Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Gemeenschappelijke handelspolitiek Verdediging tegen dumpingpraktijken Dumpingmarge Vaststelling van normale waarde Limitatief karakter van in artikel 2, lid 3, sub b, aanhef, van antidumpingbasisverordering genoemde gevallen waarin gemeenschapsinstellingen mogen afwijken van methode voor vaststelling van normale waarde aan hand van werkelijke prijs Toepassing van methode van aangenomen waarde ingeval product op binnenlandse markt van exporteur door octrooi wordt beschermd Creëren van geval waarin artikel 2, lid 3, van verordening niet voorziet Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub a en b)

2. Gemeenschappelijke handelspolitiek Verdediging tegen dumpingpraktijken Verordening tot instelling van definitief antidumpingrecht Onwettigheid, wegens schending van rechten van verdediging, van verordening tot instelling van voorlopig antidumpingrecht Gevolgen voor wettigheid van verordening tot instelling van definitief recht Voorwaarden

(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 4)

Samenvatting

1. Artikel 2, lid 3, van antidumpingbasisverordening nr. 2423/88 voorziet in drie verschillende methoden voor de vaststelling van de normale waarde. Volgens de eerste methode, bepaald in artikel 2, lid 3, sub a, wordt de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijke prijs, dat wil zeggen de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk product dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong. Volgens de tweede methode, bepaald in artikel 2, lid 3, sub b-i, moet de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de vergelijkbare prijs van een soortgelijk product wanneer dit naar een derde land wordt uitgevoerd. Volgens de derde methode ten slotte, bepaald in artikel 2, lid 3, sub b-ii, moet de normale waarde worden berekend op basis van de aangenomen waarde. In artikel 2, lid 3, sub b, aanhef, van die verordening wordt gepreciseerd dat de instellingen de twee laatstbedoelde methoden moeten toepassen wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk product in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt, of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken.

Volgens de bewoordingen en de opbouw van artikel 2, lid 3, sub a, moet bij de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats rekening worden gehouden met de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. Blijkens artikel 2, lid 3, sub b, mag van dit beginsel slechts worden afgeweken wanneer geen verkoop van een soortgelijk product in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt, of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken. Het begrip normale handelstransacties heeft betrekking op de aard van de verkopen als zodanig. Het strekt ertoe, bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten, waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een product wordt verkocht tegen prijzen beneden de productiekosten of wanneer transacties plaatsvinden tussen partijen die geassocieerd zijn of een compensatieregeling toepassen. Het vereiste ten slotte dat de verkopen op de binnenlandse markt van de exporteur een bruikbare vergelijking mogelijk moeten maken, betreft de vraag, of die verkopen voldoende representatief zijn om als basis voor de vaststelling van de normale waarde te dienen. De verkopen op de binnenlandse markt moeten immers het normale gedrag van de kopers weerspiegelen en voortvloeien uit een normale prijsvorming.

Uit een en ander volgt dat de twee in artikel 2, lid 3, sub b, aanhef, van de antidumpingbasisverordening bedoelde gevallen waarin de gemeenschapsinstellingen mogen afwijken van de methode voor vaststelling van de normale waarde aan de hand van werkelijke prijzen, limitatief zijn, en allebei betrekking hebben op de kenmerken van de verkoop en niet op de prijs van het product.

Hieruit volgt dat de stelling volgens welke de methode van de aangenomen normale waarde ook moet worden toegepast wanneer de prijs van het product op de binnenlandse markt van de exporteur niet vergelijkbaar is met de prijs bij uitvoer omdat het product op die markt door een octrooi wordt beschermd, aan de twee in artikel 2, lid 3, sub b, aanhef, van die verordening limitatief genoemde gevallen nog een geval toevoegt dat daarin niet is genoemd, en derhalve van de hand moet worden gewezen.

( cf. punten 33-43 )

2. De eventuele onwettigheid van de voorlopige verordening kan slechts gevolgen hebben voor de wettigheid van de definitieve verordening tot inning van het voorlopige antidumpingrecht, voorzover de gronden van die onwettigheid ook ten aanzien van de definitieve verordening gelden.

Dat de exporteur niet tijdig van de instelling van het voorlopig recht in kennis is gesteld, kan geen gevolgen hebben voor de definitieve inning van dat recht, voorzover hij vóór de vaststelling van de definitieve verordening zijn opmerkingen heeft kunnen maken.

Het Gerecht heeft derhalve terecht vastgesteld, dat aangenomen dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dat de exporteurs in kennis worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de instelling van voorlopige rechten wordt overwogen, het niet-eerbiedigen van deze rechten als zodanig niet tot gevolg kan hebben dat de verordening waarbij de definitieve rechten worden ingesteld, ongeldig is, wanneer bij de vaststelling van laatstbedoelde verordening het gebrek in de procedure tot vaststelling van de overeenkomstige verordening tot instelling van voorlopige rechten is hersteld.

( cf. punten 65-67 )