61997J0179

Arrest van het Hof van 2 maart 1999. - Koninkrijk Spanje tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Visserij - Instandhouding van de rijkdommen van de zee - Inspectie van visserijvaartuigen - Door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan vastgestelde regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie. - Zaak C-179/97.

Jurisprudentie 1999 bladzijde I-01251


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Handelingen van de instellingen - Verordeningen - Toepassingsverordening - Afwijking van basisverordening - Ontoelaatbaarheid

2 Visserij - Instandhouding van rijkdommen van de zee - Inspectie van visserijvaartuigen - Regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie, vastgesteld door Visserijorganisatie voor Noordwestelijk Deel van Atlantische Oceaan - Verordening nr. 494/97 tot wijziging van verordening nr. 2828/88 - Schending van voor Gemeenschap verbindende internationale overeenkomst en van basisverordening - Geen

(Verordeningen nrs. 1956/88 en 3067/95 van de Raad; verordeningen nrs. 2868/88 en 494/97 van de Commissie; besluit 95/586 van de Raad)

Samenvatting


1 Een krachtens een machtiging in de basisverordening vastgestelde toepassingsverordening mag niet afwijken van de bepalingen van de basisverordening waarvan zij is afgeleid.

2 Verordening nr. 494/97, die in verordening nr. 2868/88 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van de door de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) vastgestelde regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie, een artikel 4 bis, lid 6, invoegt, volgens hetwelk in geval van een grondige inspectie van een vaartuig bij aankomst in de aangewezen haven krachtens punt 10, sub ii, van de bijlage bij basisverordening nr. 1956/88 daarbij eventueel een NAFO-inspecteur aanwezig kan zijn van elke verdragsluitende partij die daaraan wenst deel te nemen, zonder dat daartoe toestemming van de vlaggenstaat behoeft te worden verkregen, is niet in strijd met de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada over de visserij in het kader van het NAFO-verdrag, goedgekeurd bij besluit 95/586, noch met voormelde verordening nr. 1956/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3067/95 tot uitvoering van deze overeenkomst.

Ofschoon namelijk in punt 10, sub ii, van de bijlage bij verordening nr. 1956/88, dat juist het geval betreft van een grondige inspectie, in een aangewezen haven, van een vaartuig dat wordt vermoed de NAFO-regels te hebben overtreden, in een dergelijk geval eveneens in de aanwezigheid van een inspecteur wordt voorzien van elke andere verdragsluitende partij die daaraan wenst deel te nemen, zonder dat voor deze aanwezigheid toestemming van de vlaggenstaat behoeft te worden verkregen, hebben punt 10, sub iv, van deze bijlage, en punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van voormelde overeenkomst, volgens welke deze staat daarentegen moet toestemmen, slechts betrekking op de specifieke situatie waarin een andere verdragsluitende partij een inspecteur aan boord wil laten gaan van een vaartuig dat bevel heeft gekregen een aangewezen haven aan te doen voor een grondige inspectie. Deze laatste bepalingen verwijzen enkel naar de inspectie van het vaartuig in de haven om te beklemtonen, dat de inspecteur van een andere verdragsluitende partij dan die van de vlaggenstaat, eenmaal aan boord, het recht heeft tot het einde van de inspectie in de haven op het vaartuig te blijven.

Partijen


In zaak C-179/97,

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, juridisch adviseur, en B. Vilá Costa, in het kader van de regeling van uitwisseling met nationale ambtenaren bij de juridische dienst van de Commissie gedetacheerd ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg.

verweerster,

betreffende een verzoek om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 494/97 van de Commissie van 18 maart 1997 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 2868/88 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van de door de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan vastgestelde regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie (PB L 77, blz. 5) voor zover daarbij in verordening (EEG) nr. 2868/88 van de Commissie van 16 september 1988 (PB L 257, blz. 20) een artikel 4 bis, lid 6, wordt ingevoegd,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet en P. Jann (rapporteur), kamerpresidenten, C. Gulmann, J. L. Murray, D. A. O. Edward, H. Ragnemalm, L. Sevón, M. Wathelet en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: S. Alber

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 10 juni 1998,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juli 1998,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 mei 1997, heeft het Koninkrijk Spanje verzocht om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 494/97 van de Commissie van 18 maart 1997 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 2868/88 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van de door de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan vastgestelde regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie (PB L 77, blz. 5; hierna: "gewijzigde verordening nr. 2868/88"), voor zover daarbij in verordening (EEG) nr. 2868/88 van de Commissie van 16 september 1988 (PB L 257, blz. 20) een artikel 4 bis, lid 6, wordt ingevoegd.

2 Deze verordening is vastgesteld in het kader van de betrekkingen van de Europese Gemeenschap met de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan (hierna: "NAFO"), zoals deze tot stand zijn gekomen bij de Overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan, (hierna: "NAFO-overeenkomst"), die is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad van 28 december 1978 (PB L 378, blz. 1). Een van de doelstellingen van de NAFO-overeenkomst is de instandhouding en het optimale gebruik van de visbestanden in de door deze overeenkomst gereglementeerde zone. Daartoe is een regeling ingesteld van wederzijdse inspectie bij overtreding, die voorziet in wederzijdse rechten van controle en inspectie van de vaartuigen door de verdragsluitende partijen, alsmede in voorkomend geval in rechten van vervolging en bestraffing.

3 In deze context is door de visserijcommissie van de NAFO op 10 februari 1988 een internationale gezamenlijke inspectieregeling vastgesteld. Deze regeling is in de Gemeenschap van toepassing verklaard bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1956/88 van de Raad van 9 juni 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de toepassing van de door de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) vastgestelde regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie (PB L 175, blz. 1); de regeling staat in de bijlage van deze verordening.

4 Ingevolge artikel 4 van verordening nr. 1956/88, volgens hetwelk zo nodig volgens een bijzondere procedure nadere bepalingen voor de uitvoering van de verordening moesten worden vastgesteld, heeft de Commissie verordening nr. 2868/88 vastgesteld.

5 Op 20 april 1995 is een overeenkomst in de vorm van goedgekeurde notulen en de bijlagen daarbij, een briefwisseling en een notawisseling tussen de Europese Gemeenschap en Canada over de visserij in het kader van het NAFO-Verdrag (hierna: "overeenkomst") ondertekend. Deze overeenkomst is goedgekeurd bij besluit 95/586/EG van de Raad van 22 december 1995 (PB L 327, blz. 35). Punt II.9, sub e, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst bepaalt onder het opschrift "Voorstel voor verbetering van de visserijcontroles en de rechtshandhaving":

"(...)

i) Wanneer een NAFO-inspecteur een vaartuig rapporteert wegens een vermoedelijke ernstige overtreding, dient de verdragsluitende partij van dat vaartuig ervoor te zorgen dat het betrokken vaartuig binnen 48 uur wordt geïnspecteerd door een bevoegd inspecteur van die verdragsluitende partij. De NAFO-inspecteur neemt alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid en de continuïteit van het bewijs te waarborgen, waaronder, zo nodig, het verzegelen van het visruim, en mag aan boord van het vaartuig blijven totdat de bevoegde inspecteur aankomt.

ii) Indien nodig, kan de daartoe gemachtigde inspecteur van de verdragsluitende partij van het betrokken vaartuig eisen dat onmiddellijk koers wordt gezet naar een dichtbij gelegen, door de kapitein gekozen haven, in casu St. Pierre, St. John's, de Azoren of de thuishaven van het vaartuig, voor een grondige inspectie onder het gezag van de vlaggenstaat en in aanwezigheid van een NAFO-inspecteur van elke andere verdragsluitende partij die wenst deel te nemen. (...)

(...)

iv) Wanneer een vaartuig is verzocht koers te zetten naar een haven voor een grondige inspectie als bedoeld in alinea ii hierboven, mag een NAFO-inspecteur van een andere verdragsluitende partij - mits de verdragsluitende partij van het vaartuig hiervoor toestemming geeft - aan boord van het vaartuig gaan en er blijven terwijl het onderweg is naar de haven en aanwezig zijn bij de inspectie in de haven.

(...)"

6 Op 21 december 1995 stelde de Raad verordening (EG) nr. 3067/95 tot wijziging van verordening nr. 1956/88 (PB L 329, blz. 1; hierna: "verordening van de Raad") vast. Deze verordening strekt tot uitvoering van een aantal bepalingen van de overeenkomst en voegt in de bijlage bij verordening nr. 1956/88 een nieuw punt 10 in, waarin in nagenoeg identieke bewoordingen als in punt II.9, sub e, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst wordt bepaald:

"(...)

i) indien een NAFO-inspecteur een vaartuig rapporteert omdat het, in ernstige mate, een van de hierboven onder punt 9 genoemde vermoedelijke overtredingen heeft begaan, draagt de verdragsluitende partij voor het vaartuig er zorg voor dat het betrokken vaartuig binnen 72 uur wordt geïnspecteerd door een naar behoren, door die verdragsluitende partij gemachtigde inspecteur. Teneinde het bewijsmateriaal te beveiligen neemt de NAFO-inspecteur de nodige maatregelen om de veiligstelling en het behoud van het bewijsmateriaal te garanderen. Hij kan zolang aan boord van het vaartuig blijven als nodig is om aan de naar behoren gemachtigde inspecteur inlichtingen te verschaffen omtrent de vermoedelijke overtreding;

ii) wanneer zulks gerechtvaardigd is verzoekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de vlag, of de door genoemde autoriteit voor het betrokken vaartuig gemachtigde inspecteur, indien hiertoe naar behoren gemachtigd, dat het vaartuig onmiddellijk koers zet naar een nabijgelegen, door de kapitein uit de volgende havens gekozen haven: St. John's, Halifax, de thuishaven van het vaartuig of een door de lidstaat van de vlag aangewezen haven, zulks met het oog op een grondige inspectie onder het gezag van de lidstaat van de vlag en in aanwezigheid van een NAFO-inspecteur van een andere verdragsluitende partij die aan de inspectie wenst deel te nemen. (...)

(...)

iv) indien een vaartuig met het oog op een grondige inspectie krachtens punt 10, onder ii, een haven moet aandoen kan een NAFO-inspecteur van een andere verdragsluitende partij, met toestemming van de verdragsluitende partij voor het vaartuig, aan boord gaan van het naar de haven koersende vaartuig en aanwezig zijn bij de inspectie van het vaartuig in de haven;

(...)"

7 Verordening nr. 494/97 heeft met name de artikelen 4 bis en 4 ter in verordening nr. 2868/88 ingevoegd. Artikel 4 bis luidt:

"1. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat overeenkomstig punt 10, onder iii, van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1956/88 van een NAFO-inspecteur de mededeling krijgen dat een vissersvaartuig dat de vlag van die lidstaat voert vermoedelijk een ernstige overtreding als bedoeld in punt 9 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1956/88 heeft begaan of wanneer de Commissie een dergelijke mededeling ontvangt, brengen deze bevoegde autoriteiten en de Commissie elkaar hiervan onverwijld op de hoogte.

(...)

5. Na ontvangst van het resultaat van het onderzoek en indien de vermoedelijke overtreding, volgens de lijst van ernstige overtredingen die is opgenomen in punt 9 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1956/88, als ernstig moet worden aangemerkt, geeft, wanneer de situatie zulks wettigt, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert zelf binnen 24 uur aan dat vaartuig bevel koers te zetten naar een overeenkomstig punt 10, onder ii, van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1956/88 aangewezen haven of machtigt zij de naar behoren gemachtigde inspecteur dat te bevelen.

(...)

Als een vaartuig bevel krijgt een haven aan te doen, neemt de naar behoren gemachtigde inspecteur de nodige maatregelen om de bewijsgegevens te beveiligen, waaronder zo nodig het verzegelen van de luiken met het oog op inspectie aan de wal.

6. Bij aankomst in de aangewezen haven wordt het verdachte vaartuig onderworpen aan een grondige inspectie onder het gezag van de lidstaat waarvan het de vlag voert, eventueel in aanwezigheid van een NAFO-inspecteur van elke andere verdragsluitende partij die aan deze inspectie wenst deel te nemen. De betrokken lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de resultaten van de grondige inspectie - waarbij hij gebruikmaakt van het in bijlage I opgenomen formulier - alsmede van de maatregelen die hij heeft genomen in verband met de overtreding.

(...)"

Artikel 4 ter van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 luidt:

"1. Wanneer de communautaire inspecteurs vermoeden dat een vissersvaartuig dat de vlag van een verdragsluitende partij voert, een van de in punt 9 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1956/88 vermelde ernstige overtredingen heeft begaan, melden zij dit binnen 24 uur aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken vlaggenstaat en aan het uitvoerend secretariaat van de NAFO, onder opgave van alle gegevens waarop zij dit vermoeden baseren. (...)

2. De Commissie beslist met instemming van de verdragsluitende partij waarvan het vaartuig de vlag voert, of een communautaire inspecteur aan boord zal blijven van het vaartuig dat het bevel heeft gekregen een aangewezen haven aan te doen. De Commissie beslist eveneens of een communautaire inspecteur aanwezig zal zijn bij de grondige inspectie van het verdachte vaartuig in de haven."

8 Het Koninkrijk Spanje stelt dat artikel 4 bis, lid 6, eerste zin, van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 onwettig is. Dit artikel luidt: "Bij aankomst in de aangewezen haven wordt het verdachte vaartuig onderworpen aan een grondige inspectie onder het gezag van de lidstaat waarvan het de vlag voert, eventueel in aanwezigheid van een NAFO-inspecteur van elke andere verdragsluitende partij die aan deze inspectie wenst deel te nemen." Uit de tekst zelf van deze bepaling volgt namelijk, dat een NAFO-inspecteur, ongeacht de verdragsluitende partij die hem heeft aangewezen, aan de grondige inspectie in de haven die het vaartuig heeft moeten aandoen, zou kunnen deelnemen, zonder dat de autoriteiten van de lidstaat waarvan het vaartuig de vlag voert, om toestemming behoeft te worden verzocht, terwijl punt 10, sub iv, van de bijlage bij de verordening van de Raad, alsmede punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst voorschrijven dat in een dergelijke situatie "instemming van de verdragsluitende partij van het vaartuig" vereist is.

9 Volgens het Koninkrijk Spanje heeft deze strijd tussen de verordening van de Raad en de gewijzigde verordening nr. 2868/88, dat wil zeggen tussen de basisverordening en de toepassingsverordening, tot gevolg dat deze laatste verordening nietig is. Het concludeert derhalve tot nietigverklaring van verordening nr. 494/97, voor zover daarbij in verordening nr. 2868/88 artikel 4 bis, lid 6, wordt ingevoegd.

10 Volgens de Spaanse regering is de strijdigheid van de bewoordingen van de gewraakte bepaling met die van punt 10, sub iv, van de bijlage bij de verordening van de Raad evident. Een krachtens een machtiging in de basisverordening vastgestelde toepassingsverordening kan evenwel niet van de bepalingen van de basisverordening afwijken.

11 Ook is de gewraakte bepaling volgens haar in strijd met punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst. Aangezien de door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten volgens artikel 228, lid 7, EG-Verdrag verbindend zijn voor de instellingen van de Gemeenschap, volgt daaruit, dat de Commissie niet eenzijdig van bepalingen in een dergelijke overeenkomst kan afwijken. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat, omdat door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, deze bepalingen in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd (arrest van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C-61/94, Jurispr. blz. I-3989). Evenzo is elk internationaal verdrag krachtens het beginsel pacta sunt servanda, dat is neergelegd in artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, verbindend voor de partijen en moet het door hen te goeder trouw worden uitgevoerd.

12 De Commissie bestrijdt deze beweringen en concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van het Koninkrijk Spanje in de kosten.

13 In haar verweerschrift betoogt zij hoofdzakelijk, dat het beroep van de Spaanse regering berust op een onjuiste lezing van de bepalingen. De gewraakte bepaling van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 geeft namelijk exact punt 10, sub ii, van de bijlage bij de verordening van de Raad, alsmede punt II.9, sub e-ii, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst weer.

14 In punt 10, sub iv, van de bijlage bij de verordening van de Raad en punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst wordt slechts een voorwaarde inzake de instemming van de verdragsluitende partij van het vaartuig dat bevel heeft gekregen een haven aan te doen gesteld, aangezien zij de vaststelling van een eventuele overtreding in de internationale wateren betreffen. Omdat in een dergelijk geval de prerogatieven van de vlaggenstaat moeten worden beschermd, is de toestemming van deze laatste noodzakelijk. Daarentegen regelt de gewraakte bepaling van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 enkel de inspectie in een haven, een situatie waarin geen probleem inzake de grenzen van de jurisdictie van de vlaggenstaat kan rijzen, daar de autoriteiten van deze staat zelf toezicht uitoefenen op het verloop van de inspectie en de eerbiediging van diens prerogatieven dus door andere procedures kunnen verzekeren. Bijgevolg is dan geen toestemming van de vlaggenstaat noodzakelijk.

15 De in het beroep van het Koninkrijk Spanje aangevoerde voorwaarde betreffende de toestemming van de vlaggenstaat is overigens vastgesteld in artikel 4 ter, lid 2, van de gewijzigde verordening nr. 2868/88.

16 De Commissie betoogt ook nog, dat in geen geval sprake kan zijn van schending van de overeenkomst, aangezien deze sedert september 1995 niet meer van toepassing is. Zij herinnert eraan, dat de overeenkomst volgens de slotbepaling van de goedgekeurde notulen van de overeenkomst "van toepassing [blijft] totdat de hierin beschreven maatregelen door de NAFO zijn aangenomen, maar uiterlijk tot en met 31 december 1995". De betrokken maatregelen zijn in september 1995 vastgesteld en door NAFO in een aanbeveling neergelegd. Bijgevolg gold de overeenkomst op deze datum niet meer en kan zij derhalve niet als rechtsgrondslag dienen voor het beroep van het Koninkrijk Spanje.

17 De Spaanse regering antwoordt in repliek, dat ten onrechte naar artikel 4 ter van de gewraakte verordening wordt verwezen, aangezien deze bepaling, zoals blijkt uit de tekst van lid 1 daarvan, de vaartuigen betreft die de vlag van een niet-communautaire verdragsluitende partij voeren, en niet de communautaire vaartuigen.

18 Wat de toepasselijkheid van de overeenkomst betreft, erkent de Spaanse regering, dat de multilaterale bepalingen inderdaad tijdens de zeventiende jaarlijkse vergadering van NAFO in september 1995 zijn vastgesteld, doch zij beklemtoont dat zij identiek zijn aan de bepalingen van deze overeenkomst. De gewraakte bepaling van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 is hoe dan ook in strijd met de uit de visserijovereenkomst in de NAFO-zone voortvloeiende internationale verplichtingen.

Het middel tot nietigverklaring, ontleend aan strijdigheid van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 met de verordening van de Raad

19 Om te beginnen zij vastgesteld, dat de Commissie krachtens artikel 4 van verordening nr. 1956/88 nadere bepalingen voor de uitvoering van deze verordening mocht vaststellen.

20 Volgens vaste rechtspraak van het Hof mag een krachtens een machtiging in de basisverordening vastgestelde toepassingsverordening evenwel niet afwijken van de bepalingen van de eerste basisverordening waarvan zij is afgeleid (arrest van 10 maart 1971, Tradax, 38/70, Jurispr. blz. 145, punt 10).

21 Bijgevolg dient te worden nagegaan of de gewraakte bepaling van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 - de toepassingsverordening - verenigbaar is met de verordening van de Raad - de basisverordening.

22 In de eerste plaats moet het argument van de Commissie worden weerlegd, dat artikel 4 ter, lid 2, van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 een voorwaarde betreffende de toestemming van de verdragsluitende partij van het vaartuig zou hebben ingevoerd, waarmee dus zou zijn tegemoetgekomen aan de Spaanse regering.

23 Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat deze bepaling, zoals blijkt uit de tekst van lid 1 van dit artikel, betrekking heeft op de vaartuigen die de vlag van andere staten dan de lidstaten van de Gemeenschap voeren. Deze bepaling is dus niet van invloed op de beslechting van dit geschil en kan dus niet als grondslag voor het betoog van de Commissie dienen.

24 Vervolgens moet het argument van de Commissie worden onderzocht, dat artikel 4 bis, lid 6, van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 in overeenstemming is met punt 10, sub ii, van de bijlage bij de verordening van de Raad en dus niet in strijd met de haar toegekende bevoegdheden is vastgesteld, ook al bevat dit artikel geen enkele specifieke bepaling betreffende de in punt 10, sub iv, van de bijlage bij deze laatste verordening bedoelde situatie.

25 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie terecht betoogt dat de inhoud van artikel 4 bis, lid 6, van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 in nagenoeg identieke bewoordingen als die van punt 10, sub ii, van de bijlage bij de verordening van de Raad is gesteld. Deze laatste bepaling betreft namelijk het geval van de grondige inspectie, in de aangewezen haven, van een vaartuig dat wordt vermoed de NAFO-regels te overtreden, en voorziet in een dergelijk geval in de aanwezigheid van een inspecteur "van elke andere verdragsluitende partij die wenst deel te nemen", zonder dat voor deze aanwezigheid toestemming van de vlaggenstaat behoeft te worden verkregen. De specifiek bij dit artikel 4 bis, lid 6, geregelde situatie is de situatie van de grondige inspectie in een haven en de bewoordingen waarin deze situatie is geregeld zijn vergelijkbaar met die van punt 10, sub ii, van de bijlage bij de verordening van de Raad.

26 Punt 10, sub iv, van de bijlage bij de verordening van de Raad is een bepaling die de specifieke situatie betreft waarin een andere verdragsluitende partij een inspecteur aan boord wil laten gaan van een vaartuig dat overeenkomstig punt 10, sub ii, bevel heeft gekregen een aangewezen haven aan te doen voor een grondige inspectie.

27 De tekst van punt 10, sub iv, is weliswaar niet volledig eenduidig, aangezien uit deze bepaling niet duidelijk blijkt dat de instemming die van de staat van het vaartuig wordt vereist, geldt voor elk van de drie daarin bedoelde situaties, namelijk het aan boord gaan, de aanwezigheid gedurende het traject en de grondige inspectie in de haven. De enige uitlegging van deze bepaling waardoor zij coherent is met punt 10, sub ii, van de bijlage bij de verordening van de Raad, is evenwel de uitlegging volgens welke in punt 10, sub iv, enkel naar de inspectie van het vaartuig in de haven wordt verwezen om te beklemtonen, dat de inspecteur van een andere verdragsluitende partij dan die van de vlaggenstaat, eenmaal aan boord, het recht heeft tot het einde van de inspectie in de haven op het vaartuig te blijven.

28 Aangezien de gewijzigde verordening nr. 2868/88 enkel aan de bepalingen van de bijlage bij de verordening van de Raad behoeft te worden getoetst, die dezelfde situatie regelen, dat wil zeggen punt 10, sub ii, blijkt uit een en ander, dat geen strijd met deze verordening is vastgesteld.

Het middel tot nietigverklaring, ontleend aan strijdigheid van de gewijzigde verordening nr. 2868/88 met punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van de overeenkomst

29 Volgens het Koninkrijk Spanje is de gewijzigde verordening nr. 2868/88 in strijd met de overeenkomst en met name met de bepalingen van punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van deze overeenkomst. Een NAFO-inspecteur van een andere verdragsluitende partij dan die van het vaartuig kan volgens de Spaanse regering slechts aan de inspectie in de haven deelnemen, indien de toestemming van de vlaggenstaat is verkregen. Indien deze toestemming niet wordt verleend, zou deze inspecteur niet kunnen deelnemen aan de verrichtingen van grondige inspectie die plaatsvinden in de aangewezen haven.

30 Dienaangaande volstaat de opmerking, dat de bepalingen van punt II.9, sub e-iv, van bijlage I bij de goedgekeurde notulen van deze overeenkomst in nagenoeg identieke bewoordingen als die van punt 10, sub iv, van de bijlage bij de verordening van de Raad zijn gesteld. In deze omstandigheden kan het tweede middel slechts worden afgewezen, en wel om dezelfde redenen waarom het eerste door de Spaanse regering aangevoerde middel is afgewezen, en zonder dat behoeft te worden onderzocht, of deze overeenkomst wel van toepassing is.

31 Uit een en ander volgt, dat het beroep moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

32 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst het Koninkrijk Spanje in de kosten.