BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

11 juni 1998

Zaak T-173/97

A. Fichtner

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Ambtenaren — Tardief beoordelingsrapport — Bevordering — Vergelijking van verdiensten — Vergoeding van schade — Conclusies die kennelijk niet-ontvankelijk of rechtens volledig ongegrond zijn”

Volledige Italiaanse tekst   II-873

Betreft:

Beroep tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 september 1996 houdende weigering om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 1996 op de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren te plaatsen, en anderzijds, schadevergoeding.

Beslissing:

Verwerping.

Resumé van de beschikking

Verzoeker is ambtenaar van de Commissie in de rang B 4 en tewerkgesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek te Ispra (Italië).

Bij de bevorderingsronde 1996 wordt hij niet op de door de Commissie bekendgemaakte lijst van de meest voor een bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren geplaatst (lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren).

Bij een op 15 november 1996 ingeschreven nota dient hij krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (Statuut) een klacht in tegen het besluit houdende weigering om hem op die lijst te plaatsen. Bij die gelegenheid wijst hij erop, dat zijn beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1993 tot 30 juni 1995 (beoordelingsrapport 1993/1995) met voor hem schadelijke vertraging is opgesteld. Bij dezelfde nota verzoekt hij de Commissie hem vergoeding te betalen voor de materiële en morele schade die hij heeft geleden.

Op 25 februari 1997 ontvangt hij zijn beoordelingsrapport 1993/1995.

Bij besluit van 5 maart 1997, dat verzoeker officieel ter kennis wordt gebracht op 12 maart 1997, wijst de Commissie zijn klacht af. Met betrekking tot zijn verzoek om schadevergoeding verklaart zij, dat daarop afzonderlijk zal worden geantwoord.

Op 17 maart 1997 deelt zij verzoeker mee, dat hem een vergoeding van 15000 BFR is toegekend voor vertraging bij de opstelling van zijn beoordelingsrapport 1993/1995, doch zij wijst erop, dat die vergoeding hem enkel is toegekend wegens de onzekerheid die door de vertraging bij de mededeling van het ontwerprapport is ontstaan.

In rechte

Ingevolge artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. In het onderhavige geval is het Gerecht van oordeel, dat de processtukken voldoende gegevens bevatten, en beslist het dat een mondelinge behandeling niet nodig is (punt 10).

De vordering tot nietigverklaring

Volgens vaste rechtspraak, is het voor nietigverklaring van de bevorderingsbesluiten niet voldoende, dat het dossier van een van de kandidaten bij de vergelijking van de verdiensten onregelmatig of onvolledig was wegens het ontbreken van een beoordelingsrapport, tenzij komt vast te staan, dat de bevorderingsprocedure daardoor beslissend is beïnvloed (punt 17).

Referentie: Hof 10 juni 1987, Vincent/Parlement, 7/86, Jurispr. blz. 2473, punten 16 en 17; Hof 17 december 1992, Moritz/Commissie, C-68/91 P, Jurispr. blz. I-6849, punten 16 en 17; Gerecht 26 oktober 1994, Marcato/Commissie, T-18/93, JurAmbt. blz. II-681, punt 73; Gerecht 8 juni 1995, Allo/Commissie, T-496/93, JurAmbt. blz. II-405, punt 71

In het onderhavige geval waren voor de periode van 1 juli 1991 tot 30 juni 1995 de verdiensten van de drie op de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren geplaatste kandidaten evenwel veel groter dan die van verzoeker. De Commissie heeft derhalve terecht geoordeeld, dat ook al had het TAGB bij de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor de omstreden bevordering over verzoekers beoordelingsrapport 1993/1995 beschikt, het verzoeker niet op de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren had kunnen plaatsen. Bijgevolg heeft het ontbreken van dat beoordelingsrapport geen invloed gehad op verzoekers uitsluiting van die lijst. Aangezien deze vaststelling niet kan worden aangetast door verzoekers andere argumenten, moet zijn vordering tot nietigverklaring rechtens kennelijk ongegrond worden verklaard (punten 18-21).

De vordering tot schadevergoeding

Het Gerecht wijst erop, dat voor zover de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, voortvloeit uit de omstandigheid dat verzoeker niet op de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren is geplaatst, de vordering tot schadevergoeding nauw verband houdt met de vordering tot nietigverklaring. Aangezien deze laatste rechtens kennelijk ongegrond is verklaard, moet de vordering tot schadevergoeding hetzelfde lot ondergaan (punt 24).

Referentie: Gerecht 16 juli 1992, Della Pietra/Commissie, T-l/91, Jurispr. blz. II-2145, punt 34; Gerecht 8 juni 1993, Fiorani/Parlement, T-50/92, Jurispr. blz. II-555, punten 45 en46; Gerecht 12 maart 1996, Weir/Commissie, T-361/94, JurAmbt. blz. II-381, punt 48

Voor zover de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, voortvloeit uit de tardieve opstelling van het beoordelingsrapport 1993/1995, bestaat er geen verband tussen de vordering tot schadevergoeding en de vordering tot nietig verklaring. In dat geval moet de administratieve procedure beginnen met een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut om de geleden schade te vergoeden en in voorkomend geval worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek. Aangezien een dergelijke Idacht in het onderhavige geval ontbreekt, verklaart het Gerecht de vordering tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk (punten 25-30).

Referentie: Gerecht 25 september 1991, Marcato/Commissie, T-5/90, Jurispr. blz. II-731, punten 49 en 50; Gerecht 28 januari 1993, Piette de Stachelski/Commissie, T-53/92, Jurispr. blz. II-35, punt 18; Gerecht 9 juli 1997, S/Hof van Justitie, T-4/96, Jurispr. blz. II-1125, punt 106

Dictum:

Het beroep wordt verworpen.