61997C0113

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 13 november 1997. - Henia Babahenini tegen Belgische Staat. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal du travail de Charleroi - België. - Samenwerkingsovereenkomst EEG-Algerije - Artikel 39, lid 1 - Beginsel van non-discriminatie op gebied van sociale zekerheid - Rechtstreekse werking - Werkingssfeer - Uitkering voor gehandicapten. - Zaak C-113/97.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-00183


Conclusie van de advocaat generaal


1 In deze zaak, die is verwezen door de Arbeidsrechtbank te Charleroi, wordt het Hof gevraagd, of een lidstaat aan de echtgenote van een Algerijnse werknemer, beiden wonend in die lidstaat, een socialezekerheidsuitkering mag weigeren waarop de onderdanen van die lidstaat recht hebben.

2 Het recht van Algerijnse werknemers en hun gezinsleden, die binnen de Gemeenschap wonen, op socialezekerheidsuitkeringen is geregeld in de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (hierna: "Overeenkomst").(1)

3 Het doel van de Overeenkomst is de algemene samenwerking tussen de partijen bij de Overeenkomst te bevorderen, teneinde de versteviging van hun betrekkingen in de hand te werken en bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Algerije.(2)

4 Artikel 39, lid 1, bepaalt, dat behoudens het bepaalde in de andere leden van dit artikel, die geen van alle voor de onderhavige zaak relevant zijn, de werknemers van Algerijnse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid worden behandeld zonder enige discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de eigen onderdanen van de lidstaat waar zij werkzaam zijn.

5 H. Babahenini, Algerijns onderdaan en geboren op 12 juli 1944, woont in België met haar echtgenoot, die eveneens Algerijns onderdaan is, en hun kinderen. Zij heeft in België geen arbeid verricht; haar echtgenoot ontvangt evenwel een Belgisch ouderdomspensioen en heeft dus naar wij mogen aannemen in België gewerkt. De aanvraag van Babahenini van een Belgische uitkering voor gehandicapten werd afgewezen op grond dat zij niet voldeed aan de in de betrokken Belgische wet gestelde nationaliteitsvoorwaarde.(3) Ingevolge artikel 4 van deze wet is voor het recht op de uitkering voor gehandicapten vereist, dat de betrokkene werkelijk in België verblijft, Belg is of binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71(4) valt, staatloos of vluchteling is, dan wel tot de leeftijd van 21 jaar recht heeft gehad op verhoogde kinderbijslag. Babahenini kwam van de afwijzing in beroep bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi, dat het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:

"Kan een lidstaat, gelet op artikel 39 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78, een uitkering voor gehandicapten (in casu de uitkering uit hoofde van de Belgische wet van 27 februari 1987) weigeren aan een Algerijnse gehandicapte die niet zelf in België heeft gewerkt, wanneer zij in België woont met haar Algerijnse echtgenoot, die een Belgisch ouderdomspensioen ontvangt?"

6 Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Belgische regering en de Commissie. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

7 Het Hof heeft zich reeds herhaaldelijk uitgesproken over de betekenis en de draagwijdte van artikel 39, lid 1, van de Overeenkomst en de in gelijke bewoordingen gestelde bepaling(5) van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko.(6) In deze rechtspraak, die ik in mijn conclusie in de zaak Djabali(7) heb besproken, zijn de volgende beginselen vastgelegd.

8 In de eerste plaats omvat het begrip "werknemer" ook de "voormalige werknemer"(8), zodat Babahenini's echtgenoot kan worden geacht onder de personele werkingssfeer van artikel 39, lid 1, te vallen.

9 In de tweede plaats mag het begrip "sociale zekerheid" niet anders worden gedefinieerd dan de definitie van dit begrip in de context van verordening nr. 1408/71.(9) Aangezien de in verordening nr. 1408/71 geregelde materie uitdrukkelijk de Belgische uitkering voor gehandicapten omvat(10), valt die uitkering binnen de materiële werkingssfeer van artikel 39, lid 1.

10 In de derde plaats heeft artikel 39, lid 1, rechtstreekse werking, zodat personen op wie deze bepaling van toepassing is, er zich voor de nationale rechter op mogen beroepen.(11)

11 Mijns inziens volgt uit deze premissen onontkoombaar, dat Babahenini recht heeft op de uitkering voor gehandicapten, indien een Belgisch onderdaan in haar situatie daarop recht zou hebben, hetgeen het geval lijkt te zijn. Ik merk hierbij op, dat de voorwaarde van wonen in België voor de betaling van dit type uitkering een geldige voorwaarde is.(12) Babahenini is gezinslid van en woonachtig bij een voormalige werknemer van Algerijnse nationaliteit en heeft derhalve ingevolge artikel 39, lid 1, recht op een behandeling op het gebied van de sociale zekerheid die vrij is van elke discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de eigen onderdanen van de lidstaat waar haar echtgenoot werkzaam is geweest.

12 De opmerkingen van de Commissie hebben dezelfde strekking. De Belgische regering evenwel neemt een ander standpunt in (haar conclusie dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord is kennelijk een verschrijving). Zij verwijst naar het onderscheid dat het Hof in het arrest Kermaschek(13) heeft gemaakt tussen afgeleide en eigen rechten in de context van de rechten van gezinsleden van een werknemer op bepaalde uitkeringen ingevolge verordening nr. 1408/71, en stelt dat een gehandicapte alleen uit eigen hoofde recht op uitkering kan doen gelden, zodat Babahenini geen recht kan ontlenen aan de hoedanigheid van haar echtgenoot. Het Hof heeft evenwel, zoals de Commissie uiteenzet, geweigerd dit onderscheid toe te passen op rechten die gebaseerd zijn op artikel 39, lid 1, van de Overeenkomst(14); hoe dan ook heeft het Hof in het arrest Cabanis-Issarte(15) de regel van het arrest Kermaschek beperkt tot bepaalde welomschreven omstandigheden, waar de feiten van het onderhavige geval buiten vallen.

Conclusie

13 Ik concludeer dan ook, dat artikel 39 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978, eraan in de weg staat dat een lidstaat aan een Algerijnse gehandicapte die niet zelf in België heeft gewerkt, op grond van nationaliteit een uitkering voor gehandicapten weigert, wanneer deze gehandicapte in België woont met haar echtgenoot, een Algerijns onderdaan die voorheen in België heeft gewerkt.

(1) - PB L 263, blz. 1.

(2) - Artikel 1.

(3) - Wet van 27 februari 1987 inzake uitkeringen voor gehandicapten.

(4) - Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De jongste geconsolideerde versie is gepubliceerd als deel I van bijlage A bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1).

(5) - Artikel 41, lid 1.

(6) - Ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1).

(7) - Conclusie van 15 mei 1997 (C-314/96).

(8) - Arrest van 31 januari 1991, Kziber (C-18/90, Jurispr. blz. I-199, punt 27).

(9) - Arrest van 20 april 1994, Yousfi (C-58/93, Jurispr. blz. I-1353, punt 28).

(10) - Artikelen 4, lid 2, sub a, en 10 bis, alsook bijlage II bis.

(11) - Arrest van 5 april 1995, Krid (C-103/94, Jurispr. blz. I-719, punt 24).

(12) - Artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71.

(13) - Arrest van 23 november 1976 (40/76, Jurispr. blz. 1669).

(14) - Arrest Krid, aangehaald in voetnoot 11, punt 39.

(15) - Arrest van 30 april 1996 (C-308/93, Jurispr. blz. I-2097).