BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)

14 januari 1998

Zaak T-30/97

J. Vela Palacios

tegen

Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen

„Ambtenaren — Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding — Beroepstermijn — Niet-ontvankelijkheid”

Volledige Spaanse tekst   II-23

Betreft:

Beroep tot nietigverklaring van een besluit waarbij jegens verzoekster de tuchtmaatregel van terugzetting in rang is getroffen, en van het besluit waarbij haar vakantieverlof is verminderd, alsmede tot vergoeding van de morele schade die verzoekster door die tuchtmaatregelen zou hebben geleden.

Beslissing:

Verwerping.

Resumé van de beschikking

Op 18 april 1995 vertrekt verzoekster, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen (ESC), met toestemming van verweerder naar Ischia (Italië) voor een kuur van drie weken in een badplaats.

Op 28 april 1995 breekt verzoekster haar kuur af na een hartonderzoek. Op 9 mei 1995 hervat verzoekster het werk, doch de dag nadien stopt zij op medisch voorschrift weer met werken.

Op 17 mei 1995 vraagt verweerder verzoekster om overlegging van de bewijsstukken van de kuur. Verzoekster antwoordt, dat zij die documenten naar de ziektekostenverzekering heeft gestuurd. Op 2 juni 1995 herhaalt verweerder zijn verzoek.

Op 12 juli 1995 wordt tegen verzoekster een tuchtprocedure ingeleid. Op 14 februari 1996 brengt de tuchtraad een advies uit, waarin zijn leden voorstellen verzoekster een berisping te geven. In datzelfde advies vraagt de tuchtraad, dat de dagen afwezigheid waarvoor geen medisch attest is overgelegd, van verzoeksters vakantieverlof worden afgetrokken.

Op 27 maart 1996 beslist het tot aanstelling bevoegd gezag, jegens verzoekster de tuchtmaatregel van terugzetting in rang te treffen. Op 1 april 1996 bevestigt verzoekster de ontvangst van het besluit. Later wordt zij ook in kennis gesteld van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om vijf dagen niet gerechtvaardigde afwezigheid van haar vakantieverlof voor 1996 af te trekken.

Het tot aanstelling bevoegd gezag aanvaardt het door verzoekster op 30 maart 1996 ingediende ontslag.

Op 28 juni 1996 dient verzoekster een klacht in. Bij nota van 14 oktober 1996 wijst het tot aanstelling bevoegd gezag die klacht af. Die nota wordt verzoekster officieel ter kennis gebracht op 15 oktober 1996.

De ontvankelijkheid

De termijnen wegens afstand moeten worden toegekend op basis van de plaats waar de verzoeker gewoonlijk is gevestigd, met andere woorden op basis van zijn gewone verblijfplaats (punt 25).

Referentie:Hof 15 december 1966, Fonzi/Commissie, 28/65, Jurispr blz. 686, 710; Hof 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92P, Jurispr. blz. I-2555, punt 40

Verzoekers met een gewone verblijfplaats buiten Europa hebben recht op een termijn wegens afstand van een maand, maar kumien zich slechts met succes op die termijn wegens afstand beroepen wanneer zij aannemelijk maken dat zij in de periode die aan de instelling van het beroep is voorafgegaan, daadwerkelijk hun gewone verblijfplaats buiten Europa hadden. Indien van de verzoekers die aanspraak maken op de termijn wegens afstand van een maand geen enkel bewijs zou worden gevorderd, zou immers een groot aantal justitiabelen de voor hen geldende beroepstermijn ongehinderd kunnen omzeilen door gewoon te verklaren dat zij in een land buiten Europa wonen of hebben gewoond. In dat geval zou het Gerecht niet kunnen nagaan, zoals dat zijn plicht is, of de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn, in acht zijn genomen (punt 26).

Referentie: Gerecht 10 april 1992, Bollendorff/Parlement, T-15/91, Jurispr. blz. II-1679, punten 22 en 28; Gerecht 15 februari 1995, Grassi/Commissie, T-552/93, JurAmbt. blz. II-125, punten 23 en 31

In het onderhavige geval moet worden vastgesteld, dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangedragen voor haar stelling, dat zij tussen de officiële kennisgeving van verweerders besluit tot afwijzing van haar ldacht en de instelling van het onderhavige beroep haar gewone verblijfplaats in Marokko had (punt 27).

De kosten

Ingevolge artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht een partij, ook wanneer deze in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten, die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt (punt 32).

Volgens het Gerecht was de niet-ontvankelijkheid van verzoeksters beroep in de omstandigheden van het onderhavige geval te voorzien. Verzoekster heeft immers gesteld, dat zij recht had op een termijn wegens afstand van een maand, zonder daarvoor enige verifieerbare aanwijzing te verstrekken. Bovendien heeft zij in haar memories verklaard, dat zij niet van plan is stukken over te leggen die haar stelling inzake haar verblijf in Marokko kunnen staven (punt 33).

Dicium:

Het beroep wordt niet-ontvanlcelijk verklaard.

Verzoekster zal alle kosten dragen.