Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 1 juli 1999. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek. - Niet-nakoming - Niet-uitvoering van richtlijn 93/103/EG. - Zaak C-362/98.
Jurisprudentie 1999 bladzijde I-06299
1 Met haar op 9 oktober 1999 ingesteld beroep tegen de Italiaanse Republiek wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat die lidstaat, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 307, blz. 1; hierna: "richtlijn"), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Voorts verzoekt zij, de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
2 In haar verzoekschrift geeft de Commissie de verschillende etappes weer die de in artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) geregelde precontentieuze procedure heeft doorlopen. Wat de gegrondheid van het beroep betreft, stelt zij dat de Italiaanse Republiek, door niet de noodzakelijke implementatiemaatregelen te treffen, artikel 13, lid 1, van de betrokken richtlijn heeft geschonden volgens hetwelk de implementatietermijn op 23 november 1995 verstreek, alsook artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG), derde alinea, en artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG).
3 In haar op 29 januari 1999 neergelegd verweerschrift betwist de Italiaanse Republiek noch het regelmatig verloop van de precontentieuze procedure, noch de niet-nakoming zelf.
4 Haar verweer beperkt zich tot de mededeling, dat zij pas in mei 1998, na de inwerkingtreding van de communautaire wet 1995/1997, de procedure tot implementatie van de richtlijn heeft kunnen inleiden en dat die procedure thans loopt.
5 De Commissie heeft het niet nodig geoordeeld van repliek te dienen, en beide partijen zijn akkoord gegaan met het doen vervallen van de terechtzitting.
6 In deze omstandigheden kan ik alleen maar voorstellen het beroep van de Commissie volledig toe te wijzen, met het voorbehoud dat kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 13 van de richtlijn is geschonden.
7 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.