61997B0159

Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 19 juni 1997. - Luis Manuel Chaves Fonseca Ferrão tegen Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen). - Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) - Besluit van voorzitter van Bureau betreffende organisatie van kamers van beroep - Periculum in mora - Ontbreken. - Zaak T-159/97 R.

Jurisprudentie 1997 bladzijde II-01049


Samenvatting

Trefwoorden


Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Ernstige en onherstelbare schade - Begrip - Bewijslast

(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 40/94 van de Raad)

Samenvatting


Bij de beoordeling van de spoedeisendheid van voorlopige maatregelen moet worden nagegaan, of tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen vóór de uitspraak van de gemeenschapsrechter in de hoofdzaak de partij die om de maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade berokkent die niet zou kunnen worden hersteld indien de bestreden handeling werd nietigverklaard, of die, ofschoon voorlopig, niet evenredig zou zijn aan het belang dat de verwerende partij erbij heeft, dat haar handelingen ten uitvoer worden gelegd, ook wanneer zij het voorwerp zijn van een beroep in rechte. Het is aan de verzoekende partij om aan te tonen, dat aan die voorwaarden is voldaan.

Een verzoek in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van een in het kader van de uitvoering van verordening nr. 40/94 genomen besluit, waarbij de voorzitter van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) regels voor de organisatie van de kamers van beroep heeft vastgesteld, moet worden afgewezen wanneer de verzoeker geen bewijs heeft aangevoerd tot staving van zijn verklaring, dat een gevaar voor ernstige en onherstelbare schade zou voortvloeien uit de inbreuk die de door het omstreden besluit ingestelde hiërarchieke ondergeschiktheid van de leden van de kamers van beroep van het Bureau dreigt te maken op de onafhankelijkheid van deze laatsten, en wel voor de gehele duur van hun mandaat.

Aangezien het Bureau immers tot nog toe geen enkele handeling heeft verricht, die, ter uitvoering van het omstreden besluit, de onafhankelijkheid van verzoeker concreet aantast, en deze laatste ook geen enkel gegeven aanvoert, dat het bestaan van een dergelijk gevaar kan laten vermoeden, is de opschorting van de tenuitvoerlegging van het omstreden besluit geenszins spoedeisend.