Conclusie van advocaat-generaal Saggio van 17 juni 1999. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek. - Niet-nakoming - Niet-uitvoering van richtlijn 94/47/EG. - Zaak C-401/98.
Jurisprudentie 1999 bladzijde I-05543
De feiten en de procedure
1 Bij op 10 november 1998 ter griffie neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie een beroep wegens niet-nakoming in de zin van artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) ingesteld tegen de Helleense Republiek. Zij verzoekt het Hof vast te stellen, dat genoemde lidstaat haar verdragsverplichtingen niet is nagekomen met betrekking tot richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (hierna: "richtlijn").(1)
2 Genoemde richtlijn, die is vastgesteld op basis van artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), bepaalt in artikel 12, lid 1, dat "de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk dertig maanden na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen aan de richtlijn te voldoen".
3 In haar verzoekschrift stelt de Commissie, dat zij van de Griekse autoriteiten geen enkel bericht heeft ontvangen over de vaststelling van de maatregelen die voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Griekse rechtsorde noodzakelijk zijn, noch ook over andere informatie beschikt waaruit zou zijn af te leiden dat dergelijke maatregelen zijn getroffen. Op die basis had de Commissie de procedure van artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag ingeleid en de Griekse regering op 9 september 1997 een aanmaningsbrief gezonden waarin zij de niet-nakoming had vastgesteld en haar had uitgenodigd desgewenst haar opmerkingen kenbaar te maken.
4 Bij brief van 11 november 1997 deed de Griekse regering de Commissie weten, dat er een ontwerp van ministerieel besluit met de bedoelde regeling gereed was en dat de goedkeuringsprocedure gaande was.
5 Op 16 januari 1998 deed de Commissie, die nog steeds geen mededeling van de Griekse autoriteiten over de vaststelling van de betrokken maatregelen had ontvangen, die autoriteiten een met redenen omkleed advies met betrekking tot de niet-nakoming van hun verplichtingen krachtens de richtlijn toekomen, met de uitnodiging daaraan binnen twee maanden gevolg te geven.
6 Gezien die verklaring van de Griekse autoriteiten kwam de Commissie tot de conclusie, dat de Helleense Republiek de richtlijn niet in nationaal recht ten uitvoer had gelegd, om welke reden zij het onderhavige beroep heeft ingesteld.
Het bestaan van de niet-nakoming
7 Volgens de derde alinea van artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Volgens de tweede alinea van artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) treffen de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit handelingen van de gemeenschapsinstellingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Wat de tenuitvoerlegging van richtlijn 94/47 betreft, is de verplichting daartoe uitdrukkelijk neergelegd in artikel 12 ervan, ingevolge hetwelk de 29e april 1997 de uiterste termijn daarvoor is, en dat de lidstaten bovendien verplicht de Commissie onverwijld in kennis te stellen van de vaststelling van de nationale uitvoeringsbepalingen.
8 In haar op 15 december 1998 neergelegd verweerschrift gaf de Griekse regering ruiterlijk toe, de richtlijn nog niet in nationaal recht te hebben omgezet. Zij verklaarde zich ten volle bewust te zijn van de termijn waarbinnen de richtlijn had moeten worden uitgevoerd, en zegde toe, het nodige te zullen doen om de noodzakelijke nationale maatregelen zo snel mogelijk tot stand te brengen. Dienaangaande merkte zij op, dat de te dezen bevoegde minister van Ontwikkeling reeds een ontwerp van presidentieel besluit met de betrokken bepalingen had voorbereid, welk ontwerp aan de Raad van State zou worden voorgelegd zodra alle benodigde ondertekeningen waren verkregen. Zij behield zich voor, een exemplaar van dat ontwerp aan het dossier toe te voegen.
Het is dus duidelijk, dat de Griekse regering de bepalingen ter uitvoering van de richtlijn niet binnen de termijn van artikel 12, lid 1, heeft vastgesteld en dus ook geen bericht over de vaststelling ervan aan de Commissie heeft gezonden. Daar komt bij, dat de Griekse regering, na haar verzuim uitdrukkelijk te hebben erkend, geen enkele rechtvaardiging daarvoor heeft aangevoerd. Het is dan ook onnodig erop te wijzen, dat het loutere voorbereiden van een ontwerpbesluit, waarvan de tekst bovendien nog steeds in het dossier ontbreekt, het stilzitten van de Griekse regering op geen enkele wijze kan goedmaken.
Kosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in die zin heeft geconcludeerd en de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Conclusie
10 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
- te verklaren dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens die richtlijn en artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) op haar rusten;
- de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
(1) - PB L 280, blz. 83.