Conclusie van advocaat-generaal Alber van 17 september 1998. - Skatteministeriet tegen Aktieselskabet Forsikrinsselskabet Codan. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Østre Landsret - Denemarken. - Richtlijn 69/335/EEG - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Recht geheven bij overdracht van niet op beurs genoteerde aandelen. - Zaak C-236/97.
Jurisprudentie 1998 bladzijde I-08679
A - Inleiding
1 In de onderhavige zaak stelt het Østre Landsret het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal(1) (hierna: "richtlijn 69/335"). In het bijzonder gaat het om de vraag, of het ten tijde van de feiten van het geding naar Deens recht geheven recht op de overdracht van aandelen verenigbaar is met die richtlijn. In casu werden de aandelen niet op de beurs verkocht. Derhalve betwist verweerster in het hoofdgeding de verplichting tot betaling van het recht, omdat het recht volgens de tekst van de Deense versie van de richtlijn een recht op beurstransacties is.
2 De vraag is gerezen in een geding tussen het Deense Ministerie van de Schatkist en Aktieselskabet Forsikringsselskabet Codan (hierna: "verweerster"). Laatstgenoemde had in juni 1990 met drie Britse vennootschappen, die het volledige aandelenkapitaal van Fjerde Sø A/S bezaten, een overeenkomst voor de overneming van het volledige aandelenkapitaal van Fjerde Sø gesloten. Tussen partijen staat vast, dat de waarde van de overgedragen aandelen 850 004 134 DKR bedroeg.
3 Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens had verweerster tijdens een buitengewone algemene vergadering besloten haar aandelenkapitaal te verhogen. De koerswaarde van de kapitaalverhoging stemde overeen met de waarde van de overgedragen aandelen van Fjerde Sø. Zoals de verwijzende rechter verder uiteenzet, werd deze kapitaalverhoging aangewend ter financiering van het aandelenkapitaal van Fjerde Sø, dat rechtstreeks van de drie Britse vennootschappen was verkregen.
4 Wegens de verhoging van haar aandelenkapitaal moest verweerster het ingevolge Deense wet nr. 284 verschuldigde kapitaalrecht betalen. Zij voldeed dit recht ook, doch wees erop, dat over hetzelfde bedrag niet tevens een recht behoefde te worden betaald uit hoofde van de wet betreffende het recht op de overdracht van aandelen. Nochtans vorderde de douane- en belastingadministratie tevens betaling van het recht op de overdracht van aandelen. Volgens verweerster is zulks in strijd met richtlijn 69/335.
5 Bij deze richtlijn, die bij wet nr. 284 in Deens recht is omgezet, dient het recht op het bijeenbrengen van kapitaal (hierna: "kapitaalrecht") te worden geharmoniseerd, zowel wat zijn structuur als wat zijn percentages betreft.(2) Volgens de zesde overweging van de considerans van de richtlijn gaat de idee van een gemeenschappelijke markt met de kenmerken van een binnenlandse markt uit van de veronderstelling, dat op het in het kader van een vennootschap bijeengebrachte kapitaal binnen de gemeenschappelijke markt slechts eenmaal het recht op het bijeenbrengen van kapitaal kan worden toegepast, en dat de hoogte van deze belasting, wil het kapitaalverkeer er niet door worden verstoord, in alle lidstaten gelijk dient te zijn. Voorts heet het in de considerans, dat de handhaving van andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken vertonen als het kapitaalrecht of het zegelrecht op effecten, het doel dat met de in deze richtlijn bedoelde maatregelen wordt nagestreefd in gevaar zou kunnen brengen, en dat deze belastingen derhalve dienen te worden afgeschaft.(3)
6 Artikel 4 van de richtlijn geeft een opsomming van de verrichtingen die ingevolge de richtlijn aan het kapitaalrecht zijn onderworpen. Het gaat daarbij onder meer om de oprichting van een kapitaalvennootschap en de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door inbreng van zaken van welke aard ook.
7 Ingevolge artikel 10 kan ter zake van bepaalde verrichtingen, behoudens het kapitaalrecht, geen enkele andere belasting worden geheven. Het gaat hier onder meer om de in artikel 4 bedoelde verrichtingen.
8 Ten slotte bepaalt artikel 11:
"De lidstaten onderwerpen aan geen enkele belasting, in welke vorm ook:
a) het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen (...)
(...)"
9 Artikel 12 bevat een uitzondering op de hierboven genoemde verboden van belastingheffing. In casu is inzonderheid artikel 12, lid 1, sub a, van belang, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het in de artikelen 10 en 11 bepaalde kunnen door de lidstaten worden geheven:
a) al dan niet forfaitaire rechten op de overdrachten van effecten;
(...)
c) overdrachtsrechten wegens inbreng van zaken van welke aard ook in een op het maken van winst gerichte vennootschap, vereniging of rechtspersoon, voor zover de overdracht van deze zaken geschiedt tegen toekenning van andere waarden dan aandelen;
(...)"
10 Aangezien de Deense versie van de richtlijn, evenals de Duitse versie, in artikel 12, lid 1, sub a, spreekt van "rechten op beurstransacties", is het volgens verweerster in casu niet toegestaan een recht op de overdracht van aandelen te heffen, omdat de overdracht van aandelen niet op de beurs is geschied.
11 Evenwel moet worden vastgesteld, dat in elk geval de Franse, de Engelse, de Nederlandse, de Spaanse, de Portugese en de Griekse versie van de richtlijn niet de toevoeging "beurs" in artikel 12, lid 1, sub a, bevatten.
12 Verweerster is nochtans van mening, dat in casu van de Deense versie van de richtlijn moet worden uitgegaan. De overige partijen die opmerkingen hebben ingediend - verzoekster, de Commissie, de Franse, de Finse en de Oostenrijkse regering - delen die mening niet.
13 Daar hij in twijfel verkeerde, of artikel 12, lid 1, sub a, van de richtlijn geldt, ongeacht of de overdracht van de aandelen al dan niet op de beurs geschiedt, heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"Moet artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, aldus worden uitgelegd, dat ingevolge die bepaling bij de overdracht van aandelen een recht kan worden geheven, ongeacht of de vennootschap die deze aandelen heeft uitgegeven, op een beurs is genoteerd, en ongeacht of de overdracht van aandelen geschiedt op de beurs dan wel rechtstreeks tussen de vervreemder en de verkrijger?"
B - Standpuntbepaling
14 Volgens verweerster kan ingevolge artikel 12, lid 1, sub a, behoudens het kapitaalrecht, enkel een recht op beurstransacties in de eigenlijke zin van het woord worden geheven, dus enkel over effectentransacties die op de beurs plaatsvinden, respectievelijk betrekking hebben op vennootschappen die op een beurs zijn genoteerd. Het is de lidstaten daarentegen niet langer toegestaan, een algemeen recht op de overdracht van aandelen te heffen.
15 Zelfs indien men verweersters standpunt ter zake, dat artikel 12, lid 1, sub a, de heffing van een algemeen recht op de overdracht van aandelen verbiedt, zou delen, dan moet nog worden nagegaan, welke gelding dit verbod heeft.
16 De Commissie verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof. Zo wordt in het arrest Bautiaa en Société française maritime(4) overwogen: "Teneinde het betrokken recht te kwalificeren vanuit het oogpunt van richtlijn 69/335 en te beoordelen of het (...) verenigbaar is met deze richtlijn, moet in de eerste plaats worden onderzocht, of verrichtingen (...) die (...) aanleiding hebben gegeven tot de heffing van het kapitaalrecht, binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335 vallen, en moeten deze verrichtingen vanuit het oogpunt van de richtlijn worden gekwalificeerd."(5)
17 Dit betekent, dat enkel die verrichtingen aan artikel 12 kunnen worden getoetst die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Zo verklaarde het Hof eveneens in het arrest Dansk Sparinvest: "Blijkens de artikelen 10, 11 en 12, in hun onderlinge samenhang gelezen, moet artikel 12 van de richtlijn derhalve aldus worden uitgelegd, dat het een uitputtende opsomming geeft van de andere belastingen en rechten dan het kapitaalrecht waaraan kapitaalvennootschappen kunnen worden onderworpen ter zake van de in de artikelen 10 en 11 bedoelde verrichtingen."(6) Het Hof baseerde zich daarbij op de laatste overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke de handhaving van andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken vertonen als het kapitaalrecht of het zegelrecht op effecten, het doel dat met de in deze richtlijn bedoelde maatregelen wordt nagestreefd in gevaar zou kunnen brengen, en deze belastingen derhalve dienen te worden afgeschaft.
18 Dit zou betekenen, dat het - los van de uitlegging van artikel 12 - niet in alle gevallen verboden zou zijn, een recht op de overdracht van aandelen te heffen. Het verbod zou integendeel enkel gelden voor de heffing van dit recht over verrichtingen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
19 Ook de Finse regering laat zich in die zin uit. Zij wijst erop, dat de Commissie in haar voorstellen voor een richtlijn telkens onderscheid heeft gemaakt tussen indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal en indirecte belastingen op de overdracht van roerende waarden. In casu gaat het om een richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, die niet strekt tot harmonisatie van de rechten op de overdracht van aandelen. Zou die richtlijn daarnaast ook de heffing van een recht op de overdracht van aandelen verbieden, dan had de Commissie geen voorstellen behoeven op te stellen die deze soort van rechten moesten uitsluiten.
20 Daarenboven zou een algemeen verbod van belastingheffing op de overdracht van roerende waarden in de gemeenschapswetgeving een vergaande wettelijke maatregel vormen, die niet zou kunnen worden uitgevoerd zonder een duidelijk gerechtvaardigde regeling die deze categorie van belastingheffing uitdrukkelijk verbiedt.
21 Ook het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de indirecte belastingen op effectentransacties(7) zou zinloos zijn, indien de litigieuze richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal reeds een algemeen verbod van die belasting zou behelzen.
22 Derhalve zou over de overdracht van aandelen een recht kunnen worden geheven in die gevallen die betrekking hebben op een activiteit die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Over de vraag of dit voor de in geding zijnde activiteit geldt, zijn partijen het niet eens. Dit houdt in hoofdzaak verband met het feit dat de door de verwijzende rechter geschetste toedracht van de overdracht van de aandelen, op verschillende wijze wordt uitgelegd. Hiervan hangt ook het antwoord op bovengenoemde vraag af.
23 Volgens de verwijzingsbeschikking heeft verweerster haar kapitaal verhoogd ter financiering van de aankoop van de aandelen. Derhalve zou hier van twee verschillende verrichtingen moeten worden uitgegaan:
- de verwerving van aandelen, die niet tot kapitaalverhoging heeft geleid, en
- de financiering van de aankoop van die aandelen door de verhoging van het kapitaal van de vennootschap.
Ook de Franse Republiek gaat uit van twee verschillende, van elkaar losstaande verrichtingen.
24 Anderzijds heeft het Deense ministerie aangevoerd, dat de overdracht van de aandelen als grondslag voor de kapitaalverhoging diende. Het leidt hieruit af, dat het in casu gaat om één verrichting die uit drie componenten bestaat. In de eerste plaats is dit de overdracht van de aandelen van Fjerde Sø aan Codan. Die overdracht is de voorwaarde en de grondslag voor de tweede verrichting, de verhoging van het kapitaal van Codan. De derde component bestaat in de overdracht van de nieuw uitgegeven aandelen door Codan aan de Britse verkopers van de aandelen van Fjerde Sø. Dit vormt de betaling van de oorspronkelijk overgedragen aandelen. Volgens verweerster gaat het in casu hoofdzakelijk om een kapitaalverhoging. Zij beschouwt de gehele verrichting evenwel als één verrichting, die derhalve niet tweemaal mag worden belast.
25 Aangezien derhalve niet voldoende gegevens voorhanden zijn om vast te stellen, hoe de overdracht van de aandelen precies in haar werk is gegaan en partijen het hierover niet eens zijn, verdient het aanbeveling om - zoals de Commissie in haar memorie doet(8) - twee alternatieven te onderzoeken.
26 Gaat men ervan uit, dat het kapitaal enkel is verhoogd ter financiering van de aankoop van de aandelen, dan gaat het om twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde verrichtingen. De kapitaalverhoging valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn en wordt aan het kapitaalrecht onderworpen. Hierover zijn partijen het eens. Het is evenwel de vraag, of de overdracht van de aandelen van Fjerde Sø aan Codan ook mag worden belast.
27 Volgens de Commissie is dit mogelijk, aangezien de overdracht van aandelen, die volledig op zichzelf moet worden beschouwd, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Zij leidt niet tot een kapitaalverhoging en draagt evenmin bij tot versterking van het economisch potentieel van de vennootschap.
28 Wil volgens 's Hofs rechtspraak een verrichting met betrekking tot het bijeenbrengen van kapitaal aanleiding kunnen geven tot heffing van kapitaalrecht, dan moet die verrichting het economisch potentieel van de begunstigde vennootschap versterken. Het Hof baseert zich daarbij op de considerans van richtlijn 74/553/EEG van de Raad van 7 november 1974 tot wijziging van artikel 5, lid 2, van richtlijn 69/335/EEG betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal.(9) (10) Aangezien de verwerving van aandelen door een vennootschap op zich niet tot verhoging van het maatschappelijk kapitaal en tot versterking van het economisch potentieel leidt, valt die verrichting niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335. Zoals reeds gezegd, moeten enkel die verrichtingen aan artikel 12 worden getoetst die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
29 Teneinde aan te tonen dat het in casu om twee volledig van elkaar onafhankelijke verrichtingen gaat, wijst de Franse Republiek er eveneens op, dat er verschillende mogelijkheden waren om de aankoop van de aandelen te financieren. Zo had Codan het aandelenpakket ook contant kunnen betalen. Derhalve is de kapitaalverhoging slechts één van verschillende mogelijkheden ter financiering van de aankoop van aandelen. Beide verrichtingen dienen derhalve als van elkaar losstaand te worden beschouwd.
30 Uit het voorgaande volgt derhalve, dat ingeval de kapitaalverhoging dient ter financiering van de aankoop van aandelen, die aankoop kan worden onderworpen aan een recht op de overdracht van aandelen. Dat de kapitaalverhoging tevens aan het kapitaalrecht is onderworpen, speelt daarbij geen rol.
31 Volgens het Deense Ministerie van de Schatkist en verweerster diende de overdracht van de aandelen evenwel als grondslag voor de kapitaalverhoging van Codan. Laatstgenoemde gaat derhalve uit van één verrichting, die niet tweemaal mag worden belast.
32 Een dergelijke "dubbele" belastingheffing kan evenwel niet a priori als ongeoorloofd worden beschouwd. Artikel 12 van de richtlijn bepaalt juist, dat de lidstaten, in weerwil van het in de artikelen 10 en 11 neergelegde verbod van andere indirecte belastingen, bepaalde rechten kunnen heffen "in afwijking van het in de artikelen 10 en 11 bepaalde". Het is slechts de vraag, of het door het Ministerie van de Schatkist gevorderde recht op de overdracht van aandelen een dergelijk recht in de zin van artikel 12 is.
33 Volgens verweerster is dit niet het geval. Er mag hier enkel worden uitgegaan van de Deense versie van de richtlijn, volgens welke slechts een recht op beurstransacties in de strikte zin van het woord kan worden geheven. Aangezien de verrichting in casu evenwel niet op de beurs heeft plaatsgevonden - hierover zijn partijen het eens - kan ook geen recht op beurstransacties worden geheven. Een algemeen recht op de overdracht van aandelen is ingevolge artikel 12, lid 1, sub a, niet toegestaan.
34 In dit verband moet er evenwel rekening mee worden gehouden, dat de verschillende taalversies van de richtlijn uiteenlopen. Verweerster is nochtans, zoals reeds gezegd, van mening dat in casu enkel van de Deense versie kan worden uitgegaan. Die is haars inziens zo concreet, dat de particulier zich hierop kan beroepen. In een dergelijk geval kan van de particulier niet worden gevergd, dat hij de Deense versie met de andere taalversies vergelijkt.
35 Er moet hier evenwel worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof. Zo heeft het Hof in het arrest CILFIT verklaard, dat in aanmerking moet worden genomen, dat de teksten van gemeenschapsrecht in verscheidene talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn. De uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht vereist dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies.(11) Hoe in geval van linguïstische afwijkingen moet worden gehandeld, heeft het Hof eveneens beslist in het arrest Rockfon. Daarin verklaarde het, dat de verschillende taalversies van een gemeenschapstekst op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd en "de betrokken bepaling derhalve, ingeval deze versies uiteenlopen, [moet] worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt".(12) Aangezien er in casu sprake is van verschillende uiteenlopende taalversies, kan de oplossing niet enkel worden gebaseerd op de Deense versie. De gemeenschapstekst moet integendeel op eenvormige wijze worden uitgelegd, onder meer met inachtneming van de doelstelling van de regeling.
36 De doelstelling van richtlijn 69/335 heeft het Hof omschreven als volgt: "Zoals blijkt uit haar considerans, strekt richtlijn 69/335 tot bevordering van het vrije kapitaalverkeer, dat essentieel wordt geacht voor de verwezenlijking van een economische unie waarvan de kenmerken overeenkomen met die van een binnenlandse markt. Het nastreven van dit doel veronderstelt met betrekking tot de belastingheffing op het bijeenbrengen van kapitaal, dat de tot dan toe in de lidstaten van kracht zijnde indirecte belastingen worden afgeschaft en vervangen door een eenmalig binnen de gemeenschappelijke markt geheven belasting, waarvan de hoogte in alle lidstaten gelijk is."(13)
37 In casu wordt betoogd, dat wanneer in bepaalde lidstaten enkel een recht op beurstransacties mocht worden geheven, terwijl in andere een algemene belasting op de overdracht van aandelen werd toegepast, zulks tot ongelijke behandeling of tot vervalsing van de mededinging zou leiden.
38 Dit is een argument vóór eenvormige uitlegging van de richtlijn. Over de vraag hoe die uitlegging moet luiden, geeft die overweging geen uitsluitsel. Voorts zij erop gewezen, dat reeds in de richtlijn zelf diverse mogelijkheden voor een regeling zijn voorzien. Artikel 12, lid 1, bepaalt namelijk, dat de lidstaten onder meer rechten op de overdrachten van effecten, overdrachtsrechten enzovoort "kunnen" heffen. Aangezien het de lidstaten derhalve vrijstaat om te beslissen, of zij van deze mogelijkheid gebruik maken, moet ervan worden uitgegaan, dat zulks niet op uniforme wijze in de Gemeenschap zal worden geregeld.
39 Anderzijds zou de door verweerster voorgestane uitlegging leiden tot ongelijke behandeling van ondernemingen die wel en ondernemingen die niet op de beurs zijn genoteerd, en derhalve tot vervalsing van de mededinging. Aangezien enkel de transacties op de beurs zouden zijn belast, zou dit bovendien veel ondernemingen kunnen afschrikken de opneming in de beursnotering te vragen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid, dat het zou indruisen tegen de doelstelling van de richtlijn, wanneer artikel 12, lid 1, sub a, aldus zou worden uitgelegd, dat enkel een recht op beurstransacties (in de strikte zin van het woord) en geen algemene belasting op de overdracht van aandelen mocht worden geheven.
40 Verweerster betwist dit door erop te wijzen, dat artikel 12 een uitzonderingsbepaling is die restrictief moet worden uitgelegd. Zoals reeds gezegd, gaat het hier evenwel om een afwijkende taalversie, om welke reden met inachtneming van de doelstelling van de regeling een gemeenschappelijke uitlegging moet worden gevonden.
41 Verweerster voert bovendien aan, dat de tekst van de Deense versie doorslaggevend moet zijn, te meer daar het in casu om de heffing van belastingen door de staat gaat. In dat geval vindt de voornoemde rechtspraak van het Hof haars inziens geen toepassing. Aangezien in een dergelijk geval voldoende duidelijkheid moet bestaan, komt een gemeenschappelijke uitlegging met inachtneming van de doelstelling van de regeling niet in aanmerking. Haars inziens kan van de ondernemingen namelijk niet worden gevergd, dat zij verschillende versies met elkaar vergelijken.
42 In dit verband kan worden volstaan met te verwijzen naar het arrest Henriksen, waarin eveneens in een geval van belastingheffing niet alleen gebruik werd gemaakt van de desbetreffende taalversie van de regeling, doch ook rekening werd gehouden met de andere taalversies bij wege van gemeenschappelijke uitlegging.(14)
43 Ten slotte stelt verweerster, dat niet duidelijk is, waarom niet alleen een recht op beurstransacties, doch ook een algemene belasting op de overdracht van aandelen moest worden geheven. Het in artikel 12, lid 1, sub a, bedoelde recht op beurstransacties vormt enkel de betaling voor de activiteiten van de beurs. Onduidelijk is waarom daarenboven alle overdrachten van aandelen zouden moeten worden belast.
44 Dienaangaande zij evenwel verwezen naar de door Finland en de Commissie genoemde voorstellen van de Commissie voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de indirecte belastingen op de overdracht van aandelen. Die voorstellen werden weliswaar niet goedgekeurd, doch zij maken duidelijk, dat volgens de Commissie de heffing van belastingen op de overdracht van aandelen losstaat van de belastingheffing op het bijeenbrengen van kapitaal. Voorts wordt in het reeds genoemde voorstel voor een richtlijn betreffende de indirecte belastingen op effectentransacties(15) bepaald, dat naast die belasting ook het in richtlijn 69/335 bedoelde kapitaalrecht mag worden geheven.(16) Daaruit kan worden afgeleid, dat een belastingheffing op de overdracht van aandelen ingevolge artikel 12 niet moest worden verboden, doch dat beide soorten belastingen naast elkaar bestaan. Om die reden valt evenmin in te zien, waarom niet in casu in het kader van artikel 12 eveneens een belastingheffing op de overdracht van aandelen mogelijk zou zijn.
45 Dat verreweg de meeste taalversies van de richtlijn niet de toevoeging "beurs" bevatten, zou er eveneens op kunnen duiden, dat moest worden voorzien in een van de beurs onafhankelijke belastingheffing op de overdracht van aandelen.
46 Bovendien zij opgemerkt, dat de Oostenrijkse regering betoogt, dat ook in de Duitse fiscale praktijk - in weerwil van de afwijkende uitdrukkelijke formulering in de Duitse versie van de richtlijn - de overdracht van aandelen wordt belast, ongeacht of die overdracht al dan niet op de beurs is geschied.
47 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat volgens beide alternatieven een belastingheffing op de overdracht van de aandelen niet is uitgesloten.
C - Conclusie
48 Gelet op een en ander, moet de prejudiciële vraag worden beantwoord als volgt:
"Artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, moet aldus worden uitgelegd, dat bij de overdracht van aandelen een recht kan worden geheven, ongeacht of de vennootschap die deze aandelen heeft uitgegeven, op een beurs is genoteerd, en of de overdracht van aandelen geschiedt op de beurs dan wel rechtstreeks tussen de vervreemder en de verkrijger."
(1) - PB L 249, blz. 25, gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23).
(2) - Zevende overweging van de considerans van richtlijn 69/335.
(3) - Achtste overweging van de considerans van richlijn 69/335.
(4) - Arrest van 13 februari 1996 (C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505).
(5) - T.a.p., voetnoot 4, punt 31.
(6) - Arrest van 2 februari 1988 (36/86, Jurispr. blz. 409, punt 9); zie ook arrest van 20 april 1993, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915, punt 24).
(7) - PB 1976, C 133, blz. 1.
(8) - In haar verklaring ter terechtzitting heeft de Commissie zich enkel gebaseerd op de zienswijze van het Ministerie van de Schatkist.
(9) - PB L 303, blz. 9.
(10) - Arrest van 5 februari 1991, Deltakabel (C-15/89, Jurispr. blz. I-241, punten 13 en 14).
(11) - Arrest van 6 oktober 1982 (283/81, Jurispr. blz. 3415, punt 18).
(12) - Arrest van 7 december 1995 (C-449/93, Jurispr. blz. I-4291, punt 28), waarin wordt verwezen naar het arrest van 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 14).
(13) - Arrest van 11 juni 1996, Denkavit Internationaal e.a. (C-2/94, Jurispr. blz. I-2827, punt 16), en arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (aangehaald in voetnoot 6, punt 19).
(14) - Arrest van 13 juli 1989 (173/88, Jurispr. blz. 2763, punten 10 e.v.).
(15) - Zie voetnoot 7.
(16) - Artikel 10, lid 2, sub a, van het voorstel voor een richtlijn.