1 Hogere voorziening - Voordragen van nieuwe middelen in loop van geding - Middel dat voor het eerst in repliek is aangevoerd en onlosmakelijk verband houdt met door Gerecht afgewezen middel- Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2, en 118)
2 Procedure - Voordragen van nieuwe middelen in loop van geding - Beroep tot schadevergoeding - Betoog dat grond van aansprakelijkheid van Gemeenschap wijzigt - Verval van recht
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2)
3 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Eerbiediging in kader van regelgevingsprocedures - Grenzen
4 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Grondrechten - Vaststelling door Hof van geldigheid van normatieve handeling - Betwisting van geldigheid bij toepassing van handeling - Ontoelaatbaarheid
5 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Grenzen - Wijziging van regeling houdende gemeenschappelijke ordening der markten - Beoordelingsvrijheid van instellingen - Omvang van door marktdeelnemer gestelde schade - Geen invloed op ontstaan van gewettigd vertrouwen bij marktdeelnemer
(Verordening nr. 404/93 van de Raad)
6 Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Onrechtmatigheid - Schade - Causaal verband - Ontbreken van een van die voorwaarden - Volledige verwerping van beroep tot schadevergoeding
[(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea, EG)]
7 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Bananen - Verordening nr. 404/93 - Begrip marktdeelnemer - Voldoende nauwkeurige definitie - Delegatie van uitvoeringsbevoegdheid aan Commissie - Geldigheid
[EG-Verdrag, art. 145 (thans art. 202 EG); verordening nr. 404/93 van de Raad]
1 Een middel dat voor het eerst in repliek wordt aangevoerd en dat is gebaseerd op een gegeven dat rechtstreeks en noodzakelijk verband houdt met een middel dat de rekwirant voor het Gerecht heeft opgeworpen, doch niet in de hogere voorziening heeft aangevoerd, is niet-ontvankelijk in het kader van de hogere voorziening. Indien een dergelijk middel ontvankelijk wordt verklaard, zou dat er in feite op neerkomen, dat de rekwirant de mogelijkheid wordt geboden in repliek voor het eerst op te komen tegen de afwijzing door het Gerecht van een door hem voor het Gerecht aangevoerd middel, terwijl niets hem belette dat middel in het verzoekschrift voor het Hof te formuleren.
2 Een betoog dat de grond zelf van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap wijzigt en volgens hetwelk deze laatste aansprakelijk zou zijn voor een rechtmatige wetgevende handeling, moet in het kader van een op de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor een onrechtmatige handeling gebaseerd beroep tot schadevergoeding worden aangemerkt als een nieuw middel dat in de loop van het geding niet mag worden voorgedragen. Dat dit middel eveneens op artikel 215 van het Verdrag (thans artikel 288 EG) is gebaseerd, neemt niet weg dat het om een nieuw middel gaat.
3 In het kader van een op een artikel van het Verdrag gebaseerde procedure tot vaststelling van een gemeenschapshandeling is de gemeenschapswetgever enkel gehouden de raadplegingen te verrichten die door het betrokken artikel zijn voorgeschreven. Dienaangaande kan uit artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) geen recht worden afgeleid om vóór de vaststelling van een normatieve handeling te worden gehoord, noch om te worden gehoord in het kader van een communautaire regelgevingsprocedure voor de vaststelling van normatieve maatregelen die een economische beleidskeuze impliceren en van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers. Volgens de rechtspraak dienen verzoekers slechts te worden gehoord in het kader van bepaalde handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken.
4 Weliswaar moeten niet alleen de gemeenschapswetgever, maar ook de instanties die met de uitvoering van diens normatieve handelingen zijn belast, de grondrechten eerbiedigen; wanneer het Hof evenwel vaststelt dat een normatieve handeling geldig is ten aanzien van de grondrechten, betekent dat, dat die handeling ook individueel en concreet mag worden toegepast; de geldigheid van die handeling kan dus niet meer in twijfel worden getrokken wanneer deze op een concreet geval wordt toegepast.
5 Het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen is weliswaar één van de grondbeginselen van de Gemeenschap, doch de marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsvrijheid kunnen wijzigen, met name op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische situatie impliceren. De omvang van de schade die een marktdeelnemer stelt te hebben geleden ten gevolge van de toepassing van een op het betrokken gebied vastgestelde verordening, kan in geen geval het oordeel op losse schroeven zetten dat het gedrag van de bevoegde autoriteit bij de betrokkenen geen gewettigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat een bepaalde situatie zou blijven bestaan of dat bepaalde maatregelen zouden worden genomen.
6 Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag (thans artikel 288, tweede alinea, EG) kan slechts ontstaan, indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade. Wanneer aan één van die voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap moeten worden onderzocht.
7 Toen de Raad verordening nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen vaststelde, heeft hij het begrip "marktdeelnemer" in de zin van die verordening voldoende nauwkeurig gedefinieerd, zodat hij de bevoegdheid tot uitvoering van de door hem vastgestelde regeling rechtmatig aan de Commissie kon delegeren, hetgeen artikel 145 EG-Verdrag (thans artikel 202 EG) toestaat.