Conclusie van advocaat-generaal Cosmas van 16 maart 2000. - Industrie des poudres sphériques tegen Raad van de Europese Unie, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Péchiney électrométallurgie en Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie. - Hogere voorziening - Antidumping - Verordening (EEG) nr. 2423/88 - Metallisch calcium - Ontvankelijkheid - Heropening van antidumpingprocedure na nietigverklaring van verordening tot instelling van antidumpingrecht - Rechten van de verdediging. - Zaak C-458/98 P.
Jurisprudentie 2000 bladzijde I-08147
I - Inleiding
1. De hogere voorziening die de vennootschap Industrie des poudres sphériques (hierna: IPS") in deze zaak heeft ingesteld, strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 oktober 1998 in zaak T-2/95, IPS/Raad. Het Hof wordt in casu verzocht de gevolgen te onderzoeken van de arresten in de zaak Extramet Industrie/Raad (C-358/89), waarin het enerzijds het beroep van een importeur tegen verordening (EEG) nr. 2808/89 van de Raad van 18 september 1989 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van calciummetaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie en definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht dat op die invoer werd ingesteld ontvankelijk heeft verklaard (arrest Extramet I) en anderzijds verordening nr. 2808/89 nietig heeft verklaard (arrest Extramet II).
2. Na de nietigverklaring van verordening nr. 2808/89 hervatte de Commissie het antidumpingonderzoek betreffende hetzelfde product en stelde de Raad verordening (EG) nr. 2557/94 van 19 oktober 1994 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (hierna: bestreden verordening") vast. De vennootschap IPS, voordien Extramet genaamd, stelde beroep in tegen deze verordening. In het bestreden arrest verklaarde het Gerecht van eerste aanleg dit beroep ontvankelijk, maar ongegrond.
3. In casu rijzen voornamelijk twee problemen. Allereerst de vraag of het verzoekschrift van IPS ontvankelijk is, en vervolgens de vraag in welke mate bij de hervatting van het antidumpingonderzoek door de Commissie het arrest Extramet II en verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (hierna: basisverordening") zijn nageleefd.
II - Het gemeenschapsrecht
4. De basisverordening stelt regels vast voor de bescherming tegen invoer met dumping of subsidies door staten die geen lid zijn van wat ten tijde van de vaststelling ervan nog de Europese Economische Gemeenschap heette. Uit die verordening volgt dat de antidumpingprocedure uit opeenvolgende fasen bestaat, waaronder die van het onderzoek. Eenzelfde procedure kan aanleiding geven tot één of meer onderzoeken.
5. Overeenkomstig zijn opschrift bevat artikel 7 bepalingen inzake de aanvang en het verloop van het onderzoek. Lid 1 luidt als volgt:
1. Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de opening van een procedure te rechtvaardigen, moet de Commissie onmiddellijk:
a) de aanvang van een procedure in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen aankondigen; deze aankondiging vermeldt het betrokken product en de betrokken landen en bevat een samenvatting van de ontvangen gegevens alsmede de mededeling dat alle gegevens betreffende de zaak aan de Commissie dienen te worden toegezonden; zij vermeldt tevens de termijn waarbinnen de belanghebbende partijen hun standpunt schriftelijk bekend kunnen maken en kunnen verzoeken om door de Commissie overeenkomstig het bepaalde in lid 5 te worden gehoord;
b) de exporteurs en importeurs waarvan de Commissie weet dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land en de klagers hiervan in kennis stellen;
c) op communautair niveau een aanvang maken met het onderzoek, in samenwerking met de lidstaten; dit onderzoek heeft zowel betrekking op dumping of subsidiëring als op de daaruit voortvloeiende schade, en vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 8; het onderzoek naar dumping of subsidiëring bestrijkt gewoonlijk een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden."
6. Artikel 7, lid 4, van de basisverordening bepaalt:
4. a) De klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land, worden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt, met uitzondering van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar lidstaten opgestelde interne documenten, voor zover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 8 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij richten daartoe een schriftelijk verzoek tot de Commissie met opgave van de gewenste gegevens.
b) De exporteurs en importeurs van het product waarop het onderzoek betrekking heeft en, in geval van subsidiëring, de vertegenwoordigers van het land van oorsprong, kunnen verzoeken op de hoogte te worden gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen instelling van definitieve rechten of definitieve inning van de door een voorlopig recht gewaarborgde bedragen aan te bevelen.
c) i) Verzoeken om gegevens op grond van het bepaalde onder b):
aa) moeten schriftelijk bij de Commissie worden ingediend;
bb) moeten een nadere omschrijving bevatten van de specifieke punten waarover gegevens worden gevraagd;
cc) mogen, in de gevallen waarin een voorlopig recht is toegepast, niet later worden ontvangen dan een maand nadat is bekendgemaakt dat dergelijke rechten zijn ingesteld.
ii) De gegevens kunnen mondeling of schriftelijk worden verstrekt, ter keuze van de Commissie. Zij lopen niet vooruit op eventuele besluiten die later door de Commissie of de Raad kunnen worden genomen. Vertrouwelijke inlichtingen worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.
iii) De gegevens mogen normaliter niet later worden verstrekt dan vijftien dagen vóór de indiening door de Commissie van een voorstel voor definitieve maatregelen ingevolge artikel 12. Op- of aanmerkingen die worden ingediend nadat de gegevens zijn verstrekt, worden alleen dan in aanmerking genomen wanneer zij worden ontvangen binnen een door de Commissie, met inachtneming van de urgentie van de zaak, per geval vast te stellen termijn die ten minste tien dagen bedraagt."
7. Artikel 7, lid 9, bepaalt bovendien:
9. a) Een onderzoek wordt afgesloten hetzij door beëindiging, hetzij door het nemen van definitieve maatregelen. In het algemeen dient het onderzoek binnen een jaar na de aanvang van de procedure te zijn afgesloten;
b) een procedure wordt afgesloten hetzij door beëindiging van het onderzoek zonder het instellen van rechten en zonder de aanvaarding van verbintenissen, hetzij door het vervallen of intrekken van dergelijke rechten, hetzij door de beëindiging van verbintenissen overeenkomstig artikel 14 of 15."
8. De leden 1 tot en met 4 van artikel 8 van de basisverordening, met als opschrift Vertrouwelijkheid", luiden als volgt:
1. De bij de toepassing van deze verordening verkregen gegevens mogen slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij gevraagd zijn.
2. a) De Raad, de Commissie, de lidstaten alsmede hun ambtenaren, mogen de gegevens die hun bij de toepassing van deze verordening ter kennis zijn gekomen en door een partij met verzoek om vertrouwelijke behandeling zijn verstrekt, niet bekendmaken, tenzij deze uitdrukkelijk in bekendmaking heeft toegestemd.
b) Elk verzoek om vertrouwelijke behandeling vermeldt waarom de gegevens vertrouwelijk zijn en gaat vergezeld van een niet-vertrouwelijke samenvatting van de gegevens of van een opgave van de redenen waarom de gegevens niet kunnen worden samengevat.
3. Gegevens worden gewoonlijk als vertrouwelijk beschouwd indien bekendmaking aanzienlijk nadeel kan berokkenen aan degene die ze verstrekt of de bron ervan is.
4. Wanneer evenwel blijkt dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gerechtvaardigd is, en degene die de gegevens heeft verstrekt deze niet openbaar wil maken, noch machtiging wil geven tot bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in de vorm van een samenvatting, kunnen de betrokken gegevens buiten beschouwing worden gelaten.
De betrokken gegevens kunnen eveneens buiten beschouwing worden gelaten, wanneer een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is en degene die de gegevens heeft verstrekt, geen niet-vertrouwelijke samenvatting wil overleggen, mits de gegevens in de vorm van een dergelijke samenvatting kunnen worden verstrekt."
9. Bovendien bepaalt artikel 14 (Nieuw onderzoek"):
1. De verordeningen waarbij antidumpingrechten of compenserende rechten worden ingesteld en de besluiten om verbintenissen te aanvaarden worden, wanneer daartoe aanleiding bestaat, geheel of gedeeltelijk aan een nieuw onderzoek onderworpen.
Dit nieuwe onderzoek wordt ingesteld op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie. Een nieuw onderzoek wordt ook ingesteld wanneer een belanghebbende partij daarom verzoekt en voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te wettigen, mits ten minste één jaar is verlopen na de beëindiging van het onderzoek. Het desbetreffende verzoek wordt gericht tot de Commissie, die de lidstaten ervan in kennis stelt.
2. Indien, na overleg, blijkt dat een nieuw onderzoek gewettigd is, wordt het onderzoek overeenkomstig artikel 7 opnieuw geopend indien de omstandigheden zulks vereisen. Deze heropening als zodanig is niet van invloed op de vigerende maatregelen.
3. Wanneer het nieuwe onderzoek, al dan niet uitgevoerd met heropening van het onderzoek, zulks wettigt, worden de maatregelen gewijzigd, ingetrokken of geannuleerd door de Instelling van de Gemeenschap die bevoegd is tot het invoeren van de maatregelen. (...)."
III - De feiten
10. In het bestreden arrest heeft het Gerecht van eerste aanleg de volgende feiten aangehaald (punten 15 tot 29).
11. Industrie des poudres sphériques, voorheen Extramet industrie genaamd, is gevestigd te Annemasse (Frankrijk) en gespecialiseerd in de productie van fijn verdeeld metallisch calcium in de vorm van reactief-metaalgranulaat.
12. Metallisch calcium wordt vervaardigd in vijf landen, te weten Frankrijk (door PEM), China, Rusland, Canada en de Verenigde Staten van Amerika.
13. Ter dekking van haar behoeften aan metallisch calcium heeft IPS zich in eerste instantie gewend tot een communautair producent, te weten aanvankelijk Société électrométallurgique du Planet, en nadat deze in 1985 met de vennootschap naar Frans recht Péchiney électrométallurgie (hierna: PEM") was gefuseerd, tot deze laatste. Zij voerde daarnaast primair metallisch calcium in uit China en de Sovjet-Unie.
14. In juli 1987 diende de Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie (hierna: Chambre syndicale"), een vereniging naar Frans recht, namens PEM een klacht in bij de Commissie en vroeg zij om antidumpingmaatregelen tegen de invoer van metallisch calcium uit China en de Sovjet-Unie.
15. Op 26 januari 1988 leidde de Commissie een antidumpingprocedure in krachtens de destijds geldende verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap.
16. Bij verordening (EEG) nr. 707/89 stelde de Commissie een voorlopig antidumpingrecht in van 10,7 % op de invoer van het betrokken product.
17. Na verlenging van het voorlopig recht, stelde de Raad bij verordening (EEG) nr. 2808/89 op het betrokken product een definitief antidumpingrecht in, ten belope van respectievelijk 21,8 en 22 %.
18. Op 27 november 1989 stelde rekwirante IPS, destijds Extramet industrie SA genaamd, beroep in tot nietigverklaring van deze verordening.
19. Het Hof verklaarde het beroep ontvankelijk bij arrest van 16 mei 1991, Extramet I. Bij arrest van 11 juni 1992, Extramet II, verklaarde het Hof vervolgens verordening nr. 2808/89 nietig, omdat de gemeenschapsinstellingen niet daadwerkelijk hadden onderzocht of de communautaire producent van het in de verordening bedoelde product, te weten PEM, door zijn verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en omdat zij ook niet hadden aangetoond, dat de vastgestelde schade niet uit de door verzoekster aangevoerde omstandigheden voortvloeide, zodat zij dus de schade niet naar behoren hadden vastgesteld.
20. Bij besluit van 31 maart 1992 veroordeelde de Franse Conseil de la concurrence PEM wegens misbruik van machtspositie tussen oktober 1982 en eind 1984 door Société électrométallurgique du Planet (SEMP), die door PEM in december 1985 was overgenomen. Bij arrest van 14 januari 1993 bevestigde de Cour d'appel de Paris dit besluit.
21. Na het arrest Extramet II heeft PEM in een schrijven van 1 juli 1992 bij de Commissie gepleit voor heropening van het onderzoek; hieraan was gehecht een technische nota over de schade van de communautaire bedrijfstak.
22. Van mening dat het een hervatting de jure" van het onderzoek betrof, heeft de Commissie IPS bij brief van 17 juli 1992 verzocht haar standpunt kenbaar te maken over de schade van de communautaire bedrijfstak. Zij wees er daarbij op, dat ook aan PEM een standpuntbepaling ter zake was gevraagd.
23. Bij brief van 14 augustus 1992 heeft IPS het standpunt van de Commissie, dat het juridisch mogelijk was het onderzoek te hervatten, bestreden en om een formele voor beroep vatbare beschikking verzocht.
24. Bij brief van 21 augustus 1992 heeft IPS dit laatste verzoek herhaald.
25. Op 14 oktober 1992 heeft de Commissie haar de op 1 juli 1992 van PEM ontvangen nota over de schade toegezonden.
26. Op 14 november 1992 heeft de Commissie een bericht over de antidumpingprocedure betreffende de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en Rusland gepubliceerd.
27. Bij brief van 18 november 1992 heeft de Commissie IPS op de hoogte gebracht van dit bericht en haar verzocht binnen 30 dagen de overeenstemmende vragenlijsten te retourneren. Zij wees erop, dat de nieuwe onderzoeksperiode liep van 1 juli 1991 tot en met 31 oktober 1992.
28. Bij brief van 23 december 1992 heeft IPS de Commissie haar standpunt medegedeeld over PEM's nota van 1 juli 1992 inzake de schade.
29. Bij brief van 29 juli 1993 heeft de Commissie IPS gevraagd, haar alle feiten mede te delen die van belang konden zijn voor haar oordeelsvorming, met name ten aanzien van het vraagstuk van de schade. Bij brief van 12 augustus 1993 heeft IPS geantwoord, ter zake geen nieuwe informatie te kunnen verschaffen, aangezien de situatie sinds haar brief van 23 december 1992 niet of nauwelijks was gewijzigd.
30. Op 21 april 1994 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 892/94 vastgesteld, tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (hierna: voorlopige verordening").
31. Op 31 mei 1994 heeft IPS haar opmerkingen betreffende de voorlopige verordening ingediend en een groot aantal bezwaren tegen die verordening kenbaar gemaakt. De Commissie heeft hierop geantwoord bij brief van 14 juni 1994.
32. Op 11 augustus 1994 heeft de Commissie IPS de belangrijkste feiten en overwegingen medegedeeld op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en Rusland voor te stellen.
33. Op voorstel van de Commissie heeft de Raad op 19 oktober 1994 bij de bestreden verordening een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en uit Rusland.
IV - Het procesverloop voor het Gerecht
34. Op 9 januari 1995 heeft IPS bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de bestreden verordening; zij vorderde de nietigverklaring ervan of, subsidiair, een verklaring dat zij niet op haar van toepassing was, met verwijzing van de Raad in de kosten.
35. De Raad concludeerde tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van verzoekster (IPS) in de kosten.
36. In hun respectieve tussenkomsten hebben de Commissie, PEM en de Chambre syndicale het Gerecht verzocht het beroep te verwerpen en verzoekster in de kosten te verwijzen.
37. Het beroep van IPS berustte op de zeven volgende middelen tot nietigverklaring: a) schending van de artikelen 5 en 7, lid 9, van de basisverordening en miskenning van het gezag van gewijsde en van de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen; b) schending van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening alsmede schending van de rechten van de verdediging; c) schending van de artikelen 4, lid 4, en 2, lid 12, van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de gelijksoortigheid van de producten; d) schending van artikel 4 van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de schade van de communautaire bedrijfstak; e) schending van artikel 12 van de basisverordening en kennelijke beoordelingsfout; f) schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG); g) misbruik van bevoegdheid.
38. Op de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft het Gerecht geantwoord dat het beroep van IPS ontvankelijk was, aangezien de omstandigheden die de ontvankelijkheid van het beroep in zaak C-358/89, Extramet I, rechtvaardigden, nog steeds actueel waren. Het heeft echter het beroep ten gronde verworpen.
V - Het procesverloop voor het Hof
39. Rekwirante (IPS) heeft op 16 december 1998 hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht; de Commissie heeft een incidentele hogere voorziening ingesteld.
A - Ontvankelijkheid van het door PEM en de Chambre syndicale bezorgde document
40. In hun memorie van antwoord verklaren PEM en de Chambre syndicale, interveniënten in de procedure voor het Gerecht, af te zien van de indiening van een nieuwe schriftelijke memorie. Zij verwijzen naar de memorie in interventie die zij bij het Gerecht hadden ingediend en waarvan zij de relevante uittreksels als fotokopie bijvoegen.
41. Overeenkomstig artikel 115, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de memorie van antwoord de aangevoerde middelen en argumenten rechtens (sub c) alsmede de conclusies (sub d) bevatten. Deze bepaling houdt in dat de middelen in het processtuk zelf moeten zijn opgenomen en dat een verwijzing naar een ander processtuk dit niet kan vervangen.
42. Nu het geen middelen en argumenten rechtens bevat, maar verwijst naar de bij het Gerecht ingediende memorie in interventie en de daarin aangevoerde middelen, mag bijgevolg geen rekening worden gehouden met het door PEM en Chambre syndicale toegezonden stuk.
B - Conclusies van partijen
43. In hogere voorziening vordert IPS dat het het Hof behage: a) het bestreden arrest te vernietigen en ten gronde recht te doen; b) de incidentele hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk te verklaren of, subsidiair, ongegrond; c) de Raad, de Commissie en interveniënten te verwijzen in de kosten van het kort geding en de procedure in de hoofdzaak voor het Gerecht en in de kosten in hogere voorziening.
44. De Commissie vordert dat het het Hof behage: a) het arrest van het Gerecht te vernietigen voor zover het het beroep in zaak T-2/95 ontvankelijk verklaart en b) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair vordert zij dat het Hof a) de hogere voorziening afwijst en b) in elk geval verzoekster in de kosten verwijst.
45. De Raad vordert dat het het Hof behage: a) de hogere voorziening af te wijzen en b) IPS in de kosten te verwijzen.
46. PEM en de Chambre syndicale ondersteunen de conclusies van de Raad en van de Commissie.
VI - Onderzoek van de incidentele hogere voorziening: ontvankelijkheid
A - De gestelde vragen
47. In haar incidentele hogere voorziening voert de Commissie aan dat het verzoekschrift in eerste aanleg niet-ontvankelijk was. In tegenstelling tot wat het geval was in zaak Extramet I (C-358/89), had verzoekster in casu geweigerd zich met metallisch calcium te bevoorraden bij de communautaire producent PEM, maar niet omdat zij daarbij moeilijkheden ondervond. Als gevolg daarvan is in het deel van het arrest betreffende de ontvankelijkheid (punt 53) bij de toepassing van het arrest Extramet I uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting en is dat deel tegenstrijdig en ontoereikend gemotiveerd.
48. Concreet voert de Commissie aan dat de ontoereikende en tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest inzake de ontvankelijkheid, tot vernietiging van het arrest moet leiden. Zij voegt hieraan toe dat het Gerecht zichzelf tegenspreekt waar het in punt 219 verklaart dat de gemeenschapsinstellingen geen fout hebben gemaakt bij de vaststelling van de feiten en evenmin de bepalingen van de basisverordening hebben geschonden of een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door het metallisch calcium van PEM en dat uit China en Rusland als gelijksoortige producten in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening" aan te merken. Volgens de Commissie is er sprake van tegenstrijdigheid omdat het Gerecht in punt 235 van het arrest heeft erkend dat in casu met betrekking tot de onderzoeksperiode lopende van 1 juli 1991 tot 31 oktober 1992 niet [kan] worden gezegd, dat de schade van PEM aan haarzelf was te wijten. Tijdens deze periode was het in de ogen van verzoekster immers niet opportuun, de handelsrelatie met PEM te hervatten, en heeft zij metallisch calcium uit China of Rusland gekocht, ondanks de ingestelde antidumpingrechten." Bovendien blijkt volgens de Commissie uit de punten 249 tot 256 van het bestreden arrest dat PEM aan IPS had voorgesteld om haar calcium van categorie N" te testen, hetgeen volstrekt logisch was nu het Russische of Chinese calcium dat IPS bevredigend vond, nucleair calcium was. De enige moeilijkheid voor IPS was de prijs.
49. Kort gezegd is de Commissie van mening dat, afgezien van de vraag van de prijs van het product (nucleair calcium), IPS in werkelijkheid de mogelijkheid had zich bij PEM te bevoorraden, net als andere ondernemingen. Aangezien niets IPS van andere ondernemers onderscheidt, moest het bij het Gerecht ingestelde beroep, volgens een juiste uitlegging van het arrest Extramet I, niet-ontvankelijk zijn verklaard.
50. IPS is van mening dat de incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk is, aangezien het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid had verworpen op basis van een beoordeling van de gegevens van het dossier.
B - Het arrest Extramet I en de vraag van de ontvankelijkheid
51. In zaak C-358/89, zoals zij in het bestreden arrest wordt beschreven, is het beroep bij het arrest Extramet I ontvankelijk verklaard. Het Gerecht benadrukt in punt 49 van zijn arrest terecht dat het enige ontvankelijkheidscriterium waaraan het Hof in dat arrest heeft getoetst, was of verzoekster rechtstreeks en individueel werd geraakt. Het Gerecht verwijst bovendien naar de punten 13 en 14 van het arrest Extramet I, volgens welke, ofschoon de verordeningen tot instelling van antidumpingrechten, gelet op de criteria van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, naar aard en strekking in feite normatieve maatregelen zijn, aangezien zij voor alle betrokken ondernemers gelden, het niet is uitgesloten dat hun bepalingen bepaalde ondernemers individueel kunnen raken. (...) Hieruit volgt dat handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, zonder hun karakter van een verordening te verliezen, in bepaalde omstandigheden sommige ondernemers individueel kunnen raken, die dan ook bevoegd zijn een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen in te stellen"; het Hof was voorts van oordeel dat verzoekster een reeks feiten had aangetoond die een bijzondere situatie vormen die haar voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer karakteriseerde.
52. Daarna verklaart het Gerecht (punt 52) dat het Hof in het arrest Extramet I het beroep niet uitsluitend ontvankelijk heeft verklaard op grond van de moeilijkheden van Extramet om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap. In werkelijkheid heeft het zich gebaseerd op verschillende omstandigheden waardoor de vennootschap Extramet zich in een bijzondere positie bevond en zij voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer werd gekarakteriseerd. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht in het bestreden arrest een reeks bijzondere kenmerken vastgesteld die IPS karakteriseren, aangezien zij de belangrijkste importeur was van het door de antidumpingrechten getroffen product en tevens eindgebruiker van dat product; bovendien waren haar economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk en werden ze door de litigieuze verordening ernstig getroffen, gelet op het beperkte aantal producenten van het betrokken product en op het feit dat zij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die bovendien haar belangrijkste concurrent voor het verwerkte product was. Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld (punt 53) dat de Commissie niet [bestrijdt], dat PEM niet in staat is een standaardkwaliteit primair metallisch calcium met de door verzoekster gewenste specificaties te leveren en dat verzoekster dus wel degelijk nog steeds moeilijkheden ondervindt om zich bij PEM te bevoorraden". De feitenrechter heeft daaruit afgeleid dat de situatie niet was gewijzigd ten opzichte van de zaak Extramet I.
53. De vaststelling van het Gerecht dat IPS het door PEM aangeboden product weigerde omdat dit niet de gewenste kenmerken had, is één van de grondslagen van de ontvankelijkverklaring van het beroep van IPS. Daarom was het Gerecht terecht van oordeel (punt 54) dat aangezien de omstandigheden die ontvankelijkverklaring van het beroep in zaak C-358/89 rechtvaardigden (...), nog steeds actueel zijn, (...) het onderhavige beroep ontvankelijk [dient] te worden verklaard".
54. De overige beweringen van de Commissie inzake de tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest kunnen mijns inziens niet tot nietigverklaring leiden, aangezien deze bezwaren andere hoofdstukken betreffen.
55. Bijgevolg moet de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheid volledig worden uitgesloten.
VII - Onderzoek van de middelen in hogere voorziening
56. Rekwirante baseert haar hogere voorziening op twee middelen, die overeenstemmen met het eerste en het tweede middel van het verzoekschrift in eerste aanleg.
A - Het eerste middel in hogere voorziening
1) Het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening: de verplichting om te voldoen aan het nietigverklaringsarrest van het Hof
57. In het eerste onderdeel van het eerste middel van haar hogere voorziening spitst IPS haar kritiek toe op de punten 91, 95, 97 en 99 van het bestreden arrest. Zij voert aan dat door toe te staan dat de Commissie een nieuw onderzoek kon starten op basis van een andere referentieperiode, dit wil zeggen door de oorspronkelijke referentieperiode te wijzigen, het Gerecht is afgeweken van het arrest Extramet II; door die regularisatieprocedure", zoals IPS het in overeenstemming brengen met het nietigverklaringsarrest aanmerkt, als regelmatig te beschouwen, zou het Gerecht bovendien de artikelen 174 EG-Verdrag (thans artikel 231 EG) en 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) hebben geschonden, alsmede artikel 7, leden 1 en 9, en artikel 14 van de basisverordening. Volgens rekwirante is het Gerecht bij de uitlegging van artikel 176 van het Verdrag uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting die een schending van het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel met zich brengt.
a) De ontvankelijkheid
58. Allereerst ziet dit bezwaar volgens de Commissie niet duidelijk op punt 101 van het bestreden arrest en stelt verzoekster niet waarom dit punt gebrekkig zou zijn. Dat rekwirante heeft nagelaten een van de punten van het arrest waarop de verwerping van het eerste middel tot nietigverklaring door het Gerecht berust, te bestrijden, maakt het aangevoerde middel niet-ontvankelijk.
59. In haar verzoekschrift in hogere voorziening verwijst IPS naar de redenering van het Gerecht zoals deze in de punten 87 tot en met 102 is geformuleerd, zonder nauwkeurig punt 101 te vermelden; zij laakt alleen de beoordeling van het Gerecht (punt 98 van het verzoekschrift in hogere voorziening) volgens welke de wijziging van de onderzoeksperiode" haar rechten niet heeft aangetast. Mijns inziens volstaat dit om aan te nemen dat zij geldig een rechtsgebrek inzake punt 101 van het bestreden arrest heeft aangevoerd, want zelfs als punt 101 niet als zodanig is aangevoerd, haalt zij niettemin de inhoud ervan aan. Bijgevolg moeten de argumenten van de Commissie hiertegen worden afgewezen.
60. Wat in de tweede plaats punt 101 van het bestreden arrest betreft, is het middel van IPS (in punt 24 van de repliek) dat het Gerecht de feiten zou hebben vertekend, mijns inziens te onderscheiden van de schending van de wet die (door rekwirante) op volstrekt ontvankelijke wijze wordt aangevoerd, en zelf niet-ontvankelijk, omdat het niet voorkomt in het verzoekschrift in hogere voorziening. Zoals overigens blijkt uit artikel 118 juncto artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, kan rekwirante haar conclusies in dat stadium van de procedure niet meer uitbreiden.
61. In de derde plaats verklaart rekwirante in het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening dat het Gerecht bij de toepassing van artikel 176 van het Verdrag het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet heeft nageleefd. Het bestreden arrest zou rechtens gebrekkig zijn omdat is aanvaard dat de Commissie de referentieperiode kon wijzigen en dat het onderzoek niet behoefde te worden beperkt tot de schade tijdens de oorspronkelijke periode, maar eveneens een nieuwe referentieperiode kon betreffen, hetgeen tot de heffing van hogere antidumpingrechten heeft geleid.
62. In casu zijn deze middelen, die niet in eerste aanleg maar pas hier voor het eerst worden aangevoerd, naar mijn mening niet-ontvankelijk. Onderzoek van deze middelen zou immers neerkomen op een nieuwe beoordeling van de grond van de zaak, hetgeen de controle die het Hof in dit stadium van de hogere voorziening kan uitoefenen, te buiten gaat.
b) Ten gronde
63. Rekwirante stelt dat het Gerecht zich heeft vergist door te oordelen dat de handelwijze van de Commissie volstrekt in overeenstemming was met het arrest Extramet II. Zij is van mening dat de nietigverklaring een gevolg was van redenen ten gronde en dat zij de nietigverklaring van alle voorbereidende handelingen heeft meegebracht, met inbegrip van het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 2557/94.
64. Het is vaste rechtspraak dat wanneer het Hof een gemeenschapshandeling wegens een formeel of een procedureel gebrek nietig verklaart (zoals ontoereikende motivering, niet-raadpleging van de bevoegde instellingen of niet-horen van de partijen), voor de uitvoering van het arrest in de regel niet vereist is dat de betrokken instelling de gehele procedure overdoet. Dat geldt zowel wanneer het enkel om een formeel of procedureel gebrek gaat als wanneer de nietigheid voortvloeit uit de onwettigheid van de handeling ten gronde.
65. In het bestreden arrest (punt 94) heeft het Gerecht benadrukt dat het Hof in het arrest Extramet II verordening nr. 2808/89 nietig heeft verklaard, omdat de gemeenschapsinstellingen niet daadwerkelijk hadden onderzocht, of de communautaire producente, te weten PEM, door haar verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en zij niet hadden aangetoond, dat de schade niet uit de door Extramet aangevoerde omstandigheden voortvloeide. Het Gerecht wijst er tevens op dat het Hof daaruit afleidde dat de instellingen de schade niet naar behoren hadden vastgesteld. Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat de voorbereidingshandelingen voor het onderzoek, en inzonderheid de inleiding van de procedure krachtens artikel 7, lid 1, van de basisverordening, niet waren aangetast door de onwettigheid die het Hof had vastgesteld. Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld (punt 95) dat de Commissie op rechtmatige wijze de procedure kon hervatten en zich baseren op alle handelingen die niet door de nietigverklaring waren getroffen, te weten de klacht van PEM van juli 1987, het advies van het raadgevend comité en het besluit om de procedure te openen, voor het instellen van een onderzoek met betrekking tot dezelfde referentieperiode als in de bij het arrest Extramet II nietig verklaarde verordening nr. 2808/89 in aanmerking was genomen, zij het beperkt tot de vraag, of PEM door de verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de schade van de communautaire bedrijfstak.
66. Op grond van die rechtspraak van het Hof meen ik dat, ongeacht of de nietigverklaring er is gekomen om formele of om substantiële redenen, de Commissie in casu ook elementen uit de voorgaande procedure en het onderzoek met betrekking tot de oorspronkelijke referentieperiode kon gebruiken zonder schending van haar plicht om te voldoen aan het nietigverklaringsarrest van het Hof. Het gebrek waarmee de nietig verklaarde verordening was aangetast, had immers geen invloed op een reeks daaraan voorafgaande procedurehandelingen, en concreet op de geldigheid van de klacht, de daaropvolgende onderhandelingen en de aankondiging van de opening van de oorspronkelijke procedure en het onderzoek.
67. Het in het bestreden arrest vastgestelde gebrek waardoor het besluit was aangetast, bestond erin dat de gemeenschapsinstellingen niet hadden onderzocht of de communautaire producente van het in de bestreden verordening bedoelde product, te weten PEM, door haar weigering om aan IPS te verkopen niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en dat zij niet hadden vastgesteld of de schade niet voortvloeide uit door Extramet aangevoerde omstandigheden, waardoor zij de schade niet juist hadden ingeschat. Dat gebrek heeft zich voorgedaan nadat voorbereidingshandelingen waren gesteld door de opening van de procedure en door de beslissing om het oorspronkelijk onderzoek te voeren; daarom heeft de nietigverklaring die handelingen naar mijn mening niet beïnvloed.
68. Volgens artikel 7, lid 1, sub c, heeft het onderzoek overigens zowel betrekking op de dumping (of de subsidie) als op de eruit voortvloeiende schade. Zij bestaat met andere woorden uit twee verschillende onderdelen, die niet worden beïnvloed door de beslissing van het Hof tot nietigverklaring, tenzij dit zeer duidelijk uit het dictum en uit de motivering van die beslissing volgt.
69. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de Commissie de procedure kon hernemen en zich baseren op alle procedurehandelingen die niet door het nietigverklaringsarrest waren beïnvloed. Hetgeen rekwirante daartegen inbrengt moet als ongegrond worden afgewezen.
2) Het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening: schending van artikel 7, leden 1 en 9, en artikel 14 van de basisverordening
70. Het tweede onderdeel van het eerste middel stelt dat het Gerecht artikel 7, leden 1 en 9, en artikel 14 van de basisverordening heeft geschonden doordat het de door de Commissie gevolgde methode, namelijk het hernemen van het onderzoek, aldus heeft gepoogd te rechtvaardigen dat ten gevolge van de nietigverklaring de procedure opnieuw zou zijn geopend en dat de communautaire instellingen op het vlak van het toezicht op antidumpingpraktijken over een zeer ruime beoordelingsvrijheid beschikken. Dergelijke praktijken van de Commissie doen afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel en zijn niet in overeenstemming met het idee van een rechtsgemeenschap.
71. Concreet is rekwirante van mening dat de Commissie zonder rechtsgrondslag een nieuw onderzoek met betrekking tot een nieuwe referentieperiode heeft geopend, aangezien het niet ging om de opening van een nieuwe procedure of om een heronderzoek; zij voegt hieraan toe dat het Gerecht ten onrechte van oordeel was (punt 99) dat de aanvankelijke procedure niet was nietig verklaard door het arrest Extramet II. Nog volgens rekwirante moet de opening van een onderzoek krachtens artikel 7, lid 1, van de basisverordening samenvallen met de inleiding van de procedure, waarvoor een voorafgaande klacht in de zin van artikel 5 van die verordening is vereist. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 7, lid 1, geschonden door te aanvaarden dat de Commissie vier jaar na de opening van de procedure een nieuw onderzoek kon aanvatten.
72. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 99 van zijn arrest heeft geoordeeld dat aangezien de aanvankelijke procedure door het arrest Extramet II niet was nietig verklaard en de dumpingpraktijken aanhielden, de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid niet had overschreden door te besluiten de reeds in 1989 geopende procedure voort te zetten en een nieuw onderzoek in te stellen voor een andere referentieperiode. In punt 101 heeft het Gerecht geoordeeld dat de wijziging van de onderzoeksperiode de rechten die IPS ingevolge de opening van de procedure in 1989 toekwamen overigens niet had aangetast.
73. Vervolgens vermeldt het bestreden arrest (punten 94 en 95) dat het Hof in het arrest Extramet II niet heeft geoordeeld dat het onderzoek niet was beïnvloed, maar dat het de verordening van de Raad en het voorafgaande onderzoek slechts nietig heeft verklaard op het punt van de vaststelling van de door de communautaire producent geleden schade.
74. In die omstandigheden had de Commissie twee mogelijkheden: zij kon volstaan met het aanvankelijke onderzoek, dat een concrete referentieperiode betrof, en het beperken tot de beoordeling van de schade, of zij kon een nieuw onderzoek openen, in welk geval zij een nieuwe referentieperiode moest vaststellen. Ter vereenvoudiging van de procedure kon zij ook een aanvullend onderzoek uitvoeren op basis van een nieuwe referentieperiode, mits dan bij alle procedureregels die de rechten van de verdediging van IPS volledig waarborgen, werden nageleefd.
75. Die door de Commissie goedgekeurde en in het bestreden arrest beschreven oplossing wordt ook gerechtvaardigd door de logica van de procedure tot vaststelling van antidumpingmaatregelen. Zoals het Hof verklaarde, dient deze procedure enerzijds te waarborgen dat bij invoer in de Gemeenschap geen dumping wordt toegepast waardoor schade wordt berokkend aan de bedrijfstak in de Gemeenschap, en anderzijds de instellingen in staat te stellen binnen een redelijke termijn de nodige maatregelen te treffen, indien het belang van de Gemeenschap zulks vereist". Zij wordt beheerst door het beginsel dat de instellingen van de Gemeenschap over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken met betrekking tot de voor de vaststelling van de schade in overweging te nemen periode. In de woorden van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad moet de ,aanzienlijke schade noodzakelijkerwijs (...) worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop eventueel tot beschermende maatregelen wordt besloten".
76. Uit de ratio van de basisverordening volgt overigens dat deze maatregelen geen herstel van de schade beogen, dat wil zeggen dat zij niet worden opgelegd ter compensatie van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, maar dat zij een middel zijn ter voorkoming van toekomstige schade doordat zij verplichtingen opleggen tot betaling van rechten bij de import van de betrokken producten. Die ratio brengt dwingend met zich, dat de schade actueel moet zijn en dus moet worden vastgesteld naar de situatie in de periode die onmiddellijk aan het openen van de procedure voorafgaat, in het onderhavige geval dus in de periode vóór de aankondiging van voortzetting van het onderzoek".
77. Zoals de Commissie benadrukt (punten 31 en 32 van de memorie van antwoord), kan inzake antidumping het gebrek dat tot nietigverklaring van de verordening heeft geleid niet tot gevolg hebben dat deze laatste door een nieuwe verordening met terugwerkende kracht wordt vervangen. De nietigverklaring geldt immers ab initio en de importeurs kunnen terugbetaling van de betaalde bedragen vorderen. Een nieuwe verordening kan dezelfde heffingen niet opnieuw opleggen, want het resultaat van die belastingheffing zou terugwerkend zijn, hetgeen artikel 13, lid 4, sub a, van de basisverordening verbiedt. De enige mogelijkheid is dus de vaststelling van een nieuwe verordening die vanaf haar inwerkingtreding heffingen voor de toekomst oplegt, dat wil zeggen ex nunc en niet ex tunc. Anders dan rekwirante beweert, is het rechtszekerheidsbeginsel hier dus niet geschonden.
78. De gegrondheid van punt 99 van het bestreden arrest, volgens hetwelk de Commissie binnen haar beoordelingsruimte is gebleven door een nieuw onderzoek te voeren op basis van een andere referentieperiode, vindt eveneens steun in artikel 7, lid 1, sub c, van de basisverordening, dat stelt dat het onderzoek gewoonlijk" een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden bestrijkt. De gemeenschapswetgever wenst met andere woorden dat de resultaten van het onderzoek op de meest recente gegevens berusten. Om aan het nietigverklaringsarrest van het Hof te voldoen, moet de Commissie de bepalingen van de basisverordening naleven die de modaliteiten van haar handelen vaststellen.
79. Ten slotte volgt uit artikel 7, lid 1, van de basisverordening dat het onderzoek deel uitmaakt van de procedure en niet omgekeerd. Het onderzoek is een voorbereidende maatregel voor de eindbeslissing van de Raad. Volgens artikel 7, lid 9, wordt een onderzoek afgesloten hetzij door beëindiging, hetzij door het nemen van definitieve maatregelen. Aangezien bij het arrest Extramet II de definitieve maatregel (verordening nr. 2808/89) die het daaraan voorafgaande onderzoek had afgesloten, nietig is verklaard, betekent dit bijgevolg dat het onderzoek en a fortiori de procedure niet waren afgesloten, maar bleven voortduren. Voorts moeten de woorden nieuw onderzoek" in de punten 95 en 99 van het bestreden arrest aldus worden uitgelegd dat zij verwijzen naar het onderzoek op basis van een nieuwe referentieperiode in het kader van de aanvankelijke procedure waartoe de Commissie rechtsgeldig had besloten, zoals volgt uit de tekst zelf van het bestreden arrest.
80. In die omstandigheden falen de door rekwirante aangevoerde argumenten tot staving van het tweede onderdeel van het eerste middel, zodat het eerste middel in hogere voorziening in zijn geheel moet worden afgewezen.
B - Het tweede middel in hogere voorziening: schending van het grondbeginsel van de rechten van de verdediging en van artikel 7, lid 4, van de basisverordening
81. Volgens rekwirante heeft het Gerecht, door te besluiten dat de talrijke onregelmatigheden tijdens de procedure geen afbreuk hebben gedaan aan haar rechten, het grondbeginsel van de bescherming van de rechten van de verdediging en de artikelen 7, lid 4, en 8, lid 3, van de basisverordening geschonden. Dit minimalistische standpunt inzake de rechten van de verdediging brengt de inachtneming van dit beginsel in gevaar. Bovendien is de door het Gerecht gevolgde werkwijze in strijd met het arrest Al-Jubail Fertilizer/Raad.
1) Eerste onderdeel: laattijdige mededeling van de door PEM op 1 juli 1992 ingediende nota
82. Volgens het eerste onderdeel van het tweede middel heeft het Gerecht (in de punten 111-113) ten onrechte geoordeeld dat de rechten van de verdediging van verzoekster (thans rekwirante) niet waren geschonden doordat de door PEM op 1 juli 1992 aan de Commissie bezorgde brief betreffende de schade haar pas op 14 oktober 1992 is meegedeeld. Het Gerecht vermeldt evenwel dat IPS niet uitdrukkelijk had gevraagd kennis te kunnen nemen van die nota.
a) De ontvankelijkheid
83. De Commissie is van mening dat het deel van de hogere voorziening inzake de schending van de in artikel 7, lid 4, van de basisverordening vervatte rechten niet-ontvankelijk is, omdat het beroep bij het Gerecht naar die nota (van PEM) verwees in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel tot nietigverklaring, waarin geen sprake was van artikel 7 van de basisverordening maar enkel van het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging.
84. Ik ben het met die redenering van de Commissie niet eens. Zoals gesteld in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest, heeft IPS haar redenering voor het Gerecht inzake de doorzending van de nota van PEM gebaseerd op de controle van de regelmatigheid van het verloop van het onderzoek, hetgeen betrekking heeft op het geheel van de procedure tot vaststelling van antidumpingmaatregelen. Dat in het geheel niet naar artikel 7 wordt verwezen, volstaat mijns inziens niet om dit middel niet-ontvankelijk te verklaren. In punt 105 van het bestreden arrest, dat verwijst naar de redenering van IPS, wordt artikel 7 van de basisverordening trouwens uitdrukkelijk vermeld.
b) De gegrondheid
85. In het verzoekschrift aan het Gerecht had rekwirante de Commissie verweten haar rechten van de verdediging te hebben geschonden door de schriftelijke nota die PEM op 1 juli 1992 had ingediend, niet aan haar te hebben meegedeeld.
86. Het Gerecht heeft vastgesteld dat uit de gegevens van het dossier niet blijkt dat IPS de Commissie schriftelijk heeft verzocht kennis te kunnen nemen van dat document, terwijl zij nochtans sinds 10 juli 1992 van het bestaan ervan afwist. Het Gerecht heeft besloten dat de Commissie bij gebreke van een dergelijk verzoek op grond van artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening geenszins verplicht was om de inhoud van die brief van IPS ter kennis te brengen (punt 113).
87. Artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening bepaalt dat de belanghebbenden na aanvang van het onderzoek in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt, met uitzondering van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar lidstaten opgestelde interne documenten, voorzover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 8 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. De betrokken personen richten daartoe een schriftelijk verzoek tot de Commissie met opgave van de gewenste gegevens.
88. Gelet op de gegevens in het dossier heeft het Gerecht geoordeeld dat aangezien IPS geen verzoek in die zin had ingediend, het desbetreffende middel van haar verzoekschrift ongegrond was en bijgevolg diende te worden afgewezen. Aldus heeft het Gerecht de wetgeving juist toegepast, zodat de argumenten daartegen moeten worden afgewezen.
89. Los van de voorgaande overwegingen is het door IPS aangevoerde middel hoe dan ook feitelijk onjuist, aangezien het Gerecht in het bestreden arrest vaststelt dat dit stuk alleszins aan de betrokkene (rekwirante) is meegedeeld op 14 oktober 1992, dit wil zeggen een maand voor de publicatie van de mededeling van de Commissie inzake de antidumpingprocedure op 14 november 1992.
90. Anders dan rekwirante betoogt, zijn de regels van het arrest Al-Jubail Fertilizer/Raad overigens in geen geval geschonden.
2) Tweede onderdeel: onregelmatigheden bij de toegang tot gegevens van het dossier
91. Rekwirante voert tevens aan dat het bestreden arrest moet worden vernietigd omdat daarin wordt gesteld dat de talrijke onregelmatigheden bij de toegang tot gegevens van het dossier, die in casu andere documenten betreffen dan het document van PEM van 1 juli 1992, de rechten van IPS niet hebben geschonden (punten 140, 142 en 143).
92. Met betrekking tot de vraag in welke mate de rechten van IPS zijn geschonden doordat zij geen regelmatige toegang heeft verkregen tot gegevens van het dossier, heeft het Gerecht erkend (punt 139) dat wat PEM's brieven van 5, 11 en 19 augustus 1993 aan de Commissie betreft, rekwirante geen schriftelijke aanvraag als bedoeld in artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening had ingediend. Bijgevolg hoefde de Commissie haar deze niet te verstrekken. In haar brief van 5 oktober 1993 had rekwirante namelijk verklaard, dat zij de lijst van door de Commissie van PEM ontvangen stukken ter kennis had genomen en dat zij sommige van die stukken kende omdat het tussen haar en PEM gewisselde brieven betrof. Zij had haar verzoek om toegang tot het vertrouwelijke dossier van de Commissie derhalve beperkt, met name tot de aan de Commissie gezonden brief van PEM van 5 augustus 1993 over de technische werkzaamheden die PEM had uitgevoerd in haar fabriek te La Roche de Rame. Aangaande deze laatste nota van PEM heeft het Gerecht gesteld (punt 142) dat deze terecht als vertrouwelijk document in de zin van artikel 8 van de basisverordening kon worden aangemerkt, aangezien zij vertrouwelijke informatie bevatte over de productieprocédés van PEM. Het Gerecht heeft echter vastgesteld dat de Commissie niet had voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot het verlenen van toegang tot het dossier. In de eerste plaats had zij eerst na geruime tijd op rekwirantes gerechtvaardigde aanvragen gereageerd; in de tweede plaats had zij geen echte niet-vertrouwelijke samenvatting van de betrokken brief verstrekt en ten slotte had zij niet aangetoond de nodige pogingen te hebben ondernomen om een niet-vertrouwelijke versie van het betrokken document te verkrijgen. Het was immers uiteindelijk op vraag van rekwirante en niet van de Commissie, dat PEM op 21 mei 1994 beslist had IPS het betrokken document te bezorgen. Aangaande deze onregelmatigheden heeft het Gerecht niettemin gesteld (punt 143) dat IPS te gelegener tijd, op 24 mei 1994, dus nog voor de goedkeuring van de definitieve verordening, opmerkingen over het document had kunnen indienen.
93. Gelet op de inhoud van artikel 7 van de basisverordening ben ik om te beginnen van mening dat zonder schriftelijke, op basis van artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening ingediende aanvraag van betrokkene, te weten IPS, de Commissie krachtens deze bepaling IPS de inhoud van de brieven van PEM van 5, 11 en 19 augustus niet behoefde mee te delen, ongeacht of zij vertrouwelijk waren. Deze handelwijze heeft met andere woorden het recht van verweer van rekwirante niet geschonden, zoals het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld.
94. Vervolgens zij erop gewezen dat in tegenstelling tot hetgeen het geval was in de zaak Al-Jubail Fertilizer/Raad, de betrokken onderneming in casu te gelegener tijd kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van PEM's brieven aan de Commissie van 5, 11 en 19 augustus 1993, waarvan zij - zoals gesteld in punt 139 van het bestreden arrest - bestaan en inhoud kende.
95. Wat ten slotte de niet-mededeling betreft van een niet-vertrouwelijke samenvatting van het als vertrouwelijk in de zin van artikel 8 van de basisverordening aangemerkte document dat PEM op 5 augustus 1993 aan de Commissie had gezonden en waarvan IPS uiteindelijk op 21 mei 1994 kennis heeft genomen, na de vaststelling van de voorlopige verordening van de Commissie, meen ik dat dit verzuim van de Commissie de rechten van de verdediging van IPS niet heeft geschonden, aangezien bedoeld document haar uiteindelijk vijf maanden vóór de goedkeuring van de betrokken verordening van de Raad op 19 oktober 1994 door PEM is meegedeeld. Die tijdspanne was voor IPS voldoende om haar belangen op doeltreffende wijze te verdedigen.
96. Derhalve moet ook het tweede middel in hogere voorziening in zijn geheel worden afgewezen.
VIII - Kosten
97. Artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat overeenkomstig artikel 118 eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd; lid 3, eerste alinea, van dat artikel bepaalt dat het Hof de kosten kan verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
98. Doorgaans is het de justitiabele die door de bestreden beslissing schade heeft geleden die over een rechtsmiddel beschikt; in de regel is het de in het ongelijk gestelde justitiabele die schade heeft geleden, dit wil zeggen degene wiens verzoek tot rechtsbescherming geheel of gedeeltelijk is afgewezen, of die op vordering van de tegenpartij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Uitzonderlijk kan de in het gelijk gestelde partij er juridisch belang bij hebben om een rechtsmiddel aan te wenden, wanneer hij de overwinning gemakkelijker had kunnen behalen. Dat is het geval wanneer de beslissing met betrekking tot de voor hem nadelige bepaling tegenover hem kracht van gewijsde heeft, bijvoorbeeld wanneer één van twee grondslagen van zijn vordering, beroep of ander rechtsmiddel wordt afgewezen.
99. In casu geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening van IPS in zijn geheel af te wijzen. Derhalve moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten van de Raad worden verwezen.
100. Wat de Commissie betreft, geef ik het Hof in overweging haar incidentele hogere voorziening af te wijzen, zelfs als haar subsidiaire vordering tot afwijzing van de hogere voorziening van IPS wordt aanvaard; derhalve moet zij haar eigen kosten dragen.
101. Aangezien het door de Chambre syndicale en PEM ingediende stuk zoals gezegd niet met inachtneming van de vereiste formaliteiten is ingediend, moeten die interveniënten ten slotte hun eigen kosten dragen.
IX - Conclusie
102. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening van Industrie des poudres sphériques (IPS) af te wijzen;
- de incidentele hogere voorziening van de Commissie af te wijzen;
- IPS in haar eigen kosten en die van de Raad te verwijzen;
- de Commissie in haar eigen kosten te verwijzen;
- de Chambre syndicale de l'electrométallurgie et de l'électrochémie evenals de vennootschap Péchiney electrométallurgie in hun eigen kosten te verwijzen.