Conclusie van advocaat-generaal Léger van 16 maart 1999. - Leathertex Divisione Sintetici SpA tegen Bodetex BVBA. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hof van cassatie - België. - EG-Executieverdrag - Uitlegging van de artikelen 2 en 5, sub 1 - Agentuurovereenkomst - Vordering gebaseerd op verschillende verbintenissen die uit eenzelfde overeenkomst voortvloeien en als gelijkwaardig worden beschouwd - Bevoegdheid van het aangezochte gerecht om van de gehele vordering kennis te nemen. - 3 Zaak C-420/97.
Jurisprudentie 1999 bladzijde I-06747
1 Het Belgische Hof van Cassatie heeft het Hof verzocht om uitlegging van de artikelen 2 en 5, sub 1, Executieverdrag(1), teneinde de rechter te bepalen die territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een samengestelde vordering tot betaling van bedragen, gebaseerd op verschillende verbintenissen en voortvloeiend uit een en dezelfde overeenkomst.
2 De verwijzende rechter wenst te vernemen, of, in een dergelijk geval, de betrokken bepalingen van het Executieverdrag het mogelijk maken, die verschillende vorderingen aan een enkel gerecht voor te leggen, ofschoon zij, gebaseerd op gelijkwaardige verbintenissen uit overeenkomst, volgens de vaste rechtspraak van het Hof in twee verschillende verdragsluitende staten moeten worden uitgevoerd.
I - Het Executieverdrag
3 Artikel 2, eerste alinea, Executieverdrag poneert het beginsel, dat de bevoegdheid van de rechter wordt bepaald volgens de plaats waar de verweerder woonplaats heeft. Zo bepaalt het: "Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat."
4 Artikel 5 Executieverdrag voorziet evenwel in bevoegdheidsopties ten gunste van de eiser. Met name ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst preciseert artikel 5, sub 1: "De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat (...) worden opgeroepen (...) voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (...)"
5 Artikel 22, dat sommige gevallen van samenhang regelt, bepaalt het volgende:
"Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.
Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven."
II - De feiten en het procesverloop
6 Gedurende verschillende jaren trad de vennootschap Bodetex BVBA (hierna: "Bodetex"), met zetel in België, op de Belgische en de Nederlandse markt op als handelsagent van de vennootschap Leathertex Divisione Sintetici SpA (hierna: "Leathertex"), met zetel in Italië. Bodetex ontving voor deze handelsvertegenwoordiging een commissieloon.
7 Nadat voor 1987 verschuldigd commissieloon, ondanks klachten, onbetaald was gebleven, stelde Bodetex bij brief van 9 maart 1988 vast, dat het handelsvertegenwoordigingscontract was beëindigd, en verzocht zij om betaling van het achterstallige commissieloon en een opzeggingsvergoeding. Toen Leathertex niet antwoordde, dagvaardde Bodetex haar tot betaling voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk (hierna: "Rechtbank").
8 In haar vonnis van 1 oktober 1991 was de Rechtbank van oordeel, dat onderscheid moest worden gemaakt tussen de twee verbintenissen die aan de vordering ten grondslag liggen. Zij overwoog dat de eerste, namelijk de verbintenis om in geval van verbreking van een handelsvertegenwoordigingscontract een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen en, bij niet-nakoming van die termijn, een opzeggingsvergoeding te betalen, in België moest worden uitgevoerd, terwijl de tweede, namelijk de verbintenis het commissieloon te betalen, krachtens het beginsel van de haalbaarheid van schulden, in Italië moest worden uitgevoerd.
9 De Rechtbank stelde dus vast, dat zij ter zake van de verbintenis betreffende de opzeggingstermijn bevoegd was uit hoofde van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, en verklaarde zich vervolgens bevoegd voor het gehele geschil, gezien de samenhang tussen beide verbintenissen. Daarop veroordeelde de Rechtbank Leathertex om aan Bodetex achterstallig commissieloon en een opzeggingsvergoeding te betalen.
10 Leathertex ging van dat vonnis in hoger beroep bij het Hof van Beroep te Gent (hierna: "Hof van Beroep"). Bij arrest van 29 oktober 1993 bevestigde dat gerecht de bevoegdheid van de Rechtbank om van de door Bodetex ingestelde vorderingen kennis te nemen.
11 Het Hof van Beroep herinnerde eraan, dat aan de vordering van Bodetex twee onderscheiden, uit het betrokken contract voortvloeiende verbintenissen ten grondslag lagen. Het was van oordeel, dat de verbintenis commissieloon te betalen, niet als de hoofdverbintenis kon worden beschouwd, zodat de twee verbintenissen gelijkwaardig moesten worden geacht.
12 In die omstandigheden was het Hof van Beroep van oordeel, dat niets zich ertegen verzette dat Bodetex haar vordering instelde bij de rechter van de plaats van uitvoering van één van die twee verbintenissen. Het concludeerde, dat de Rechtbank in casu bevoegd was om van dit geschil kennis te nemen, als gerecht van de plaats waar de verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen, moest worden uitgevoerd.
13 Leathertex stelde tegen dat arrest cassatieberoep in.
III - De prejudiciële vraag
14 Het Hof van Cassatie stelde vast, dat niet werd betwist, dat de verbintenis commissieloon te betalen niet als de hoofdverbintenis kon worden beschouwd, dat de Belgische rechter bevoegd was om uitspraak te doen over de verbintenis een opzeggingsvergoeding te betalen, en dat beide verbintenissen gelijkwaardig waren.
15 Het vroeg zich af, of in een dergelijk geval een handelsagent, verzoeker in het geding, van de in artikel 2 geformuleerde algemene regel mag afwijken, en zich kan wenden tot de rechter die bevoegd is wegens de plaats van uitvoering, in de zin van artikel 5, sub 1, van een van de betrokken verbintenissen.
16 Het Hof van Cassatie heeft dus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende vraag gesteld:
"Moeten artikel 5, aanhef, 1, en artikel 2, van het Executieverdrag, in de hier toepasselijke lezing, aldus worden begrepen dat een samengestelde vordering gestoeld op verschillende verbintenissen ontstaan uit eenzelfde overeenkomst, voor eenzelfde rechtbank mag worden gebracht ook al moeten de contractuele verbintenissen waarop de vordering steunt, volgens de verwijzingsregels van de staat van de aangezochte rechter, de ene in het land van de aangezochte rechter worden uitgevoerd, de andere in een andere EG-lidstaat, in acht genomen dat de aangezochte rechter op grond van de hem overgelegde vordering oordeelt dat de twee verbintenissen die aan de vordering ten grondslag liggen, niet aan elkaar ondergeschikt zijn maar gelijkwaardig?"
IV - Het antwoord op de prejudiciële vraag
17 Met de gestelde vraag wenst het Hof van Cassatie in wezen van het Hof te vernemen, of artikel 5, sub 1, Executieverdrag aldus kan worden uitgelegd, dat hetzelfde gerecht kennis kan nemen van een vordering, bestaande uit verschillende onderdelen die op gelijkwaardige, uit eenzelfde handelsagentuurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen berusten, wanneer, gezien de respectieve plaatsen van uitvoering van die verbintenissen, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, de gerechten van verschillende verdragsluitende staten bevoegd zijn.
18 De prejudiciële vraag weerspiegelt het streven van de verwijzende rechter, zich te voegen naar de bepalingen van het Executieverdrag die het mogelijk zouden maken, de versplintering van het geschil te voorkomen, aangezien elk van de bestanddelen ervan, met miskenning van de door het Executieverdrag nagestreefde doelstellingen, aan in verschillende verdragsluitende staten gelegen gerechten dreigt te worden onderworpen.
19 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof "het Executieverdrag ten doel heeft de bevoegdheid van de gerechten der verdragsluitende staten in internationaal verband vast te stellen, de erkenning van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken, en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, een vlotte rechtsgang in te voeren". Deze doelstellingen "[brengen] de noodzaak mee (...) zo veel mogelijk te voorkomen dat met betrekking tot eenzelfde overeenkomst meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn".(2)
20 Het Hof heeft ook voor recht verklaard, dat "een veelheid van bevoegdheidsgronden ten aanzien van eenzelfde geschil niet bevorderlijk is voor de rechtszekerheid en een doeltreffende rechtsbescherming in het gehele gebied van de Gemeenschap"(3), en de justitiabelen een "gevaar van onverenigbare beslissingen"(4) doet lopen.
21 Om te beginnen zij erop gewezen, dat de in artikel 2 Executieverdrag genoemde principiële bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de verweerder - een van de twee aan de eiser in het geding geboden wegen -, het ongetwijfeld mogelijk zou maken, de door de Belgische rechter ontmoete moeilijkheden te vermijden. Zoals het Hof voor recht heeft verklaard, "[kan] de verzoeker zijn vordering overeenkomstig het duidelijke en betrouwbare criterium van artikel 2 Executieverdrag altijd (...) instellen bij [deze] rechter".(5)
22 Het gerecht van de woonplaats van de verweerder kan dus van alle onderdelen van de vordering kennisnemen, en moet zich niet bezighouden met het bepalen van hun plaats van uitvoering, zoals artikel 5, sub 1, vereist, op gevaar af van zijn bevoegdheid gedeeltelijk te moeten afwijzen, ingeval één ervan op een andere plaats is of moet worden uitgevoerd.
23 Moet echter, zoals het Hof van Cassatie lijkt te overwegen(6), genoegen worden genomen met artikel 2 Executieverdrag, wanneer de toepassing van artikel 5, sub 1, tot versnippering van het geschil over verschillende fora leidt?
24 In de context van het hoofdgeding en rekening houdend met de in het verwijzingsarrest vermelde gegevens, kan het antwoord op deze vraag drie verschillende richtingen uitgaan.
25 Ten eerste is het moeilijk, niet terug te komen, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk doet, op de respectieve waarde van de betrokken verbintenissen. Het vaststellen van een hiërarchie tussen de verbintenissen die aan de vordering ten grondslag liggen, leidt, wanneer, zoals in casu, hun kenmerken zich ertoe schijnen te lenen, natuurlijk tot een hergroepering van de vorderingen in de handen van een enkele rechter - die van de plaats van uitvoering van de voornaamste verbintenis -, zonder dat een beroep op artikel 2 noodzakelijk is (zie onder, deel A).
26 In de tweede plaats lijkt het geraden - gesteld dat de betrokken verbintenissen gelijkwaardig zijn of als gelijkwaardig moeten worden beschouwd en hun plaats van uitvoering zich in verschillende verdragsluitende staten bevindt -, de weerslag van die situatie op de bepaling van de bevoegdheden krachtens artikel 5, sub 1, Executieverdrag en ten aanzien van de doelstellingen van het Executieverdrag te bepalen (zie onder, deel B).
27 Ten slotte kan men niet voorbijgaan aan het feit, dat de versnippering van de bevoegde gerechten waartoe de toepassing van artikel 5, sub 1, in het hoofdgeding leidt, voor een groot deel voortkomt uit de uitlegging die sedert het arrest Tessili(7) traditioneel wordt gegeven aan het begrip "plaats van uitvoering". Bijgevolg moeten de alternatieve oplossingen worden onderzocht, die de toepassing van artikel 5, sub 1, dichter bij de doelstellingen van het Executieverdrag kunnen brengen, zodat de hierin bedoelde bevoegdheidskeuze al haar belang herwint (zie onder, deel C).
28 Alvorens op elk van die punten terug te komen, wijs ik erop, dat de in het hoofdgeding toepasselijke versie van het Executieverdrag, waarvan de relevante bepalingen het voorwerp van de door het Hof van Cassatie gevraagde uitlegging zijn(8), die is welke voortvloeit uit voornoemd Verdrag van 9 oktober 1978, in werking getreden op 1 november 1986, aangezien de procedure door Bodetex is ingeleid bij dagvaarding van 2 november 1988.
29 Niemand betwist de contractuele aard van de betrokken materie, te meer daar de categorie waartoe het betrokken contract behoort, door het Hof reeds als zodanig is gekwalificeerd.(9)
A - De gelijkwaardigheid van de betrokken verbintenissen
30 Onder meer herinnerend aan voornoemd arrest Shenavai, dat verwijst naar het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt(10), merkt de regering van het Verenigd Koninkrijk op, dat het belangrijk is dat het Hof het accent legt op de noodzaak dat een nationaal gerecht, in geval van meervoudige verbintenissen, de voornaamste verbintenis identificeert die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.
31 Volgens haar kan dit in de onderhavige zaak slechts de verbintenis tot betaling van het gevorderde commissieloon zijn, want de enige reden waarom Bodetex Leathertex heeft verweten de overeenkomst zonder opzegging te hebben beëindigd, en dus betaling van een opzeggingsvergoeding heeft gevorderd, is, dat Leathertex dat commissieloon niet had betaald. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk moet dus, met toepassing van artikel 5, sub 1, een enkel gerecht - dat van de plaats van uitvoering van de verbintenis tot betaling van commissieloon - worden aangewezen.
32 Na erop te hebben gewezen, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing de betrokken verbintenissen gelijkwaardig acht, is het Verenigd Koninkrijk van mening, dat het aan het Hof staat, de hem voorgelegde vraag te herformuleren - waartoe het zich traditioneel het recht toekent -, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, aan de hand waarvan hij, door de hiërarchie van de betrokken verbintenissen te herstellen, het bij hem aanhangig geding kan oplossen.
33 In voornoemd arrest Shenavai heeft het Hof, na eraan te hebben herinnerd, dat "enkel de in de overeenkomst bedongen verbintenis waarvan de uitvoering in rechte wordt gevorderd", bepalend moest worden geacht, immers gepreciseerd, dat "voor het bijzondere geval van een geschil betreffende verschillende verbintenissen uit eenzelfde overeenkomst die alle aan de rechtsvordering van een verzoeker ten grondslag liggen (...) bij de verschillende in geding zijnde verbintenissen (...) de hoofdverbintenis bepalend [zal] zijn voor de bevoegdheid van het gerecht".(11)
34 Een contractueel geschil kan dus niet voor het gerecht van de plaats van uitvoering van om het even welke verbintenis van de overeenkomst worden gebracht, hetgeen voor de hand ligt indien men het aantal te adiëren gerechten wil beperken.
35 Door de kenmerkende gegevens ervan in andere termen uiteen te zetten, brengt de door de regering van het Verenigd Koninkrijk voorgestane oplossing het hoofdgeding weer in het spoor van die rechtspraak, en geeft zij het een met de doelstellingen van het Executieverdrag overeenkomend antwoord, door de versnippering van de bevoegdheden te voorkomen.
36 De door Bodetex voorgestelde methode is vergelijkbaar. Volgens Bodetex is de situatie waarin zij zich bevond tegenover Leathertex, waarmee zij door een handelsagentuurovereenkomst was verbonden, vergelijkbaar met de beroepsbetrekking tussen de handelsvertegenwoordiger en zijn werkgever in het arrest Ivenel(12): de taak cliënteel op te sporen voor het onderhandelen over en sluiten van contracten voor rekening en in naam van de opdrachtgever, het bestaan van een duurzame beroepsbetrekking tussen de contractanten, het vereiste van een opzeggingstermijn of van betaling van een vergoeding in geval van ontbinding van de overeenkomst, en de positie van ondergeschiktheid tegenover de medecontractant, van juridische aard voor Ivenel en van economische aard voor Bodetex, worden in beide gevallen aangetroffen.
37 Bodetex geeft dus in overweging, de door het Hof in die zaak gekozen oplossing te transponeren op de onderhavige zaak, en dus te onderzoeken welke "de meest karakteristieke" prestatie is. Volgens haar is dit het zoeken van cliënteel en het verdelen van de in de overeenkomst bedoelde producten. Zij is van mening, dat de plaats waar die moet worden uitgevoerd, België is, op welks grondgebied de vorderingen dus moeten worden gehergroepeerd.
38 Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk, wenst Bodetex niet alleen de hiërarchie van de betrokken verbintenissen te herstellen, maar ook de verbintenis aan te wijzen die doorslaggevend is, met het doel, alle onderdelen van de vordering te hergroeperen in de handen van het gerecht van de plaats waar die moet worden uitgevoerd.
39 Ik kan deze redenering echter niet volgen, met name gelet op de procedurele context van het hoofdgeding.
40 Allereerst zij erop gewezen, dat de betrokken verbintenissen in de prejudiciële vraag zelf duidelijk als gelijkwaardig worden aangemerkt. Ook stelt de verwijzende rechter uitdrukkelijk vast, dat de gelijkwaardigheid van de twee verbintenissen een der gegevens is van het geschil dat aan de gestelde vraag ten grondslag ligt, en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing helemaal niet dit punt betreft.
41 Vervolgens citeert de verwijzende rechter verschillende overwegingen van het arrest van het Hof van Beroep van 29 oktober 1993, waaruit blijkt, dat de "twee verbintenissen (...) als gelijkwaardig [worden] beschouwd".(13) Na te hebben herinnerd aan de bewoordingen van voornoemd arrest Shenavai, wijst het Hof van Cassatie er echter op, dat de gelijkwaardigheid van de verbintenissen niet is betwist.(14)
42 De formulering van de prejudiciële vraag door de verwijzende rechter vindt zeker haar oorsprong in die elementen van de nationale procedure. Aangezien partijen in het hoofdgeding de door de appèlrechter geformuleerde kwalificatie niet hebben betwist, heeft de verwijzende rechter het niet nodig geoordeeld - of misschien gaat het om een wettelijke onmogelijkheid - ambtshalve het middel ontleend aan de eventuele onjuistheid van die kwalificatie op te werpen. Tenzij het Hof van Cassatie heeft ingestemd met de door het Hof van Beroep gekozen kwalificatie.
43 Of het nu gaat om een wettelijke verplichting die op de nationale rechter rust, dan wel om een keuze zijnerzijds, in ieder geval kan het antwoord dat het Hof op de gestelde vraag zal geven, de onbetwiste elementen van het verwijzingsarrest niet buiten beschouwing laten. Anders dreigen aan de rechter elementen van antwoord te worden aangereikt, die niet rechtstreeks nuttig zullen zijn voor de oplossing van het geding.
44 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(15)
45 Ik stel dus voor, de door het Hof van Cassatie gedane vaststelling van de gelijkwaardigheid van de betrokken verbintenissen niet opnieuw ter discussie te stellen.
B - De gevolgen van de versnippering van de "plaatsen van uitvoering"
46 In zijn vraag wijst het Hof van Cassatie erop, dat de contractuele verbintenissen waarop de vordering steunt, volgens de verwijzingsregels van de staat van de aangezochte rechter, de ene in het land van de aangezochte rechter en de andere in een andere verdragsluitende staat moeten worden uitgevoerd.
47 De nationale rechter verwijst impliciet naar de uit voornoemd arrest Tessili voortvloeiende rechtspraak van het Hof, waarvan de toepassing in de onderhavige zaak tot uiting komt in een versnippering van de plaatsen van uitvoering van de betrokken verbintenissen en dus van de bevoegde gerechten.(16)
48 Er zij aan herinnerd, dat het volgens dat arrest "aan de aangezochte rechter staat volgens het verdrag vast te stellen of de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, in zijn rechtsgebied is gelegen; dat hij daartoe naar zijn eigen collisieregels moet bepalen welk recht op de gegeven rechtsbetrekking van toepassing is, en overeenkomstig dit recht de plaats van uitvoering van de litigieuze contractuele verbintenis moet vaststellen".(17)
49 De door interveniënten uiteengezette argumenten vatten de gegevens van het probleem goed samen, tenminste zoals het rijst in het kader van de voornoemde rechtspraak Tessili.
50 Ofwel blijft de aan de eiser geboden bevoegdheidskeuze open, en komt de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag krachtens die rechtspraak tot uiting in de versnippering van de respectieve plaatsen van uitvoering van de betrokken verbintenissen, hetgeen betekent, dat men de versnippering van de bevoegde gerechten aanvaardt. Dat is de door de Italiaanse regering en Leathertex verdedigde stelling.
51 Ofwel moet, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk subsidiair in overweging geeft, afstand worden gedaan van de bevoegdheidskeuze, om terug te keren tot het criterium van de woonplaats van verweerder, overeenkomstig artikel 2 Executieverdrag, teneinde de versnippering van de bevoegdheden voor eenzelfde geding te voorkomen.
52 Ofwel, ten slotte, is de rechter die krachtens artikel 5, sub 1, Executieverdrag bevoegd is om kennis te nemen van één van de op gelijkwaardige verbintenissen gebaseerde vorderingen, ook bevoegd om kennis te nemen van de andere vordering, wanneer tussen die twee vorderingen een zodanig nauwe band bestaat, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde onverenigbare uitspraken te vermijden. Dat is de door de Commissie voorgestane oplossing.
53 Wat het door de Commissie verdedigde standpunt, gebaseerd op hergroepering van de bevoegdheden wegens samenhang van de vorderingen betreft, ben ik van mening, dat het verder gaat dan de tekst van het Executieverdrag toestaat.(18)
54 Er zij immers op gewezen, dat samenhang weliswaar door het Executieverdrag in aanmerking wordt genomen, maar niet wordt behandeld in de vorm van een bevoegdheidsgrond. Met andere woorden, artikel 22 Executieverdrag staat een gerecht slechts toe, om redenen van samenhang tot verwijzing naar een ander gerecht over te gaan, indien bij dat andere gerecht reeds een samenhangende zaak is aangebracht. De regeling van artikel 22 vindt dus slechts toepassing in een dergelijke hypothese. Enkel in dat geval zal, via een exceptie van samenhang, de hergroepering van de dossiers in de handen van een enkel gerecht kunnen plaatsvinden.
55 Het Hof heeft er trouwens duidelijk aan herinnerd in zijn arrest Elefanten Schuh, waar het preciseerde: "Artikel 22 Executieverdrag bedoelt regelen te geven voor het geval van samenhangende vorderingen die bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht. Het deelt geen bevoegdheid toe."(19)
56 De Commissie aanvaardt trouwens deze analyse, aangezien zij erop wijst, dat "zolang slechts één rechter is gevat (...) er inderdaad geen sprake [is] van toepassing van artikel 22".(20)
57 Zij voegt er zelfs aan toe, dat het er enkel om gaat, artikel 5, sub 1, aldus te interpreteren, dat situaties waarop artikel 22 van toepassing zou zijn, op voorhand reeds worden vermeden.(21)
58 Al is het door de Commissie nagestreefde oogmerk duidelijk en zeker rechtmatig, ik kan moeilijk begrijpen, door welke redenering zij ertoe komt, een uitlegging van artikel 5, sub 1, voor te stellen, die zo van de tekst ervan afwijkt.
59 De rechtstreekse hergroepering van samenhangende vorderingen voor eenzelfde rechter, wanneer de plaatsen van uitvoering van de verbintenissen waarop zij berusten, in verschillende verdragsluitende staten liggen, komt er immers op neer, in strijd met het bepaalde in artikel 5, sub 1, het criterium ontleend aan de plaats van uitvoering van een van de verbintenissen te negeren.
60 In feite komt het voorstel van de Commissie erop neer, het stelsel van het Executieverdrag op het punt van de samenhangende vorderingen te wijzigen, tegen de letter van de tekst en zonder rekening te houden met de bedoeling van de verdragsluitende staten, aangezien die oplossing nooit echt is overwogen, hetgeen niet kan worden aanvaard.
61 De twee andere reeksen argumenten betreffen de keuze die in de onderhavige zaak moet worden gemaakt tussen artikel 2 en artikel 5, sub 1, zoals uitgelegd in het licht van het arrest Tessili. Die keuze wordt ons ingegeven door de doelstellingen zelf van het Executieverdrag.
62 Er zij aan herinnerd, dat dit ernaar streeft, binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten.(22)
63 Zoals gezegd, blijkt uit 's Hofs rechtspraak, dat die rechterlijke bescherming de noodzaak meebrengt, zo veel mogelijk te voorkomen dat met betrekking tot eenzelfde overeenkomst meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn.(23)
64 Teneinde de volle werking van het Executieverdrag te verzekeren, is het essentieel, de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten één te maken, door zo veel mogelijk te voorkomen dat meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, en de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, en de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.(24) Het gaat er dus om, de rechtszekerheid van degenen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden, te vrijwaren, door de voorzienbaarheid van de toepasselijke bevoegdheidsregels te waarborgen.
65 De hergroepering van de rechterlijke bevoegdheden voorkomt ook het gevaar van onverenigbare beslissingen en vergemakkelijkt de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen buiten de staat waarin zij zijn gegeven.(25)
66 Om niet in te gaan tegen de geest van het Executieverdrag, is het dus essentieel, de voorkeur te geven aan oplossingen die de centralisatie van de geschillen bevorderen, en dus de tekst in die zin uit te leggen.
67 De door het Hof gewezen arresten in zaken die meervoudige verbintenissen in het geding brengen, bevestigen die richting.
68 Of het er nu om ging, van verschillende verbintenissen de contractuele verbintenis die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt(26), de hoofdverbintenis(27) of de karakteristieke verbintenis(28) te bepalen, het Hof heeft zich, telkens als dat mogelijk was, ervoor uitgesproken, een hiërarchie van de betrokken verbintenissen vast te stellen, om de versnippering van de samenhangende geschillen te vermijden.
69 In de onderhavige zaak hebben wij echter te maken met een situatie die geen hiërarchische rangschikking van de verbintenissen mogelijk maakt, aangezien deze laatste als gelijkwaardig worden voorgesteld.
70 Het is dus de vraag, of, gelet op die feitelijke toestand, de tekst van het Executieverdrag het mogelijk maakt, de hergroepering van de bevoegdheden met andere middelen te bereiken.
71 Het Hof heeft herhaaldelijk in herinnering gebracht, dat de in artikel 5 Executieverdrag genoemde "bijzondere bevoegdheden" een uitzondering vormen op het in de "algemene bepalingen" van de artikelen 2 en 3 neergelegde beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, en dat zij derhalve restrictief moeten worden uitgelegd.(29)
72 Aan die rechtspraak zou men het denkbeeld kunnen ontlenen, dat wanneer het beroep op de bijzondere bevoegdheden leidt tot resultaten die kennelijk in strijd zijn met de doelstellingen van het Executieverdrag, dient te worden afgezien van de bevoegdheidskeuze en, zoals in voornoemd arrest Humbert, te worden gesteld, dat artikel 5, sub 1, Executieverdrag geen toepassing kan vinden.(30)
73 De juridische deugdelijkheid van deze oplossing lijkt mij twijfelachtig.
74 Het Executieverdrag onderwerpt de bevoegdheidskeuze aan geen enkele voorafgaande voorwaarde. Een eiser is steeds vrij, de ene of de andere mogelijkheid te kiezen, zodra het geschil binnen het kader van het Executieverdrag valt, en mits natuurlijk het rechtskarakter van dat geschil de eiser in staat stelt een beroep te doen op een van de bijzondere bevoegdheden, als dat zijn keuze is.(31)
75 Wanneer bovendien in voornoemd arrest Humbert de bevoegdheidskeuze is verworpen ten gunste van de in artikel 2 Executieverdrag bedoelde bevoegdheidsregel, houdt dat verband met het specifieke karakter van het in die zaak onderzochte hoofdgeding, dat betrekking had op verbintenissen die buiten de territoriale werkingssfeer van het Executieverdrag werden uitgevoerd. De toepassing van artikel 5, sub 1, leidde ertoe, de rechterlijke bevoegdheid buiten het grondgebied van de verdragsluitende staten te situeren, hetgeen in strijd is met de letter en de geest van artikel 5, dat de mogelijkheid om de verweerder elders dan in zijn woonplaats in de eigen verdragsluitende staat op te roepen, beperkt tot de andere verdragsluitende staten met uitsluiting van derde landen.
76 Het Hof merkt trouwens op, dat er weliswaar nadelen zijn verbonden aan het feit dat de diverse aspecten van eenzelfde geschil door verschillende gerechten worden beoordeeld, maar dat de eiser zijn vordering altijd kan instellen bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, dat dus een duidelijk en betrouwbaar criterium waarborgt.(32)
77 Met andere woorden, de in het belang van de partijen, en met name de eiser, geformuleerde bevoegdheidskeuze waarborgt hun steeds een voorzienbare bevoegdheidsregel, die de eiser kan kiezen wanneer om hem moverende redenen de andere bevoegdheidsregel hem niet schikt.
78 De gemaakte keuze kan in strijd zijn met de doelstellingen van het Executieverdrag: het zal aan de eiser staan, te beoordelen in hoeverre de toename van het aantal bevoegde gerechten als gevolg van het beroep op artikel 5, sub 1, meer hinder veroorzaakt dan de hergroepering van de onderdelen van zijn vordering in de handen van een enkel gerecht, gevestigd in de woonplaats van de verweerder, wanneer krachtens artikel 5, sub 1, een van de gerechten zich in de verdragsluitende staat van zijn woonplaats bevindt.
79 Ik deel de zienswijze, dat de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag niet kan worden belet om andere redenen dan die welke zijn ingegeven door het eigen toepassingsgebied ervan, zelfs wanneer het gebruik dat de eiser overweegt ervan te maken, leidt tot een bepaling van de rechterlijke bevoegdheden die niet overeenstemt met de beginselen van het Executieverdrag, indien dat de keuze van de eiser is.
80 De bevoegdheidsregel tot artikel 2 Executieverdrag beperken, wanneer artikel 5, sub 1, ongewenste gevolgen dreigt teweeg te brengen, zou erop neerkomen, dat aan de tekst van het Executieverdrag een voorwaarde wordt toegevoegd, die er niet in voorkomt.
81 Uit een en ander volgt, dat vorderingen betreffende twee gelijkwaardige verbintenissen die uit één en dezelfde overeenkomst voortvloeien en waarvan de respectieve plaatsen van uitvoering, volgens de verwijzingsregels van de staat van de aangezochte rechter, zich in twee verschillende verdragsluitende staten bevinden, krachtens artikel 2 Executieverdrag aan eenzelfde gerecht, dat van de verdragsluitende staat van de verweerder, kunnen worden voorgelegd.
82 Daarentegen verzet, in dezelfde hypothese, de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag zich tegen de erkenning van de bevoegdheid van eenzelfde gerecht om van die vorderingen kennis te nemen, wanneer de plaatsen van uitvoering ervan zich op het grondgebied van twee verschillende verdragsluitende staten bevinden.
83 Het Hof kan van oordeel zijn, dat het aan de eiser staat, te opteren voor de tekst die naar zijn mening het best zijn belangen beschermt, ook al offert hij hieraan de voordelen op, die aan het bestaan van een enkel forum zijn verbonden. De voorgestelde uitlegging is dan een mogelijk antwoord op de vraag van de verwijzende rechter.
84 Het Hof kan echter ook van mening zijn, dat in een geval als het onderhavige, de beginselen van het Executieverdrag eraan in de weg staan, dat een van de keuzemogelijkheden waarop een partij zich kan beroepen, tot een oplossing leidt, die zo ver van die beginselen afstaat. De door mij voorgestane oplossing brengt mij ertoe, het Hof een andere uitlegging van de teksten in overweging te geven.
C - De gevolgen van de inhoud van het begrip "plaatsen van uitvoering"
85 Door zich voor de bepaling van de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenissen aan de collisieregels van het aangezochte gerecht te refereren, heeft de verwijzende rechter zich natuurlijk gevoegd naar de toepasselijke communautaire rechtspraak.
1) De rechtspraak Tessili
86 Zoals gezegd, ligt de door de Belgische rechterlijke instanties gevolgde methode om de plaats van uitvoering te bepalen, deels ten grondslag aan het feit dat de betrokken verbintenissen meer dan één plaats van uitvoering hebben.(33)
87 Sedert de inwerkingtreding van het Executieverdrag rijst de vraag, of de daarin gebezigde termen en begrippen autonoom, en dus aan de gezamenlijke lidstaten gemeen, moeten worden opgevat, dan wel als een verwijzing naar de materiële regels van het recht dat krachtens de collisieregels van de eerst aangezochte rechter van toepassing is.(34)
88 In voornoemd arrest Tessili heeft het Hof geantwoord, dat "geen van deze beide alternatieven bij uitsluiting de voorkeur verdient, daar de passende keuze slechts kan worden gedaan voor elke bepaling van het Verdrag afzonderlijk, zij het in dier voege dat de volle werking van dit Verdrag in het zicht van de doelstellingen van artikel 220 EEG-Verdrag is verzekerd".(35)
89 Het Hof heeft zich herhaaldelijk uitgesproken voor de autonome uitlegging van bepaalde begrippen van het Executieverdrag, en erop gewezen, dat "volgens vaste rechtspraak (...), het Hof de in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen in beginsel autonoom uitlegt, teneinde de volle werking van dit verdrag te verzekeren, gelet op de doelstellingen van artikel 220 EEG-Verdrag, ter uitvoering waarvan het is opgesteld".(36)
90 Wat echter het begrip "plaats van uitvoering" van verbintenissen uit overeenkomst, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag betreft, heeft het Hof zijn aanvankelijke keuze, namelijk verwijzing naar de collisieregels van de aangezochte rechter, onlangs zeer duidelijk bevestigd, en onrechtstreeks iedere autonome definitie verworpen.(37)
91 De verwijzing van het Hof naar het toepasselijke materiële recht berustte op de nog bestaande verschillen tussen de nationale rechtsbepalingen inzake overeenkomsten, en op het ontbreken van elke unificatie van het toepasselijke materiële recht in de stand van de rechtsontwikkeling in 1976.(38) Er werd op gewezen, dat dit standpunt bovendien werd gerechtvaardigd door het feit, dat de vaststelling van de plaats van uitvoering van verbintenissen afhangt van de contractuele verhouding waaruit de betrokken verbintenissen voortvloeien.(39)
92 Het in voornoemd arrest Tessili uiteengezette standpunt weerspiegelt het rechtmatige streven, niet aan alle verdragsluitende staten een definitie op te leggen die in strijd is met hun nationale recht, en waarvan de keuze, gezien de doelstellingen van het Executieverdrag, niet voor de hand ligt.
93 Zo is de verbintenis tot betaling, die vanzelfsprekend een zeer groot aantal overeenkomsten betreft en in het hoofdgeding rechtstreeks aan de orde is(40), een goed voorbeeld van het onbevredigende van een autonome definitie op dit gebied, die haar inhoud zou ontlenen aan de manier waarop een deel van de verdragsluitende staten de plaats van uitvoering van een dergelijke verbintenis bepaalt.
94 Naargelang het om een haalschuld of een brengschuld gaat, zal de plaats van uitvoering van de verbintenis tot betaling zich in de woonplaats van de verweerder of in die van de eiser bevinden. Naast de moeilijkheden, verbonden aan de keuze die moet worden gemaakt tussen de nationale rechtsstelsels van de verdragsluitende staten, die evenwichtig tussen beide systemen zijn verdeeld(41), bestaat er geen enkel rationeel criterium dat het mogelijk maakt, te beslechten overeenkomstig de beginselen van het Executieverdrag.
95 De bevestiging van een autonome definitie, erop gebaseerd dat het om een brengschuld gaat(42), komt immers neer op de bevestiging van een forum actoris dat het Executieverdrag duidelijk niet heeft gewenst. Dat blijkt uit de instelling, in artikel 2, van de bevoegdheid van de gerechten van de verweerder als principiële bevoegdheid. Bovendien blijkt, zoals het Hof zelf heeft opgemerkt, "uit het Executieverdrag (...) een afkeer van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker, daar in artikel 2, tweede alinea, de toepassing van nationale bepalingen die in dergelijke bevoegdheden voorzien, wordt uitgesloten voor verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat".(43) Het Hof heeft daaraan toegevoegd, dat "afgezien van de uitdrukkelijk voorziene gevallen (...) uit het Executieverdrag (...) een duidelijke afkeer van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker [blijkt]".(44)
96 Omgekeerd doet de lokalisatie van de plaats van uitvoering van de verbintenis tot betaling in de woonplaats van de verweerder - waarmee de oplossing van de verdragsluitende staten waarvoor het om een haalschuld gaat, gelijkstaat -, de in het Executieverdrag bedoelde bevoegdheidskeuze vervallen, aangezien een dergelijke uitlegging van artikel 5, sub 1, door het aanwijzen van de woonplaats van de verweerder, aan die tekst dezelfde inhoud geeft als artikel 2.
97 In voornoemd arrest Custom Made Commercial had de gestelde vraag betrekking op de toepassing van de voornoemde rechtspraak Tessili op een vordering tot betaling, ingesteld door een leverancier tegen zijn afnemer op grond van een aannemingsovereenkomst, wanneer de lex causae een tekst als artikel 59, lid 1, van de Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken, gevoegd bij het Verdrag van Den Haag, van toepassing is.
98 De toepassing van een eenvormige wet op de contractuele betrekking, neemt de nadelen weg, die aan het uiteenlopen van de toepasselijke rechtsstelsels zijn verbonden. De inhoud van de relevante bepaling van die wet, krachtens welke de plaats van uitvoering van de verbintenis van de koper om de verkoper de prijs te betalen, de plaats van diens vestiging of, bij gebreke daarvan, diens gewone verblijfplaats is, tenzij de partijen bij de overeenkomst een andere plaats van uitvoering van deze verbintenis zijn overeengekomen, wees echter het gerecht van de eiser aan als bevoegd gerecht.
99 Het Hof heeft zijn rechtspraak gehandhaafd, en toegepast op het geval waarin de collisieregels naar een eenvormige wet verwijzen.(45) Het heeft dus geweigerd, gebruik te maken van een autonome definitie die de plaats van vestiging van de verkoper, en dus, in casu, van de eiser, als plaats van uitvoering van de verbintenis tot betaling aanwijst.
2) Toepassing op het onderhavige geding
100 In het hoofdgeding is het bestaan van meer dan één bevoegde rechter het gevolg van het uiteenlopen van de nationale regels betreffende de plaats van uitvoering van de verbintenissen tot betaling, zoals blijkt bij toepassing van de collisieregels.
101 Ofschoon kennelijk in strijd met de vereisten van vereenvoudiging van de bevoegdheidsregels, zou de versnippering van de bevoegde gerechten kunnen worden aanvaard, indien zij zou worden gerechtvaardigd door andere fundamentele overwegingen die uit het algemene stelsel van het Executieverdrag voortvloeien.
102 Zo is er, naast het belang dat wordt gehecht aan de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels, het belang van de band die, voor zover mogelijk, moet bestaan tussen het geschil en de bevoegde rechter. De bijzondere bevoegdheidsregels, waartoe het forum contractus van artikel 5, sub 1, Executieverdrag behoort, worden gerechtvaardigd door de overweging, dat er een rechtstreekse band bestaat tussen het geschil en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen, zulks om redenen van nuttige procesinrichting.(46)
103 Dat beginsel komt voort uit de opvatting, dat een gerecht dat geografisch dicht bij de litigieuze contractuele betrekking staat, door zijn kennis van de omstandigheden van de zaak, zich gemakkelijker zal kunnen uitspreken over het bij hem aanhangig geding.
104 Zo de voorzienbaarheid zeker een criterium is, in het licht waarvan artikel 5, sub 1, moet worden uitgelegd, moet dus voor ogen worden gehouden, dat het criterium van de band aan die tekst ten grondslag ligt. Een aanvaardbare uitlegging van artikel 5, sub 1, Executieverdrag moet er dus zeker voor zorgen, dat de betekenis die aan het begrip plaats van uitvoering wordt gegeven, zo veel mogelijk het bestaan van een band weerspiegelt.
105 's Hofs rechtspraak herinnert trouwens regelmatig aan de fundamentele aard van dat beginsel, dat artikel 5 en de door het bestaan hiervan naast artikel 2 ingevoerde keuzevrijheid rechtvaardigt.(47)
106 In de onderhavige zaak is het echter moeilijk, een dergelijke band te vinden tussen de betaling van het gevorderde commissieloon en het forum dat volgens het toepasselijke materiële recht daaraan beantwoordt, dat wil zeggen Italië, wanneer men weet dat die bedragen de tegenprestatie zijn voor de uitvoering van de overeenkomst van Bodetex, die in België is gevestigd en, luidens de overeenkomst, met de Belgische en de Nederlandse markt is belast.
107 Daaraan moet worden toegevoegd, dat, ditmaal ten aanzien van het criterium van de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels, de aanwijzing van het bevoegde forum via een onrechtstreekse methode, die immers een beroep doet op het internationaal privaatrecht van het forum om het toepasselijke materiële recht te bepalen dat de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenis lokaliseert, evenmin de leesbaarheid van de bevoegdheidsregels bevordert.
108 Het is dus duidelijk, dat in het hoofdgeding de toepassing van artikel 5, sub 1, uitgelegd in de zin van voornoemd arrest Tessili, zozeer indruist tegen een aantal leidende beginselen van het Executieverdrag, dat die situatie kennelijk het Hof van Beroep ertoe heeft aangezet, te pogen de hergroepering van de vorderingen met andere middelen te bereiken.
109 Het komt mij voor, dat in de onderhavige zaak een oplossing zou kunnen worden toegepast, die meer aan de vereisten van het Executieverdrag voldoet.
3) Voor een oplossing die dichter bij de doelstellingen van het Executieverdrag staat
a) De plaats van uitvoering: een begrip met veranderlijke inhoud
110 Er moet worden uitgegaan van de door advocaat-generaal Lenz(48) verdedigde opvatting, dat de plaats van uitvoering van een verbintenis, in de zin van het materiële recht, niet wordt gedefinieerd met inaanmerkingneming van vereisten als die welke het Executieverdrag voorschrijft.
111 De materiële bepalingen betreffende de plaats van uitvoering "moeten, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, niet alleen de plichten van partijen concretiseren, maar ook de verantwoordelijkheid van partijen tegenover elkaar afgrenzen, met name wanneer bij de uitvoering van de overeenkomst storingen optreden".(49)
112 Advocaat-generaal Lenz voegt daaraan toe: "De plaats van uitvoering van verbintenissen tot betaling van een geldsom bepaalt meestal enkel, hoe de risico's en de lasten die samenhangen met de overdracht van geld - waarvan de beschikbaarheid niet afhankelijk is van de plaats van de prestatie - worden verdeeld."(50) Hij is van mening, dat dient te worden "[afgeweken] van het materiële recht dat de overeenkomst beheerst, [wanneer] die regeling geen bijdrage kan leveren om het geschil voor een forum te brengen dat daarmee een nauwe band heeft".(51)
113 Er is dus vaak een discrepantie tussen enerzijds de gronden die de bepaling van de plaats van uitvoering van een verbintenis volgens het materiële recht verklaren, en anderzijds de door het Executieverdrag nagestreefde doelstellingen.
114 Zo kan, buiten het nadeel verbonden aan het uiteenlopen van de nationale rechtsstelsels, dat in strijd is met de door het Executieverdrag nagestreefde harmonisatie van de bevoegdheidsregels, worden betreurd, dat het beroep op de lex causae ertoe leidt, het forum aan te wijzen op grond van een plaats van uitvoering die juridisch wordt bepaald door andere gronden dan een nuttige procesinrichting.
115 Ten slotte zij erop gewezen, dat de vaststelling van advocaat-generaal Lenz, dat "het Hof in geen van deze arresten [Tessili en De Bloos] de nauwe band met de feiten als uitgangspunt heeft genomen om te onderzoeken, of men bij de uitlegging van artikel 5, sub 1, afstand moet nemen van het (op de overeenkomst toepasselijke) materiële recht"(52), nog kan worden gedaan met betrekking tot voornoemd arrest Custom Made Commercial.
116 Dit blijven dulden van een lezing van de tekst, die zo ver verwijderd is van hetgeen de voornaamste rechtvaardiging ervan vormt, kan niet enkel worden verklaard door het bestaan van de bevoegdheidskeuze, die de eiser die zich, bijvoorbeeld als gevolg van de versnippering van de fora of het bestaan van een negatief jurisdictiegeschil, voor procedurele verwikkelingen geplaatst ziet, in staat stelt zijn vorderingen op artikel 2 Executieverdrag te baseren.
117 Het wijst op de legitieme aarzeling van het Hof, een autonome definitie van het begrip plaats van uitvoering op te stellen.
b) De keuze van een autonome uitlegging
118 Het lijdt inderdaad geen twijfel, dat een dergelijke uitlegging om verschillende redenen lastig is.
119 Enerzijds kan men zich afvragen, of het beginsel zelf van een autonome definitie, wat verbintenissen uit overeenkomst betreft, niet betwistbaar is om redenen van rechtszekerheid, aangezien het Hof dan zo veel begrippen "plaats van uitvoering" moet definiëren als er overeenkomsten - met inbegrip van overeenkomsten sui generis - bestaan, hetgeen dus betekent, dat het Hof een eindeloze opdracht krijgt.
120 Anderzijds staat het aan het Hof, gesteld dat het die hachelijke onderneming aanvaardt, om inhoud te geven aan het begrip plaats van uitvoering. Het bestaan van eenvormige wetten, die worden geacht de in voornoemd arrest Tessili aangevoerde hinderpaal - het ontbreken van elke unificatie van het toepasselijke materiële recht - uit de weg te ruimen, heeft, zoals gezegd, niet volstaan om 's Hofs rechtspraak in voornoemd arrest Custom Made Commercial een andere richting te geven.(53)
121 De keuze van continuïteit in de rechtspraak vloeit rechtstreeks voort uit het feit dat een eenvormige wet, om de boven uiteengezette redenen(54), niet steeds in staat is het Hof de gegevens te verstrekken die het mogelijk maken, een autonome definitie op te stellen die aan de doelstellingen van het Executieverdrag voldoet.
122 Ik ben evenwel van mening, dat de autonome definitie van de plaats van uitvoering, hoe moeilijk ook, wenselijk is.
123 Aan die methode wordt verweten, dat zij afhangt van een individuele benadering van iedere overeenkomst, hetgeen tot voortdurende rechtsonzekerheid zou leiden.
124 Dit is, ofschoon niet geheel uit de lucht gegrepen, echter geen beslissend criterium om de idee van een autonome definitie opzij te zetten.
125 De individuele benadering is immers die welke wordt bevoorrecht door de verwijzing naar de regels van internationaal privaatrecht. De definitie van de plaats van uitvoering van iedere overeenkomst waarop een geding betrekking heeft, die het Hof, in een logica van autonome uitlegging, zou moeten formuleren, formuleert de nationale rechter reeds volgens eenzelfde analytische methode.
126 Bovendien zijn er gronden om aan te nemen, dat de nadelen van die benadering, in de hypothese van voornoemd arrest Tessili worden vergroot door het feit dat, bij ontbreken van eenvormige wet, de aldus gevonden oplossingen in ieder geval van staat tot staat blijven verschillen. Zelfs wanneer de toepasselijke collisieregels uit internationale normen voortvloeien, is de definitie van de plaats van uitvoering van een verbintenis ontstaan uit een nationale wet. Wanneer de norm ten slotte zelf op internationaal vlak is vastgesteld, wordt zijn inhoud bepaald op grond van andere overwegingen dan doelstellingen van procedurele aard.
127 Zo is het begrip plaats van uitvoering, dat een onbepaald aantal verbintenissen dekt, des te meer ongrijpbaar, daar de bepaling ervan in ieder geval slechts geldt voor het gerecht dat ze formuleert.
128 In die omstandigheden herwint de autonome uitlegging een zekere legitimiteit, die het harmonisatie- en vereenvoudigingsoogmerk van het Executieverdrag haar verleent.
129 Het gevaar dat die analytische methode de rechtszekerheid van de justitiabelen zal aantasten, moet trouwens niet worden overdreven.
130 De autonome definitie van de plaats van uitvoering van een verbintenis zal vaak zijn te transponeren op andere verbintenissen, die zeer talrijk kunnen zijn.(55)
131 Bij het zoeken naar een oplossing die meer met de doelstellingen van het Executieverdrag, inzonderheid artikel 5, sub 1, in overeenstemming is, zal het Hof, voor zover mogelijk, afzien van een analytische benadering die zou leiden tot zoveel definities als er verbintenissen bestaan.
132 Ik ben integendeel van mening, dat een algemeen criterium zou moeten worden bepaald, dat zou worden toegepast om de eigen definitie, zo niet van iedere contractuele verbintenis, dan toch tenminste van bepaalde categorieën ervan te formuleren.
133 Daaraan moet worden toegevoegd, dat de rechtsonzekerheid als gevolg van de twijfel die de bepaling van de plaats van uitvoering van verbintenissen omringt, mij belangrijker lijkt bij het toepassen van de lex causae, dan bij het uitwerken van een autonoom gemeenschapsrecht.
134 De keuze van een autonoom criterium vergemakkelijkt immers het opstellen van pragmatische definities, die op eenvormige en duurzame wijze van toepassing zijn op een toenemend aantal categorieën van verbintenissen, volgens eenzelfde logica die de doelstellingen van het Executieverdrag eerbiedigt.
135 Het beroep op normen die uit eenvormige wetten voortkomen, is trouwens slechts wenselijk voor zover het daaruit voortvloeiende begrip plaats van uitvoering aan de vereisten van het Executieverdrag voldoet.
136 Ik concludeer dus dat het noodzakelijk is, de algemene richting van 's Hofs rechtspraak inzake het Executieverdrag te volgen en de in dat verdrag gebruikte termen autonoom te interpreteren.
4) De plaats van uitvoering van de betrokken verbintenissen
137 In het hoofdgeding brengt de inachtneming van het criterium van de band tussen het geschil en de bevoegde rechter ons ertoe, voor de bepaling van de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenissen in twee stappen te werk te gaan.
a) De verbintenissen tot betaling
138 De rechtspraak De Bloos moet worden toegepast.
139 Het in voornoemd arrest De Bloos ontwikkelde algemene beginsel zou ertoe leiden, de verbintenis in aanmerking te nemen welke de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop de eiser zich voor zijn vordering beroept.(56) Het gaat dus enerzijds om de verbintenis het gevorderde commissieloon te betalen als tegenprestatie voor de in de overeenkomst bedoelde vertegenwoordigingsopdracht, en anderzijds om de verbintenis de opzeggingsvergoeding te betalen als tegenprestatie voor de verplichting, aan het einde van de handelsagentuurovereenkomst een opzeggingstermijn in acht te nemen.
140 Er zij echter aan herinnerd, dat volgens dat arrest, "ingeval de verzoeker aanspraak op schadevergoeding maakt of ontbinding van de overeenkomst ten laste van de wederpartij verlangt, de in artikel 5, sub 1, bedoelde verbintenis steeds die is welke voortvloeit uit de overeenkomst en waarvan niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van zodanige vordering".(57)
141 Voornoemd arrest De Bloos houdt rekening met de omstandigheid, dat de vordering niet de rechtstreekse uitvoering van een niet-nagekomen contractuele verbintenis nastreeft, maar een vergoeding voor de niet-nakoming ervan beoogt of de wettelijke gevolgen hieruit trekt, om de plaats van uitvoering van de oorspronkelijke contractuele verbintenis en die van de "verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis"(58) - die men ook als compenserende verbintenis kan aanmerken - niet kunstmatig te scheiden.
142 In deze hypothese is de plaats van uitvoering die dient om de rechterlijke bevoegdheid te bepalen, dus niet - zoals het eerste in voornoemd arrest geformuleerde beginsel wil - die van de verbintenis welke de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop de eiser zich voor zijn vordering beroept, maar die van de niet-nagekomen verbintenis die aan de vordering tot betaling ten grondslag ligt.
143 Op die manier brengt de veelheid van petita die soms het gevolg is van een en dezelfde niet-nakoming van een overeenkomst, geen versnippering van de bevoegdheden mee.
144 Bijgevolg is, wat de verbintenis tot betaling van een opzeggingsvergoeding betreft, de verbintenis waarnaar voor artikel 5, sub 1, moet worden verwezen, de verbintenis een opzeggingstermijn in acht te nemen.(59)
145 Houdt men zich daarentegen aan de inhoud van voornoemd arrest De Bloos, dan zou deze redenering niet toepasbaar zijn op de vordering tot betaling van commissieloon. De betaling van commissieloon is immers geen verbintenis die in de plaats treedt van een niet-nagekomen contractuele verbintenis in de zin van voornoemd arrest, maar, blijkens de stukken, een van de voornaamste contractuele verbintenissen ten laste van de principaal.
146 In die omstandigheden zou de in aanmerking te nemen plaats van uitvoering die van de verbintenis tot betaling zelf moeten zijn.
147 Ik heb reeds gewezen op de moeilijkheden die zijn verbonden aan het bepalen van de plaats van uitvoering van verbintenissen tot betaling van geldsommen.(60)
148 Volgt men de rechtspraak De Bloos, dan blijft de plaats van uitvoering van de oorspronkelijke contractuele verbintenissen bepaald door het toepasselijke materiële recht, zodat bij de aanwijzing van het forum onvermijdelijk meespeelt, of het om een breng- of een haalschuld gaat, met het risico, dat een band tussen het geschil en de bevoegde rechter wordt miskend.
149 Er is echter geen reden om onderscheid te maken tussen die verbintenissen, aangezien zij tot dezelfde categorie van de verbintenissen tot betaling behoren.
150 Zoals advocaat-generaal Lenz in zijn conclusie in voornoemde zaak Custom Made Commercial met betrekking tot de betaling van een verkoopprijs heeft opgemerkt, is "bij betwistingen over de prijs, die (...) ontstaan door de (gestelde) gebrekkige uitvoering van de hoofdverbintenis, het gerecht van de plaats waar wordt geleverd in de regel nauwer bij de zaak betrokken (...) dan het gerecht van de plaats van verzending".(61)
151 Hij gaf dus in overweging, het volgende te verklaren: "Wordt van een afnemer betaling van een prijs gevorderd op grond van een onder de Eenvormige koopwet vallende aannemingsovereenkomst en is op die betaling naar materieel recht artikel 59, lid 1, eerste zin, van de Eenvormige koopwet van toepassing, dan is de plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag de contractueel overeengekomen plaats van levering (...)"(62)
152 De objectieve oorzaak van het geding, ongeacht of zij tot uitdrukking komt in een vordering tot betaling van een prijs of van schadevergoeding, bevindt zich vaak op de plaats van uitvoering van de verbintenis in natura, zodat de aanwijzing van het overeenkomstige forum de inachtneming van het criterium van de nauwe band tussen het geschil en de bevoegde rechter, kan bevorderen.
153 Daarom keur ik die analyse goed, en ben ik van mening, dat zij moet worden toegepast op het geval waarin de vordering strekt tot betaling van commissieloon dat, naar wordt beweerd, verschuldigd is wegens de goede uitvoering van de als handelsvertegenwoordiger verrichte prestatie.
154 Het zoeken van een nauwe band tussen de rechter en het geding, dat de logische grondslag van die redenering vormt, moet niet worden begrepen als de wil om die band als rechtstreeks bevoegdheidscriterium te stellen.
155 Ik erken, zoals het Hof, dat "artikel 5 (...) niet het verband zelf als criterium voor de keuze van het bevoegde gerecht [stelt]", en dat "de verzoeker (...) de verweerder niet [kan] oproepen voor elk gerecht dat een band heeft met het geschil, daar artikel 5 een limitatieve opsomming geeft van de factoren die een geschil met een bepaald gerecht verbinden".(63)
156 Het lijkt mij - en het Hof - essentieel, het gebruik van andere criteria dan de plaats van uitvoering niet toe te staan, wanneer dit bevoegdheid verleent aan een forum zonder rechtstreeks verband met de zaak.
157 Het aanwijzen van de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt of, in het geval van een vordering tot betaling, van de plaats van uitvoering van de overeenkomstige verbintenis in natura, bevordert de kans dat een bestaande band wordt bekrachtigd. De regel is echter helemaal niet systematisch, aangezien het voorwerp of de oorzaak van het geding, waarin de rechter is geïnteresseerd, zich op het ogenblik dat de procedure wordt ingeleid, elders dan op de plaats van uitvoering van de verbintenis kan bevinden.
158 Aangezien het niet denkbaar was, een rechtstreeks bevoegdheidscriterium, gebaseerd op de band, te stellen, omdat dit de voorzienbaarheid van het bevoegde forum in gevaar zou hebben gebracht door de partijen systematisch te verplichten, te discussiëren over de vraag, welk forum het best geplaatst is om van het geschil kennis te nemen en dus bevoegd te zijn, is besloten de plaats van uitvoering te kiezen als meest geschikt criterium om dat doel te bereiken. Het feit dat zij vaststaat, ongeacht of de band van het aangewezen gerecht met het geschil is bewezen of niet, waarborgt een duidelijke en nauwkeurige lezing van de toepasselijke bevoegdheidsregels.
159 Het is de uitlegging die het Hof eraan heeft gegeven, waar het preciseerde, dat "volgens artikel 5, sub 1, de verweerder ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, zelfs indien het aldus aangewezen gerecht niet hetgeen is dat de nauwste band heeft met het geschil".(64)
160 De keuze van de plaats van uitvoering van de verbintenissen waarvoor de betaling van het betrokken commissieloon en de opzeggingsvergoeding de tegenprestatie is, moet dus doorslaggevend zijn, zelfs wanneer het bestaan van een nauwe band tussen het geschil en de rechter niet kan worden bewezen.
161 Samenvattend, lijkt de verwijzing naar de plaats van uitvoering van de contractuele prestaties, om de rechterlijke bevoegdheid te bepalen wanneer de vordering strekt tot betaling van een prijs, mij, zo niet systematisch, dan toch in ruime mate, de versnippering van de bevoegdheden te kunnen voorkomen. Zij lijkt mij ook bevorderlijk voor het zoeken van een forum dat dicht bij het geschil staat, zonder echter de rechtszekerheid van de justitiabelen te bedreigen door een rechtstreeks beroep op dit laatste criterium.
b) De verbintenissen in natura
162 Te onderzoeken zijn de elementen die het mogelijk maken, de plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag te bepalen, van de verbintenissen waarvoor de betaling van het commissieloon en de betaling van de opzeggingsvergoeding de tegenprestatie zijn.
163 Ik ben van mening, dat, om de definitie van de plaats van uitvoering te ontdoen van overwegingen die geen verband houden met de geografische lokalisatie stricto sensu van de betrokken verbintenis - de enige die geldig is uit het oogpunt van het door het Executieverdrag gestelde vereiste van een nauwe band tussen het geschil en de bevoegde rechter -, moet worden verwezen naar de plaats waar de betrokken verbintenis daadwerkelijk is of moet worden uitgevoerd.
164 De rechter bevindt zich ter plaatse, in de nabijheid van een der strategische punten van het contractverloop, en beschikt dus over de mogelijkheden die deze nabijheid hem in beginsel verleent om sneller en met kennis van zake uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakte geschil.
165 Er zij aan herinnerd, dat deze benadering niet volledig nieuw is, aangezien arbeidsovereenkomsten, wegens hun bijzondere kenmerken, niet binnen het toepassingsgebied van de voornoemde rechtspraak Tessili vallen, daar hun plaats van uitvoering op autonome wijze wordt bepaald.
166 Na te hebben overwogen, dat "voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag op arbeidsovereenkomsten, (...) steeds de verbintenis in aanmerking [moet] worden genomen waardoor dergelijke overeenkomsten worden gekarakteriseerd, dat wil zeggen de verbintenis van de werknemer om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten"(65), heeft het Hof voor recht verklaard, dat op dit gebied, "het begrip plaats van uitvoering van de relevante verbintenis (...) aldus moet worden uitgelegd, dat het voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag doelt op de plaats waar de werknemer in feite de met zijn werkgever overeengekomen werkzaamheden verricht".(66)
167 Deze uitlegging wordt gerechtvaardigd door twee soorten overwegingen.
168 Enerzijds vertonen arbeidsovereenkomsten vergeleken met andere overeenkomsten bepaalde bijzondere kenmerken, in dier voege dat zij een duurzame band creëren waardoor de werknemer een bepaalde plaats in het bedrijf van de onderneming of van de werkgever krijgt, en zij zijn te lokaliseren op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, welke plaats bepalend is voor de toepassing van regels van dwingend recht en van collectieve arbeidsovereenkomsten die die werknemer bescherming bieden.(67)
Het Hof leidt daaruit af, dat de plaats van uitvoering van de relevante verbintenis voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag niet moet worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter toepasselijk is, maar wel aan de hand van de eenvormige criteria die het Hof dient vast te stellen op basis van de opzet en de doelstellingen van het Executieverdrag.(68)
169 Anderzijds wordt de gekozen oplossing ingegeven door het streven naar een passende bescherming van de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst, in casu de werknemer.(69) Het Hof is van oordeel, dat een dergelijke bescherming het best kan worden verzekerd, wanneer de gerechten van de plaats waar de werknemer zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, bevoegd zijn ten aanzien van geschillen betreffende hun arbeidsovereenkomst. Op die plaats kan de werknemer zich namelijk met minder moeite tot de rechter wenden of zich aldaar verdedigen.(70)
170 Ik geloof niet, dat, wat het evenwicht van de betrekkingen tussen contractanten betreft, een overeenkomst als de handelsagentuurovereenkomst vergelijkbaar is met een arbeidsovereenkomst. De verhouding van economische afhankelijkheid waarin de agent zich tegenover zijn principaal bevindt, is niet van die aard, dat hij noodzakelijk, door zijn hoedanigheid zelf, als de zwakste partij moet worden beschouwd. Juridisch zelfstandig(71), beschikt de handelsagent over een belangrijke manoeuvreerruimte bij de organisatie van zijn werkzaamheden. Behoudens wanneer een exclusiviteitscontract hem dat belet, kan hij zich bovendien aan verschillende principalen binden, hetgeen hem een minimale omzet verzekert, die geschikt is om een eventuele afhankelijkheid te beperken.
171 Er bestaat bovendien geen met het op arbeidsovereenkomsten toepasselijke recht vergelijkbare regeling, waarvan de dwingende inhoud verbindend zou zijn op de plaats van uitvoering van de overeenkomst. De toepasselijke wet kan die zijn, welke de partijen hebben gekozen.
172 De redenen waarom ik een autonome definitie van de plaats van uitvoering voorstel, zijn dus niet identiek aan die welke het Hof ertoe hebben gebracht dat voor arbeidsovereenkomsten te doen, en hebben niet hetzelfde specifieke karakter.
173 Die keuze wordt integendeel ingegeven door de bijzondere geschiktheid van de daadwerkelijke plaats van uitvoering, bij een overeenkomst van tussenpersoon, om de twee criteria van de band en de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels te verzoenen.
174 Zoals in artikel 7, lid 2, van richtlijn 86/653 wordt gezegd, sorteert een handelsagentuurovereenkomst doorgaans effect binnen een contractueel bepaald territoriaal kader. In ieder geval moet, of het kader nu is vastgesteld of niet, het onderzoek van de overeenkomst het mogelijk maken, de daadwerkelijke plaats van uitvoering van de daarin neergelegde verbintenissen te bepalen, hetgeen te meer gerechtvaardigd is, daar in een vertegenwoordigingsovereenkomst als die in het hoofdgeding, de toepasselijke wet(72) het aan de medecontractanten overlaat om zelf de plaats van uitvoering van hun verbintenissen te bepalen.
175 In de onderhavige zaak blijkt uit het verwijzingsarrest, dat Bodetex optrad als handelsagent voor Leathertex, zonder alleenrecht, op de Belgische en de Nederlandse markt.
176 De overeenkomsten bevatten gegevens inzake de geografische lokalisatie van de uitvoering van de overeenkomst. De verwijzing naar de betrokken verbintenis maakt het echter mogelijk, de onzekerheden, verbonden aan overeenkomsten die gelijktijdig op het grondgebied van verschillende verdragsluitende staten kunnen worden uitgevoerd, te vermijden, en wijst terzelfder tijd de gerechten aan, die het dichtst bij het geschil staan. De plaats van uitvoering van de verbintenis zelf moet dus de doorslag geven, zoals de tekst van artikel 5, sub 1, Executieverdrag bepaalt. Het zal aan de nationale rechter staan, op grond van de gegevens waarover hij beschikt, de plaats te bepalen waar, volgens de overeenkomst, de betrokken verbintenis daadwerkelijk is of moest worden uitgevoerd.
177 Deze oplossing geeft natuurlijk geen systematisch antwoord op de gevallen van versnippering van geschillen, aangezien verschillende verbintenissen die uit eenzelfde overeenkomst zijn ontstaan, maar op het grondgebied van verschillende verdragsluitende staten zijn of kunnen worden uitgevoerd, zoals in de onderhavige zaak aan eenzelfde geschil ten grondslag kunnen liggen.
178 Het beginsel, dat wanneer de litigieuze verbintenis de betaling van een geldsom betreft, enkel van de verbintenissen in natura de plaats van uitvoering wordt bepaald, beperkt echter dat risico.
179 In het onderhavige geval, waarin gelijkwaardige verbintenissen aan het geschil ten grondslag liggen, hangt de eenheid van het bevoegde forum af van de eenheid van de plaatsen van uitvoering van de verbintenissen in natura waaraan de vorderingen tot betaling beantwoorden.
180 Wat de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding betreft, dient te worden verwezen naar de plaats van uitvoering van de oorspronkelijke verbintenis waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd, dus van de opzeggingstermijn. Aangezien deze termijn erin bestaat, dat de gevolgen van de overeenkomst in haar geheel, gedurende een wettelijk bepaalde termijn worden verlengd(73), valt de plaats van uitvoering ervan samen met die van de overeenkomst zelf, en niet van een verbintenis in het bijzonder.
181 Wat de vordering tot betaling van commissieloon betreft, is de in aanmerking te nemen plaats van uitvoering die van de aan de handelsagent gegeven vertegenwoordigingsopdracht waarvoor het commissieloon de tegenprestatie is, hetgeen ook hier weer samenvalt met de lokalisatie van de overeenkomst zelf.
182 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenis samenvalt met die van de overeenkomst zelf, en het toepassingsgebied van de overeenkomst zich over het grondgebied van verschillende verdragsluitende staten uitstrekt, staat het aan de verwijzende rechter, die plaats van uitvoering te bepalen op basis van de feitelijke elementen die hem in staat stellen, een van de verdragsluitende staten aan te wijzen als die, op het grondgebied waarvan de handelsagent het grootste deel van zijn activiteit verricht.
183 Meer in het algemeen ontslaat die tendens de verwijzende rechter er niet van, vooraf te onderzoeken of tussen de betrokken, uit eenzelfde overeenkomst ontstane verbintenissen geen hiërarchie kan worden vastgesteld teneinde, zoals 's Hofs vaste rechtspraak voorschrijft, de hoofdverbintenis te kiezen om het bevoegde forum te bepalen.
Conclusie
184 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
"Artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, moet aldus worden uitgelegd, dat een samengestelde vordering, enerzijds tot betaling van commissieloon voor een handelsagentuur en anderzijds tot betaling van een opzeggingsvergoeding, gebaseerd op verbintenissen die als gelijkwaardig worden voorgesteld en voortvloeiend uit dezelfde handelsagentuurovereenkomst, voor hetzelfde gerecht kan worden ingesteld, wanneer de plaats waar de vertegenwoordigingsopdracht, waarvan het commissieloon de tegenprestatie is, daadwerkelijk is of moet worden uitgevoerd, en die waar de verbintenis de wettelijke opzeggingstermijn in acht te nemen, waarvan de opzeggingsvergoeding de tegenprestatie is, daadwerkelijk is of moet worden uitgevoerd, zich op het grondgebied van dezelfde verdragsluitende staat bevinden."
(1) - Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77).
(2) - Arrest van 6 oktober 1976, De Bloos (14/76, Jurispr. blz. 1497, punten 8 en 9). Meer recentelijk, arrest van 15 januari 1987, Shenavai (266/85, Jurispr. blz. 239, punt 8).
(3) - Arrest van 22 maart 1983, Peters (34/82, Jurispr. blz. 987, punt 17).
(4) - Arrest van 13 juli 1993, Mulox IBC (C-125/92, Jurispr. blz. I-4075, punt 21).
(5) - Arrest van 15 februari 1989, Humbert (32/88, Jurispr. blz. 341, punt 20).
(6) - Blz. 10 van het verwijzingsarrest.
(7) - Arrest van 6 oktober 1976 (12/76, Jurispr. blz. 1473).
(8) - Zie punten 3 en 4 van onderhavige conclusie.
(9) - Arrest van 8 maart 1988, Arcado (9/87, Jurispr. blz. 1539), uit punt 16 waarvan blijkt, dat "een geschil betreffende de onrechtmatige opzegging van een zelfstandige agentuurovereenkomst en de betaling van ter uitvoering van die overeenkomst verschuldigd commissieloon, een geschil is ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag".
(10) - Punt 19.
(11) - Punten 18 en 19.
(12) - Arrest van 26 mei 1982 (133/81, Jurispr. blz. 1891).
(13) - Blz. 7 van het verwijzingsarrest.
(14) - Blz. 9 en 10 van het verwijzingsarrest.
(15) - Arrest van 20 maart 1997, Farrell (C-295/95, Jurispr. blz. I-1683, punt 11).
(16) - Op dit punt vertoont het verwijzingsarrest een zekere dubbelzinnigheid in zijn beschrijving van de redenering die het Hof van Beroep heeft gevolgd om zich bevoegd te verklaren, en men zou eraan kunnen twijfelen, dat de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenissen, volgens de toepasselijke collisieregels, in verschillende verdragsluitende staten ligt. Het Hof van Cassatie wijst er immers op, dat enerzijds het Hof van Beroep heeft geoordeeld, dat, overeenkomstig de Belgische collisieregel, de verplichting een opzeggingstermijn in acht te nemen, in België moet worden uitgevoerd, en dat anderzijds het arrest van het Hof van Beroep de collisieregel niet heeft toegepast, wat betreft de verbintenis achterstallig commissieloon te betalen (blz. 11 van het verwijzingsarrest). Het verzoek om een prejudiciële beslissing zou uitgaan van de hypothese van een versnippering van de bevoegde gerechten ten gevolge van de toepassing van de geldende collisieregels, terwijl de appelrechter die slechts gedeeltelijk zou hebben toegepast, hetgeen het belang van de gestelde vraag zou verminderen. In werkelijkheid is die dubbelzinnigheid slechts schijnbaar. Het lijdt geen twijfel, dat het Hof van Beroep slechts voor een van de twee betrokken verbintenissen een beroep heeft gedaan op zijn collisieregel. Het feit dat het een vonnis bekrachtigt, dat zich niet op de identiteit van de plaats van uitvoering krachtens de toepasselijke collisieregels, maar op de samenhang van de verbintenissen baseert om de hergroepering van de vorderingen voor eenzelfde gerecht te rechtvaardigen, toont aan, dat de bepaling van de plaats van uitvoering van de tweede verbintenis, in het licht van de collisieregels, ertoe zou hebben geleid, een andere plaats van uitvoering te onderscheiden. Anders zou de enkele werking van de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht tot hergroepering van de rechterlijke bevoegdheden hebben genoopt. De vraag van het Hof van Cassatie bevestigt dus het bestaan van die twee onderscheiden plaatsen van uitvoering, zoals zij uit de lex causae voortvloeien, en plaatst zich resoluut in het door voornoemd arrest Tessili omschreven kader.
(17) - Punt 13.
(18) - Er dient op te worden gewezen, dat dit standpunt, dat uitsluitend door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen is verdedigd, ter terechtzitting slechts is uiteengezet ter aanvulling van haar hoofdstelling, dat de bevoegde rechter die moet zijn van de plaats waar de verbintenis daadwerkelijk wordt uitgevoerd, hetgeen dus getuigt van een heroriëntering van haar oorspronkelijke standpunt.
(19) - Arrest van 24 juni 1981 (150/80, Jurispr. blz. 1671, punten 18-20); cursivering van mij.
(20) - Punt 17 van haar schriftelijke opmerkingen. Daaraan moet worden toegevoegd, dat artikel 6 Executieverdrag het mogelijk maakt, rechtstreeks de hergroepering van samenhangende zaken voor eenzelfde bevoegde rechter tot stand te brengen, en dus het gevaar dat het geschil uiteenvalt, af te wenden met een ander middel dan een exceptie van samenhang, maar die bepaling wijst beperkend de betrokken gevallen aan - meer dan één verweerder, vorderingen tot vrijwaring of tot voeging of tussenkomst, tegeneisen, en vordering ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst en zakelijke vordering betreffende een onroerend goed tegen eenzelfde verweerder -, zodat zij niet alle gevallen van samenhang beheerst. Ook de bevoegdheidsregels bij geschillen inzake verzekeringen en inzake door consumenten gesloten overeenkomsten, alsook de exclusieve bevoegdheden, waarborgen van het begin af aan de hergroepering van de samenhangende vorderingen, door het gerecht van één enkele verdragsluitende staat aan te wijzen.
(21) - Ibidem.
(22) - Preambule van het Executieverdrag.
(23) - Zie punten 19 en 20 van onderhavige conclusie.
(24) - Zie, onder meer, arrest van 9 januari 1997, Rutten (C-383/95, Jurispr. blz. I-57, punt 13), en arrest Farrell, reeds aangehaald, punt 13.
(25) - Zie, bijvoorbeeld, arrest Mulox IBC, reeds aangehaald, punt 21. Naast de evidente nadelen die tegenstrijdige beslissingen in samenhangende zaken voor de justitiabelen meebrengen, wat de juiste inhoud van de toepasselijke rechtsnorm betreft, moet eraan worden herinnerd, zoals het Hof heeft gedaan, dat "het gevaar van onverenigbare beslissingen (...) volgens artikel 27, sub 3, een grond [is] om erkenning of verlof tot tenuitvoerlegging te weigeren" (arrest van 11 januari 1990, Dumez France en Tracoba, C-220/88, Jurispr. blz. I-49, punt 18).
(26) - Arrest De Bloos, reeds aangehaald.
(27) - Arrest Shenavai, reeds aangehaald.
(28) - Arrest Ivenel, reeds aangehaald.
(29) - Arrest van 27 september 1988, Kalfelis (189/87, Jurispr. blz. 5565, punt 19), en arrest Humbert, reeds aangehaald, punt 18.
(30) - Punt 19.
(31) - Zo wordt in voornoemd arrest Kalfelis de onmogelijkheid voor het gerecht waarbij een vordering, cumulatief gebaseerd op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, schending van een contractuele verplichting en ongerechtvaardigde verrijking, is ingesteld, op grond van artikel 5, sub 3, Executieverdrag - bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad van het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan - kennis te nemen van de onderdelen van die vordering die een andere grondslag dan onrechtmatige daad hebben, gerechtvaardigd door te verwijzen naar het toepassingsgebied van de betrokken tekst.
(32) - Arresten Kalfelis, reeds aangehaald, punt 20, en Humbert, reeds aangehaald, punt 20.
(33) - Punten 47 e.v. van onderhavige conclusie.
(34) - De voornoemde arresten Tessili en De Bloos, beide gedateerd 6 oktober 1976, zijn 's Hofs eerste arresten tot uitlegging van het Executieverdrag.
(35) - Punt 11.
(36) - Arrest Farrell, reeds aangehaald, punt 12. Een definitie van het begrip "burgerlijke en handelszaken" had het Hof reeds in 1976 gegeven, in het arrest van 14 oktober 1976, LTU (29/76, Jurispr. blz. 1541). Andere definities volgden: het begrip "verbintenissen uit overeenkomst", in voornoemd arrest Peters, "verbintenis uit onrechtmatige daad", in voornoemd arrest Kalfelis, of het begrip "tot onderhoud gerechtigde", in voornoemd arrest Farrell, om er maar enkele te noemen.
(37) - De in voornoemd arrest Tessili, punt 13, geformuleerde oplossing, herhaald in voornoemd arrest Shenavai, punt 7, werd opnieuw herhaald in het arrest van 29 juni 1994, Custom Made Commercial (C-288/92, Jurispr. blz. I-2913, punten 26 e.v.).
(38) - Arrest Tessili, reeds aangehaald, punt 14.
(39) - Ibidem.
(40) - Zie punt 7 van onderhavige conclusie.
(41) - De verdragsluitende staten die van mening zijn, dat de verbintenis tot betaling in beginsel moet worden uitgevoerd in de woonplaats van de schuldenaar, zijn het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg, en die welke van mening zijn, dat zij in beginsel moet worden uitgevoerd in de woonplaats van de schuldenaar zijn het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek, Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
(42) - Op het gebied van de internationale koop van roerende goederen, bijvoorbeeld, wordt in het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1964 houdende een eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken (Nations unies - Recueil des traités, 1972, vol. 834, nr. 11929, blz. 107) en het Verdrag van Wenen van 11 april 1980 houdende bekendmaking van het verdrag der Verenigde Naties inzake koopovereenkomsten betreffende roerende goederen (decreet nr. 87-1034 van 22 december 1987, Journal officiel de la République française van 27 december 1987, blz. 15241) bepaald, dat de betaling moet worden verricht ter plaatse van vestiging van de verkoper of, bij gebreke daarvan, in zijn gewone verblijfplaats.
(43) - Arrest Dumez France en Tracoba, reeds aangehaald, punt 16.
(44) - Arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C-89/91, Jurispr. blz. I-139, punt 17).
(45) - Punt 28.
(46) - Rapport over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1), "rapport-Jenard" genoemd.
(47) - Arresten Tessili, reeds aangehaald, punt 13; Ivenel, reeds aangehaald, punt 11; Shenavai, reeds aangehaald, punt 6, en Custom Made Commercial, reeds aangehaald, punt 13.
(48) - Conclusie in voornoemde zaak Custom Made Commercial.
(49) - Ibidem, punt 26.
(50) - Ibidem, punt 21. In punt 26 haalt advocaat-generaal Lenz het voorbeeld aan van artikel 59, lid 1, van de Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken, die de betalingsplicht van de koper als een brengschuld aanmerkt. Daaraan ligt, volgens hem, de opvatting ten grondslag, dat wie geld verschuldigd is, het risico van het functioneren van het betalingsverkeer moet dragen.
(51) - Ibidem, punt 80.
(52) - Punt 49.
(53) - Punten 97 e.v. van onderhavige conclusie.
(54) - Punt 98 van onderhavige conclusie.
(55) - Men kan veronderstellen, dat de plaats van uitvoering van een dienst van het soort dat wordt verricht door een economisch subject dat is belast met een handelswerkzaamheid in de distributiesector, wanneer deze geografisch is begrensd door de termen van de overeenkomst, aanleiding kan geven tot een definitie die is te transponeren, ongeacht de aard van de betrokken distributieovereenkomst.
(56) - Punt 13.
(57) - Punt 14.
(58) - Punt 17.
(59) - De opzeggingstermijn is voorzien in artikel 15 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17).
(60) - Punt 94 van onderhavige conclusie.
(61) - Punt 80.
(62) - Ibidem, punt 82. Cursivering van mij. Zie, wat de plaats van uitvoering van de verbintenis tot betaling in de zin van artikel 59, lid 1, van de Eenvormige koopwet betreft, punten 97 en 98 van onderhavige conclusie.
(63) - Arrest Custom Made Commercial, reeds aangehaald, punt 12.
(64) - Ibidem, punt 21.
(65) - Arrest Mulox IBC, reeds aangehaald, punt 14.
(66) - Ibidem, punt 20, cursivering van mij.
(67) - Ibidem, punt 15.
(68) - Ibidem, punt 16.
(69) - Ibidem, punt 18.
(70) - Ibidem, punt 19.
(71) - Artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653.
(72) - Het kan, volgens de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van Den Haag van 14 maart 1978 houdende bekendmaking van het verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging (decreet nr. 92-423 van 4 mei 1992, Journal officiel de la République française van 8 mei 1992, blz. 6307), gaan om hetzij het door partijen gekozen interne recht, hetzij het interne recht van de staat waarin, op het tijdstip van het tot stand komen van de vertegenwoordigingsverhouding, de vertegenwoordiger zijn kantoor of, bij gebreke daarvan, zijn gewone verblijfplaats heeft, hetzij ten slotte het interne recht van de staat waarin de vertegenwoordiger zijn werkzaamheden voornamelijk moet verrichten, indien de vertegenwoordigde zijn kantoor of, bij gebreke daarvan, zijn gewone verblijfplaats in die staat heeft.
(73) - Artikel 15 van richtlijn 86/653.