verdragen niet dezelfde is en de staalmarkt specifieke kenmerken, zoals een grote transparantie, bezit, die parallelle prijzen mogelijk maken,

aangezien in het kader van de toepassing van het EGKS-Verdrag informatie-uitwisselingsvergaderingen dienen te worden gehouden en DG III daarom heeft verzocht, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door met name in punt 233 van bestreden arrest te oordelen dat de loutere deelneming aan dergelijke vergaderingen voldoende bewijs oplevert dat rekwirante aan mededingingsverstorende activiteiten heeft deelgenomen.

17
Volgens rekwirante heeft het Gerecht erkend dat haar verklaringen en die van de getuigen juist zijn, aangezien het, zoals blijkt uit de punten 606 tot en met 623 van bestreden arrest, de geldboete die wegens de verschillende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen aan rekwirante was opgelegd, met 15 % heeft verminderd.

18
Rekwirante verwijt het Gerecht ook, dat het in punt 420 van het bestreden arrest het ─ in het schriftelijke antwoord van 19 januari 1998 en ter terechtzitting geformuleerde ─ standpunt van de Commissie heeft verworpen, dat de informatie-uitwisseling geen zelfstandige inbreuk vormde. Door aldus zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie, heeft het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheden overschreden.

19
Volgens de Commissie is het argument inzake onjuiste uitlegging van artikel 65 EGKS-Verdrag ongegrond. Zij stelt dat in het bestreden arrest toereikend is aangetoond dat het verbod van prijsvaststelling in de zin van deze bepaling was geschonden, en dat artikel 60 van het Verdrag niet aan de toepassing ervan in de weg stond.

20
Aangaande de deelneming aan informatie-uitwisselingsvergaderingen is de Commissie van mening, dat rekwirante de in punt 232 van het bestreden arrest bedoelde geoorloofde vergadering en de in de punten 510 en 511 van het arrest beschreven geheime vergaderingen met een ongeoorloofd doel door elkaar haalt. Enkel de deelneming aan deze laatste vergaderingen is aan rekwirante verweten.

21
Volgens de Commissie is de grief dat haar tijdens de procedure ingenomen standpunt betreffende het zelfstandige karakter van de inbreuk inzake informatie-uitwisseling is verworpen, niet-ontvankelijk, aangezien zij voor het eerst voor het Hof is opgeworpen. Dit middel is ook ongegrond, aangezien het Gerecht in het kader van het beroep tot taak had de litigieuze beschikking, en niet een dergelijke standpuntbepaling, te toetsen.

22
Ten slotte stelt de Commissie, onder verwijzing naar de punten 510 en 511 van het bestreden arrest, dat het niet juist is dat DG III kennis had van de aan rekwirante verweten mededingingsverstorende praktijken en deze zelfs heeft aangemoedigd. Het gaat hier om feitelijke vaststellingen die niet door het Hof kunnen worden getoetst.

Beoordeling door het Hof

23
Het Gerecht heeft in de punten 315 tot en met 320 van het bestreden arrest onderzocht binnen welke context artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag dient te worden geplaatst. Verder heeft het in de punten 321 tot en met 331 van het arrest nagegaan, of artikel 60 van het Verdrag relevant is voor de toetsing van de aan rekwirante verweten gedragingen aan datzelfde artikel 65, lid 1. In punt 332 van het arrest heeft het de artikelen 46 tot en met 48 EGKS-Verdrag onderzocht, en in het volgende punt is het tot de conclusie gekomen dat geen van de in het onderhavige punt genoemde bepalingen de ondernemingen toelaat om het verbod van artikel 65, lid 1, te schenden via overeenkomsten of onderling samenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, zoals die welke in casu aan de orde zijn.

24
Dit alles heeft het Gerecht op goede gronden overwogen.

25
In de punten 413 tot en met 420 van het bestreden arrest heeft het Gerecht nagegaan, of de gelaakte systemen van informatie-uitwisseling in de litigieuze beschikking als een zelfstandige inbreuk zijn beschouwd. Rekwirante toont evenwel niet aan, en tracht ook niet aan te tonen, in welke zin het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door zelf deze beschikking uit te leggen en niet af te gaan op de uitleg die de vertegenwoordigers van de Commissie in het antwoord van 19 januari 1998 en ter terechtzitting hebben verstrekt. In elk geval kan worden volstaan met op te merken dat, wanneer het Gerecht uitspraak doet op een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling, het deze handeling zelf mag uitleggen.

26
Gelet op de analyse van het EGKS-Verdrag door het Gerecht, heeft het bij de beoordeling van het mededingingsverstorende karakter van de betrokken informatie-uitwisseling in punt 421 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat artikel 65, lid 1, van het Verdrag op de gedachte berust dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt wil voeren.

27
Verder blijkt uit geen enkele regel van het EGKS-Verdrag dat ervan moest worden uitgegaan dat de deelneming aan de gelaakte vergaderingen geoorloofd was. Het Gerecht heeft dus op goede gronden en zonder de juridische bewijsregels te schenden, in punt 233 van het bestreden arrest kunnen vaststellen dat het feit dat een onderneming heeft deelgenomen aan vergaderingen waarop mededingingsbeperkende activiteiten zijn beraamd, volstaat als bewijs dat zij aan deze activiteiten heeft deelgenomen, voorzover er geen elementen zijn die op het tegendeel wijzen.

28
Aangaande het argument dat de ondernemingen in het kader van hun samenwerking met DG III onderling informatie dienden uit te wisselen, dient te worden opgemerkt dat rekwirante geen enkel argument aanvoert ter weerlegging van de overwegingen van het Gerecht in de punten 478 tot en met 519 van het bestreden arrest. In die punten heeft het Gerecht aangetoond, dat de betrokken ondernemingen het bestaan en de inhoud van hun besprekingen over mededingingsverstorende maatregelen en de door hen gemaakte afspraken voor de Commissie verborgen hebben gehouden. In punt 512 van het arrest heeft het Gerecht gepreciseerd, dat artikel 65, lid 4, EGKS-Verdrag in elk geval een objectieve inhoud heeft en bindend is, zowel voor de ondernemingen als voor de Commissie, die de ondernemingen niet van de toepassing daarvan kan vrijstellen.

29
Anders dan rekwirante stelt, doet het feit dat het Gerecht de geldboete heeft verminderd om rekening te houden met de economische weerslag van de informatie-uitwisseling inzake de prijzen, niet af aan het mededingingsverstorende karakter van deze uitwisseling. De toetsing door het Gerecht van de omvang van de krachtens artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag aan rekwirante opgelegde sanctie, dient immers te worden onderscheiden van het onderzoek of er sprake is van een inbreuk in de zin van artikel 65, lid 1.

30
Het Gerecht heeft dus zonder zichzelf tegen te spreken, in de punten 621 tot en met 623 van het bestreden arrest bij de beoordeling van de economische weerslag van de inbreuk en de vermindering van de opgelegde geldboete rekening gehouden met het gedrag van de Commissie, hoewel het in de punten 510 en 511 van het arrest tot de conclusie was gekomen dat de ongeoorloofde informatie-uitwisseling buiten het medeweten van de ambtenaren van DG III had plaatsgevonden.

31
Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel ongegrond is.

Het tweede middel

32
Met het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het begrip misbruik van bevoegdheid, aangezien het rekwirantes argumenten en aanwijzingen dienaangaande niet correct heeft onderzocht.

33
Dit middel is gericht tegen de punten 526 tot en met 532 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

526
Zoals reeds gezegd, vonden tegelijk met de door DG IV [directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie] in casu gevoerde administratieve procedure onderhandelingen plaats tussen DG III en de staalindustrie over diepgaande herstructureringen die ten dele met communautaire middelen zouden worden gefinancierd. Deze onderhandelingen zijn op 15 februari 1994, dus een dag voor de vaststelling van de [bestreden] beschikking, bij gebreke van overeenstemming tussen partijen afgebroken tijdens een vergadering waaraan de vertegenwoordigers van de industrie alsook de Commissieleden Bangemann en Van Miert deelnamen.

527
Volgens vaste rechtspraak kan ter zake van een handeling slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere dan de aangegeven doeleinden, dan wel om zich te onttrekken aan een speciale procedure waarin het Verdrag voorziet om aan omstandigheden als die van het concrete geval het hoofd te bieden (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 24; arresten Gerecht van 6 april 1995, Ferriere Nord/Commissie, T-143/89, Jurispr. blz. II-917, punt 68, en 24 september 1996, NALOO/Commissie, T-57/91, Jurispr. blz. II-1019, punt 327).

528
Het vervolgen en bestraffen van overtredingen op mededingingsgebied is een legitiem doel van het optreden van de Commissie, dat beantwoordt aan de fundamentele bepalingen van de artikelen 3 en 4 van het Verdrag. Wanneer het bewijs van dergelijke overtredingen daadwerkelijk is geleverd en vaststaat, dat de geldboeten op objectieve en evenredige wijze zijn berekend, dan kan de beschikking waarbij krachtens artikel 65, lid 5, van het Verdrag dergelijke boeten zijn opgelegd, slechts in buitengewone omstandigheden misbruik van bevoegdheid opleveren.

529
Noch het feit dat gelijktijdig onderhandelingen plaatsvonden tussen de Commissie en de industrie over de herstructurering van de Europese staalondernemingen, die reeds in de jaren tachtig, zo niet al de jaren zeventig waren begonnen, noch het samenvallen van de mislukking van deze onderhandelingen en de vaststelling van de [bestreden] beschikking alsmede de daardoor bij enkele leden van het Europees Parlement of journalisten opgekomen vragen, levert in casu op zich een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid op.

530
Daarenboven bevat het krachtens artikel 23 [van 's Hofs Statuut-EGKS] aan het Gerecht overgelegde dossier geen aanwijzing, dat de onderhavige procedure ex artikel 65 van het Verdrag zou zijn gebruikt om de staalindustrie tot herstructureringen te dwingen of om haar gebrek aan medewerking ter zake te bestraffen. Overigens is er geen reden om aan te nemen, dat de procedure ─ vanaf de eerste inspectie in januari 1991 tot aan de vaststelling van de [bestreden] beschikking op 16 februari 1994, via de mededeling van de punten van bezwaar aan de betrokken ondernemingen op 6 mei 1992, het onderzoek van hun in augustus 1992 ontvangen antwoorden, de hoorzitting in januari 1993, het op verzoek van de betrokkenen in januari en februari 1993 uitgevoerde interne onderzoek, de verzending van het verslag van de hoorzitting in twee delen op 8 juli en 8 september 1993 en de voorbereiding van de ontwerpbeschikking met de vertaling in de verschillende talen en de raadpleging van de diverse betrokken diensten ─ niet normaal is verlopen. Verzoekster heeft bovendien de stelling van de Commissie niet bestreden, dat de hoorzitting op verzoek van sommige van de betrokken ondernemingen is uitgesteld, namelijk van september 1992 tot januari 1993, dus ongeveer vier maanden, zodat hun advocaten zich op hun verdediging in de antidumpingprocedure konden concentreren, die de Amerikaanse autoriteiten destijds tegen hen waren begonnen.

531
Voor het argument ten slotte, dat de [bestreden] beschikking een andere inhoud zou hebben gehad wanneer de onderhandelingen met de staalindustrie niet de dag tevoren waren afgebroken, is volstrekt geen bewijs aangevoerd. Hetzelfde geldt voor de beweringen die zijn gestoeld op het bestaan van een parallelle procedure in de sector van de coils, waarvan rekwirante enkel in haar memories melding heeft gemaakt. In deze omstandigheden is er naar het oordeel van het Gerecht geen reden om de gevorderde instructiemaatregel te gelasten.

532
Bijgevolg dienen de argumenten van rekwirante inzake misbruik van bevoegdheid ongegrond te worden verklaard.

34
Volgens rekwirante heeft het Gerecht in het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het niets heeft gedaan om de onzekerheid weg te nemen die voortvloeit uit de in casu aan het licht gekomen duidelijke aanwijzingen van misbruik van bevoegdheid waarop zij in haar memories heeft gewezen.

35
Zo is er in de eerste plaats geen rekening gehouden met het feit dat naast het onderzoek dat tot de litigieuze beschikking heeft geleid, een parallel onderzoek naar de markt der coils werd gevoerd, in de tweede plaats met het feit dat deze beschikking is vastgesteld één dag na het afspringen van de onderhandelingen die de Commissie en de ondernemingen van de communautaire staalsector voerden om hun geschillen bij te leggen, en in de derde plaats met het feit dat de heer Van Miert, lid van de Commissie, tijdens de persconferentie van 16 februari 1994, heeft verklaard dat de opgelegde geldboete diende om een voorbeeld te stellen, en heeft laten doorschemeren dat bij de toepassing van de sanctie omstandigheden in aanmerking kunnen zijn genomen die niet rechtstreeks verband hielden met het onderzoek.

36
Rekwirante verwijt het Gerecht ook, dat het zijn onderzoek heeft beperkt tot de stukken van het dossier, zonder het nodig te achten een aanvullend onderzoek naar de juistheid van de verstrekte aanwijzingen te verrichten, hoewel het dossier volgens rekwirante stukken bevatte die minstens een redelijke twijfel konden doen rijzen.

37
Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien rekwirante enkel argumenten herhaalt die in eerste aanleg reeds zijn aangevoerd.

38
Het middel is volgens haar ook ongegrond, aangezien het Gerecht zijn beslissing uitvoerig heeft gemotiveerd in de punten 529 tot en met 531 van het bestreden arrest.

Beoordeling door het Hof

39
Het Gerecht heeft er in punt 527 van het bestreden arrest terecht aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een beschikking enkel nietig is wegens misbruik van bevoegdheid indien zij op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens blijkt te zijn vastgesteld met het uitsluitende, of althans doorslaggevende oogmerk, andere doeleinden te bereiken dan die welke worden aangevoerd, dan wel om zich te onttrekken aan een speciale procedure waarin het Verdrag voorziet om aan omstandigheden als die van het concrete geval het hoofd te bieden.

40
Verder dient eraan te worden herinnerd, dat volgens artikel 32 quinquies, lid 1, KS en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 49 en 66; 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P─C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 194, en 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C-312/00 P, Jurispr. blz. I-11355, punt 69).

41
Het Hof kan evenwel nagaan, of het Gerecht de middelen van de partijen heeft beantwoord en zijn arrest regelmatig heeft gemotiveerd (zie in die zin arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C-274/99 P, Jurispr. blz. I-1611, punten 119-122).

42
Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht in punt 529 van het bestreden arrest de omstandigheden waarin de litigieuze beschikking is vastgesteld ─ de gelijktijdige onderhandelingen over de herstructurering van de staalsector, het samenvallen van de mislukking van deze onderhandelingen en de vaststelling van de beschikking, alsook de daardoor opgekomen vragen ─ uitdrukkelijk onderzocht en er uitdrukkelijk naar verwezen.

43
Rekwirante kan niet met succes stellen dat het Gerecht niet tevens rekening heeft gehouden met de verklaringen van de heer Van Miert op de persconferentie van 16 februari 1994, op de enkele grond dat deze niet eveneens uitdrukkelijk in punt 529 van het bestreden arrest zijn aangehaald. Met de verwijzing naar de [door de litigieuze beschikking] bij enkele leden van het Europees Parlement of journalisten opgekomen vragen heeft het Gerecht immers alle elementen in verband met de vaststelling van deze beschikking in aanmerking genomen, waaronder noodzakelijkerwijs ook deze verklaringen.

44
Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht ook rekening gehouden met de parallelle procedure in de sector van de coils, waarnaar uitdrukkelijk is verwezen in punt 531 van het bestreden arrest.

45
Aangezien het Gerecht in dat punt heeft vastgesteld dat het bestaan van een parallelle procedure geen enkele aanwijzing van misbruik van bevoegdheid opleverde, en deze beoordeling van bewijselementen door het Hof in het kader van een hogere voorziening niet kan worden getoetst, heeft het Gerecht daaraan de logische gevolgtrekking verbonden dat er geen reden was om de gevorderde maatregelen van instructie met betrekking tot deze procedure te gelasten.

46
Bijgevolg is het tweede middel ongegrond.

Het derde middel

47
Met het derde middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 15 EGKS-Verdrag heeft geschonden, doordat het geen negatieve gevolgen heeft verbonden aan het feit dat het bedrag van de geldboeten in de litigieuze beschikking ontoereikend is gemotiveerd.

48
Dit middel is gericht tegen de punten 557 tot en met 559 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

557
In zijn arrest van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie (T-148/89, Jurispr. blz. II-1063, punt 142), heeft het Gerecht overwogen, dat het wenselijk is dat de ondernemingen ─ teneinde met volledige kennis van zaken hun standpunt te kunnen bepalen ─ op een door de Commissie opportuun geachte wijze gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de geldboete die hun wegens inbreuk op de mededingingsregels bij een beschikking is opgelegd, zonder daarvoor de beschikking in rechte te hoeven aanvechten.

558
Dit geldt te meer, wanneer de Commissie ─ zoals in casu ─ precieze wiskundige formules heeft gebruikt ter berekening van de geldboeten. In een dergelijk geval is het wenselijk, dat de betrokken ondernemingen en in voorkomend geval het Gerecht kunnen nagaan, of de door de Commissie toegepaste methode en de daaraan gegeven uitwerking geen onjuistheden bevat en verenigbaar is met de regels en beginselen die voor geldboeten gelden, in het bijzonder met het discriminatieverbod.

559
Dergelijke cijfers, die op verzoek van een partij of van het Gerecht krachtens de artikelen 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd, vormen evenwel geen aanvulling achteraf van de motivering van de beschikking, maar de getalsmatige vertaling van de in de beschikking genoemde criteria, voorzover deze zelf kwantificeerbaar zijn.

49
Volgens rekwirante heeft het Gerecht, door het middel te verwerpen dat de berekening van de geldboeten in de litigieuze beschikking ontoereikend is gemotiveerd, en niet de beginselen in acht te nemen die het zelf in de punten 557 en 558 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, artikel 15 EGKS-Verdrag geschonden. Indien de conclusie van het Gerecht op dit gebied zou worden bevestigd, zou dat erop neerkomen dat de Commissie de motivering van een beschikking waarbij een sanctie wordt opgelegd, mag aanvullen tot aan de mondelinge behandeling voor het Gerecht.

50
Volgens de Commissie interpreteert rekwirante het reeds aangehaalde arrest Tréfilunion/Commissie verkeerd. Daarin heeft het Gerecht geoordeeld dat het bedrag van de geldboete in dat geval toereikend was gemotiveerd, en er tegelijkertijd in een obiter dictum op gewezen dat het wenselijk was dat de Commissie meer details over de berekeningswijze van een dergelijke sanctie verstrekte. Ten slotte merkt de Commissie op, dat zij na de vaststelling van de litigieuze beschikking richtsnoeren voor de berekening van geldboeten heeft vastgesteld.

Beoordeling door het Hof

51
Volgens artikel 15, eerste alinea, EGKS-Verdrag worden de beschikkingen, aanbevelingen en adviezen van de Commissie [...] met redenen omkleed en vermelden [zij] de adviezen, welke zij verplicht heeft ingewonnen.

52
Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist (arrest van 7 april 1987, Sisma/Commissie, 32/86, Jurispr. blz. 1645, punt 8).

53
In casu heeft het Gerecht in punt 555 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld, dat de factoren die bij de algemene beoordeling van de zwaarte van de verschillende ten laste gelegde inbreuken zijn betrokken, in de punten 300 tot en met 312, 314 en 315 van de litigieuze beschikking voldoende en adequaat zijn uiteengezet, en in punt 556 van het arrest vastgesteld, dat in artikel 1 van de beschikking voor elke inbreuk de aangenomen duur is gespecificeerd.

54
In punt 300 van de litigieuze beschikking is immers gewezen op de zwaarte van de inbreuken en is uiteengezet welke factoren bij de bepaling van de geldboete in aanmerking zijn genomen. Aldus is in punt 301 rekening gehouden met de economische situatie van de staalsector, in de punten 302 tot en met 304 met de economische weerslag van de inbreuken, in de punten 305 tot en met 307 met de omstandigheid dat althans sommige van de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag in strijd was of kon zijn met artikel 65 EGKS-Verdrag, in de punten 308 tot en met 312 met de misverstanden die tijdens de crisisregeling zijn kunnen ontstaan, en in punt 316 met de duur van de inbreuken. Bovendien bevat de litigieuze beschikking een gedetailleerde uiteenzetting van de deelneming van elke onderneming aan elk van de inbreuken.

55
Vastgesteld dient te worden, dat de vermeldingen in de litigieuze beschikking de betrokken onderneming in staat hebben gesteld de gronden voor de genomen maatregel te kennen, zodat zij haar rechten kon doen gelden, en de gemeenschapsrechter de mogelijkheid bieden deze beschikking op haar wettigheid te toetsen. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 15 EGKS-Verdrag niet geschonden waar het oordeelde dat de bepaling van het bedrag van de geldboeten in de beschikking toereikend was gemotiveerd.

56
Aangaande de vermelding van cijfergegevens met betrekking tot de berekeningswijze van de geldboeten dient erop te worden gewezen dat dergelijke gegevens, hoe nuttig en wenselijk zij ook zijn, niet onmisbaar zijn voor de nakoming van de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, waarbij dient te worden aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsbevoegdheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen (arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punten 75-77, en arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 464).

57
Het Gerecht heeft dus terecht en zonder zichzelf tegen te spreken in de punten 557 en 558 van het bestreden arrest eraan herinnerd, dat het wenselijk is cijfergegevens betreffende de berekening van de geldboeten over te leggen, en anderzijds in punt 559 van dat arrest geoordeeld, dat het bedrag van de geldboeten in de bestreden beschikking toereikend was gemotiveerd.

58
Bijgevolg is het derde middel ongegrond.

Het vierde middel

59
Met het vierde middel, dat twee onderdelen omvat, stelt rekwirante dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd, voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van de litigieuze beschikking het quorum was bereikt, en heeft geweigerd rekening te houden met de hoogte van de geldboeten die in andere kartelzaken binnen het toepassingsgebied van het EG-Verdrag zijn opgelegd.

Het eerste onderdeel van het vierde middel

60
Met het eerste onderdeel van het vierde middel stelt rekwirante dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd, voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van de litigieuze beschikking het quorum was bereikt, en heeft geweigerd om de overlegging van relevante stukken dienaangaande te gelasten.

61
In de eerste plaats komt rekwirante op tegen de beoordeling door het Gerecht van de notulen van de zitting van de Commissie waarop de litigieuze beschikking is vastgesteld (hierna: notulen). In de tweede plaats is zij van mening, dat het Gerecht ambtshalve een aanvullend onderzoek had moeten verrichten, of althans haar weigering om de door rekwirante gevorderde aanvullende instructiemaatregelen te gelasten, toereikend had moeten motiveren.

62
Volgens de Commissie is dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk, aangezien het betrekking heeft op de beoordeling van feiten door het Gerecht.

63
Het is volgens haar in elk geval ongegrond, aangezien de redenering van het Gerecht in de punten 116 tot en met 131 van het bestreden arrest juridisch correct is. Bovendien heeft rekwirante punt 40 van de notulen, dat het Gerecht in de punten 125 tot en met 128 van het arrest heeft onderzocht, verkeerd geïnterpreteerd.

Beoordeling door het Hof

64
Zoals in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen. Aangezien rekwirante niet stelt dat het Gerecht de inhoud van de notulen heeft verdraaid, kan zij de beoordeling van dit document door het Gerecht niet in twijfel trekken.

65
Aangaande het eerste deel van dit onderdeel van het middel, betreffende de gebrekkige motivering van het bestreden arrest ten aanzien van het vereiste quorum voor de vaststelling van de litigieuze beschikking, kan worden volstaan met vast te stellen dat het Gerecht in de punten 187 tot en met 202 van het bestreden arrest dit punt heeft onderzocht. In de punten 195 tot en met 200 van het arrest heeft het nauwkeurig en in bijzonderheden geantwoord op het argument van rekwirante, dat bij de vaststelling van de beschikking door het college van commissarissen een dergelijk quorum niet was bereikt.

66
Bijgevolg is het bestreden arrest op dit punt toereikend gemotiveerd.

67
Aangaande het tweede deel van dit onderdeel van het middel, betreffende de motivering van de weigering om het verzoek om overlegging van documenten in te willigen, zij eraan herinnerd dat het aan de gemeenschapsrechter staat om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een document, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit de bepalingen van de artikelen 49 en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, in hun onderlinge samenhang beschouwd, dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten (arrest van 6 april 2000, Commissie/ICI, C-286/95 P, Jurispr. blz. I-2341, punten 49 en 50).

68
Aangezien het Gerecht over een afschrift van de notulen beschikte, dat wil zeggen het stuk dat volgens het reglement van orde van de Commissie, zoals gewijzigd bij beschikking 93/492/Euratom, EGKS, EEG van de Commissie van 17 februari 1993 (PB L 230, blz. 15), het verloop van de vergaderingen van de Commissie dient weer te geven, was het geenszins verplicht om een aanvullende bewijsmaatregel te gelasten om andere stukken op te vragen, indien het van oordeel was dat een dergelijke maatregel niet nodig was om de waarheid aan het licht te brengen (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 404).

69
Gelet op de analyse van de notulen door het Gerecht in de punten 190 tot en met 199 van het bestreden arrest en de daaruit in punt 200 van het arrest getrokken conclusie dat het vereiste quorum was bereikt, is de vaststelling van het Gerecht in punt 223 van het arrest, dat er geen reden was om de door rekwirante gevorderde instructiemaatregelen te gelasten, rechtens toereikend gemotiveerd.

70
Bijgevolg is ook het in het eerste onderdeel van het vierde middel aangevoerde argument, dat de weigering om een instructiemaatregel te gelasten ontoereikend was gemotiveerd, ongegrond.

Het tweede onderdeel van het vierde middel

71
Met het tweede onderdeel van het vierde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht heeft geweigerd om rekening te houden met de hoogte van de geldboeten die in andere kartelzaken binnen het toepassingsgebied van het EG-Verdrag zijn opgelegd, zonder hiervoor een rechtvaardigingsgrond te geven.

72
Dit onderdeel van het middel is gericht tegen de punten 649 tot en met 652 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

649
Naar het oordeel van het Gerecht kan geen rechtstreekse vergelijking worden gemaakt tussen het algemene niveau van de geldboeten in de [bestreden] beschikking en in beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 ─ Karton) (PB L 243, blz. 1; hierna: kartonbeschikking), en beschikking 94/815/EG van de Commissie van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 ─ Cement) (PB L 343, blz. 1; hierna: cementbeschikking).

650
In de eerste plaats is voor de berekening in de [bestreden] beschikking, die dateert van vóór de publicatie van de richtsnoeren, geen gebruik gemaakt van de daarin vastgelegde methode, die een basisgeldboete en verhogingen naar gelang van de duur omvat.

651
In de tweede plaats zijn ook de karton- en de cementbeschikking vastgesteld vóór de publicatie van de richtsnoeren en bevatten zij geen aanwijzing dat de daarin aangegeven methode is toegepast.

652
In de derde plaats verschilt de feitelijke en juridische context van de onderhavige zaak zo sterk van die van de karton- en de cementzaak, dat een gedetailleerde vergelijking tussen deze drie beschikkingen geen nuttige aanwijzingen voor de beoordeling van de in casu aan verzoekster opgelegde geldboete kan opleveren.

73
Rekwirante stelt dat het Gerecht ten onrechte geen negatieve gevolgen heeft verbonden aan het feit dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door, ondanks de identieke context, in het onderhavige geval een minder gunstige methode toe te passen dan in andere gevallen, met name door een geldboete op te leggen die, uitgedrukt als percentage van de omzet, hoger was in verhouding tot de zwaarte en de duur van de inbreuk, dan de in de karton- en de cementbeschikking opgelegde geldboeten. Het bestreden arrest bevat geen uitspraak op dit punt, zodat het kennelijk ontoereikend is gemotiveerd met betrekking tot een wezenlijk onderdeel van het betoog.

74
Volgens de Commissie is dit onderdeel van het middel om twee redenen niet-ontvankelijk. Het gaat om een loutere herhaling van argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd, en het heeft betrekking op de beoordeling van feiten, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.

75
Bovendien is dit middel ongegrond, aangezien de redenering van het Gerecht juridisch correct is.

Beoordeling door het Hof

76
In de punten 650 tot en met 652 van het bestreden arrest heeft het Gerecht drie redenen opgegeven waarom het een vergelijking tussen het niveau van de geldboeten in de litigieuze beschikking en in de karton- en de cementbeschikking irrelevant achtte.

77
In de punten 650 en 651 van het arrest heeft het Gerecht er terecht op gewezen, dat zowel de litigieuze beschikking als de karton- en de cementbeschikking dateren van vóór de vaststelling van de richtsnoeren door de Commissie, en dus geen gebruik maken van de daarin vastgelegde methode, die een basisgeldboete en verhogingen naar gelang van de duur van de inbreuk omvat.

78
In punt 652 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overwogen, dat de feitelijke en juridische context van de litigieuze beschikking zo sterk van die van de karton-en de cementbeschikking verschilde, dat een gedetailleerde vergelijking tussen deze drie beschikkingen geen nuttige aanwijzingen voor de beoordeling van de aan rekwirante op te leggen geldboete kon opleveren.

79
Hiermee heeft het Gerecht zijn beoordeling in punt 649 van het bestreden arrest, dat geen rechtstreekse vergelijking kan worden gemaakt tussen het algemene niveau van de geldboeten in de bedoelde beschikkingen, rechtens toereikend gemotiveerd.

80
Aldus heeft het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling niet geschonden, maar uitgelegd waarom een dergelijke schending niet kon worden aangetoond aan de hand van een eenvoudige vergelijking van het niveau van de in de bedoelde beschikkingen opgelegde geldboeten.

81
Beklemtoond dient te worden, dat de moeilijkheid om het niveau te vergelijken van geldboeten die zijn opgelegd aan ondernemingen die op verschillende markten, op soms totaal verschillende tijdstippen, aan verschillende overeenkomsten hebben deelgenomen, ook kan voortvloeien uit de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een efficiënt mededingingsbeleid te voeren. Zoals het Gerecht terecht in punt 644 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, hoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag getrokken grenzen te verhogen, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (zie naar analogie arrest van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80─103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 109).

82
Zo ook kan, zoals in punt 56 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, het gebruik van wiskundige formules voor de bepaling van het bedrag van de geldboete de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid dienaangaande niet ontnemen.

83
Uit het voorgaande volgt, dat het tweede onderdeel van het vierde middel ongegrond is.

84
Bijgevolg is het vierde middel ongegrond.

Het vijfde middel

85
Met het vijfde middel verwijt rekwirante het Gerecht, dat het op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit middel omvat drie onderdelen.

Het eerste onderdeel van het vijfde middel

86
Het eerste onderdeel van het vijfde middel is gericht tegen de punten 140 tot en met 143 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

140
Aangezien de Commissie naar behoren heeft vastgesteld dat [verzoekster] en Aristrain Olaberría [SL (hierna: Aristrain Olaberría)] in gelijke mate aan de verschillende in artikel 1 van het dispositief van de [bestreden] beschikking aan hen verweten inbreuken hebben deelgenomen, en deze vennootschappen als één enkele onderneming in de zin van artikel 65, lid 5, van het Verdrag moeten worden beschouwd, heeft de Commissie naar het oordeel van het Gerecht in de specifieke omstandigheden van het geval de aansprakelijkheid voor de gedragingen van laatstgenoemde terecht aan eerstgenoemde toegerekend en, zoals zij in artikel 4 van het dispositief van de beschikking heeft gedaan, rekening gehouden met de omzet van laatstgenoemde bij de berekening van het bedrag van de door eerstgenoemde verschuldigde geldboete.

141
Het Gerecht is immers van oordeel dat in een situatie waarin het wegens de familiale samenstelling van de groep en de spreiding van het aandelenbezit onmogelijk of uiterst moeilijk is om de rechtspersoon aan het hoofd van de groep te identificeren die als coördinator van haar activiteiten aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de verschillende ondernemingen van de groep gepleegde inbreuken, de Commissie de twee dochtermaatschappijen [, namelijk verzoekster] en Aristrain Olaberría, hoofdelijk aansprakelijk mag stellen voor alle gedragingen van de groep, om te vermijden dat door de formele scheiding van deze vennootschappen als gevolg van hun afzonderlijke rechtspersoonlijkheid hun gedragingen op de markt niet als een geheel zouden kunnen worden beschouwd voor de toepassing van de mededingingsregels (zie arrest [van 14 juli 1972,] ICI/Commissie, [48/69, Jurispr. blz. 619], punt 140).

142
Bijgevolg mocht de Commissie in casu aan de twee zustermaatschappijen één enkele geldboete opleggen, het bedrag ervan berekenen op basis van hun gezamenlijke omzet, en hen hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling ervan.

143
Hieruit volgt ook dat de Commissie, door de [bestreden] beschikking enkel tot [verzoekster] te richten en tegelijkertijd haar geldboete te berekenen op basis van de gezamenlijke omzet van haarzelf en Aristrain Olaberría, geen onregelmatigheid heeft begaan, maar eenvoudigweg heeft afgezien van de mogelijkheid om laatstgenoemde vennootschap als hoofdelijke medeschuldenaar aan te spreken.

87
Volgens rekwirante heeft het Gerecht ten onrechte aanvaard dat de Commissie bij de bestreden beschikking enkel aan haar een geldboete heeft opgelegd wegens een inbreuk die ook door haar zustermaatschappij, Aristrain Olaberría, is gepleegd. Zij betwist niet dat de twee vennootschappen tot eenzelfde groep behoren. Volgens haar kan dat evenwel niet tot gevolg hebben dat willekeurig aan één enkele vennootschap een geldboete wordt opgelegd voor het gedrag van de gehele groep.

88
Zij voegt eraan toe dat de litigieuze beschikking op dit punt niet is gemotiveerd, en dat het Gerecht ten onrechte zijn eigen motivering in de plaats van een niet-bestaande motivering heeft gesteld.

89
Volgens de Commissie heeft het Gerecht met de vaststelling dat de twee zustermaatschappijen hoofdelijk aansprakelijk waren voor het optreden van de groep, niets toegevoegd aan de verklaring van de Commissie dat de twee ondernemingen tot dezelfde groep behoren en een economische eenheid en qua onderneming een eenheid vormen. Voor het overige is volgens haar de redenering van het Gerecht in de punten 135 tot en met 143 van het bestreden arrest juridisch correct.

90
Ten slotte stelt zij dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet heeft herschreven. Het heeft enkel bevestigd dat het feit dat de Commissie de geldboete aan slechts één van de twee betrokken ondernemingen heeft opgelegd en ervan heeft afgezien een van de hoofdelijke medeschuldenaars aan te spreken, geen grond voor nietigverklaring van deze beschikking oplevert.

Beoordeling door het Hof

91
Punt 16, sub b, van de litigieuze beschikking luidt als volgt: José María Aristrain Madrid SA en José María Aristrain SA, hierna tezamen Aristrain genoemd, zijn staalproducerende ondernemingen van het Aristrain-concern, waarvan de aandelen in het bezit van leden van de familie Aristrain zijn. Het concern behaalde in 1990 een omzet van 73,216 miljard pta, waarvan [...] voor rekening van balken komt. José María Aristrain Madrid SA en José Maria Aristrain SA hebben thans als naam Siderúrgica Aristrain Madrid SL, respectievelijk Siderúrgica Aristrain Olaberría SL.

92
Vervolgens is in de litigieuze beschikking in verband met de deelneming aan de verweten feiten en de toerekenbaarheid van de inbreuken eenvoudigweg verwezen naar Aristrain, waarmee zowel rekwirante als Aristrain Olaberría wordt bedoeld.

93
Aangaande de sanctie is in punt 323 van de litigieuze beschikking verklaard: In het geval van de twee Aristrain-ondernemingen, die beide balken produceren, is deze beschikking tot één ervan, Siderúrgica Aristrain, Madrid SL, voorheen José María Aristrain Madrid SA, gericht. Bij het bepalen van de geldboete is ook met het gedrag van Siderúrgica Aristrain Olaberría SL, voorheen José María Aristrain SA, rekening gehouden.

94
In dit punt is uiteengezet, welke onderneming de Commissie heeft gekozen als adressaat van de litigieuze beschikking, maar is deze keuze op geen enkele wijze gemotiveerd.

95
Dat de Commissie slechts rekwirante als schuldenaar heeft uitgekozen voor een geldboete die is opgelegd voor de gedragingen van deze onderneming en van Aristrain Olaberría is des te onbegrijpelijker, daar zij in punt 16, sub b, van de litigieuze beschikking erkent dat het gaat om twee onderscheiden vennootschappen, en verder in de beschikking geen bijzondere omstandigheden met betrekking tot de toerekenbaarheid van de inbreuken zijn vermeld, zodat de indruk ontstaat dat deze inbreuken aan elk van de vennootschappen moet worden toegerekend, telkens voor wat de eigen gedragingen betreft.

96
Volgens vaste rechtspraak kan evenwel het mededingingsverstorend gedrag van een onderneming aan een andere onderneming worden toegerekend wanneer eerstgenoemde onderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalde, maar in hoofdzaak de door laatstgenoemde onderneming verstrekte instructies volgde, in het bijzonder gelet op de economische en juridische banden die hen verenigden (arrest van 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C-294/98 P, Jurispr. blz. I-10065, punt 27).

97
In casu is in de litigieuze beschikking evenwel niet aangetoond, dat rekwirante dermate leiding over Aristrain Olaberría uitoefende dat deze niet meer over enige reële autonomie beschikte om haar marktgedrag te bepalen.

98
In punt 411 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld, dat één vennootschap aansprakelijk kan worden gesteld voor alle gedragingen van de groep, zelfs indien deze vennootschap niet is geïdentificeerd als de rechtspersoon aan het hoofd van de groep die instond voor de coördinatie van haar activiteiten.

99
Dienaangaande zij opgemerkt, dat het loutere feit dat het maatschappelijk kapitaal van twee onderscheiden handelsvennootschappen in handen is van eenzelfde persoon of familie, als zodanig nog niet het bewijs oplevert dat tussen deze twee vennootschappen een economische eenheid bestaat die krachtens het communautaire mededingingsrecht tot gevolg heeft dat de ene vennootschap voor de handelingen van de andere aansprakelijk kan worden gesteld en gehouden kan zijn om voor de andere een geldboete te betalen.

100
De litigieuze beschikking is op dit punt niet gemotiveerd en zelfs tegenstrijdig, aangezien enerzijds de indruk wordt gewekt dat de geconstateerde inbreuken in gelijke mate aan de twee vennootschappen moeten worden toegerekend, en anderzijds slechts een van hen tot de betaling van een gezamenlijke geldboete voor de handelingen van beide wordt veroordeeld.

101
Bijgevolg heeft het Gerecht, waar het geen negatieve gevolgen heeft verbonden aan het feit dat de litigieuze beschikking op dit punt niet is gemotiveerd, en in punt 142 van het bestreden arrest heeft overwogen dat de Commissie de twee vennootschappen hoofdelijk één enkele geldboete mocht opleggen die was berekend op basis van hun gezamenlijke omzet, en in punt 143 van het arrest, dat de Commissie gerechtigd was om enkel van rekwirante de betaling van deze geldboete te eisen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, die moet leiden tot de vernietiging van het arrest op deze punten.

102
Aangezien het slechts gaat om een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest, dienen de overige middelen van de hogere voorziening verder te worden onderzocht.

Het tweede onderdeel van het vijfde middel

103
Het tweede onderdeel van het vijfde middel is gericht tegen de punten 624 tot en met 628 van het bestreden arrest. De punten 627 en 628 van het arrest luiden als volgt:

627
Met de drie in punt 307 van de [bestreden] beschikking uitdrukkelijk genoemde bewijzen ─ het gaat hierbij om interne memoranda van Usinor Sacilor, Peine-Salzgitter en Eurofer ─ wordt de drie betrokken ondernemingen geen bijzondere verzwarende omstandigheid ten laste gelegd. Zij zijn enkel bedoeld om samen met het gestelde in de punten 305 en 306 aan te tonen, dat alle adressaten van de beschikking zich ervan bewust waren dat zij het verbod van artikel 65, lid 1, van het Verdrag overtraden. Om de reeds uiteengezette redenen is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster moest weten dat haar gedragingen onrechtmatig waren.

628
Onder deze omstandigheden is het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht van oordeel, dat de in punten 305 tot en met 307 van de [bestreden] beschikking ter zake aan verzoekster ten laste gelegde verzwarende omstandigheid gegrond is, zonder dat behoeft te worden onderzocht, of zij kennis had van de in de zaak roestvrij staal verrichte inspecties, en of de drie in punt 307 van de beschikking genoemde stukken als bewijs tegen haar kunnen dienen.

104
Volgens rekwirante houdt het bestreden arrest een schending in van het gemeenschapsrecht, aangezien haar op basis van tegen andere ondernemingen aangevoerde bewijzen als verzwarende omstandigheid ten laste wordt gelegd dat zij kennis had van de onrechtmatigheid van haar gedrag, zonder dat het Gerecht heeft nagegaan of de betrokken bewering wel juist is.

105
Volgens de Commissie is dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk, aangezien het betrekking heeft op feitelijke beoordelingen. Het is ook ongegrond, aangezien de nochtans duidelijke redenering van het Gerecht in de punten 627 en 628 van het bestreden arrest wordt verdraaid.

Beoordeling door het Hof

106
Dit onderdeel van het middel is gebaseerd op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest. Dat rekwirante kennis had van de onrechtmatigheid van haar gedrag, heeft het Gerecht immers niet afgeleid uit de in punt 307 van de litigieuze beschikking bedoelde, van andere ondernemingen afkomstige bewijselementen, maar uit andere, door rekwirante niet betwiste vaststellingen. Dit geldt met name voor de vaststellingen in de punten 541 tot en met 548 van het arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat rekwirante zich bewust was van de onrechtmatigheid van haar gedrag, en het argument heeft verworpen dat zij te goeder trouw was.

107
Bijgevolg is het tweede onderdeel van het vijfde middel kennelijk ongegrond.

Het derde onderdeel van het vijfde middel

108
Het derde onderdeel van het vijfde middel is gericht tegen punt 226 van het bestreden arrest, dat luidt als volgt: Volgens artikel 1 van de [bestreden beschikking] verwijt de Commissie verzoekster dat zij heeft deelgenomen aan een inbreuk die bestond in de vaststelling van prijzen in het [ Poutrelles Committee van Eurofer]. Voor de berekening van de geldboete is een periode van 24 maanden, van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990, in aanmerking genomen (zie punten 80-121, 223-243, 311, 313, 314 en artikel 1 van de beschikking). Volgens de Spaanse en de Franse versie van artikel 4 van de [bestreden] beschikking wordt de geldboete opgelegd voor de na 31 december 1989 gepleegde inbreuken. Zowel uit de Duitse als de Engelse versie van artikel 4 als uit de motivering van de beschikking (zie de punten 313 en 314 betreffende de gevolgen van de in de Toetredingsakte van Spanje bepaalde overgangsperiode, en artikel 1, volgens hetwelk Aristrain gedurende 24 maanden heeft deelgenomen aan de vaststelling van prijzen in het Poutrelles Committee), tegen de achtergrond waarvan het dispositief moet worden uitgelegd, blijkt evenwel, dat de vermelding van deze datum in plaats van 31 december 1988 louter een verschrijving is, die geen invloed op de inhoud van de bestreden handeling heeft gehad (zie arrest Hof van 2 juni 1994, AC-ATEL Electronics Vertriebs, C-30/93, Jurispr. blz. I-2305, punten 21-24).

109
Volgens rekwirante heeft het Gerecht het gemeenschapsrecht geschonden door te oordelen dat een dergelijke verschrijving in het dispositief van de beschikking geen gevolgen had.

110
Zij verwijt het Gerecht ook dat het niet consequent is, aangezien het in punt 226 van het bestreden arrest, ter bevestiging van het feit dat het wel degelijk om een vergissing gaat, verwijst naar de Duitse en de Engelse versie van de litigieuze beschikking, terwijl het in punt 209 van het arrest op rekwirantes argument dat er in de Italiaanse versie van de beschikking fouten waren ontdekt, kortweg antwoordt dat dit niet relevant [is], temeer niet omdat de Italiaanse versie van de [bestreden] beschikking niet aan verzoekster is gericht.

111
Volgens de Commissie is dit argument ongegrond. Zelfs indien het Gerecht niet naar de andere taalversies van de litigieuze beschikking had mogen verwijzen, is de kwalificatie door het Gerecht van de vastgestelde vergissing toereikend gemotiveerd door de verwijzing naar de considerans van de beschikking, hetgeen rekwirante niet betwist.

Beoordeling door het Hof

112
Met dit onderdeel van het middel verwijt rekwirante het Gerecht in wezen, dat het de litigieuze beschikking heeft verdraaid door te oordelen dat de geldboete aan rekwirante was opgelegd voor na 31 december 1988 gepleegde inbreuken, terwijl volgens artikel 4 van de Spaanse en de Franse versie van de beschikking de geldboete een sanctie was voor de na 31 december 1989 gepleegde inbreuken.

113
Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken dat uit de punten 80 tot en met 121, 223 tot en met 243 en 311 van de litigieuze beschikking, en meer in het bijzonder uit de punten 313 en 314 en artikel 1 ervan, waarnaar het Gerecht in punt 226 van het bestreden arrest heeft verwezen, blijkt dat de periode die voor de inbreuk in aanmerking is genomen, 24 maanden bedraagt en van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990 heeft geduurd.

114
Het Gerecht heeft dus terecht, en zonder de inhoud van de litigieuze beschikking te verdraaien, vastgesteld dat de vermelding van 31 december 1989 in plaats van 31 december 1988 in artikel 4 van de Spaanse en de Franse versie van de beschikking een verschrijving was.

115
Aangezien een dergelijke duidelijk materiële fout de geldigheid van een handeling niet aantast, maar hooguit voor de auteur ervan grond oplevert om een rectificatie door te voeren, heeft het Gerecht eveneens terecht in punt 226 van het bestreden arrest overwogen dat deze loutere verschrijving geen invloed had op de inhoud van de bestreden handeling, dat wil zeggen de litigieuze beschikking.

116
Bijgevolg is het derde onderdeel van het vijfde middel ongegrond.

117
Gelet op het voorgaande, is het eerste onderdeel van het vijfde middel gegrond, en zijn de overige onderdelen ongegrond.

Het zesde middel

118
Met het zesde middel stelt rekwirante dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door onjuiste uitlegging en toepassing van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, doordat het niet correct rekening heeft gehouden met de waardedaling van de Spaanse peseta ten opzichte van de ecu, met als gevolg dat rekwirantes geldboete hoger uitkomt dan die van ondernemingen van lidstaten met een niet gedevalueerde of gerevalueerde valuta.

119
Dit middel is gericht tegen de punten 658 tot en met 666 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

658
Artikel 4 van de [bestreden] beschikking bepaalt, dat de opgelegde geldboeten in ecu moeten worden betaald.

659
Opgemerkt zij, dat niets de Commissie belet, het bedrag van de geldboete uit te drukken in ecu, een monetaire eenheid die in nationale munteenheden kan worden omgerekend. Dit stelt overigens de ondernemingen beter in staat om de bedragen van de opgelegde geldboeten te vergelijken. Bovendien onderscheidt de mogelijke omrekening van de ecu in nationale munteenheid deze monetaire eenheid van de rekeneenheid, bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 [van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204)], waarvan het Hof uitdrukkelijk heeft erkend dat het geen betalingseenheid was, zodat het bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijze in nationale valuta moest worden vastgesteld (arrest Hof van 9 maart 1977, Société anonyme générale sucrière e.a./Commissie, 41/73, 43/73 en 44/73 ─ Uitlegging, Jurispr. blz. 445, punt 15).

660
Verzoeksters kritiek betreffende de wettigheid van de methode van de Commissie, waarbij de referentieomzet van de ondernemingen is omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoers van datzelfde jaar (1990), kan niet worden aanvaard, zoals het Gerecht reeds heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (T-334/94, Jurispr. blz. II-1439, punten 394 e.v.).

661
Om te beginnen moet de Commissie normaliter één zelfde berekeningsmethode gebruiken voor de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die worden bestraft wegens deelneming aan eenzelfde inbreuk (zie arrest [Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald], punt 122).

662
Vervolgens moet de Commissie om de verschillende meegedeelde, in de respectieve nationale valuta van de betrokken ondernemingen uitgedrukte omzetcijfers te kunnen vergelijken, deze omzetten in één zelfde munteenheid omrekenen. Aangezien de waarde van de ecu wordt bepaald op basis van de waarde van elke nationale munteenheid van de lidstaten, heeft de Commissie de omzet van elk der ondernemingen terecht in ecu omgerekend.

663
Ook heeft zij zich terecht gebaseerd op de omzet van het referentiejaar (1990) en deze omzet in ecu omgerekend op basis van de gemiddelde wisselkoersen van dat jaar. Enerzijds heeft de Commissie, door uit te gaan van de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen inbreukperiode, de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk kunnen beoordelen; deze factoren zijn relevant voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk (zie arrest [Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald], punten 120 en 121). Anderzijds heeft de Commissie, door voor de omrekening van de betrokken omzetten in ecu uit te gaan van de gemiddelde wisselkoersen van het aangehouden referentiejaar, kunnen voorkomen dat eventuele valutaschommelingen sedert de beëindiging van de inbreuk invloed hebben op de beoordeling van de relatieve omvang en economische macht van de ondernemingen, alsmede van de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk en derhalve op de beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk. De beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient namelijk betrekking te hebben op de economische realiteit op het tijdstip waarop deze inbreuk werd gepleegd.

664
Bijgevolg kan het argument dat de omzet van het referentiejaar in ecu had moeten worden omgerekend op basis van de wisselkoers op het tijdstip van vaststelling van de beschikking, niet worden aanvaard. Met de methode van berekening van de geldboete, waarbij de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar wordt gebruikt, kunnen de willekeurige effecten van de wijzigingen van de reële waarde van de nationale munteenheden worden voorkomen, die tussen het referentiejaar en het jaar van vaststelling van de beschikking kunnen optreden en in casu ook inderdaad zijn opgetreden. Zo deze methode kan betekenen, dat een bepaalde onderneming een bedrag moet betalen dat in nationale munteenheid uitgedrukt nominaal hoger of lager is dan het bedrag dat zij had moeten betalen ingeval de wisselkoers van de datum van vaststelling van de beschikking werd toegepast, is dit slechts de logische consequentie van de schommelingen van de reële waarde van de verschillende nationale munteenheden.

665
Daaraan dient te worden toegevoegd, dat de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in de regel hun activiteiten in meer dan één lidstaat uitoefenen door middel van plaatselijke vertegenwoordigers. Bijgevolg opereren zij in verschillende nationale deviezen. Verzoekster zelf behaalt een groot gedeelte van haar omzet op exportmarkten (volgens de brief van haar accountants van 27 januari 1995 heeft verzoekster in 1990 met balken een omzet van 6 067 974 000 PTA behaald in Spanje en 3 853 431 000 PTA in de rest van de EGKS; voor haar zustermaatschappij Aristrain Olaberría bedroegen deze cijfers respectievelijk 12 717 803 000 PTA en 5 109 707 000 PTA). Wanneer bij een beschikking zoals de onderhavige een sanctie wordt opgelegd voor inbreuken op artikel 65, lid 1, van het Verdrag en de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in het algemeen hun activiteiten in meerdere lidstaten uitoefenen, wordt de omzet van het referentiejaar, die in ecu wordt omgerekend tegen de gedurende dat jaar gebruikte gemiddelde wisselkoers, gevormd door de som van de omzetten die is behaald in elk van de landen waarin de onderneming actief is. Dit omzetcijfer geeft dus perfect de werkelijke economische situatie van de betrokken ondernemingen in de loop van het referentiejaar weer.

666
Gelet op het voorgaande, dient verzoeksters argument te worden verworpen.

120
Rekwirante komt op tegen het feit dat het bedrag van de geldboete is bepaald op basis van de betrokken omzetcijfers, omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar, terwijl de geldboete in nationale valuta moet worden betaald tegen de op de dag vóór de betaling geldende koers.

121
Volgens haar heeft het Gerecht zich vergist, waar het heeft verklaard dat de Commissie, om de verschillende meegedeelde omzetcijfers te kunnen vergelijken, deze omzetten in één zelfde munteenheid moet omrekenen. Enkel aan de hand van het op de omzet toegepaste percentage, dat is bepaald op basis van de duur van de inbreuk en de deelneming van elke onderneming aan de inbreuk, kan werkelijk worden nagegaan of een opgelegde geldboete hoger is dan een andere.

122
Rekwirante stelt dat, aangezien er geen objectieve rechtvaardiging voor het gebruik van dit systeem is en de toepassing ervan duidelijk discriminerend is ten opzichte van ondernemingen waarvan de nationale valuta tijdens de referentiejaren is gedevalueerd, het Gerecht het billijkheidsbeginsel heeft geschonden waar het de keuze die de Commissie onder de verschillende in aanmerking komende opties en berekeningsmethodes heeft gemaakt, heeft goedgekeurd.

123
Rekwirante verwijt het Gerecht ook, dat het geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betaling van de geldboete niet op hetzelfde tijdstip gebeurt als de vaststelling ervan.

124
Volgens de Commissie is het middel ongegrond en stelt rekwirante geen andere bruikbare methode voor.

125
Volgens haar is het logisch dat is geopteerd voor de omzet en de wisselkoers van het jaar waarin de inbreuk is gepleegd, aangezien deze methode de werkelijke draagwijdte van de inbreuk in de periode waarin zij heeft plaatsgevonden weerspiegelt, en de mogelijkheid biedt zeer nauwkeurig rekening te houden met alle mogelijke uit de inbreuk voortvloeiende winsten.

126
Overigens hoeft de geldboete volgens de Commissie niet in nationale valuta te worden betaald; zij kan ook in ecu worden betaald.

127
Ten slotte wijst de Commissie erop dat, zo er een verschil bestaat tussen de wisselkoers ten tijde van de vaststelling van de geldboete en die ten tijde van de betaling ervan, dit een gevolg is van rekwirantes keuze om de geldboete niet meteen te betalen op het ogenblik waarop deze is vastgesteld. Zij had het bedrag van de geldboete reeds in 1994 op een bankrekening kunnen vastleggen.

Beoordeling door het Hof

128
Het Gerecht heeft terecht geoordeeld, dat de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, relevant was voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Bij de beoordeling van de omvang en de economische macht van een onderneming ten tijde van de inbreuk moet immers noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode en niet van de omzet ten tijde van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete is opgelegd (zie in die zin arrest Hof, Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 86).

129
Rekwirante toont niet aan, in welke zin de toepassing van dit referentiejaar een schending zou opleveren van het gelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel. Integendeel, de toepassing van een gemeenschappelijk referentiejaar voor alle ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, geeft elke onderneming de garantie dat zij op dezelfde wijze als de andere wordt behandeld, aangezien de sancties op uniforme wijze worden bepaald, zonder rekening te houden met extrinsieke en aleatoire elementen die een invloed zouden uitoefenen op de omzet tussen het laatste jaar van de inbreuk en het tijdstip van de vaststelling van de beschikking waarbij de geldboeten worden opgelegd. Overigens heeft het feit dat het referentiejaar deel uitmaakte van de periode waarin de inbreuk is gepleegd, de mogelijkheid geboden om de omvang van de gepleegde inbreuk te beoordelen op basis van de economische realiteit in die periode.

130
Met betrekking tot de vaststelling van de geldboete in ecu op basis van een tegen de wisselkoers van 1990 omgerekende omzet, moet er om te beginnen op worden gewezen, dat dankzij de omrekening van de omzet van het referentiejaar tegen de wisselkoers van die periode kan worden verhinderd dat de omvang van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, door de inaanmerkingneming van extrinsieke en aleatoire factoren, zoals de ontwikkeling van de nationale valuta in de periode daarna, wordt vertekend (arrest Hof, Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 86).

131
Verder is het volgens artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag niet verboden om een geldboete in ecu vast te stellen. Integendeel, de toepassing van een gemeenschappelijke munt voor de vaststelling van de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, is gerechtvaardigd door de wens om de sanctie voor deze ondernemingen op uniforme wijze te bepalen.

132
Ten slotte vormen de valutaschommelingen een toeval dat zowel voordeel als nadeel kan opleveren en waarmee ondernemingen in het kader van hun commerciële activiteiten gewoonlijk te maken krijgen. Deze toevallige omstandigheid brengt op zich niet mee dat het bedrag van een geldboete dat op wettige wijze is vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk en de omzet in het laatste jaar waarin die inbreuk is gepleegd, niet langer passend zou zijn (zie arrest Hof, Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 89).

133
Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 659 tot en met 666 van het bestreden arrest op goede gronden, zonder het gelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel te schenden, de door de Commissie gebruikte methode voor de berekening van de geldboete gerechtvaardigd geacht.

134
Bijgevolg is het zesde middel ongegrond.

Het zevende middel

135
Met het zevende middel stelt rekwirante dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden, doordat het de Commissie niet heeft verwezen in de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling of de eventuele betaling van de geldboete.

136
Het middel is gericht tegen de punten 710 tot en met 712 en 717 van het bestreden arrest, die luiden als volgt:

710
Beroep op het Gerecht heeft geen opschortende werking, aldus artikel 39 van het Verdrag. Bijgevolg hoeft de Commissie een onderneming die ─ ongeacht of zij beroep heeft ingesteld ─ de geldboete op de normale vervaldag betaalt en daarbij eventueel gebruik maakt van een door de Commissie aangeboden mogelijkheid van gespreide betaling tegen een gunstig rentepercentage, niet op dezelfde wijze te behandelen als een onderneming die de betaling wil uitstellen tot aan de uitspraak van een definitief arrest. Behoudens buitengewone omstandigheden is de toepassing van vertragingsrente tegen een normaal tarief in het laatste geval als gerechtvaardigd te beschouwen (zie arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 141, en beschikkingen president Hof van 6 mei 1982, AEG/Commissie, 107/82 R, Jurispr. blz. 1549, en 7 maart 1986, Finsider/Commissie, 392/85 R, Jurispr. blz. 959).

711
Bovendien betekent de aan de betrokken ondernemingen geboden mogelijkheid, hun geldboete in vijf jaarlijkse termijnen te betalen met toepassing van het FECOM-basispercentage tot de vervaldag van elke termijn, in combinatie met de mogelijkheid van uitstel van invorderingsmaatregelen ingeval beroep wordt ingesteld, een voordeel in vergelijking tot de gebruikelijke handelwijze van de Commissie bij beroepen op de gemeenschapsrechter. In geval van opschorting van de betaling van een geldboete pleegt de Commissie namelijk een rentepercentage te vorderen, gelijk aan dat van FECOM bij zijn ECU-transacties in de maand voorafgaand aan de betrokken beschikking, vermeerderd met anderhalve percentpunt. Wordt nu voor gespreide betaling gekozen, waardoor de opeisbaarheid van viervijfde van de geldboete wordt uitgesteld, dan wordt dit tarief immers pas later van toepassing.

712
De vordering tot nietigverklaring van de [brief van 28 februari 1994 waarbij de Commissie de bestreden beschikking aan verzoekster heeft betekend] moet derhalve worden verworpen, zonder dat behoeft te worden beslist of deze brief een zelfstandige beschikking vormt die in het kader van een beroep tot nietigverklaring kan worden aangevochten.

[...]

717
Bijgevolg kan verzoeksters vordering tot verwijzing van verweerster in de kosten van de administratieve procedure niet worden toegewezen.

137
Rekwirante verwijt het Gerecht dat het haar vordering tot verwijzing van de Commissie in de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling of de eventuele betaling van de geldboete heeft afgewezen. Zij heeft deze vordering met name gebaseerd op de onregelmatigheden die volgens haar de litigieuze beschikking aantasten, en is van mening dat deze kosten en rente invorderbaar zijn in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

138
Uit de punten 109 tot en met 116 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft uiteengezet dat het volledige rechtsmacht heeft om de door de Commissie krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag opgelegde geldboeten te toetsen, leidt rekwirante af dat de litigieuze beschikking niet definitief was zolang het Gerecht ze niet had bevestigd, en dat de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling dus niet te haren laste kunnen vallen zolang geen volledige rechterlijke toetsing van deze beschikking door het Gerecht heeft plaatsgevonden.

139
Zij verzoekt het Hof dan ook punt 717 van het bestreden arrest te vernietigen, voorzover de Commissie hierbij niet is verwezen in de kosten en rente verband houdend met de zekerheidstelling of de eventuele betaling van de geldboete, en vast te stellen dat de rente pas begint te lopen vanaf het ogenblik waarop dit arrest uitvoerbaar is geworden.

140
Volgens de Commissie is dit middel ongegrond.

141
Om te beginnen ziet zij niet in hoe aan het Gerecht de zienswijze kan worden toegeschreven dat de litigieuze beschikking pas definitief is geworden nadat zij door het Gerecht is bevestigd. Het gaat hier om een verkeerde interpretatie van het bestreden arrest.

142
Verder stelt de Commissie dat volgens artikel 92 EGKS-Verdrag haar beschikkingen die geldelijke verplichtingen voor een onderneming inhouden, titel van tenuitvoerlegging vormen, en dat volgens artikel 39 van het Verdrag beroep op de gemeenschapsrechter geen opschortende werking heeft. Indien pas na de bevestiging van de geldboeten door het Gerecht rente hierover verschuldigd was, zou laatstgenoemde bepaling geen enkele inhoud hebben; dit zou ook leiden tot beroepen met als enig doel de betaling van de geldboeten uit te stellen.

143
Ten slotte verwijst de Commissie naar de punten 111 tot en met 118 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geantwoord op de argumenten van rekwirante inzake schending van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en inzake het bestaan en de draagwijdte van een beroep in volle omvang.

Beoordeling door het Hof

144
Het middel gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat, wanneer een beroep in volle omvang tegen een beschikking van het Gerecht is ingesteld, deze beschikking voorlopig blijft zolang zij niet door de gemeenschapsrechter is bevestigd.

145
Dienaangaande kan worden volstaan met erop te wijzen, dat volgens artikel 92 EGKS-Verdrag de beschikkingen van de Commissie die geldelijke verplichtingen voor een onderneming inhouden, titel van tenuitvoerlegging vormen, dat wil zeggen dat zij ten uitvoer kunnen worden gelegd zonder dat eerst een voorwaarde of een formaliteit hoeft te worden vervuld, en dat volgens artikel 39 EGKS-Verdrag beroep op de gemeenschapsrechter geen opschortende werking heeft.

146
Bovendien blijkt uit artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet dat de kosten die voortvloeien uit het feit dat een onderneming opteert voor een bijzondere wijze van betaling van een krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag door haar verschuldigde geldboete, als invorderbare kosten in de zin van deze bepaling kunnen worden beschouwd.

147
Bijgevolg is het zevende middel ongegrond.

Het achtste middel

148
Met het achtste middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 33 van het Reglement voor de procesvoering en de procedurele waarborgen heeft geschonden, doordat slechts drie van de vijf rechters waaruit de kamer tijdens de mondelinge behandeling was samengesteld, aan de eindberaadslaging over het bestreden arrest hebben deelgenomen en dit arrest hebben ondertekend.

149
Artikel 32, leden 1 en 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht luidt als volgt:

1.
Wanneer, wegens afwezigheid of verhindering, de rechters even in aantal zijn, neemt de jongste rechter in de zin van artikel 6 niet aan de beraadslaging deel, tenzij het de rechter-rapporteur betreft. In dit geval neemt de rechter met de onmiddellijk hogere anciënniteit niet aan de beraadslaging deel. [...]

[...]

3.
Indien in een kamer het quorum van drie rechters niet aanwezig is, deelt de president van die kamer dit mede aan de president van het Gerecht, die daarop een andere rechter ter aanvulling van de kamer aanwijst.

150
Artikel 33, leden 1 en 5, van het Reglement luidt als volgt:

1.
Het Gerecht beraadslaagt in raadkamer.

2.
Aan de beraadslaging wordt uitsluitend deelgenomen door de rechters die bij de mondelinge behandeling tegenwoordig waren.

3.
Elke rechter draagt bij de beraadslaging zijn gevoelen, met redenen omkleed, voor.

[...]

5.
De beslissing van het Gerecht wordt bepaald door het gevoelen van de meerderheid, gelijk dit bij de eindberaadslaging werd gevormd. De volgorde waarin de stemmen worden uitgebracht, is omgekeerd aan die welke in artikel 6 is vastgesteld.

151
Punt 77 van het bestreden arrest luidt als volgt: Tot slot van de terechtzitting op 27 maart 1998 is de mondelinge behandeling gesloten. Aangezien twee leden van de kamer verhinderd waren aan de beraadslagingen deel te nemen na het verstrijken van hun mandaat op 17 september 1998, zijn de beraadslagingen van het Gerecht conform artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering voortgezet door de drie rechters die het onderhavige arrest hebben ondertekend.

152
Volgens rekwirante maakt het bestreden arrest inbreuk op artikel 33 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien kamerpresident A. Kalogeropoulos en rechter C. P. Briët, die beiden aan de mondelinge behandeling en de beginfase van de beraadslaging hebben deelgenomen, niet aan de eindberaadslaging hebben deelgenomen en evenmin het arrest hebben ondertekend.

153
Volgens haar is het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter geen geval van afwezigheid of verhindering in de zin van artikel 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Verder stelt zij dat het bestreden arrest in deze omstandigheden niet alleen in strijd is met artikel 33 van het Reglement voor de procesvoering, maar ook de door het gemeenschapsrecht en het EVRM beschermde fundamentele procedurele waarborgen schendt, aangezien de beraadslaging een wezenlijk onderdeel van de activiteit van rechtscolleges vormt.

154
De Commissie stelt dat artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering een quorum van drie rechters voor de kamers voorschrijft; daaraan was in casu voldaan. Verder stelt zij dat rekwirante artikel 33 van het Reglement verkeerd interpreteert; deze bepaling is niet geschonden wanneer niet alle rechters die bij de mondelinge behandeling tegenwoordig waren, aan de beraadslaging kunnen deelnemen, maar wel wanneer aan de beraadslaging wordt deelgenomen door rechters die niet bij de mondelinge behandeling tegenwoordig waren.

Beoordeling door het Hof

155
Overeenkomstig artikel 18, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EGKS, dat krachtens artikel 44 van dit Statuut van toepassing is op het Gerecht, kan het Gerecht slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen en zijn beslissingen van uit drie of vijf rechters bestaande kamers slechts geldig wanneer zij door drie rechters zijn genomen. Artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht preciseert de wijze waarop deze regels ten uitvoer worden gelegd.

156
Voor de toepassing van deze regels is het irrelevant of een verhindering definitief dan wel tijdelijk is. Zo het reeds bij een tijdelijke afwezigheid of verhindering gerechtvaardigd is de samenstelling van een kamer te wijzigen om een oneven aantal rechters te behouden, dan geldt dit, anders dan rekwirante stelt, a fortiori in het geval van een definitieve verhindering die bijvoorbeeld voortvloeit uit het verstrijken van een ambtstermijn.

157
Bovendien dient erop te worden gewezen, dat volgens artikel 33, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bij het onderzoek of de bepalingen van dit Reglement inzake de beraadslaging in acht zijn genomen, dient te worden gekeken naar het ogenblik waarop bij de eindberaadslaging het gevoelen dat de beslissing van het Gerecht bepaalt, wordt gevormd.

158
In casu heeft de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht dus geldig beraadslaagd in een samenstelling van slechts drie leden, toen de ambtstermijn van twee van de vijf oorspronkelijke leden na de mondelinge behandeling en de beginfase van de beraadslaging was verstreken.

159
Ten slotte voert rekwirante enkel aan dat het EVRM is geschonden, maar tracht zij geenszins aan te tonen hoe de inachtneming door het Gerecht van de bepalingen van zijn Reglement voor de procesvoering in strijd kan zijn met een bepaling van dit Verdrag.

160
Bijgevolg dient het achtste middel ongegrond te worden verklaard.

Het negende middel

161
Met het negende middel stelt rekwirante dat artikel 6 EVRM is geschonden, doordat haar het recht op een billijke uitspraak binnen een redelijke termijn is ontzegd.

162
Volgens rekwirante is door de aarzeling van de Commissie om haar toegang te verlenen tot de documenten die zij voor haar verdediging nodig had, en door de lengte van de gerechtelijke procedure, die meer dan vijf jaar heeft geduurd, de beslechting van het geding zonder geldige reden zo lang uitgesteld dat zij ernstige schade heeft geleden. Meer bepaald is de Commissie volgens haar verantwoordelijk voor meer dan drie jaar vertraging bij de behandeling van de zaak, doordat zij niet overeenkomstig artikel 23 van 's Hofs Statuut-EGKS onverwijld de vereiste documenten heeft overgelegd.

163
De Commissie wijst erop dat de omstandigheden van het onderhavige geval duidelijk verschilden van die welke het Hof in het arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417), heeft onderzocht. In casu heeft de verplichting van artikel 23 van 's Hofs Statuut-EGKS om alle documenten betreffende de zaak aan het Gerecht over te leggen, het Gerecht ertoe genoodzaakt om deze te onderzoeken en uit te maken welke documenten aan rekwirante konden worden meegedeeld.

164
Verder beklemtoont zij dat het op initiatief van rekwirante is dat het Gerecht de schriftelijke bewijsstukken zo grondig heeft onderzocht.

Beoordeling door het Hof

165
Er zij aan herinnerd dat het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, van toepassing is op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punt 21, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 179).

166
De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punt 29, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 187).

167
Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd, dat de lijst van deze criteria niet uitputtend is en dat de beoordeling van de redelijkheid van de termijn niet vereist dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak al dan niet gerechtvaardigd is. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. In voorkomend geval kan de duur van een fase van de procedure zonder meer als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde behandelingsduur van een zaak van dat type (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 188).

168
In casu heeft de procedure voor het Gerecht een aanvang genomen met de neerlegging op 18 april 1994 van het verzoekschrift waarmee rekwirante het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking heeft ingesteld, en is zij beëindigd op 11 maart 1999, datum van de uitspraak van het bestreden arrest. Zij heeft dus bijna vijf jaar geduurd.

169
Een dergelijke duur lijkt op het eerste gezicht lang. Er dient evenwel aan te worden herinnerd, dat elf ondernemingen in vier procestalen een beroep tot nietigverklaring van dezelfde beschikking hebben ingesteld.

170
Zoals in de punten 57 tot en met 63 van het bestreden arrest is opgemerkt, heeft het Gerecht verschillende betwistingen over de inzage van stukken in verband met de administratieve procedure moeten beslechten. Nadat de Commissie op 24 november 1994 een dossier met 11 000 met de litigieuze beschikking verband houdende stukken had gedeponeerd, en daarbij had gesteld dat aan de betrokken ondernemingen geen inzage mocht worden gegeven van de stukken die zakengeheimen bevatten, en evenmin van haar eigen interne documenten, diende het Gerecht partijen hierover te horen, alle documenten te onderzoeken en voor iedere partij vast te stellen welke stukken zij mocht inzien.

171
Bij beschikking van 19 juni 1996, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, 151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-537), heeft het Gerecht uitspraak gedaan over het recht van de verzoekende partijen tot inzage van de stukken van het dossier van de Commissie die enerzijds van de verzoekende partijen zelf en anderzijds van niet aan de procedure deelnemende derden afkomstig waren en die door de Commissie in het belang van deze partijen en deze derden als vertrouwelijk waren aangemerkt.

172
Bij beschikking van 10 december 1997, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-2293), heeft het Gerecht beslist op de vorderingen van de verzoekende partijen tot inzage van de door de Commissie als intern aangemerkte stukken.

173
Anders dan rekwirante stelt, kan de Commissie niet verantwoordelijk worden gehouden voor een vertraging van meer dan drie jaar bij de behandeling van de procedure wegens schending van artikel 23 van 's Hofs Statuut-EGKS. Na een schriftelijke uitnodiging van de griffie van het Gerecht van 25 oktober 1994 heeft de Commissie haar dossier immers ter griffie neergelegd op 24 november 1994. Verder kan zij evenmin verantwoordelijk worden gehouden voor de ─ merendeels nieuwe ─ juridische problemen in verband met de toegang tot bepaalde documenten, die het Gerecht bij beschikkingen heeft dienen te beslechten na onderzoek van de stukken waarover betwisting bestond.

174
De verschillende zaken die door andere door de litigieuze beschikking getroffen ondernemingen waren ingeleid, zijn met het oog op de instructie en de mondelinge behandeling gevoegd. Zoals in de punten 64 tot en met 74 van het bestreden arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht in het kader van de voorbereiding van de mondelinge behandeling talrijke instructiemaatregelen gelast. Daarbij heeft het Gerecht de partijen verschillende schriftelijke vragen gesteld en de overlegging van stukken alsmede getuigenverhoren gelast.

175
Tot slot van de terechtzitting van 27 maart 1998 is de mondelinge behandeling gesloten.

176
Het bestreden arrest is uitgesproken op 11 maart 1999, dat wil zeggen op dezelfde dag als de tien andere arresten waarin uitspraak is gedaan op de tegen de litigieuze beschikking ingestelde beroepen.

177
Uit het voorgaande volgt dat de duur van de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid, met name kan worden toegeschreven aan het aantal ondernemingen die aan het gelaakte kartel hebben deelgenomen en beroep tegen de litigieuze beschikking hebben ingesteld, wat een parallel onderzoek van deze verschillende beroepen noodzakelijk maakte, aan de rechtsvragen in verband met de inzage in het omvangrijke dossier van de Commissie, aan het grondige onderzoek van de stukken door het Gerecht en aan de door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde taaleisen.

178
Gelet op de bijzondere complexiteit van de zaak, is de duur van de procedure voor het Gerecht dan ook gerechtvaardigd.

179
Bijgevolg is het negende middel ongegrond.

180
Uit het voorgaande volgt dat alleen het eerste onderdeel van het vijfde middel gegrond is. Bijgevolg dient het bestreden arrest te worden vernietigd voorzover daarbij het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ongegrond is verklaard wat de veroordeling van rekwirante betreft tot betaling van een geldboete die ook rekening houdt met het gedrag van Aristrain Olaberría SL. De hogere voorziening dient te worden afgewezen voor het overige.

Het geding ten gronde

181
Volgens artikel 61 van 's Hofs Statuut vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van de hogere voorziening. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

182
Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat de overwegingen in de punten 91 tot en met 101 van het onderhavige arrest, die de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest rechtvaardigden, niet tot de volledige nietigverklaring van de litigieuze beschikking kunnen leiden. Deze overwegingen rechtvaardigen de nietigverklaring van deze beschikking immers slechts voorzover aan rekwirante een geldboete is opgelegd die ook rekening houdt met het gedrag van Aristrain Olaberría.

183
Om uit te maken hoeveel het ten onrechte aan rekwirante opgelegde deel van de geldboete bedraagt, dient evenwel de boekhouding van de twee vennootschappen en in het bijzonder de toenmalige omzet van elk van hen in de balkensector te worden onderzocht.

184
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de zaak niet in staat van wijzen is. De zaak dient dan ook naar het Gerecht te worden verwezen voor de bepaling van de hoogte van het aandeel van de geldboete dat ten laste van rekwirante kan worden gelegd, en de beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden.


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende:

1)
Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 maart 1999, Aristrain/Commissie (T-156/94), voorzover daarbij het beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten, ongegrond is verklaard wat de veroordeling van Siderúrgica Aristrain Madrid SL betreft tot betaling van een geldboete die ook rekening houdt met het gedrag van Aristrain Olaberría SL.

2)
Wijst de hogere voorziening af voor het overige.

3)
Verwijst de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg.

4)
Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Wathelet

Edward

La Pergola

Jann

von Bahr

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2003.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

M. Wathelet


1
Procestaal: Spaans.