Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 mei 2000. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Coal Products Ltd. - Arbitrageclausule - Rentesubsidie. - Zaak C-274/97.
Jurisprudentie 2000 bladzijde I-03175
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
EGKS - Investeringen en financiële steun - Industriële lening met rentesubsidie - Vordering van Commissie tot terugbetaling van bedrag dat overeenkomt met rentesubsidie - Bevoegdheid van Hof krachtens arbitrageclausule - Uitlegging van overeenkomst door Hof
In zaak C-274/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, juridisch adviseur, en B. Doherty, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Coal Products Ltd, gevestigd te Chesterfield (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door K. P. E. Lasok, QC, en P. Harris, Barrister, geïnstrueerd door A. Mott, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Zeyen, Beghin, Feider, Loeff, Claeys en Verbeke, advocaten aldaar, Rue Charles Martel 56-58,
verweerster,
betreffende, in de eerste plaats, een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 42 EGKS-Verdrag ingesteld beroep strekkende tot terugbetaling van een bedrag van 252 558 ECU, overeenkomend met een rentesubsidie die zij aan Coal Products Ltd had toegekend in het kader van een overeenkomst bedoeld om laatstgenoemde te steunen, in de Gemeenschap geproduceerde steenkool te verbruiken, vermeerderd met interessen van 8 % te rekenen vanaf 1 november 1995, en, in de tweede plaats, een eis in reconventie van verweerster strekkende tot betaling van een bedrag van 46 010 ECU, vermeerderd met interessen te rekenen vanaf 3 februari 1995,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 juli 1999, waarbij Coal Products Ltd werd vertegenwoordigd door R. Thompson, Barrister, en A. Mott, en de Commissie door P. Oliver en B. Doherty,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 1999,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 juli 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een arbitrageclausule in de zin van artikel 42 EGKS-Verdrag, beroep ingesteld tegen de vennootschap Coal Products Ltd (hierna: CPL"), betreffende de terugbetaling van een bedrag van 252 558 ECU, overeenkomend met de rentesubsidie die de Commissie laatstgenoemde had toegekend in het kader van een overeenkomst bedoeld om haar te steunen, in de Gemeenschap geproduceerde steenkool te verbruiken, vermeerderd met interessen van 8 % te rekenen vanaf 1 november 1995.
2 In haar verweerschrift vordert CPL in reconventie veroordeling van de Commissie tot betaling van een bedrag van 46 010 ECU, vermeerderd met interessen te rekenen vanaf 3 februari 1995 of vanaf 31 maart 1995, overeenkomend met het saldo van de rentesubsidie waarop zij stelt aanspraak te kunnen maken op grond van voormelde overeenkomst.
De litigieuze overeenkomst
3 Op 21 mei 1992 sloot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: EGKS"), vertegenwoordigd door de Commissie, een leningsovereenkomst (hierna: overeenkomst") met CPL, een dochtermaatschappij van British Coal Corporation. In deze overeenkomst was de Commissie overeengekomen, aan CPL een lening van 10 000 000 GBP te verstrekken met het oog op de bevordering van het verbruik van in de EGKS geproduceerde kolen in de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde fabrieken van CPL voor de vervaardiging van briketten en de opwekking van elektriciteit uit methaan.
4 Overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst moest de lening in één keer op 28 mei 1997 worden terugbetaald; artikel 7 CPL verbood vervroegde terugbetaling. In artikel 10 van de overeenkomst verbond CPL zich ertoe, de activa van het project niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Commissie te verkopen, over te dragen of te vervreemden.
5 Artikel 5, punt 4, van de overeenkomst voorzag in de betaling van een rentesubsidie onder de volgende voorwaarden:
Behoudens het bepaalde in deze overeenkomst kent de kredietgever [de Commissie] de kredietnemer [CPL] een rentesubsidie (de ,subsidie) over de gehele lening toe ter hoogte van een tegenwaarde in pond sterling van 1 875 420 ECU. De subsidie wordt de lener tweemaal per jaar in de eerste vijf jaar van de lening in twee gelijke bedragen van 187 542 ECU op of omstreeks 28 mei en op of omstreeks 28 november van elk jaar betaald, in die voege dat de eerste betaling op of omstreeks 28 november 1992 en de laatste betaling op of omstreeks 28 mei 1997 plaatsvindt, mits de kredietnemer naar behoren heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit deze overeenkomst om de interessen en alle andere uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen op een van die data te betalen, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 11 (...)"
6 Artikel 11, punt 2, van de overeenkomst bepaalde:
Bij de verstrekking van de lening - en de betaling van de in artikel 5, punt 4, vermelde rentesubsidie - wordt ervan uitgegaan dat het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen in elk verbruiksjaar ten minste gelijk zal zijn aan het geschatte verbruik van EGKS-kolen. Bijgevolg gelden de volgende bepalingen:
a) Indien het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen in een van de twee onmiddellijk aan de peildatum voorafgaande jaren lager is dan het geschatte verbruik van EGKS-kolen, kan de kredietgever (onverminderd elk ander recht dat hij krachtens deze overeenkomst geldend kan maken), na een schriftelijke mededeling aan de kredietnemer, de rentesubsidie waarop de kredietnemer op grond van deze overeenkomst aanvankelijk aanspraak kon maken, verminderen naar evenredigheid van het verschil tussen het geschatte en het daadwerkelijke verbruik. Het bedrag waarmee de daadwerkelijk aan de kredietnemer betaalde rentesubsidie het bedrag te boven gaat dat de kredietnemer zou hebben ontvangen indien de bijgestelde rentesubsidie vanaf het begin was toegepast, wordt door de kredietnemer onmiddellijk volledig aan de kredietgever terugbetaald, of, indien de kredietgever zulks eist, door deze laatste op de toekomstige termijnen van rentesubsidie ingehouden ter verrekening van het verschuldigde bedrag;
b) behalve de sub a vermelde rechten en onverminderd alle andere rechten die de kredietgever op grond van deze overeenkomst kan doen gelden, geldt het volgende:
i) indien het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen in een van de verbruiksjaren die eindigen op de respectieve data voor de neerlegging van de vervolgrapporten, lager is dan het verbruik van EGKS-kolen waarop de op de lening toepasselijke rentesubsidie dan gebaseerd is (ongeacht of het gaat om het geschatte verbruik van EGKS-kolen dan wel om een geringere hoeveelheid als gevolg van de toepassing van de bepalingen sub a of de eerdere toepassing van de bepalingen sub b; en
ii) indien de kredietgever dit als een wezenlijk verschil beschouwt,
kan laatstgenoemde na schriftelijke kennisgeving aan de kredietnemer de rentesubsidie die voor de lening voor het betrokken verbruiksjaar en voor ieder daaropvolgend verbuiksjaar geldt, naar evenredigheid verminderen volgens de sub a bedoelde berekening (gebaseerd op het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen voor het betrokken verbruiksjaar). Op de laatste volzin sub a kan ook beroep worden gedaan voor de correcties overeenkomstig het bepaalde sub b.
(...)"
7 In artikel 1 van de overeenkomst werd het beoogde jaarlijkse verbruik (hierna: geschatte verbruik van EGKS-kolen") op 350 000 ton bepaald. Volgens hetzelfde artikel werd onder het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen" de in de industriële installatie in elk verbruiksjaar daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid EGKS-kolen" verstaan; voor elk van de twee onmiddellijk aan de peildatum voorafgaande jaren moest echter het gemiddelde jaarlijkse verbruik in deze twee jaren" in aanmerking worden genomen. Het verbruiksjaar" werd omschreven als het tijdvak van een kalenderjaar tot doch niet tot en met 28 mei - maar met uitsluiting van deze dag - van de jaren 1994 tot 1998 (beide jaren inbegrepen)". Volgens dit artikel was de derde termijn van de beschikbaarstelling van de lening, dat wil zeggen 28 mei 1995, de peildatum". De vierde en de vijfde termijn van de beschikbaarstelling, dat wil zeggen 28 mei 1996 respectievelijk 28 mei 1997, werden aangeduid als de data van neerlegging van de vervolgrapporten".
8 Volgens artikel 19 was op de overeenkomst Engels recht van toepassing en moesten alle vorderingen of geschillen betreffende de geldigheid, de uitlegging of de tenuitvoerlegging van de overeenkomst krachtens artikel 42 van het EGKS-Verdrag uitsluitend aan het Hof van Justitie worden voorgelegd.
9 Nadat CPL door haar werknemers was overgenomen, wilde zij de lening onmiddellijk terugbetalen. In een brief van 23 januari 1995 kwam de Commissie aan deze wens tegemoet op voorwaarde dat CPL het volgende voorstel aanvaardde:
Aangezien de peildatum bij vervroegde terugbetaling niet zal worden bereikt, stellen wij voor, dat de rentesubsidie tot aan het tijdstip van de vervroegde terugbetaling naar evenredigheid wordt berekend. Dit kan ertoe leiden, dat een gedeelte van de subsidie aan de EGKS moet worden terugbetaald of dat een saldo ten gunste van CPL wordt uitbetaald.
Wij verzoeken CPL derhalve ons uitvoerig in te lichten over het steenkoolverbruik in de drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de datum van overname van de onderneming door de werknemers. Wij stellen voor, dat deze inlichtingen ons binnen 60 dagen worden verstrekt en voldoen aan de in de overeenkomst voorgeschreven vorm, alsof het rapport bij de beoordeling werd overgelegd."
10 Bij brief van 30 januari 1995 gaf CPL toe, dat een correctie van de reeds uitbetaalde subsidie noodzakelijk kan blijken te zijn en dat deze correctie wordt gebaseerd op een controleperiode die eindigt op de dag van terugbetaling van de lening".
Argumenten van partijen
11 De Commissie voert ter rechtvaardiging van de terugbetaling van het bedrag van 252 558 ECU door CPL aan, dat dit bedrag het verschil vormt tussen de 750 168 ECU die zij reeds aan CPL als rentesubsidie had betaald, en de 497 610 ECU waarop CPL volgens haar berekeningen aanspraak kon maken. Het beoogde verbruik van EGKS-kolen voor de periode van 20 maanden van 28 mei 1993 tot 29 januari 1995 moet namelijk naar evenredigheid van deze duur worden verminderd en derhalve tot 583 333 ton worden teruggebracht, dat wil zeggen 5/6 (of 20/24) van het geschatte verbruik van EGKS-kolen (700 000 ton) voor de twee aan de peildatum 28 mei 1995 voorafgaande verbruiksjaren. Daar CPL in deze periode van 20 maanden slechts 464 332 ton EGKS-kolen had verbruikt, dus 79,6 % van het gecorrigeerde beoogde verbruik, kon zij slechts aanspraak maken op 79,6 % van een derde (20/60) van het bedrag van 1 875 420 ECU, het totale bedrag van de in de overeenkomst voor de gehele looptijd daarvan overeengekomen subsidie. Rekening houdend met de betaling van 750 168 ECU die de Commissie voor de sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst tot 29 januari 1995 verstreken periode van 32 maanden reeds heeft verricht, kan zij terugbetaling vorderen van een bedrag van 252 558 ECU, vermeerderd met interessen.
12 CPL voert twee hoofdargumenten aan. In de eerste plaats is door de briefwisseling van 23 en 30 januari 1995 een nieuwe, afzonderlijke, overeenkomst tot stand gekomen, die tot de stilzwijgende ontbinding van de oude overeenkomst heeft geleid. Daar deze nieuwe overeenkomst geen clausule bevat waarbij het Hof van Justitie als bevoegde rechter wordt aangewezen, is het onderhavige beroep niet-ontvankelijk.
13 In de tweede plaats, ten gronde, stelt CPL, dat zij voor de betrokken periode recht heeft op een subsidie van 796 178 ECU. Daar zij slechts 750 168 ECU heeft ontvangen, heeft zij haars inziens recht op betaling van het verschil tussen deze twee bedragen, namelijk 46 010 ECU.
14 CPL stelt, dat de Commissie de beoordelingsperiode heeft gewijzigd door de begindatum daarvan naar 28 mei 1992 te verschuiven. Zij verwijst hiervoor naar de brief van de Commissie van 23 januari 1995 en baseert zich op het standpunt van deze laatste, dat de periode voor de controle van het steenkoolverbruik waarover het recht op subsidie wordt berekend, eindigt met de terugbetaling van de lening, alsmede dat de verwijzing door de Commissie naar de evenredige berekening van de daadwerkelijk verschuldigde subsidie en haar verzoek om inlichtingen aan CPL, betrekking hebben op de verbruikscijfers van de drie aan de overname van deze onderneming voorafgaande jaren. Volgens CPL moet echter enkel het verbruik na 28 mei 1993 bij de berekening van de subsidie in aanmerking worden genomen. CPL erkent aldus, dat tijdens de verbruiksperiode van 20 maanden haar daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen slechts 79,6 % van het gecorrigeerde geschatte verbruik bedroeg. Zij betoogt niettemin, dat deze cijfers moeten worden gebruikt voor de berekening van het gedeelte van de subsidie waarop zij voor de sinds de uitbetaling van de lening en de betaling van de eerste schijf van de subsidie verstreken periode van 32 maanden aanspraak kan maken, en komt aldus op een bedrag van 796 178 ECU.
15 Ter terechtzitting heeft CPL een andere uitlegging van de overeenkomst voorgesteld. Haar nieuwe berekening resulteert in een vordering van de Commissie op CPL ten bedrage van 3 751 ECU. De Commissie heeft zich in dit verband echter beroepen op artikel 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering en gesteld, dat deze uitlegging een nieuw middel vormt.
De bevoegdheid van het Hof
16 CPL is van mening, dat de overeenkomst door haar briefwisseling met de Commissie is beëindigd en vervangen door een nieuwe overeenkomst, die geen enkele clausule bevat waarbij het Hof als bevoegde rechter wordt aangewezen.
17 Er zij op gewezen, dat de verwijzing naar de overeenkomst noodzakelijk is om zowel de inhoud als de draagwijdte van de briefwisseling begrijpelijk te maken, en dat die brieven geen beding bevatten dat totaal onverenigbaar is met de bepalingen van die overeenkomst, die toepassing kunnen vinden ondanks het feit dat de Commissie met vervroegde terugbetaling van de lening door CPL heeft ingestemd.
18 Bijgevolg moet onder aanwending van de criteria van het toepasselijke recht, te weten Engels recht, worden geconcludeerd, dat de briefwisseling niet tot ontbinding van de overeenkomst heeft geleid en dat artikel 19 van die overeenkomst derhalve nog steeds op het onderhavige geding van toepassing is.
Ten gronde
19 Het in punt 11 van dit arrest uiteengezette betoog van de Commissie onderstelt, dat er een correlatie bestaat tussen de uitbetaling van de rentesubsidie tijdens de looptijd van de lening, dus van 1992 tot en met 1997, en de verwezenlijking van de doelstellingen van geschat verbruik van EGKS-kolen in de vijf verbruiksjaren, namelijk van mei 1993 tot en met mei 1998, zodat elke vóór het einde van de overeenkomst toegekende rentesubsidie als een voorschot tot aan de eindafrekening moet worden aangemerkt. Een dergelijke premisse volgt evenwel geenszins uit de bewoordingen van de overeenkomst.
20 De overeenkomst legt immers geen automatisch verband tussen de betalingen voor een subsidiejaar en het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen in het daaropvolgende jaar en koppelt evenmin het totale bedrag van de verschuldigde subsidie aan het totale verbruik in de betrokken vijf jaren.
21 Uit artikel 11, punt 2, sub a, van de overeenkomst volgt veeleer, dat het gedeelte van de subsidie dat tot aan de peildatum, dat wil zeggen gedurende de eerste drie jaren van de looptijd van de overeenkomst, wordt betaald, definitief is toegekend nadat het eventueel wegens een lager daadwerkelijk verbruik van EGKS-kolen ten opzichte van het geschatte verbruik in de aan de peildatum voorafgaande eerste twee verbruiksjaren naar beneden is bijgesteld. Het recht op dit gedeelte van de subsidie wordt naderhand door het verbruik na dit tijdstip niet beïnvloed.
22 Bovendien zij opgemerkt, dat de overeenkomst niets bepaalt met betrekking tot de terugbetaling van de subsidie die in het jaar voorafgaand aan het laatste verbruiksjaar is betaald, ingeval van onvoldoende daadwerkelijk verbruik van EGKS-kolen in dat jaar, waarvoor de overeenkomst geen overlegging van een rapport voorschrijft, hoewel dit de absolute voorwaarde voor een eindafrekening in de door de Commissie voorgestane zin is. Indien de door de Commissie voorgestelde berekeningsmethode werd aanvaard, zou deze haar de bevoegdheid verlenen om het verbruik van het laatste jaar van de looptijd van de overeenkomst te controleren, hoewel die mogelijkheid op generlei wijze uit de bepalingen van de overeenkomst blijkt.
23 Hieruit volgt, dat de verwijzing in de briefwisseling naar een evenredige berekening van de subsidie tot het tijdstip van vervroegde terugbetaling van de lening, niet aldus mag worden opgevat, dat zij een rechtstreeks verband legt tussen de periode van vijf jaar waarover de subsidie verschuldigd is, en de een jaar later ingaande periode van vijf jaar waarvoor de overeenkomst het beoogde verbruik van EGKS-kolen vaststelt. De uitlegging van de overeenkomst waarop de Commissie zich beroept tot staving van haar vordering tot terugbetaling van het bedrag van 252 558 ECU, vermeerderd met interessen vanaf 1 november 1995, moet derhalve worden verworpen.
24 Ter rechtvaardiging van haar eis in reconventie strekkende tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een bedrag van 46 010 ECU, vermeerderd met interessen, baseert CPL zich op berekeningen die volgens dezelfde premissen als die van de Commissie zijn uitgevoerd en die eveneens uitgaan van een rechtstreeks verband tussen de voor de betaling van de rentesubsidie in aanmerking genomen periode en die welke betrekking heeft op het daadwerkelijke verbruik van EGKS-kolen. Dat betoog kan niet slagen om dezelfde redenen als die welke in de punten 19 tot en met 23 van dit arrest zijn uiteengezet, zodat deze vordering van CPL moet worden afgewezen.
25 Met betrekking tot de door CPL ter terechtzitting aangevoerde argumenten zij vastgesteld, dat het hier een nieuw middel betreft. Daar de Commissie zich in dit verband op artikel 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering heeft beroepen, moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
26 Bijgevolg dienen zowel de vordering van de Commissie als de eis in reconventie van CPL te worden afgewezen.
Kosten
27 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 3, eerste alinea, van dat Reglement kan het Hof de kosten evenwel over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de Commissie en CPL in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij ieder in hun eigen kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de vordering van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de eis in reconventie van Coal Products Ltd af.
2) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen en Coal Products Ltd ieder in hun eigen kosten.